Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5555

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
241751 / HA ZA 12-56
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir.doorspelen geheime bedrijfsinformatie, doorwerking art. 39 TRIPS

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/241751 / HA ZA 12-56

Vonnis van 25 september 2013

in de zaak van

de rechtspersoon naar Belgisch recht

ARTE N.V.,

gevestigd te Zonhoven (België),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. N.A.D. Plasmans-Noesen te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne.

Partijen zullen hierna Arte en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 augustus 2012

  • -

    de akte overlegging producties, tevens nadere onderbouwing schade, tevens akte wijziging eis van Arte

  • -

    de akte van depot met depotnummer 78-2012 d.d. 19 oktober 2012, waarbij namens Arte originele stalen zijn gedeponeerd

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de akte tot uitlaten wijziging eis tevens akte uitlaten producties en overlegging producties van [gedaagde]

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 december 2012

  • -

    het faxbericht van mr. N.A.D. Plasmans-Noesen d.d. 2 januari 2013

  • -

    het faxbericht van mr. G.R.A.G. Goorts d.d. 3 januari 2013

  • -

    het faxbericht van mr. N.A.D. Plasmans-Noesen d.d. 4 januari 2013

  • -

    de akte wijziging eis van Arte

  • -

    de akte overlegging productie van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Arte bestaat sinds 1981. Zij ontwerpt en produceert hoogwaardige wandbekleding. Zij verkoopt haar producten wereldwijd, onder meer in Rusland.

2.2.

Arte heeft een eigen designafdeling, waar acht personen werkzaam zijn.

2.3.

[gedaagde] is op 1 april 2004 in dienst getreden bij Arte als “technologisch verantwoordelijke productie”. In deze functie was [gedaagde] technologisch verantwoordelijk voor de bij Arte aanwezige machines. [gedaagde] hield zich voornamelijk bezig met het bedrukken van de vliezen met motieven die voor de muurbekleding noodzakelijk zijn. [gedaagde] had volledige toegang tot de (hierna onder 4.2. beschreven) Knowhow van Arte. Ook was [gedaagde] de vaste contactpersoon voor een aantal belangrijke leveranciers van Arte.

2.4.

In het kader van het dienstverband heeft Arte aan [gedaagde] een mobiele telefoonabonnement, een laptop en een Mobile Me account van Apple ter beschikking gesteld.

2.5.

Artikel 6 van de arbeidsovereenkomst tussen Arte en [gedaagde] luidt: “De werknemer verbindt er zich toe noch de fabrieks- of zakengeheimen van de werkgever aan derden bekend te maken, noch enige daad van oneerlijke concurrentie te stellen of hieraan deel te nemen noch de naam en de faam van de werkgever in het gedrang te brengen”.

Artikel 7 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt: “Het niet-concurrentiebeding is van toepassing op de werknemer. Dit betekent dat de werknemer na zijn vertrek uit de onderneming geen soortgelijke activiteiten zal uitoefenen als loontrekkende of als zelfstandige, waardoor hij de onderneming nadeel zou kunnen berokkenen. Gezien het internationale karakter van de onderneming is het beding van toepassing in België, Nederland, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk. Dit gedurende één jaar na het einde van de overeenkomst. …”

2.6.

Medio juli 2009 is [gedaagde] benaderd door Loymina, een beginnende onderneming die behang produceert, gevestigd te Nizhniy Novgorod, Rusland.

2.7.

[gedaagde] heeft in de periode van 2009 tot eind juni 2011 zevenmaal een bezoek gebracht aan Loymina te Rusland. Deze bezoeken heeft hij verzwegen voor Arte.

2.8.

Eind juni 2011 heeft [gedaagde] ontslag genomen bij Arte met ingang van 31 juli 2011.

2.9.

Op 29 juni 2011 heeft [gedaagde] zijn eenmanszaak TechnoColor Gravur laten inschrijven in het handelsregister van de Nederlandse Kamer van Koophandel. Blijkens de inschrijving houdt [gedaagde] zich bezig met de advisering en begeleiding van het drukproces en de fabricage van behang.

2.10.

Op 1 september 2011 is [gedaagde] in dienst getreden bij Loymina. Loymina presenteert haar producten onder andere op dezelfde vakbeurzen in Duitsland als Arte.

2.11.

Op 21 december 2011 heeft Arte na daartoe verkregen verlof ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag tot afgifte doen leggen. De beslagen zaken zijn in bewaring genomen. Daarnaast heeft Arte op 21 december 2011 de volgende beslagen doen leggen ten laste van [gedaagde]: conservatoir derdenbeslag onder de Rabobank, conservatoir beslag op de onverdeelde helft van de woning aan de Zaan 26 te Deurne en conservatoir beslag op een iPhone, merk Apple.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Arte vordert na wijziging van eis  samengevat -

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] jegens Arte onrechtmatig heeft gehandeld, doordat [gedaagde] zich Knowhow heeft toegeëigend, heeft gekopieerd en/of heeft prijsgegeven aan (een) derde(n),

  2. [gedaagde] te bevelen om dit onrechtmatig handelen onmiddellijk te staken en gestaakt te houden,

  3. [gedaagde] te bevelen om met onmiddellijke ingang alle zich nog onder hem bevindende gegevensdragers met daarop (kopieën van) de Knowhow aan Arte af te geven, zonder het achterhouden van enige (digitale) kopie(ën) daarvan,

  4. het sub 2 en 3 gevorderde op verbeurte van een dwangsom van € 50.000 ineens voor iedere niet-nakoming van het bevel alsmede € 25.000 voor iedere dag dat de niet-nakoming voortduurt,

  5. te bevelen dat het Niet Omstreden Materiaal op eerste verzoek van Arte door de gerechtelijk bewaarder aan Arte dient te worden afgegeven,

  6. te bevelen dat voor wat betreft het Omstreden Materiaal de gerechtelijk bewaarder op kosten van [gedaagde] een sortering zal maken en pas na uitdrukkelijke goedkeuring van Arte het Privé Materiaal en/of het Zeefdrukboek aan [gedaagde] zal afgeven en dat het restant van het Omstreden Materiaal binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak in deze zaak door de gerechtelijke bewaarder aan Arte wordt afgegeven,

  7. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 2.444.690,85 + p.m. als vergoeding van de door Arte geleden en nog te lijden schade, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2009, dan wel [gedaagde] te veroordelen aan Arte te voldoen de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  8. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten alsmede in de beslagkosten en de kosten van de gerechtelijke bewaring ter hoogte van € 6.677,99.

3.2.

