Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5685

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
SHE-12_3821
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak in een zaak waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het veranderen van een inrichting. Een onjuiste vermelding op het renvooi en in het aanvraagformulier wordt door de rechtbank beschouwd als een kennelijke verschrijving.

Het akoestische rapport dat ten grondslag lag aan de aanvraag, is gebaseerd op een onjuiste representatieve bedrijfssituatie. De door vergunninghouder voorgestane wijziging van de vergunning zal leiden tot een hogere geluidbelasting bij een aantal woningen. Weliswaar blijft de geluidbelasting voor de woning van eiser gelijk, maar gelet op de positie van de overige omwonenden ziet de rechtbank geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien op de wijze die vergunninghouder heeft voorgesteld. De rechtbank biedt daarom verweerder gelegenheid het gebrek te herstellen door de vergunning te wijzigen. Hiervoor dient wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure te worden gevolgd.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen daarom op 6 maanden.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, geldigheid: 2013-10-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 12/3821 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel, verweerder

(gemachtigde: ing. R.J.A.M. van Wersch en M. Compter).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te Boxtel (verder: vergunninghouder), gemachtigde: mr. P.P.A. Bodden.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning eerste fase (milieu) verleend voor het wijzigen en uitbreiden van een melkrundveehouderij.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M. Wingens en mr. T.J.H. Verstappen in plaats van mr. P.P.A. Bodden, vergezeld door deskundige
A.J.C. van de Heijning.

Het onderzoek is heropend.

Overwegingen

1.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.2 Vergunninghouder exploiteert een melkrundveehouderij aan de [adres 1] te Boxtel. Voor de inrichting is op 12 september 2006 een milieuvergunning verleend. Deze is vervallen, toen het Besluit Landbouw milieubeheer (Blm) op 6 december 2006 in werking trad. Op 2 maart 2011 is een melding ingediend voor het uitbreiden of wijzigen, dan wel het veranderen van de werking van de inrichting. De inrichting is gelegen in het buitengebied, maar direct ten zuidoosten van het agrarisch perceel ligt woonbebouwing (binnen het bestemmingsplan Lennisheuvel). Eiser is woonachtig aan de [adres 2], op ongeveer 20 meter van de inrichtingsgrens.

1.3 Vergunninghouder is voornemens een nieuwe stal (stal 5) te bouwen en een van de bestaande stallen (stal 1) uit te breiden. Daarnaast is hij voornemens een nieuwe kantine/ administratieve ruimte te bouwen. In verband met deze plannen heeft vergunninghouder op 30 maart 2012 een aanvraag omgevingsvergunning 1e fase (milieu) ingediend bij verweerder. In de stallen 1 en 5 zullen in totaal 359 melk- en kalfkoeien worden gehuisvest en 124 stuks vrouwelijk jongvee. Onder stal 5 zal een mestkelder worden gerealiseerd. In de voormalige stal 2 (verder: gebouw 2) zullen geen dieren meer worden gehouden. Gebouw 2 zal worden gebruikt voor opslag.

1.4 Verweerder heeft het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken met ingang van 10 augustus 2012 ter inzage gelegd. Op 20 september 2012 heeft eiser zienswijzen ingediend bij verweerder.

2.

De omgevingsvergunning ziet op de activiteit milieu als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het betreft een omgevingsvergunning eerste fase als bedoeld in artikel 2.5 van de Wabo.

3.1

Eiser is van mening dat de vergunning onvoldoende duidelijk is voor zover het betreft de bedrijfsactiviteiten betreffende de opslag, afvoer en eventuele aanvoer van mest. Uit de aanvraag blijkt dat de nieuw te bouwen stal tevens zal worden onderkelderd, maar er wordt slechts één mestkelder van 9.398 m3 ten behoeve van vloeibare mestopslag aangevraagd. Op de inrichtingstekening zijn, naast een extra afvoerpunt van mest tussen gebouw 2 en de onderkelderde sleufsilo, ook nog steeds twee mixputten aangegeven bij gebouw 2. Deze zijn echter in het akoestisch rapport niet meegenomen als stationaire bron.

3.2

Verweerder erkent dat op het renvooi en in het aanvraagformulier de inhoud van de mestputten verkeerd is weergegeven. De inhoud van de bestaande mestputten onder gebouw 2 is niet meegeteld. Uit de inrichtingstekening blijkt echter, dat het van meet af aan de bedoeling is geweest om de mestputten onder gebouw 2 te blijven gebruiken.

3.3

Volgens vergunninghouder is sprake geweest van een kennelijke verschrijving. Uit het beroepschrift blijkt dat eiser er van op de hoogte was dat de bestaande mestputten onder gebouw 2 zouden worden gehandhaafd. De mixputten bij gebouw 2 zullen niet worden gebruikt.

