Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5538

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
01/839815-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor mishandeling van zijn echtgenote, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Vrijspraak van poging tot doodslag en zware mishandeling. De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren met onder meer de bijzondere voorwaarde van een behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek van maximaal 18 maanden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839815-12

Datum uitspraak: 08 oktober 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1953],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 april 2013, 27 juni 2013 en 24 september 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 maart 2013.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 september 2013 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Primair

Hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 18 tot en met 19 december 2012 te Eindhoven,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

(telkens) met dat opzet meermalen, althans eenmaal

- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of met zijn knie(ën) (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoten, en/of

- met een (hard) voorwerp tegen/op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestoten, en/of

- het lichaam van die [slachtoffer] (met kracht) tegen een hard voorwerp en/of de muur heeft geduwd en/of gestoten en/of geslagen (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is gevallen), althans

(telkens) opzettelijk een of meer vorm(en) van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft toegepast/uitgeoefend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

(art. 287 jo 45 Wetboek van Strafrecht);

Subsidiair

Hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 18 tot en met 19 december 2012 te Eindhoven,

aan zijn echtgenoot, [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een grote onderhuidse bloeduitstorting aan het hoofd, een barstwond aan de kin, letsel aan de tong, vier losgeraakte tanden in de onderkaak, dubbelzijdige onderkaakfractuur, een brilhematoom, een wond in het rechter onderooglid tot aan de traanbuis, een bloeding in de ophangband van de twaalfvingerige darm en/of hersenschade) heeft toegebracht,

door (telkens) opzettelijk meermalen, althans eenmaal

- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of met zijn knie(ën) (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te stoten, en/of

- met een (hard) voorwerp tegen/op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of stoten, en/of

- het lichaam van die [slachtoffer] (met kracht) tegen een hard voorwerp en/of de muur te duwen en/of te stoten en/of te slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is gevallen), althans een of meer vorm(en) van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] toe te passen/uit te oefenen

(art. 302 jo 304 aanhef en sub 1 Wetboek van Strafrecht);

Meer subsidiair

Hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 18 tot en met 19 december 2012 te Eindhoven,

zijn echtgenoot, [slachtoffer], heeft mishandeld,

door (telkens) opzettelijk meermalen, althans eenmaal

- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of met zijn knie(ën) (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te stoten, en/of

- met een (hard) voorwerp tegen/op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of stoten, en/of

- het lichaam van die [slachtoffer] (met kracht) tegen een hard voorwerp en/of de muur te duwen en/of stoten en/of slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is gevallen), althans

een of meer vorm(en) van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] toe te passen/uit te oefenen,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een grote onderhuidse bloeduitstorting aan het hoofd, een barstwond aan de kin, letsel aan de tong, vier losgeraakte tanden in de onderkaak, dubbelzijdige onderkaakfractuur, een brilhematoom, een wond in het rechter onderooglid tot aan de traanbuis, een bloeding in de ophangband van de twaalfvingerige darm en/of hersenschade), althans enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

(art. 300 lid 1 en 2 jo 304 aanhef en sub 1 Wetboek van Strafrecht).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

Op de ochtend van 19 december 2012 (rond 10.55 uur) gaat ambulancepersoneel in verband met een melding naar de woning van verdachte. Daar aangekomen treffen zij mevrouw [slachtoffer], de echtgenote van verdachte, aan. Zij ligt op de grond voor de bank in de woonkamer. Zij is buiten bewustzijn en heeft zichtbaar ernstige verwondingen aan haar gelaat. Kort daarna wordt zij in kritieke toestand opgenomen in het ziekenhuis, met het vermoeden van schedel en/of hersentrauma.

