Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5568

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
SHE-12_3980
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2944, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dat een woonruimte volgens het geldende bestemmingsplan de bestemming 'kippenhok' heeft, staat niet aan toekennen huurtoeslag in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 12/3980

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2013 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. J.J.C.M. Rouws),

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiser op huurtoeslag over 2010 definitief vastgesteld op € 0,00 en het bedrag aan teveel uitgekeerde en door eiser terug te betalen voorschotten huurtoeslag vastgesteld op € 3.060,00.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger verweerder], werkzaam bij Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld om zijn ter zitting ingenomen standpunt schriftelijk nader toe te lichten. Verweerder heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Eiser heeft vervolgens schriftelijk een reactie gegeven.

Partijen hebben daarna toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in 2010 in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) op het adres van eiser nog vier andere personen stonden ingeschreven, die als medebewoners van eiser moeten worden aangemerkt. Omdat een van hen, de heer [persoon A], voordeel heeft gehad uit sparen en beleggen, heeft eiser geen recht op huurtoeslag. Aanvullend merkt verweerder nog op dat indien de aanvrager, zijn toeslagpartner of medebewoner eigenaar of mede-eigenaar is van de woning waar huurtoeslag voor wordt aangevraagd er geen recht op huurtoeslag bestaat. De heer [persoon A] is eigenaar van de woning waar eiser huurtoeslag voor heeft aangevraagd. Er bestond ook daarom geen recht op huurtoeslag.

2.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de eerder aan het besluit ten grondslag gelegde motivering wordt verlaten omdat verweerder met eiser van mening is dat de woonruimte van eiser moet worden aangemerkt als zelfstandige woonruimte. Verweerder heeft zich ter zitting vervolgens op het standpunt gesteld dat eiser niettemin geen recht heeft op huurtoeslag en dat het bestreden besluit derhalve, met een gewijzigde motivering, in stand kan blijven. Verweerder heeft daarbij aangevoerd dat bij de woonruimte van eiser geen sprake was van een woning in de zin van de Wet op de huurtoeslag (Wht) omdat het door eiser gehuurde de planologische bestemming ‘kippenhok’ had en dus geen woonbestemming. Dat maakt dat het gehuurde niet bestemd of bedoeld is voor bewoning.

3.

Eiser voert met betrekking tot het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt aan dat het feit dat het gebruik van een gebouw als woonruimte niet in overeenstemming is met de bestemming van dat gebouw zoals die volgt uit het geldende bestemmingsplan, geen belemmering vormt voor het toekennen van huurtoeslag. Dat volgt bijvoorbeeld uit een uitspraak van de Rechtbank Assen van 27 maart 2012 (ECLI::NL:RBASS:2012:BW1150). In die uitspraak ging het om een tot zelfstandige woonruimte omgebouwde berging. Subsidiair doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel nu uit de door de Belastingdienst verstrekte informatie met betrekking tot de huurtoeslag niet volgt dat een zelfstandige woonruimte conform het bestemmingsplan de bestemming wonen dient te hebben. Eiser mocht er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat de woonruimte die hij bewoonde, waarvan vaststaat dat het een zelfstandige woonruimte is, zou voldoen aan de eisen voor het verkrijgen van huurtoeslag.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Wht wordt onder woning verstaan: een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden.

6.

Ingevolge artikel 7:233 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt onder woonruimte verstaan een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige dan wel niet zelfstandige woning is verhuurd, dan wel een woonwagen of een standplaats, alsmede de onroerende aanhorigheden.

7.

Ingevolge artikel 11 van de Wht wordt, voor zover hier van belang, huurtoeslag slechts toegekend voor de huur van een woning die een zelfstandige woonruimte is.

8.

Tussen partijen is ter zitting vast komen te staan dat eiser in het jaar 2010 een zelfstandige woonruimte bewoonde op het adres [adres].

9.

De rechtbank zich ziet vervolgens voor de vraag gesteld of de door eiser bewoonde woonruimte kan worden aangemerkt als een woning in de zin van de Wht.

10.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht blijkt dat voor de definitie van het begrip woning of woonruimte moet worden aangesloten op het ‘woonruimte’-begrip als bedoeld in artikel 7:233 BW (Kamerstukken II 2006/07, 30 811, nr. 3, p. 2-3). Het ‘woonruimte’-begrip moet ruim worden uitgelegd zodat alle gevallen die naar hun aard van de huurbescherming zouden moeten profiteren er onder vallen. Dat volgt uit de Memorie van Toelichting bij artikel 7A:1623a BW (Kamerstukken II 1969/70, 10 451, nr. 3, p. 5), zijnde de bepaling waar artikel 7:233 BW van afstamt.

11.

De rechtbank ziet noch in de Memorie van Toelichting bij de Wht en de artikelen 7:233 BW en 7A:1623a BW (oud), noch in de jurisprudentie aanknopingspunten voor het standpunt van verweerder dat de enkele omstandigheid dat het gehuurde volgens het geldende bestemmingsplan geen woonbestemming heeft, er toe leidt dat geen sprake is van een woning in de zin van artikel 1, aanhef en onder j, van de Wht. Het door verweerder ingenomen standpunt verdraagt zich ook niet goed met de volgens de Memorie van Toelichting bij artikel 7:233 BW en artikel 7A:1623a BW (oud) voorgestane ruime uitleg van het begrip woonruimte.

12.

De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat de door eiser gehuurde woonruimte aangemerkt moet worden als een woning in de zin van artikel 11, eerste lid, in verbinding met artikel 1, aanhef en onder j, van de Wht, waarvoor huurtoeslag kan worden toegekend.

13.

Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

14.

Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

15.

Gezien de gegrondverklaring van het beroep, behoeft hetgeen overigens door eiser is aangevoerd geen bespreking meer.

16.

Nu de rechtbank niet over voldoende informatie beschikt op grond waarvan de hoogte van het recht van eiser op huurtoeslag over het jaar 2010 kan worden vastgesteld, zal verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

17.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

18.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 590,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een half punt voor de re- en dupliek, met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 0,50).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 590,00 te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. van der Bruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 oktober 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.