Arte legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar. [gedaagde] heeft namelijk Knowhow van Arte prijsgegeven aan Artes concurrent Loymina en aan anderen. Voorts heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met de maatschappelijke betamelijkheid door tijdens zijn dienstverband informatie door te spelen aan concurrenten en te onderhandelen met concurrenten. Hierdoor heeft Arte schade geleden.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert  samengevat –

  1. Arte te veroordelen om het conservatoir beslag op de woning van [gedaagde] op te heffen en te doen doorhalen bij het kadaster,

  2. Arte te veroordelen het conservatoir derdenbeslag onder de Coöperatieve Rabobank Peelland Zuid U.A. te Deurne op te heffen,

  3. Arte te veroordelen het beslag op een aantal in de conclusie van eis in reconventie genoemde roerende zaken, waaronder een zilveren reiskoffer met inhoud, op te heffen,

  4. Arte te veroordelen om binnen 14 dagen na de uitspraak van het vonnis een aantal in de conclusie van eis in reconventie genoemde roerende zaken aan [gedaagde] te doen teruggeven,

  5. Arte te veroordelen om binnen een maand na de uitspraak van het vonnis in gezamenlijk overleg met [gedaagde] een aantal ordners door te nemen en te sorteren,

  6. te bepalen dat Arte een dwangsom van € 5.000 verbeurt voor elke dag dat Arte in gebreke blijft te voldoen aan één van de onder 1 t/m 5 gevorderde veroordelingen,

  7. Arte te veroordelen tot vergoeding van de door [gedaagde] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  8. Arte te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, vermeerderd met rente.

3.6.

[gedaagde] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Arte maakt door de diverse beslagleggingen inbreuk op de eigendommen van [gedaagde] en handelt daarmee onrechtmatig jegens hem. Hierdoor lijdt [gedaagde] schade. [gedaagde] heeft er recht op en belang bij dat de hem in eigendom toebehorende zaken in zijn bezit worden gesteld.

Arte heeft zich voorts tegenover diverse marktspelers in de behangindustrie negatief uitgelaten over [gedaagde] door mee te delen dat [gedaagde] zich schuldig zou hebben gemaakt aan bedrijfsspionage en daarbij aanzienlijke bedragen zou hebben ontvangen. Ook heeft Arte de diverse toeleveranciers verzocht om geen contacten met [gedaagde] te onderhouden. Dit is onrechtmatig jegens [gedaagde] en [gedaagde] lijdt hierdoor schade.

3.7.

Arte voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Arte is gevestigd in België, zodat deze zaak een internationaal karakter heeft. Derhalve dient eerst te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Arte en zo ja, welk recht van toepassing is op het geschil.

De rechtbank acht zich op grond van artikel 2 lid 1 EEX-Verordening bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van Arte. Het Nederlandse recht is van toepassing, nu Arte daarvoor heeft gekozen en [gedaagde] daarmee heeft ingestemd.

Heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld?

4.2.

Arte voert het volgende aan. Sinds haar oprichting in 1981 heeft zij zich ontwikkeld tot de trendsetter op het gebied van design en innovatie in wandbekleding. De producten worden veelal in eigen huis ontwikkeld door ervaren designers. Daarbij wordt niet alleen veel aandacht gegeven aan design en coloriet, maar ook aan de praktische toepasbaarheid van de muurbekleding in een interieur. Arte doet derhalve continu zeer aanzienlijke investeringen in de innovatie van haar producten en technieken. Haar doel is om steeds voorop te lopen in de branche en haar concurrenten ver voor te blijven met het introduceren van nieuwe ontwikkelingen. Het ontwikkelen van recepten, formules, dessins, kleurkeukens en allerlei andere gegevens vereisen creativiteit van het personeel van Arte waarbij veel geëxperimenteerd moet worden. De resultaten daarvan hebben Arte de Knowhow opgeleverd, die haar een voorsprong geeft ten opzichte van haar concurrenten. Het spreekt voor zich dat deze Knowhow niet publiekelijk bekend is. In het kader van zijn dienstverband bij Arte heeft [gedaagde] ook bijgedragen aan de ontwikkeling van de Knowhow, maar hetgeen [gedaagde] in dat kader heeft ontwikkeld, bedacht of gecreëerd komt aan Arte toe. Immers, Arte heeft geïnvesteerd in de ontwikkeling van een en ander, door [gedaagde] de mogelijkheid te bieden om te experimenteren en de inkten c.q. formules te ontwikkelen. [gedaagde] was toen gewoon in dienst bij Arte. Voor de onderneming van Arte is bepaalde specifieke en reproduceerbare kennis van wezenlijk belang. Zonder die kennis zou haar voorsprong in de markt als sneeuw voor de zon kunnen verdwijnen. Het gaat hierbij vooral om het niveau van de dessins, informatie over de juiste samenstelling van de speciale inkt die Arte gebruikt voor het bedrukken van de muurbekleding, specificaties met betrekking tot het soort vlies dat voor de muurbekleding gebruikt dient te worden, de specifieke instellingen van de speciaal ontwikkelde machines die hierbij nodig zijn, lijsten van klanten dan wel leveranciers, kostenopbouw alsmede kortingspercentages. Het betreft bedrijfsvertrouwelijke informatie. Deze kennis is niet algemeen bekend noch gemakkelijk toegankelijk voor de personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezig houden met de desbetreffende informatie. Omdat de informatie geheim is en exclusief voorbehouden aan Arte, vertegenwoordigt zij een grote handelswaarde. Arte neemt alle mogelijke maatregelen, zoals het opleggen van geheimhoudingsverplichtingen aan werknemers en freelancers, het achter slot en grendel houden van bedrijfsgevoelige informatie en een strikt handhavingsbeleid, om er voor te zorgen dat deze informatie ook daadwerkelijk geheim blijft. Arte hanteert een strikt beleid voor iedere werknemer. In haar arbeidsreglement, dat ook aan [gedaagde] is overhandigd als bijlage bij de arbeidsovereenkomst en voor ontvangst waarvan hij heeft getekend, staat omschreven wat de na te streven doelstellingen zijn van het reglement omtrent computergebruik. Daaruit blijkt dat één van de doelstellingen betrekking heeft op het beschermen van de economische, financiële en handelsbelangen van de onderneming die vertrouwelijk zijn.

Waar Arte in het vervolg spreekt over Knowhow bedoelt zij de hiervoor omschreven geheime informatie.

4.3.

Arte voert voorts het volgende aan. Begin april 2011 is Arte op een beurs in Moskou in contact gekomen met de Russische onderneming Loymina, die eveneens muurbekleding produceert en verkoopt in Rusland en Oekraïne. Tot grote verbazing van Arte had Loymina, een nieuwe en relatief kleine Russische speler, dezelfde technologieën in wandbekleding en bijna hetzelfde niveau van dessins als Arte. Zo zag de heer [A], bestuurder en statutair directeur van Arte, op die beurs dat Loymina bepaalde (kit)technieken gebruikte die Arte ook toepast. Hij vond het merkwaardig dat Loymina dat niveau kon leveren, terwijl zij pas korte tijd op de markt opereerde. Zij had bijvoorbeeld ook producten gedrukt op hetzelfde type vlies als waarop Arte drukt.