Verdachte - wiens adem volgens het ambulancepersoneel naar alcohol ruikt - vertelt aan de ambulancebroeders dat zijn echtgenote de avond ervoor rond 23.00 uur dronken de woning verliet en dat ze voorover van de betonnen trap in het portaal is gevallen, waarna hij haar terug de woning in heeft getild/gesleept en op de bank heeft gelegd. Voorts vertelt hij dat hij dacht dat ze haar roes moest uitslapen, zoals dit wel vaker het geval was. Pas toen hij de volgende ochtend bloed uit haar ogen en oren zag komen heeft hij zijn dochter en - vervolgens op haar aanraden – het alarmnummer112 gebeld, aldus verdachte.

Omdat er van zichtbare bloedsporen op en onder aan de trap in het portaal geen sprake lijkt te zijn en in de woning wel op meerdere plekken bloed wordt aangetroffen, schakelt het ambulancepersoneel de politie in. Naar aanleiding van de eerste resultaten van met name forensisch technisch onderzoek, wordt verdachte aangehouden.

De bewijsmiddelen 1.

Het forensisch onderzoek.

In de woning van verdachte, waar mevrouw [slachtoffer] is aangetroffen op 19 december 2012, heeft forensisch technisch onderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn in verschillende vertrekken in de woning bloedsporen aangetroffen op meerdere plekken, zoals muren, vloeren en meubels. Verder wordt geconstateerd dat op meerdere plaatsen kennelijk was getracht om bloed dan wel bloedsporen weg te vegen of schoon te maken. Daarnaast wordt in de wasmachine een broek gevonden met op beide pijpen ter hoogte van de knieën bloedvlekken. 2

In de woning van verdachte is een bloedspoorpatroononderzoek gedaan. Hierbij zijn bloedsporen en bloedspoorpatronen geregistreerd. Deze bloedsporen en bloedspoorpatronen zijn vervolgens geanalyseerd. Dit heeft geresulteerd in een deskundigenrapport uitgebracht door twee bloedspoorpatroondeskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut, welk rapport onder meer is gericht op beantwoording van de vraag naar het ontstaan van de geregistreerde bloedspoorpatronen.

Uit het rapport blijkt dat er in de woonkamer bloed is aangetroffen op een vitrinekastje, op een groene map onder het vitrinekastje, op een tweetal in elkaar geschoven dozen, op de muur achter de dozen, op de muur achter de bank, op de bank zelf, op het tafelblad en twee poten van de salontafel, op de vloerbedekking, op een groen tapijt, op een verwarmingsbuis en de muur naast de balkondeur, op de tussendeur van de woonkamer en de entreehal en op de deurpost van de slaapkamer en de woonkamer.

In de slaapkamer wordt bloed aangetroffen op het beddengoed en op een plantenbak. Verder is er bloed aanwezig op een voerbak, tabaksdoos en gootsteen in de keuken, op een jas in de hal en op de tegelvloer en de wastafel van de badkamer.

Een aantal van de bloedsporen is geclassificeerd als veegspoor(patroon), bloedstroompatroon of overgedragen bloedspoorpatroon of is niet terug te brengen binnen een specifiek patroon.

De (volumineuze concentratie van) waargenomen bloedspatten op het houten vitrinekastje, op de twee in elkaar geschoven kartonnen dozen en op de muur achter de dozen in de woonkamer zijn te classificeren als bloedspoorpatroon als gevolg van uitgeoefende kracht. Over het ontstaan van het bloedspoorpatroon meldt het rapport dat het ongeveer even waarschijnlijk is wanneer het veroorzaakt werd als gevolg van een impact geassocieerd met schoppen, slaan, steken dan wanneer het patroon veroorzaakt werd door weggeslingerde bloeddruppels of uitgeademd bloed. Het is ook mogelijk dat het patroon veroorzaakt werd door een combinatie van beschreven mechanismen.

Ook de bloedspatten op de voerbak in de keuken zijn te classificeren als bloedsporen als gevolg van uitgeoefende kracht en ongeveer even waarschijnlijk wanneer ze veroorzaakt werden als gevolg van impact dan wanneer ze veroorzaakt werden door geprojecteerde bloedspatten.