3.4

Niet in geschil is dat op het aanvraagformulier en het renvooi van de inrichtingstekening een totale mestopslag van 9.398 m3 staat vermeld en dat dit afwijkt van de capaciteit die vergunninghouder heeft beoogd aan te vragen. Dit neemt echter niet weg dat uit de inrichtingstekening en uit het aanvullende akoestisch onderzoek, dat is uitgevoerd naar aanleiding van de zienswijzen, naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk blijkt dat de bestaande mestputten onder gebouw 2 in gebruik zullen blijven. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op de tekening een verbindingsbuis tussen de mestputten onder stal 1 en de mestputten onder de bestaande sleufsilo en gebouw 2 is aangegeven en dat is vermeld dat de mestputten onder gebouw 2 worden afgedekt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de onjuiste vermelding van de totale mestopslagcapaciteit moet worden beschouwd als een kennelijke verschrijving en dat is beoogd mede de mestopslagcapaciteit onder gebouw 2 en ook de onderkelderde sleufsilo aan te vragen. In zoverre slaagt deze beroepsgrond niet.

3.5

De rechtbank is verder van oordeel dat uit de aanvraag onvoldoende duidelijk blijkt dat de mixputten bij gebouw 2 niet in gebruik zullen blijven. Deze zijn immers wel op de inrichtingstekening aangegeven. Gevolg hiervan is dat tegen het gebruik van deze mixputten niet handhavend kan worden opgetreden vanwege het ontbreken van een wettelijk voorschrift dat door het gebruik wordt overtreden. De omstandigheid dat de mixputten bij gebouw 2 niet als geluidsbron zijn ingevoerd ten behoeve van het akoestisch onderzoek, maakt dit niet anders. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover hierin niet is bepaald dat de mixputten bij gebouw 2 niet als zodanig mogen worden gebruikt.

4.1

Eiser betwijfelt de noodzaak van de mestputten onder gebouw 2.

4.2

Verweerder heeft in het verweerschrift berekend dat de mestopslagcapaciteit onder stallen 1 en 5 onvoldoende is voor de totale jaarlijkse mestproductie van het bedrijf. Verweerder heeft hierbij in acht genomen dat de periode waarin mest kan worden uitgereden in 2010 is verkort en dat het ongewenst is om laat in het najaar mest op de gronden aan te brengen. Verder is extra capaciteit gewenst voor het geval dat veterinaire ziekten zouden uitbreken of zich calamiteiten zouden voordoen.

4.3

Bij de toepassing van artikel 2.14 van de Wabo heeft verweerder een zekere beoordelingsvrijheid. Wel dient de besluitvorming te voldoen aan de wettelijke eisen en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.4

Eiser heeft ter zitting de berekening van verweerder niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de opslagcapaciteit van de mestputten onder gebouw 2 noodzakelijk is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Eiser heeft voorts aangevoerd dat de mestputten onder stal 2 als een nieuwe situatie dienen te worden aangemerkt en dat daarom een afstand van 100 meter in acht genomen moet worden. Het betreft volgens eiser een revisievergunning en daarmee een nieuwe situatie. Eiser vindt het afdekken van de mestputten onvoldoende, deze moeten naar zijn mening geheel buiten werking worden gesteld. Ter zitting heeft eiser hier aan toegevoegd dat hij vreest aanzienlijke geurhinder van de mestputten onder stal 2 te zullen ondervinden, indien zich hier dikke mest ophoopt en de mixputten niet meer worden gebruikt om de dikke mest te mixen.

5.2

Verweerder is van mening dat sprake is van een bestaande mestopslag die op grond van voorschrift 2.3.7 van de bijlage behorende bij het inmiddels vervallen Blm is uitgezonderd van de voorgeschreven afstand tot geurgevoelige objecten omdat deze mestopslag reeds in gebruik was voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Blm.

5.3

Vergunninghouder heeft in reactie op de vrees van eiser ter zitting uitgelegd dat in de mestputten onder de sleufsilo en onder gebouw 2 slechts dunne mest zal kunnen komen en dat zich daarin geen dikke mest zal ophopen.

5.4

Ingevolge artikel 2.6, derde lid, van de Wabo kan het bevoegd gezag de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende omgevingsvergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 2.31 of 2.33 van de Wabo.

5.5

In de bijlage bij het Blm was in voorschrift 2.3.6 voorgeschreven dat de opslag van dunne mest plaatsvindt op een afstand van ten minste 100 meter van een object categorie I, II of III. Ingevolge voorschrift 2.3.7 in de bijlage bij het Blm was voorschrift 2.3.6 niet van toepassing, indien de opslag van dunne mest was gelegen binnen de afstand als bedoeld in dat voorschrift en de opslag al in gebruik was voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

5.6

De rechtbank begrijpt het bestreden besluit aldus, dat verweerder heeft beoogd aan te knopen bij de systematiek van het Blm. De rechtbank acht dit niet onredelijk. Gesteld dat de inrichting binnen de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder: het Abm) zou vallen, zou de bestaande mestopslag gehandhaafd kunnen blijven ingevolge artikel 6.24d van het Abm. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de mestputten onder gebouw 2 aan te merken als een bestaande mestopslag als bedoeld in voorschrift 2.3.7 van de bijlage bij het Blm. Dat gebouw 2 niet meer in gebruik zal zijn als stal, doet daaraan niet af. Dat elders op het terrein (onder stal 5) een nieuwe mestput wordt gerealiseerd, leidt evenmin tot een ander oordeel, omdat deze mestput niet op een afstand van minder dan 100 meter tot een geurgevoelig object is gelegen.