Nadat [gedaagde] bij het einde van zijn dienstverband de door Arte aan hem ter beschikking gestelde laptop had ingeleverd, bleek dat alle werkbestanden waren gewist. Diverse bestanden zijn echter teruggevonden, zoals producties 7a t/m 7g.

Uit de teruggevonden bestanden bleek onder meer dat [gedaagde] met Loymina onderhandelde over zijn nieuwe arbeidsovereenkomst met Loymina, waarbij een buitensporig hoog aanvangssalaris van € 20.000 per maand is bedongen en vervolgens per jaar nog hogere bedragen.

Uit de circa 1.000 pagina’s aan e-mails die zijn opgeslagen in het Mobile Me account dat [gedaagde] gebruikte, blijkt dat [gedaagde] gedurende anderhalf jaar Knowhow heeft prijs gegeven aan Loymina. Daarvoor kreeg [gedaagde] betalingen van Loymina.

Uit een en ander volgt dat [gedaagde] op korte termijn een concurrent van Arte heeft gecreëerd door Knowhow door te spelen naar Loymina. Loymina was onervaren en wist niets van technologie af. [gedaagde] heeft ervoor gezorgd dat alles waar Arte zich ruim 30 jaar voor had ingespannen op een presenteerblaadje aan Loymina werd doorgegeven, aldus Arte.

4.4.

Arte heeft zeer veel producties overgelegd ter onderbouwing van haar stellingen en daaruit geciteerd. De rechtbank doet een kleine greep daaruit:

4.4.1.

Productie 1: Het verzoekschrift tot conservatoire beslaglegging met als producties 7a t/m 7g afdrukken van bestanden die door [gedaagde] waren gewist, maar door IT-technici van Arte zijn teruggevonden op de door [gedaagde] bij Arte ingeleverde laptop. Het betreft onder meer:

Een “Rapport von Besuch an Loymina vom 26.12.2009 – 31.12.2009” (Productie 7a). In dit document wordt onder meer melding gemaakt van het volgende:

- op 13 januari 2010 moet 1 kg HST 4013, 1 kg HST 4006 en HST 702 (inktsoorten van Arte, aldus Arte) afgegeven worden in een hotel in Frankfurt

- pigmenten doorgeven

- 125 kg HST 4006 en HST 4013 versturen via firma [B]([B]& Co (hierna: [B]) is een belangrijke leverancier van de inkten die door Arte worden gebruikt, aldus Arte)

- instellingen van de stomer controleren en opschrijven, bij Loymina zal de dampbuis aan de andere kant gemonteerd worden (volgt opsomming van instellingen, rb.).

Twee documenten met titel “LOYMINA, Formulation” (Productie 7b). Het ene document bevat informatie over verhouding, prijzen en leveranciers van de bestanddelen van HST 300 (een volgens Arte bij haar ontwikkelde inkt), alsmede de verwerkingsparameters (snelheid, verschillende temperaturen). Het andere document bevat informatie over verhouding, prijzen en leveranciers van de bestanddelen van Pigment PI 3000 (volgens Arte eveneens van haar).

Volgens Arte blijkt uit de door haar op cd-rom overgelegde foto’s dat zij haar formules op deze wijze bijhoudt en dat [gedaagde] simpelweg de naam van Arte heeft vervangen door Loymina.

Een document met titel “Rezeptur HST 703 (Loymina)” (Productie 7c ). Dit document bevat een lijst van ingrediënten en de te gebruiken hoeveelheden van “HST 703”. De titel geeft volgens Arte aan dat dit document met geheime informatie is bedoeld voor Loymina.

Afdrukken van e-mailverkeer tussen [gedaagde] en Loymina (Productie 7e). Hieronder bevinden zich onder meer de volgende e-mailberichten:

-Een e-mailbericht d.d. 19 januari 2011 van [C] (hierna: [C]) (e-mailadres: info@loymina.ru). Hierin deelt [C] aan [gedaagde] mee dat zij van plan zijn het nieuwe snijsysteem te kopen en vraagt aan [gedaagde] hem mee te delen welke snijhoek de machine van Arte heeft. (Het is volstrekt geen feit van algemene bekendheid welke snijhoek Arte gebruik om muurbekleding af te snijden. Het is juist de snijhoek die maakt of de muurbekleding op de juiste wijze afgerand wordt, aldus Arte.)

- Een e-mailbericht d.d. 22 april 2011 van [C] aan [gedaagde], waarin [C] aan [gedaagde] vraagt hoe men bij Arte de kwaliteit van de productie test (informatie m.b.t. de diverse testwanden van Arte, aldus Arte).

4.4.2.

Productie 5, bevattende afdrukken van e-mailverkeer tussen [gedaagde] en “[D]” (e-mailadres: info@loymina.ru). Hieronder bevinden zich de volgende een e-mailberichten:

- Een e-mailbericht van [gedaagde] aan [D] d.d. 15 oktober 2009, waarin [gedaagde] antwoord geeft op een vraag omtrent de testwand en uitlegt met welke materialen en hoe de testwand gemaakt moet worden.

- Een e-mailbericht d.d. 6 november 2009 van [D] aan [gedaagde], waarin zij vraagt of hij het verhaal van ASCO kent. De heer [E] van ASCO heeft de bedrijfsleider van Arte gevraagd of Loymina de ASCO-machine mag bekijken. Dat heeft de directeur van Arte niet goed gevonden. Maar de heer [F] wil geen machine meer kopen die hij niet heeft gezien. Het vermoeden bestaat dat Loymina precies zo’n machine nodig heeft als die van Arte. [D] vraagt of [gedaagde] een foto van die machine kan maken.

Asco is het bedrijf dat afsnijdmachines maakt, aldus Arte.

Volgens Arte betreft het e-mailbericht d.d. 15 oktober 2009 een testwand van haar.

4.4.3.

Productie 8, bevattende afdrukken van e-mailverkeer tussen [gedaagde] en [C] (e-mailadres: info@loymina.ru), waaronder meer bepaald:

- Een e-mailbericht d.d. 27 juni 2011 van [gedaagde] aan [C], waarin [gedaagde] meedeelt dat hij op donderdag 23 juni bij Stork in Boxmeer is geweest en dat hem een prijs van

€ 690.000 “Schlüsselfertig” is meegedeeld. Voorts deelt [gedaagde] mee dat Stork zich zo snel mogelijk bij Loymina zal melden.

- Een e-mailbericht d.d. 30 juni 2011 van [gedaagde] aan [C], met daarbij een lijst met nog met Stork op te lossen (inhoudelijke) vragen.

Stork is een belangrijke (toe)leverancier van Arte, aldus Arte.

4.4.4.