De conclusie van de analyse luidt dat geen van de aangetroffen bloedsporen en bloedspoorpatronen in de woning de karakteristieke kenmerken vertonen van bloedspatten ontstaan als gevolg van impact geassocieerd met schoppen, slaan, steken. Daarom kan op grond van de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek geen uitspraak worden gedaan of er sprake is geweest van geweld tegen het slachtoffer. 3

In een aanvullende rapportage van 4 september 2013 wordt deze conclusie nader toegelicht.

Het bloedspoorpatroon dat bestond uit bloedspatten en werd aangetroffen op het houten vitrinekastje, op de twee in elkaar geschoven dozen en op de muur achter de dozen kan op basis van karakteristieke kenmerken ingedeeld worden in hoofdgroep 2: bloedspoorpatronen als gevolg van uitgeoefende kracht. Het patroon van bloedspatten vertoont echter geen karakteristieke kenmerken die het onderscheid maken tussen verschillende (sub)groepen uit hoofdgroep 2. Bloedspatten en bloedspoorpatronen veroorzaakt door verschillende handelingen kunnen erg op elkaar lijken en daarom werd gerapporteerd dat het patroon ongeveer even waarschijnlijk is wanneer het veroorzaakt werd als gevolg van een impact geassocieerd met schoppen, slaan, steken dan wanneer het patroon veroorzaakt werd door weggeslingerde bloeddruppels of uitgeademd bloed. De waargenomen uiterlijke kenmerken van dit bloedspoorpatroon zijn dus niet te herleiden tot uitsluitend één type handeling.

De handeling die aan het bloedspoorpatroon ten grondslag ligt, is in dit geval niet vast te stellen en kan ook niet uitgesloten worden. 4

Het vastgestelde letsel.

Op grond van de inhoud van het medisch dossier van mevrouw [slachtoffer], opgevraagd bij het Catharina ziekenhuis te Eindhoven, vond onderzoek plaats naar de aard en oorzaak van letsels die op 19 december 2012 in het ziekenhuis bij haar werden geconstateerd.Het onderzoek is verricht door het Nederlands Forensisch Instituut, door D. Botter, forensisch arts. Zijn rapport houdt onder meer het volgende in. 5

Mevrouw [slachtoffer] is van 19 december 2012 tot en met 17 januari 2013 opgenomen op de Intensive Care van het Catharina ziekenhuis. De daar gestelde werkdiagnose betrof: breuk(en) in de schedelbasis en/of aangezicht. Uit het medisch dossier blijkt onder meer, samengevat, dat er een CT-scan van het hoofd is gemaakt waaruit het volgende bleek:

- forse zwelling van weke delen rechter gelaatshelft vanaf oogkas tot achterhoofd;

- verdenking op een kneuzingshaard linksvoor in de hersenen;

- diffuus verspreide puntbloedinkjes in de linker hersenhelft: mogelijk aanwijzingen voor

diffuse schade aan hersenceluitlopers (“diffuse axonale schade”);

- contusiehaarden rond basale kernen.

Ontslag uit het ziekenhuis en overplaatsing naar het verpleeghuis vond plaats op 11 maart 2013. De conclusie vermeld in de ontslagbrief luidt: hersenschade door zuurstofgebrek na traumatisch schedelhersenletsel en alcoholintoxicatie.

Uit het dossier en de herbeoordeling van radiologische onderzoeken bleken multipele letsels als gevolg van uitwendige inwerking van botsend en/of samendrukkend mechanisch geweld.

Er was een grote onderhuidse bloeduitstorting aan het hoofd buiten de schedel (rechts meer dan links).

Er waren een barstwond aan de kin, letsel aan de tong en vier loszittende tanden in de onderkaak; voorts bleek bij herbeoordeling van de radiologische onderzoeken dat de onderkaak beiderzijds gebroken was nabij de kaakgewrichten. De combinatie van letsels laat zich verklaren door één of meerdere krachtige botsende geweldsinwerking(en) tegen de voorzijde van de onderkaak.

