Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5711

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
01/845485-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van zware mishandeling. Nu niet bewezen kan worden dat aangever ook tegen het hoofd is geschopt acht de rechtbank het voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer niet aanwezig. Daarom acht de rechtbank het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen van poging doodslag niet bewezen en spreekt de rechtbank verdachte van dit feit vrij.

Omdat voor de onder 2 tenlastegelegde bedreiging in vereniging enkel de belastende verklaring van aangever voorhanden is, spreekt de rechtbank verdachte ook van het onder 2 tenlastegelegde vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT


Parketnummer vordering: 01/077328-12 Parketnummer: 01/845485-13

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/845485-13
Parketnummer vordering: 01/077328-12

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]1967,

wonende te [woonplaats,adres]

thans gedetineerd te P.I. Breda - HvB De Boschpoort.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 september 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Someren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer]van het leven te beroven, met dat opzet met zijn, verdachtes, mededader die[slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) in/tegen diens gezicht en/of hoofd, in elk geval diens lichaam, heeft/hebben geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet) tegen diens be(e)n(en), in elk geval diens lichaam, heeft/hebben geschopt en/of

- terwijl die [slachtoffer] de grond lag, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet) in/tegen diens gezicht en/of hoofd heeft/hebben geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287 Wetboek van Strafrecht);

(art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

(art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Someren tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en/of gebroken tongbeen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) in/tegen diens gezicht en/of hoofd, in elk geval diens lichaam, te slaan en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet) tegen diens be(e)n(en), in elk geval diens lichaam, te schoppen en/of

- terwijl die [slachtoffer]op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet) in/tegen diens gezicht en/of hoofd te schoppen;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

(art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Someren tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) in/tegen diens gezicht en/of hoofd, in elk geval diens lichaam, heeft/hebben geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet) tegen diens be(e)n(en), in elk geval diens lichaam, heeft/hebben geschopt en/of

- terwijl die [slachtoffer]op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet) in/tegen diens gezicht en/of hoofd heeft/hebben geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

(art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

(art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Someren, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer]heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend die [slachtoffer] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Ik schop je kapot en je familie erbij, ik weet je wel te vinden klootzak" en/of "Als je hier ooit iets over zegt of dat er iets naar buiten komt, dan maak ik jou en je handel kapot. Datzelfde geldt voor jouw hele familie en ook voor die hoer van jouw" en/of "Als je aangifte doet, maak ik je dood. Als ik het zelf niet kan doen, dan heb ik wel iemand anders die jou dood kan slaan", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

(art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/077328-12 is aangebracht bij een ongedateerde vordering van de officier van justitie (ingekomen ter strafgriffie op 4 september 2013). Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 15 april 2013. Een kopie van de vordering is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair en feit 2.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van poging tot doodslag (feit 1 primair). De officier van justitie heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat verdachte en zijn medeverdachte door meermalen tegen het hoofd van slachtoffer [slachtoffer] te schoppen welbewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou kunnen komen te overlijden. Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging met de dood (feit 2).

De verdediging heeft op de in de pleitnota genoemde gronden vrijspraak voor feit 1 primair en feit 2 bepleit. Zij heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat verdachte nimmer de intentie heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende wettig bewijs is voor de ten laste gelegde bedreiging, nu de aangifte op dat punt door geen ander bewijsmiddel wordt ondersteund.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1 primair.

De rechtbank overweegt dat bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs niet kan worden vastgesteld dat verdachte en/of zijn medeverdachte aangever [slachtoffer]tegen het hoofd heeft/hebben geschopt. Behoudens de aangifte van [slachtoffer]bevat het dossier daarvoor geen ondersteunend bewijs. Het letsel dat bij [slachtoffer] is veroorzaakt, is niet van zodanige aard of omvang dat daaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat dit letsel is veroorzaakt door schoppen.