Productie 10, bevattende afdrukken van e-mailverkeer tussen [gedaagde] en [G] (hierna: [G]), de agent in China voor Follmann, Neu Kaliss Spezialpapier GmbH (hierna: Neu Kaliss) en machinefabriek Stork. Daarin wordt advies gevraagd aan [gedaagde] over de aanschaf van een machine die in het bedrijf Marburger te Kirchhain staat en waarmee nat-in-nat kan worden gedrukt. Door [G] worden diverse technische vragen gesteld aan [gedaagde]. In de correspondentie met [G] schroomt [gedaagde] niet om Knowhow van Arte te openbaren, zoals blijkt uit de volgende e-mailberichten:

  • -

    Een e-mailbericht d.d. 22 februari 2010 van [G] aan [gedaagde]. Hierin vraagt [G] aan [gedaagde] of hij zou kunnen helpen bij de ontwikkeling van nieuwe producten als de klant van [G] de machine zou kopen, omdat er in China niemand is die de nat-in-natmachine kan bedienen.

  • -

    Een e-mailbericht d.d. 22 februari 2010 van [gedaagde] aan [G], waarin [gedaagde] aangeeft dat hij graag wil helpen bij het opstarten van de machine en de klant wil helpen bij technische en technologische vragen.

  • -

    Een e-mailbericht d.d. 23 februari 2010 van [gedaagde] aan [G], waarin [gedaagde] meedeelt dat met dit systeem behang van zeer hoge kwaliteit geproduceerd kan worden, als je maar weet hoe. [gedaagde] verwijst daarbij naar de ontwerpen van Arte.

  • -

    Een e-mailbericht d.d. 6 april 2010 van [gedaagde] aan [G], waarin [gedaagde] meedeelt dat met de Marburger machine dessins in een speciale oppervlakte-print stijl kunnen worden gedrukt, als je maar weet hoe. [gedaagde] geeft aan dat hij op 22 april naar Marburger kan komen en patronen kan meebrengen, die in deze stijl zijn gedrukt op een nat-in-nat machine.

  • -

    Een e-mailbericht d.d. 7 april 2011 (dit moet zijn: 2010, rb.) van [G] aan [gedaagde], waarin [G] vraagt of er, behalve Stork, iemand te vinden is die kan helpen de machine te verbeteren. [G] vraagt of [gedaagde] dit kan.

  • -

    Een e-mailbericht d.d. 7 april 2011 (dit moet zijn: 2010, rb.) van [gedaagde] aan [G], waarin [gedaagde] antwoordt dat hij kan helpen met de technologie.

  • -

    Een e-mailbericht d.d. 24 april 2010 van [G] aan [gedaagde], waarin [G] meedeelt dat zijn klant erover denkt [gedaagde] te vragen als adviseur voor het nat-in-nat printen. Volgens [G] wil de klant bevestigd zien dat [gedaagde] nog steeds deze adviestaak voor hem kan doen.

  • -

    Een e-mailbericht van [gedaagde] aan [G], waarin [gedaagde] meedeelt dat hij het werk als technisch adviseur in Shanghai graag aanneemt, maar dat de formaliteiten nog moeten worden besproken en samengevat in een contract.

Vervolgens vindt een aantal ontmoetingen plaats tussen [G] en [gedaagde]. Zo heeft [gedaagde] op 18 mei 2010 een ontmoeting gehad met [G] in het Mercure Hotel te Nijmegen. Ook blijkt uit het e-mailverkeer dat de heer [G] voor [gedaagde] een hotelkamer in het Ramada hotel te Shanghai heeft geboekt voor een verblijf van [gedaagde] aldaar van zondag 27 tot maandag 28 februari 2011.

4.4.5.

Productie 11, bevattende afdrukken van e-mailverkeer tussen [gedaagde] en de heer [H] van Neu Kaliss (emailadres: [H]@NKPaper.com) (hierna: [H]), waaronder meer bepaald:

- Een e-mailbericht d.d. 5 april 2011 van [gedaagde] aan [H]. Daarin stelt [gedaagde] aan [H] voor dat hij ([gedaagde]) voor de recepten HST 5003 en HST 5005 een bedrag van

€ 20.000 ontvangt van Neu Kaliss.

- Een e-mailbericht d.d. 11 april 2011 in antwoord op het e-mailbericht van [gedaagde] van 5 april 2011 van [H], waarin deze aan [gedaagde] meedeelt dat hij instemt met de € 20.000 en hem vraagt of hij ongeveer een idee heeft hoeveel euro per ton zij kunnen besparen als zij het recept kennen en met de Knowhow van [gedaagde] zelf kunnen mengen.

- Een e-mailbericht d.d. 26 mei 2011 van [gedaagde] aan [H], waarin [gedaagde] zegt dat hij van [A] (de heer [A], één van de statutair directeuren van Arte, rb.) heeft gehoord dat hij een gesprek met [H] wil voeren, omdat hij denkt dat [H] de bindmiddelen ook bij andere klanten afzet.

- Een e-mailbericht d.d. 26 mei 2011 van [H] aan [gedaagde], waarin [H] meedeelt dat hij een gesprek heeft gehad met [A], maar niets heeft toegegeven. [H] zal [A] nooit vertellen dat [gedaagde] ervan wist dat zij het middel voor Loymina en Rasch Textiel gebruiken. Verder stelt [H] voor dat ze voor Arte voortaan bindmiddel zullen bestellen bij JP en het voor andere klanten zelf maken.

- Een e-mailbericht d.d. 15 augustus 2011 van Paul [H], waarin deze aan [gedaagde] meedeelt dat de laatste € 5.000 is overgemaakt en hem vraagt eraan te denken de mappen voor bindmiddel 5003 te sturen, omdat ze deze misschien nodig hebben voor Loymina.

Volgens Arte heeft zij het geheime recept voor het bindmiddel HST5005 exclusief ontwikkeld, zodat Neu Kaliss de juiste vliezen voor Arte kon produceren. Dit bindmiddel werd door Arte telkens kant-en-klaar aangeleverd naar aanleiding van de bestellingen die zij plaatste bij Neu Kaliss. Op enig moment viel het Arte op dat Neu Kaliss meer bindmiddel bestelde dan zij nodig had voor de orders van Arte.

4.5.