5.7

De rechtbank kan op basis van het verhandelde ter zitting niet beoordelen of de door vergunninghouder toegelichte technische constructie, als gevolg waarvan volgens vergunninghouder slechts dunne mest in de mestputten onder gebouw 2 zal stromen, toereikend is. Verweerder acht de uitleg van vergunninghouder weliswaar plausibel, maar dit komt in het bestreden besluit onvoldoende tot uitdrukking. Gelet op de omstandigheid dat de mixputten bij gebouw 2 niet meer worden gebruikt, valt niet op voorhand uit te sluiten dat eisers vrees bewaarheid wordt. Deze beroepsgrond slaagt.

6.1

Eiser betwijfelt verder of de geluidbelasting vanwege de bedrijfsactiviteiten inzake de afvoer van mest in het akoestisch rapport van 4 juni 2012 wel is berekend aan de hand van de juiste hoeveelheden.

6.2

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het akoestisch rapport van 4 juni 2012 dat is opgesteld ten behoeve van de aanvraag en dat is aangepast naar aanleiding van de zienswijzen. Dit rapport gaat uit van 1 vracht per dag. Op basis van dit rapport zijn in voorschrift F1 van de vergunning voor een aantal woningen van derden specifieke geluidsgrenzen opgenomen.

6.3

Vergunninghouder heeft aangegeven dat in het akoestisch rapport van 4 juni 2012 de afvoer van mest niet is berekend aan de hand van de mestproductie van de inrichting. Uitgaande van de jaarlijkse mestproductie van de inrichting, is het noodzakelijk dat in de representatieve bedrijfssituatie 3 vrachten mest per week worden verladen. Als gevolg hiervan zal de geluidbelasting op een aantal controlepunten hoger zijn dan is toegestaan op grond van voorschrift F1 bij de vergunning.

6.4

De rechtbank ziet geen aanleiding aan de juistheid van de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in het nadere akoestisch rapport van vergunninghouder te twijfelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het oorspronkelijke akoestisch rapport van 4 juni 2012 uitgaat van een onjuiste representatieve bedrijfssituatie. Verweerder heeft dat akoestisch rapport niet ten grondslag kunnen leggen aan het bestreden besluit. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit het aanvullende akoestisch rapport blijkt dat vergunninghouder niet zal kunnen voldoen aan voorschrift F1 bij de vergunning. Deze beroepsgrond slaagt.

7.

Gelet op het voorafgaande komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging.

8.1

Vergunninghouder heeft de rechtbank verzocht voorschrift F1 te wijzigen en verder te bepalen dat de mixputten bij gebouw 2 niet mogen worden gebruikt.

8.2

De door vergunninghouder voorgestane wijziging zal leiden tot een hogere geluidbelasting bij een aantal woningen. Weliswaar blijft de geluidbelasting voor de woning van eiser gelijk, maar gelet op de positie van de overige omwonenden ziet de rechtbank geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.7 van deze uitspraak, ziet de rechtbank evenmin aanleiding nu reeds te bepalen dat de mixputten bij gebouw 2 niet zullen mogen worden gebruikt.

9.1

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Ingevolge artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan door middel van een besluit waarbij de vergunning wordt gewijzigd. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder de volgende aanwijzingen opvolgen.

9.2

Verweerder zal nader moeten motiveren dat zich geen dikke mest kan ophopen in de mestputten onder gebouw 2 en dat aldus geen behoefte bestaat aan gebruik van de mixputten bij gebouw 2. Indien volgens verweerder geen behoefte bestaat aan dit gebruik, zal verweerder een voorschrift aan de vergunning dienen te verbinden waarin het gebruik van de mixputten bij gebouw 2 wordt verboden. Voorts zal verweerder een voorschrift in de vergunning dienen op te nemen, ten einde te verifiëren of zich in de mestputten onder gebouw 2 geen dikke mest ophoopt en, indien dit wel het geval is, te waarborgen dat deze met inachtneming van de grenswaarden in de vergunning wordt verwijderd. Verder ligt het op de weg van verweerder om te motiveren of en zo ja waarom hij de verhoging van de toegestane geluidbelasting op de andere woningen toelaatbaar acht. Indien dit het geval is, zal verweerder de geluidgrenswaarden moeten aanpassen. De rechtbank ziet, ten einde te voorkomen dat belangen van omwonenden onevenredig kunnen worden geschaad, geen aanleiding te bepalen dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure niet hoeft te worden gevolgd ten behoeve van het wijzigingsbesluit. Deze procedure moet daarom integraal worden gevolgd, dat wil zeggen met terinzagelegging van een ontwerpbesluit na bekendmaking op de voorgeschreven wijze. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen daarom op 6 maanden na verzending van deze tussenuitspraak.

9.3

Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk mededelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

9.4

De rechtbank overweegt dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak. Zij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht.

9.5

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 6 maanden na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. H.M.J.G. Neelis, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.