Nu niet onomstotelijk is komen vast te staan dat aangever tegen het hoofd is geschopt, acht de rechtbank met de verdediging voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer niet aanwezig en zal verdachte van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag vrijspreken. Dit opzet valt, al dan niet in voorwaardelijke vorm, bij gebreke van bijkomende feiten en omstandigheden niet af te leiden uit het meermalen met de vuist slaan tegen het gezicht/hoofd van[slachtoffer].

Ten aanzien van feit 2.

De rechtbank stelt vast dat het enige directe bewijs voor de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging in vereniging bestaat uit de aangifte van [slachtoffer]. Deze aangifte wordt op dat punt niet ondersteund door overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs – in de zin van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering – bestaat om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen, zodat verdachte van dat feit eveneens behoort te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 subsidiair.

Het standpunt van de verdediging.

Voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank acht voor haar oordeel de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Op 20 juni 2013 heeft [slachtoffer]aangifte gedaan. In deze aangifte heeft aangever onder meer het volgende verklaard.

Op 19 juni 2013, omstreeks 20.30 uur was ik in mijn woning aan het [adres]te Someren. Ik keek naar buiten en ik zag de mij bekende [medeverdachte] voor de deur staan. Ik liep naar de voordeur en ik deed deze open. Ik zag toen dat er een andere man bij [medeverdachte] stond. Toen ik die man zag wist ik eigenlijk meteen dat hij de vader van [medeverdachte] was. Ik stond in de deuropening en die man wilde naar binnen om het binnen met mij uit te praten. Ik wilde dat niet en bleef in de deuropening staan. [medeverdachte] probeerde langs mij op te komen en naar binnen te lopen. Ze stonden beiden nog geen halve meter bij mij vandaan. Die man nam het woord en het initiatief. Toen het die man duidelijk was dat ik hen niet binnen wilde laten werden ze allebei erg boos. Ze ontploften bijna zo agressief waren ze opeens. Ik wilde de deur dicht doen maar dat lukte niet meer. Ik kreeg onverwachts van die man een keiharde vuistslag tegen mijn gezicht. Ik duwde ze allebei van de voordeur weg de oprit van mijn woning op. Ik wilde de voordeur achter mij dicht trekken maar dat lukte niet meer. Ik werd toen door beiden van alle kanten geslagen en geduwd. Ik zag en voelde toen dat [medeverdachte]mij in ieder geval 5 keer en misschien wel 10 keer opzettelijk en met volle kracht met zijn gebalde vuisten tegen mijn gezicht sloeg. Op het moment dat ik [medeverdachte] af probeerde te weren en mij verdedigde begon die andere man mij van achteren aan te vallen en te slaan. We stonden op dat moment midden op de oprit en ik voelde dat die man mij opzettelijk en met veel kracht tegen mijn achterhoofd sloeg. Ik voelde direct hevige pijn en het werd mij zwart voor de ogen. In een keer lag ik op de oprit op de grond. Terwijl ik op mijn rug op de oprit lag ging die man bovenop mij zitten en hij sloeg mij opzettelijk, met kracht en met gebalde vuisten wel tien keer tegen mijn gezicht tot ik niet meer bewoog. Op weg naar mijn achtertuin werd ik door beiden tegen mijn hoofd geslagen. Ik voelde veel pijn. Ik kon na enkele minuten helemaal niets meer. Ik bloedde toen heel erg. Het meeste bloed gutste uit mijn kapotte neus en mond. Het liep er bijna met een straal uit. Uiteindelijk ben ik voor een nacht opgenomen in het ziekenhuis.2

Op grond van de medische verklaring stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer ten gevolge van de geweldshandelingen onder meer bloeduitstortingen op de rechteroogkas en een neusfractuur heeft bekomen.3

Aangever [slachtoffer] heeft in zijn aanvullende verklaring van 26 juni 2013 onder meer nog verklaard dat hij bij de KNO-arts is geweest en dat die hem vertelde dat zijn neus scheef stond en dat dit eventueel middels een plastisch chirurg kon worden opgelost.4