Arte heeft inzage gehad in de bij [gedaagde] inbeslaggenomen bescheiden. Daarbij zijn foto’s gemaakt, die zij als productie 4 (een cd-rom) heeft overgelegd. Nagenoeg alle inbeslaggenomen ordners bevatten geheime Knowhow van Arte. De ordners bevatten testresultaten, technische data alsook stalenoverzichten van de collecties van Arte. Voorts heeft [gedaagde] informatie over leveranciers van Arte, recepturen, kleurstalen, kitten en iriodines, vliezen, sjablonen, druktechnieken, tekeningen, prijslijsten, offertes, rasterformuleringen, grondstoffen, folies, interne en externe correspondentie verzameld. [gedaagde] heeft zelfs foto’s en video’s gemaakt die in detail de machines en de productiefaciliteit van Arte nauwkeurig weergeven. Daarnaast was [gedaagde] in het bezit van alle technische tekeningen van de gebouwen van Arte en de technische tekeningen van de machines van Arte. Uit onderzoek aan de inbeslaggenomen computer van [gedaagde] is gebleken dat er een enorme hoeveelheid aan digitale informatie, betrekking hebbend op de Knowhow van Arte was opgeslagen op de harde schijf. [gedaagde] heeft erkend dat inhoud van de ordners 3 t/m 6, 8, 12 t/m 15, 17, 35 t/m 37, 42 t/m 46, 55, 56, 58, 63, 65 en 70 aan Arte toebehoort. Ook de overige van de 69 ordners bevatten Knowhow van Arte, aldus Arte.

4.6.

[gedaagde] betwist dat hij vertrouwelijke informatie van Arte aan derden heeft prijsgegeven. [gedaagde] betwist dat de door Arte gestelde Knowhow bedrijfsgeheim is. Specifieke kennis en ervaring opgedaan voor [gedaagde] voor de indiensttreding bij Arte valt niet onder enige geheimhoudingsplicht. Algemene kennis en ervaring opgedaan door [gedaagde] tijdens de arbeidsperiode bij Arte valt niet onder enige geheimhoudingsplicht. Openbare en publiek toegankelijke informatie valt evenmin onder enige geheimhoudingsplicht.

[gedaagde] betwist dat het in productie 11 van Arte genoemde recept van het bindmiddel HST 5005 van Arte is. [gedaagde] beroept zich op artikel 12 Rijksoctrooiwet 1995, waaruit volgt dat de formule van het door [gedaagde] ontwikkelde bindmiddel aan hem toebehoort, nu het ontwikkelen van bindmiddelen niet tot zijn taken behoorde. Er is dan ook geen sprake van Knowhow van Arte.

Knowhow verliest door de tijd zijn waarde en is anno 2012 niet meer bedrijfsgevoelig.

[gedaagde] betwist voorts dat de Knowhow handelswaarde heeft. Bedrijfsgeheimen kunnen niet als een vermogensrecht worden beschouwd en er kan dan ook geen sprake zijn van een subjectief recht.

Van het stelselmatig en substantieel afbreken van het bedrijfsdebiet door handelen van [gedaagde] is geen sprake. Evenmin is sprake van opzettelijk handelen (criteria arrest [I]). Wellicht heeft [gedaagde] naïef gehandeld, maar hij heeft geen bedrijfsgevoelige informatie doorgespeeld.
Nu Arte afstand heeft gedaan van de eventuele wanprestatie in die zin dat [gedaagde] het bepaalde in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden, kan Arte geen beroep doen op artikel 39 lid 2 Trips. Artikel 39 lid 2 Trips kent als voorwaarde dat sprake is van een contractuele plicht tot geheimhouding. Voorts komt aan Trips geen rechtstreekse werking toe, aldus [gedaagde].

[gedaagde] stelt dat hij eigenaar is van de inbeslaggenomen computer, ook al heeft Arte de kosten daarvan betaald. De computer diende ter vervanging van de eigen computer van [gedaagde] die in 2009 onherstelbaar kapot is gegaan. [gedaagde] verwijst naar onder meer HR 12 januari 2001 (JAR 2001/24). [gedaagde] heeft deze computer door feitelijke overgave in de computerwinkel in bezit gekregen als eigenaar en deze ook als eigenaar steeds voor zichzelf gehouden.

4.7.

De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 39 lid 2 van het TRIPS-Verdrag bepaalt dat natuurlijke personen en rechtspersonen de mogelijkheid hebben te beletten dat informatie waarover zij rechtmatig beschikken zonder hun toestemming wordt openbaar gemaakt aan, verworven door of gebruikt door anderen op een wijze die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, zolang deze informatie

a. geheim is in de zin dat zij, globaal dan wel in de juiste samenstelling en ordening van de bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie,

b. handelswaarde bezit omdat zij geheim is en

c. is onderworpen aan, gezien de omstandigheden, redelijke maatregelen door de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt, om deze geheim te houden.

Zoals het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft overwogen in zijn arrest van 29 maart 2011 (GBT/Ajinomoto) kan de strekking van deze bepaling worden geacht te zijn geïncorporeerd in artikel 6:162 BW. Met andere woorden, er is sprake van onrechtmatig handelen indien informatie die voldoet aan de onder a, b en c van artikel 39 lid 2 TRIPS-Verdrag genoemde criteria, wordt openbaar gemaakt aan, verworven door of gebruikt door anderen zonder toestemming van degene die rechtmatig over de informatie beschikt.

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval sprake van dergelijk onrechtmatig handelen door [gedaagde]. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende. Arte heeft haar stelling dat [gedaagde] geheime informatie zonder toestemming aan Loymina heeft verstrekt met zeer veel bewijsstukken onderbouwd. [gedaagde] heeft in het licht van deze bewijsstukken onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij deze bedrijfsgevoelige informatie aan Loymina heeft verstrekt. De rechtbank verwerpt de stelling van [gedaagde] dat het geen geheime informatie betreft. Arte heeft met haar stellingen zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven voldoende gemotiveerd dat haar Knowhow voldoet aan het criterium onder a. van artikel 39 lid 2 TRIPS-Verdrag, te weten dat zij, globaal dan wel in de juiste samenstelling en ordening van de bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie, in casu de wandbekledingindustrie. Arte heeft onderbouwd gesteld dat zij aanzienlijke investeringen doet om steeds voorop te blijven lopen in de branche en haar concurrenten voor te blijven. Hiervoor is vereist dat de door haar ontwikkelde producten en technieken geheim blijven. Arte beschikt over specifieke en reproduceerbare kennis die voor haar onderneming van wezenlijk belang is.

Gesteld noch gebleken is dat de door [gedaagde] aan Loymina verstrekte verwerkingsparameters van de inkten vrij opvraagbaar zijn. [gedaagde] heeft niet aangetoond dat de door hem aan Loymina verstrekte recepten van inkten, pigmenten e.d. van Arte vrij opvraagbaar zijn. Het mag zo zijn dat de pigmentrecepten van het bedrijf Münzing vrij opvraagbaar zijn ([gedaagde] vermeldt niet hoe hij de door hem als productie 18 overgelegde recepten van het bedrijf Münzing heeft verkregen), dat betekent dat nog niet dat dat ook geldt voor de recepten van Arte. Het feit dat [gedaagde] naast de geheime informatie Loymina mogelijk ook informatie heeft verstrekt die wel vrij opvraagbaar is, doet aan dit alles niet af. Immers heeft [gedaagde] informatie die Arte in de loop der jaren heeft verzameld, zoals welke leverancier welke producten het voordeligst levert, aan Loymina doorgegeven, zodat Loymina zelf geen moeite behoefde te doen om deze informatie te verzamelen. Daarmee voldoet ook deze informatie aan het criterium onder a.