Bij sporenonderzoek in de woning van aangever zijn meerdere bloedsporen aangetroffen. Deze bloedsporen zijn door medewerkers van de Forensisch Technische Opsporing (FTO) bemonsterd en gewaarmerkt onder nummers SIN AAFM9227NL en SIN AAFM9230NL.5 Uit de genoemde monsters zijn respectievelijk een onvolledig en volledig DNA-profiel van een man verkregen. Deze DNA-profielen matchen met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte], dat is opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. De berekende kans dat een willekeurig gekozen persoon hetzelfde DNA-profiel heeft als van deze sporen is kleiner dan één op één miljard.6

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij kort gezegd op 19 juni 2013 met zijn stiefzoon [medeverdachte]naar de woning van aangever [slachtoffer]is gegaan. Er vond toen aldaar met aangever een woordenwisseling plaats. Uiteindelijk is verdachte op aangever terechtgekomen en heeft hij aangever meermalen met zijn vuisten heel hard tegen het hoofd geslagen.7

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair geldt ook hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het schoppen. De rechtbank trekt ook ten aanzien van dit feit de conclusie dat bij gebrek aan ondersteunend bewijs niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat er sprake was van schoppen, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Verder acht de rechtbank bij gebrek aan medische gegevens daaromtrent onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat aangever als gevolg van de geweldshandelingen een gebroken tongbeen heeft bekomen, zodat verdachte ook van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Naar algemene ervaringsregels is te verwachten dat iemand als gevolg van het meermalen met de vuisten hard slaan tegen het gezicht/hoofd slaan zwaar lichamelijk letsel kan oplopen. De rechtbank overweegt dat aan vitale delen van het lichaam (bijvoorbeeld het strottenhoofd, de ogen of het brein) ernstige schade zou kunnen worden toegebracht. De gedragingen van verdachte en de medeverdachten waren dan ook geëigend om dat letsel toe te brengen en kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dat gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan ter terechtzitting niets is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou bekomen en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht geeft een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt evenwel dat die bepaling de rechter de vrijheid laat om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid (HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8055). Hierbij wegen factoren mee als de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Naar het oordeel van de rechtbank is het letsel van aangever naar algemeen spraakgebruik als zwaar aan te merken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking niet slechts de ernst en plaats van de verwondingen, maar ook de omstandigheid dat aangever een nacht in het ziekenhuis heeft moeten verblijven alsook dat waarschijnlijk een nadere (plastisch) chirurgische ingreep noodzakelijk zal zijn om zijn neus weer recht te zetten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank derhalve de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling in vereniging gepleegd wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(subsidiair)

op 19 juni 2013 te Someren tezamen en in vereniging met een ander aan een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus) heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen met kracht met gebalde vuist in/tegen diens gezicht en/of hoofd te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van het voorarrest gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft matiging van de strafeis van de officier van justitie bepleit en de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met hierna te noemen factoren. Verdachte wordt al jaren geconfronteerd met een dochter die gepest wordt door de zoon van aangever. Verdachte was ten einde raad. Verdachte heeft bijzonder veel spijt van hetgeen is voorgevallen. Hij realiseert zich dat geweld niet de oplossing is, maar de frustraties zorgden ervoor dat hij zijn beheersing verloor en aangever heeft geslagen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bijzonder ernstig geweldsdelict. Hij heeft met zijn stiefzoon het slachtoffer [slachtoffer] in de woning van het slachtoffer, bij uitstek de plaats waar het slachtoffer zich veilig zou moeten voelen, in elkaar geslagen. De rechtbank heeft bij de strafoplegging met name het excessieve karakter van het geweld dat door verdachte en zijn medeverdachte jegens het slachtoffer is toegepast in aanmerking genomen, alsmede de ernstige gevolgen voor dat slachtoffer. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit in ernstige mate aangetast. Verder houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat het initiatief tot de geweldpleging van verdachte is uitgegaan en dat hij zijn stiefzoon daarbij heeft betrokken. Verder heeft verdachte een aanzienlijk grotere rol gespeeld bij de geweldshandelingen dan zijn stiefzoon.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank zal echter een fors lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank verdachte van het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde zal vrijspreken en de rechtbank bovendien van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Verder is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd, enerzijds om de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan. Als bijzondere voorwaarde bij deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank aan verdachte een contactverbod met slachtoffer [slachtoffer] opleggen, zodat deze gedurende de hierna te noemen proeftijd niet meer tegen zijn wil met verdachte hoeft te worden geconfronteerd.

Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd als de verdachte zich gedurende de proeftijd aan de voorwaarden houdt.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde zoals hiervoor is overwogen en in het dictum nader zal worden omschreven.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer](ten aanzien van feit 1 subsidiair).

Aangever [slachtoffer]heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 22.872,80, vermeerderd met de wettelijke rente, voor materiële en immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij is uit de volgende onderdelen opgebouwd, verkort en zakelijk weergegeven:

1.

Zaakschade

  1. beveiligingscamera’s € 500,00

  2. nieuwe sloten/cilinders € 100,00

  3. kledingschade/onherstelbaar beschadigd (T-shirt, broek, schoenen) € 440,00

  4. schoonmaakkosten bloedvlekken € 60,00

  5. verdwenen bloempotten € 100,00

  6. reiskosten tot 26 september 2013 € 635,28

  7. presentjes uitvoerders € 200,00

  8. extra telefoonkosten € 50,00

  9. extra kosten in verband met aangepaste voeding € 250,00

2.

Kosten in verband met medische behandelingen

j. daggeldvergoeding 4 opnamedagen ziekenhuis € 112,00

3.

Verlies aan arbeidscapaciteit

voorschot verlies aan verdienvermogen

19 juni 2013 tot 19 september 2013 netto € 3.513,51

19 september 2013 tot 19 januari 2014 netto € 4.684,68

huishoudelijke hulpbehoefte/opvang voor dochter

eerste drie maanden 13 weken x € 126,00 € 1.638,00

daarna 4 uren per week vanaf 19 september 2013 tot € 589,33

19 januari 2014

4.

Immateriële schadevergoeding € 10.000,00

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schadevergoeding kan worden toegewezen met uitzondering van genoemde posten 1g (presentjes uitvoerders) en 3l (kosten huishoudelijke hulp), nu er ten aanzien van die posten geen sprake is van rechtstreeks door het ten laste gelegde feit door toedoen van verdachte toegebrachte schade. De benadeelde partij dient in die posten niet ontvankelijk verklaard te worden. De gevorderde immateriële schadevergoeding is voor toewijzing vatbaar. Het toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft verder gevorderd aan verdachte de maatregel van schadevergoeding ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

In de visie van de verdediging kan de gevorderde schadevergoeding niet eenvoudig worden vastgesteld, waardoor deze vordering zich niet leent voor voeging in de strafzaak. De verdediging betwist nadrukkelijk de hoogte van de gevorderde immateriële en materiële schadevergoeding, nu deze onvoldoende is onderbouwd. Verder heeft de verdediging zich met betrekking tot een aantal materiële posten op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van rechtstreekse schade. De verdediging heeft derhalve afwijzing van de vordering dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij bepleit.

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding oordeelt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht het onderdeel 2j (daggeldvergoeding; € 112,00) voor toewijzing vatbaar, nu dat onderdeel genoegzaam is onderbouwd en daartegen geen gemotiveerd verweer is gevoerd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank verder voldoende gebleken dat de kleding van de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen beschadigd is geraakt. De rechtbank begroot deze schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op € 220,00.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van de onderdelen 1f, 1h, 1i, 3k en 3l een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve in die onderdelen van haar vordering niet ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij die onderdelen slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt.

Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde feit nadeel van niet vermogensrechtelijke aard heeft ondervonden. Het nadeel van de benadeelde partij bestaat onder meer uit het letsel, de pijn, de angst en schrik van het moment, de dreiging die van de gedragingen van verdachten uitging en de nadelige en belastende effecten die deze gedragingen – naar ook algemene ervaringsregels leren – hebben gehad (en nog hebben) op het dagelijkse leven en functioneren van betrokkene, een en ander zoals blijkt uit de verschafte toelichting door en namens de benadeelde partij. Deze schade valt naar zijn aard niet exact vast te stellen en dient derhalve te worden begroot. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de bedragen die, gelet op de gepubliceerde rechtspraak, door rechtbanken en gerechtshoven plegen te worden toegekend in min of meer vergelijkbare gevallen. De rechtbank begroot de immateriële schade van de benadeelde partij op € 2.000,00.

De toegewezen schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit waarop bovenstaande civiele vordering betrekking heeft samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen deze onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij ingevolge artikel 6:102, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek jegens de benadeelden telkens hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De rechtbank zal de overige onderdelen van de vordering afwijzen, nu er ten aanzien van die onderdelen geen sprake is van door het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde feit door toedoen van verdachte toegebrachte schade.

De motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 01/077328-12.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 15 april 2013 onder meer is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren. Aan deze voorwaardelijke straf is de algemene voorwaarde gekoppeld dat verdachte gedurende de proeftijd zich niet mag schuldig maken aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft gehele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf gevorderd. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het in de onderhavige strafzaak om een volstrekt ander feit gaat dan waarvoor verdachte bij genoemd vonnis is veroordeeld. De verdediging heeft verzocht niet de tenuitvoerlegging te gelasten, maar de proeftijd te verlengen met één jaar.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair en feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1 subsidiair bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde oplevert:

medeplegen van zware mishandeling;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen contact zal opnemen, hebben of zoeken - in welke vorm dan ook, evenmin via derden - met [slachtoffer], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, een en ander met dien verstande dat onder dit contactverbod niet vallen contacten van of door tussenkomst van de advocaat van de verdachte met genoemde persoon;

legt op de volgende maatregel:

maatregel van schadevergoeding van € 2.332,00 subsidiair 33 dagen hechtenis;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]van een bedrag van € 2.332,00 (zegge: tweeduizend driehonderdtweeëndertig euro), bestaande uit € 332,00 voor materiële schade en € 2.000,00 voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 dagen hechtenis;

bepaalt dat verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door zijn

mededader is betaald;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet opheft;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer]van een bedrag van € 2.332,00 (zegge: tweeduizend driehonderdtweeëndertig euro), bestaande uit

€ 332,00 voor materiële schade en € 2.000,00 voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door zijn

mededader is betaald;

bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd is voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de volgende onderdelen van de vordering:

- reiskosten tot 26 september 2013;

- extra telefoonkosten;

- extra kosten in verband met aangepaste voeding;

- verlies aan verdiencapaciteit;

- kosten huishoudelijke hulpbehoefte/opvang door dochter;

bepaalt dat de benadeelde partij die onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering voor het overige af;

beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 15 april 2013, gewezen onder parketnummer 01/077328-12, te weten gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,

mr. J. Leyenaar-Holleman en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 16 oktober 2013.

Mr. A.M.R. van Ginneken is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 In de voetnoten wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, afdeling Deurne Asten Someren, registratienummer PL2203 2013083804, afgesloten op 22 juli 2013.

2 Verklaring [slachtoffer] van 20 juni 2013, pag. 12-15.

3 Medische verklaring opgemaakt en ondertekend op 25 juni 2013, pag. 65.

4 Verklaring [slachtoffer]van 26 juni 2013, pag. 67.

5 Een proces-verbaal sporenonderzoek van 12 juli 2013, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten[verbalisant 1] en [verbalisant 2], pag. 108.

6 Rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een mishandeling in Someren op 19 juni 2013, van 29 augustus 2013, van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt en ondertekend door ing. M.J.W. Pauwels, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA.

7 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 oktober 2013.