[gedaagde] heeft erkend dat hij de formule van een bindmiddel heeft verkocht aan Neu Kaliss voor € 20.000,--. Weliswaar stelt hij dat het zijn formule is, hetgeen wordt betwist, maar hij heeft erkend dat hij bij Arte in dienst was toen hij deze formule heeft ontwikkeld. De rechtbank verwerpt het beroep op artikel 12 Rijksoctrooiwet 1995, aangezien is gesteld noch gebleken dat het gaat om een octrooieerbare formule. De stelling van [gedaagde] dat hij de formule in zijn eigen vrije tijd heeft ontwikkeld acht de rechtbank ongeloofwaardig in het licht van de stelling van Arte dat zij dit bindmiddel exclusief heeft ontwikkeld, zodat Neu Kaliss de juiste vliezen voor Arte kon produceren. Dat de formule zijn “idee” is geweest, zoals [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard, maakt niet dat hij aanspraak kan maken op de rechten hierop. [gedaagde] was immers in dienst bij Arte. Uit het hiervoor onder 4.4.5. weergegeven e-mailverkeer volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat [gedaagde] en [H] zich ervan bewust waren dat het geheime Knowhow van Arte betrof.

De rechtbank verwerpt de stelling van [gedaagde] dat Knowhow geen vermogensrecht is. De informatie is overdraagbaar en zou bijvoorbeeld door Arte in zijn geheel aan een ander bedrijf kunnen worden verkocht. Derhalve is voldaan aan de definitie van artikel 3:6 BW.

Alleen al uit het onder 4.4.5. weergegeven e-mailbericht d.d. 11 april van [H], waarin deze aan [gedaagde] meedeelt dat hij instemt met de € 20.000 voor twee recepten en hem vraagt of hij ongeveer een idee heeft hoeveel euro per ton zij kunnen besparen, blijkt dat de informatie die [gedaagde] heeft prijsgegeven handelswaarde vertegenwoordigt.

[gedaagde] heeft tijdens zijn dienstverband bij Arte in totaal zeven keer Loymina in Rusland bezocht. Deze bezoeken heeft hij verzwegen voor Arte. [gedaagde] erkent dat Loymina de onkosten van zijn bezoeken aan Loymina heeft betaald en dat hij van Loymina vergoedingen heeft ontvangen voor een aantal bezoeken die hij haar heeft gebracht. Uit het feit dat Loymina bereid was de onkosten van [gedaagde] te betalen en daarnaast een vergoeding te voldoen volgt ook dat de door [gedaagde] aan Loymina verstrekte informatie handelswaarde heeft.

Arte heeft redelijke maatregelen genomen om de informatie geheim te houden, door haar werknemers, waaronder [gedaagde], een geheimhoudingsbeding op te leggen. De stelling van [gedaagde] dat Arte zich niet op artikel 39 lid 2 Trips kan beroepen, nu zij geen beroep doet op wanprestatie uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en Arte, vindt geen steun in het recht. Het gaat erom dat Arte redelijke maatregelen treft om de informatie geheim te houden. Artikel 39 Trips schrijft niet voor hoe die maatregelen genomen worden.

[gedaagde] onderbouwt zijn door Arte betwiste stelling dat de Knowhow is verouderd niet. Deze stelling wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

Door het handelen van [gedaagde] is Loymina, die halverwege 2009 is gestart, in staat geweest in zeer korte tijd behang te produceren, vergelijkbaar met/vrijwel identiek aan het behang van Arte. Dit is in strijd met eerlijke handelsgebruiken. Door aldus te handelen heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt op het recht van Arte op haar Knowhow en gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Deze onrechtmatige handelingen zijn toerekenbaar aan [gedaagde]. De criteria die zijn geformuleerd in het arrest [I] (HR 9 december 1955, NJ 1956, 157) en waarvan [gedaagde] stelt dat daaraan niet is voldaan, zijn niet toepasbaar in de onderhavige zaak, aangezien deze zaak anders dan de zaak [I] niet handelt om een ex-werknemer die zijn ex-werkgever beconcurreert. [gedaagde] heeft Knowhow doorgespeeld aan derden tijdens zijn dienstverband bij Arte. Bovendien gaat het arrest [I] over onrechtmatige concurrentie zonder concurrentiebeding. In casu was sprake van een concurrentiebeding (artikel 7 van de arbeidsovereenkomst).

Het beroep op artikel 7:661 BW wordt evenzeer gepasseerd, nu dit artikel ziet op schade die is toegebracht bij de uitvoering van een arbeidsovereenkomst. Het gaat hier echter niet om uitvoering van (opdrachten gegeven in het kader van) de arbeidsovereenkomst, maar om onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW.

4.8.1.

Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] stelselmatig Knowhow van Arte aan derden heeft verstrekt. De door Arte gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen evenals het bevel aan [gedaagde] om dit onrechtmatig handelen onmiddellijk te staken en gestaakt te houden. Hieraan zal een dwangsom worden verbonden, waarbij de gevorderde dwangsom zal worden beperkt als na te melden.

Toewijsbaarheid overige vorderingen.

4.9.

[gedaagde] betwist dat hij nog gegevensdragers met Knowhow voorhanden heeft, aangezien alles reeds door de deurwaarder in beslag is genomen. Daarop voert Arte aan dat er misschien nog wat bij [gedaagde] ligt. Zo is de eigen laptop van [gedaagde] niet in beslag genomen, omdat [gedaagde] niet aanwezig was bij de inbeslagneming. Misschien staat daar ook nog wat op, aldus Arte.

Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling van Arte dat er misschien nog wat bij [gedaagde] ligt of dat er misschien nog wat op zijn laptop staat onvoldoende om de gevorderde afgifte op straffe van een dwangsom toe te wijzen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.10.

[gedaagde] erkent dat partijen overeenstemming tot teruggave aan Arte hebben bereikt over de volgende ordners: 3, 4, 5, 6, 8, 12, 13, 14, 15, 17, 35, 36, 37, 42, 43, 44, 45, 46, 55, 56, 58, 63, 65 en 70. De rechtbank zal de deurwaarder bevelen deze ordners op eerste verzoek aan Arte af te geven.

4.11.

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt omtrent de vraag wie de beschikking dient te krijgen over de volgende zaken: de ordners met nummer 1, 2, 7, 9, 10, 11, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 38, 39, 40, 41, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 57, 59, 60, 61, 62, 64, 66, 67, 68 en 69, de desktop, harde schijf, 19 USB-sticks, 3 zip disks, 5 DVD + R, 16 CD’s, 34 diskettes, 4 floppy diskettes en het zeefdrukboek.

Bij gelegenheid van de comparitie is gesproken over de wijze waarop uit dit materiaal de privé-bestanden van [gedaagde] zullen worden geselecteerd en aan hem teruggegeven. Vervolgens heeft Arte haar vordering geherformuleerd.

4.11.1.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat Arte in strijd met een behoorlijke procesvoering heeft gehandeld, nu er onvoldoende gelegenheid was om het concept van de akte wijziging eis te bestuderen. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de geherformuleerde vordering.

4.11.2.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is aangevoerd om aan te nemen dat in strijd met de eisen van behoorlijke procesorde is gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering op de volgende wijze dient te worden toegewezen: aan de gerechtsdeurwaarder zal worden opgedragen om op basis van hard copy documenten en/of digitale bestanden (op bestandsniveau) uit het omstreden materiaal de bestanden met een duidelijk privé karakter van [gedaagde] te selecteren (derhalve eventuele (vakantie)foto’s, persoonlijke aantekeningen, privé-email en dergelijke) (hierna: het privé materiaal) en deze, na uitdrukkelijke goedkeuring van Arte, op nieuwe en ongebruikte digitale media te plaatsen en aan [gedaagde] te retourneren. Arte zal in de gelegenheid worden gesteld om het zeefdrukboek (ordner nummer 9) te controleren alvorens de gerechtsdeurwaarder deze ordner (na verwijdering daaruit van hetgeen door Arte als haar Knowhow wordt beschouwd) aan [gedaagde] zal teruggeven.

Een en ander op kosten van [gedaagde].

De desktop dient (nadat alle informatie daarvan is gewist door Arte) aan [gedaagde] te worden geretourneerd, aangezien [gedaagde], gelet op artikel 3:109 jo. 3:119 lid 1 BW, wordt vermoed de rechthebbende te zijn. Arte heeft onvoldoende aangevoerd om te oordelen dat het wettelijk vermoeden is weerlegd. Het enkele feit dat de factuur op haar naam is gezet en door haar is betaald is daarvoor onvoldoende. Het beroep van Arte op artikel 3:110 BW kan evenmin slagen: gesteld noch gebleken is dat sprake is van “verkrijging ter uitvoering van de rechtsverhouding”. Ook de vergelijking die Arte trekt met een leaseauto gaat niet op. Bij een leaseauto is duidelijk dat de eigendom daarvan blijft bij de leasemaatschappij; dat geldt niet in het onderhavige geval.

Het restant van al het materiaal dient in bewaring te blijven totdat deze uitspraak onherroepelijk is, waarna dit binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis aan Arte dient te worden afgegeven.

De gevorderde schadevergoeding

4.12.

Arte legt ter onderbouwing van de door haar gevorderde schadevergoeding van

€ 2.444.690,85 een rapport d.d. 14 augustus 2012 over van BDO Bedrijfsrevisoren Burg. CVBA, commissaris van de vennootschap, door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders belast met de wettelijk verplichte controle van de jaarrekening (hierna: BDO). BDO schat de schade die Arte heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] op € 2.451.368,84. BDO heeft deze schade als volgt berekend. Zij heeft drie verschillende methodes gehanteerd voor het berekenen van de door Arte gederfde winst en daarvan het gemiddelde genomen. Dit gemiddelde bedraagt € 2.071.483,61. Bij dit bedrag is een bedrag opgeteld van € 3.819,26 in verband met door Arte gestelde levering van inkten en schuimen van Arte aan Loymina door [gedaagde]. Voorts is een bedrag opgeteld van € 20.000 in verband met de verkoop van het recept HST5005 aan Neu Kaliss. Ook is een bedrag opgeteld van € 144.873,60 in verband met door Arte bestede interne uren en een bedrag van

€ 211.192,37 in verband met de door Arte ingeschakelde juristen. Verminderd met het door Arte afzonderlijk gevorderde bedrag van € 6.677,99 terzake de conservatoire beslagen en de gerechtelijke bewaring, welk bedrag in de berekening van BDO is meegenomen, komt de vordering van Arte op € 2.444.690,85.

4.12.1.

[gedaagde] voert het volgende verweer tegen de gevorderde schadevergoeding

Er bestaat geen causaal verband tussen de door Arte gestelde onrechtmatige daad en de door Arte gestelde schade.

Het rapport van BDO is tendentieus en niet onafhankelijk. BDO is de huisaccountant van Arte. Voorts is geen hoor/wederhoor in acht genomen.

Arte heeft geen winst gederfd. [gedaagde] brengt de jaarrekeningen van Arte van 2009 tot en met 2011 in het geding. Daaruit blijkt dat de omzet van Arte in 2009 € 31.197.855,-- bedroeg, in 2010 € 33.356.345 en in 2010 € 34.165.640,--. De omzet is dus toegenomen in plaats van afgenomen.

4.12.2.

Gelet op het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Arte, is [gedaagde] op grond van artikel 6:162 lid 1 BW verplicht de schade te vergoeden die Arte als gevolg van zijn onrechtmatig handelen lijdt. Op grond van artikel 6:98 BW komt voor vergoeding in aanmerking de schade die in zodanig verband staat met het onrechtmatig handelen van [gedaagde], dat deze schade als een gevolg van dit onrechtmatig handelen aan [gedaagde] kan worden toegerekend, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade.

BDO is als beëdigd commissaris van Arte naar Belgisch recht belast met de externe controle op Arte. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat BDO niet onafhankelijk zou zijn.

[gedaagde] heeft voldoende gelegenheid gehad om in zijn akte tot uitlaten wijziging eis en bij gelegenheid van de comparitie te reageren op het rapport van BDO, zodat geen sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Inhoudelijk komt het verweer van [gedaagde] tegen het rapport van BDO er voornamelijk op neer dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld. Dit verweer is hiervoor reeds verworpen.

4.12.3.

Op grond van artikel 6:97 BW dient de rechtbank de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.

Een van de drie door BDO gehanteerde methodes voor de berekening van de door Arte gederfde winst betreft een berekening aan de hand van de door BDO gesignaleerde terugval van de omzet in Rusland. Naar het oordeel van de rechtbank is deze berekeningswijze het meest in overeenstemming met de aard van de schade. Nu vast staat dat Loymina zich dankzij de door [gedaagde] aan haar doorgespeelde Knowhow van Arte een voordelige concurrentiepositie heeft weten te verwerven, staat naar het oordeel van de rechtbank tevens voldoende vast dat Arte hierdoor in Rusland omzet/winst heeft gederfd en nog derft. Hierdoor lijdt Arte schade, ook al is haar wereldwijde omzet toegenomen. Deze schade kan aan [gedaagde] worden toegerekend.

Volgens BDO bedroeg de omzet in Rusland in 2008 € 2.753.072,--. In 2009 bedroeg de omzet € 2.154.493,-- en in 2010 € 1.737.514,--. In 2011 bedroeg de omzet in Rusland

€ 1.493.960,--, derhalve nog slechts bijna de helft van de omzet in Rusland in 2008. Gerekend met een gemiddelde winstmarge van 64,2 % bedraagt de winstderving over de jaren 2009 t/m 2011 in totaal € 1.844.589,90. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is onderbouwd dat Arte schade heeft geleden.

BDO gaat ervan uit dat Arte ook in de jaren 2012 t/m 2018 nog winst zal derven. In totaal (van 2009 t/m 2018) komt deze winstderving volgens BDO op € 6.875.270,90.

Het door Arte terzake in haar vordering betrokken bedrag terzake winstderving bedraagt

€ 2.071.483,61, derhalve een bedrag € 226.893,71 meer dan de vrij concrete berekening van € 1.844.589,90 aan gederfde winst over de jaren 2009 tot en met 2011. De rechtbank komt schattenderwijs tot het oordeel dat het totaal van de door Arte geleden schade in de vorm van in Rusland gederfde winst over de jaren 2009 tot en met 2018 ten minste een bedrag van € 2.071.483,-- bedraagt. Dit deel van de gevorderde schadevergoeding is derhalve toewijsbaar.

Het door BDO opgenomen bedrag van € 3.819,26 in verband met verkoop van schuimen en inkten aan Loymina door [gedaagde] is onvoldoende onderbouwd, mede gelet op het feit dat [gedaagde] betwist dat hij producten van Arte aan Loymina heeft geleverd. Dit onderdeel van de gevorderde schadevergoeding is daarom niet toewijsbaar.

Nu [gedaagde] heeft erkend dat hij het recept van HST 5005 aan Neu Kaliss heeft verkocht voor een bedrag van € 20.000,--, is dit onderdeel van de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar.

Tot de kosten waarvoor [gedaagde] krachtens artikel 6:98 BW aansprakelijk is, kunnen ook worden gerekend (redelijke) kosten ter vaststelling van de omvang van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en van de schade. Deze kosten staat in zodanig verband met het onrechtmatig handelen dat zij aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. Gelet hierop zal de rechtbank een bedrag van € 72.437,-- toekennen in verband met de uren die Arte intern heeft gespendeerd aan het onderzoek naar het onrechtmatig handelen van [gedaagde]. Tevens zal de rechtbank een bedrag van € 105.596,-- toekennen in verband met de kosten van juridisch advies, als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

In totaal komt de schadevergoeding die [gedaagde] aan Arte dient te voldoen op € 2.269.516,--.

4.13.

Arte vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten, die zij begroot op € 6.677,99. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar.

4.14.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Arte worden begroot op:

- dagvaarding €  97,64

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 3.061,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 8.027,50 (2,5 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal €  11.186,14

4.15.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [gedaagde] de rechtbank verzocht een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, om een eventueel hoger beroep niet illusoir te maken. De rechtbank acht dit enkele argument onvoldoende om de door Arte gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen.

in reconventie

4.16.

Uit het feit dat de vorderingen in conventie, waaronder de gevorderde schadevergoeding, worden toegewezen, volgt dat Arte niet onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te laten leggen ten laste van [gedaagde]. Bovendien vloeit uit de veroordeling in conventie voort dat [gedaagde] de in conservatoir beslag tot afgifte genomen bestanden waarvan onbetwist vast staat dat deze privé zijn en de desktop terug zal krijgen. Uit de diverse processen-verbaal van inbeslagneming blijkt niet dat beslag is gelegd op een zilveren reiskoffer, zodat van teruggave daarvan geen sprake kan zijn. De vorderingen tot opheffing van de diverse beslagen zullen daarom worden afgewezen.

4.17.

Ook het gevorderde bevel aan Arte om in gezamenlijk overleg de ordners door te nemen en te sorteren zal worden afgewezen.

4.18.

Nu in conventie is komen vast te staan dat [gedaagde] geheime Knowhow van Arte heeft doorgespeeld aan onder meer Loymina, heeft Arte niet onrechtmatig gehandeld jegens [gedaagde] door haar leveranciers te informeren omtrent de onrechtmatige handelingen van [gedaagde]. Voor de schade die [gedaagde] hierdoor lijdt is Arte dan ook niet aansprakelijk, zodat de gevorderde schadevergoeding dient te worden afgewezen.

4.19.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Arte worden begroot op:

- explootkosten €  0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 3.211,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 3.211,00)

Totaal €  3.211,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens Arte onrechtmatig heeft gehandeld, doordat [gedaagde] zich Knowhow heeft toegeëigend, heeft gekopieerd en/of heeft prijsgegeven aan derden,

5.2.

beveelt [gedaagde] om dit onrechtmatig handelen onmiddellijk te staken en gestaakt te houden,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 50.000 ineens voor iedere niet-nakoming van het bevel onder 5.2. alsmede € 25.000 voor iedere dag dat de niet-nakoming voortduurt, met dien verstande dat dwangsommen niet zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht (mede) gelet op de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

5.4.

beveelt de gerechtelijk bewaarder om de onder [gedaagde] inbeslaggenomen ordners met de nummers 3, 4, 5, 6, 8, 12, 13, 14, 15, 17, 35, 36, 37, 42, 43, 44, 45, 46, 55, 56, 58, 63, 65 en 70 op eerste verzoek aan Arte af te geven,

5.5.

draagt aan de gerechtsdeurwaarder op om op basis van hard copy documenten en/of digitale bestanden (op bestandsniveau) uit het hiervoor onder 4.11. genoemde omstreden materiaal het privé-materiaal van [gedaagde] te selecteren (derhalve eventuele (vakantie)foto’s, persoonlijke aantekeningen, privé-email en dergelijke) (hierna: het privé materiaal) en deze, na uitdrukkelijke goedkeuring van Arte, op nieuwe en ongebruikte digitale media te plaatsen en aan [gedaagde] te retourneren en draagt aan de deurwaarder tevens op om Arte in de gelegenheid te stellen om het zeefdrukboek (ordner nummer 9) te controleren, waarna de gerechtsdeurwaarder deze ordner (na verwijdering daaruit van hetgeen door Arte als haar Knowhow wordt beschouwd) aan [gedaagde] dient terug te geven, evenals de desktop (nadat alle informatie daarvan is gewist door Arte), een en ander op kosten van [gedaagde],

5.6.

draagt aan de gerechtsdeurwaarder op het restant van al het materiaal in bewaring te houden totdat deze uitspraak onherroepelijk is en dit materiaal binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis aan Arte af te geven,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] om aan Arte te betalen een bedrag van € 2.269.516,-- (twee miljoen tweehonderd negenenzestigduizend vijfhonderd zestien euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 6.677,99,

5.9.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Arte tot op heden begroot op € 11.186,14,

5.10.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover voor wat betreft de veroordelingen van [gedaagde] uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.12.

wijst de vorderingen af,

5.13.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Arte tot op heden begroot op € 3.211,00,

5.14.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Benek en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2013.