Er waren bloeduitstortingen rond de ogen en een wond in het rechter onderooglid met inbegrip van de omgeving van de traanbuis. Het betrof derhalve kennelijk een letsel dat zich nabij de binnenhoek van het oog bevond, een afgeschermde plaats door de benige contouren van de oogkas en de neus. Dit impliceert dat ter plaatse een geweldsinwerking heeft plaatsgevonden met een voorwerp(deel) of lichaamsdeel dat binnen genoemde contouren kon doordringen.

Uit de beeldvormende onderzoeken bleek dat er mogelijk sprake was van een bloeding in de ophangband van de twaalfvingerige darm. Indien dit het geval was, dan is deze het gevolg geweest van een krachtige botsende geweldsinwerking tegen de buik, waarbij bloeding is opgetreden door kneuzing van weke delen tegen de wervelkolom. Deze geweldsinwerking kan zijn opgeleverd door slaan, stompen, schoppen of vallen tegen een uitstekend (niet vlak) hard object.

De ronde bloeduitstortingen die zijn waargenomen op de schouders zouden kunnen zijn opgeleverd door stevig vastgrijpen ('fingerprintbruises').

Samenvattend kan volgens de forensisch arts worden geconcludeerd dat alle bevonden letsels het gevolg zijn geweest van botsend en/of samendrukkend mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld kan worden opgeleverd door slaan, stompen, schoppen of vallen.

Mogelijk kunnen enkele bloeduitstortingen, zoals waargenomen aan de schouders, zijn opgeleverd door stevig vastgrijpen.

Getuigen.

Een buurvrouw van verdachte verklaart op 19 december 2012 dat ze de avond ervoor rond 22.30 uur een flinke ruzie heeft gehoord in de woning van verdachte en het slachtoffer, waarbij ze alleen verdachte hoorde schreeuwen. Ze hoorde ook een aantal, minstens vier, harde dreunen op de vloer. Rond 23.00 uur hoorde ze weer de buurman schreeuwen, waarna het stil werd.

De zoon van verdachte en het slachtoffer heeft zijn vader op 19 december 2012 in het ziekenhuis gesproken nadat het slachtoffer daar was opgenomen. Hij heeft toen aan zijn vader gevraagd of er gevochten was. Daarop antwoordde verdachte dat er mogelijk een schermutseling was geweest, keek naar zijn handen en zei toen dat daar niets op zat en hij haar dus niet had geslagen, maar dat hij haar mogelijk wel had getrapt. De zoon van verdachte verklaart verder dat hij wist dat na alcoholgebruik zijn moeder lastig kan zijn en zijn vader agressief. Hij heeft daarom aan zijn vader gevraagd of hij zijn handen mocht zien.6

De verklaringen van verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat het verhaal dat zijn echtgenote van de trap is gevallen, door hem verzonnen is.

Bij de politie heeft verdachte onder meer verklaard:

"Ik denk wel dat ik agressief geworden ben, dat blijkt wel. Misschien heb ik wel geduwd en is ze ergens tegenaan gevallen. (…) Ik kan niet zeggen hoe het gegaan is. Ik kan me herinneren dat we duw- en trekwerk hebben gedaan in de woonkamer. Ik kan me herinneren dat ze is gevallen. Door het duwen en trekken van ons ( ... ) Het is gewoon uit de hand gelopen. Het kan zijn dat ze nog wat opmerkingen tegen mij heeft gegeven en dat ik haar nog een duw heb gegeven. (…) Ik ben wel eens door het lint gegaan, maar niet met geweld. Ik ben eerder door het lint gegaan…(…) Fysiek geweld is niet eerder in deze mate voorgekomen. (…) Ik ben wel een pittig baasje. Dit is nu gewoon op een of andere manier geëscaleerd. Ik zal wel een flinke tik hebben uitgedeeld, zeker als ik kwaad was.” 7

Verdachte is volgens zijn verklaring op een gegeven moment naar bed gegaan en trof zijn echtgenote ’s morgens liggend op de bank aan. Hij verklaart:

“Ik zag bloed uit haar ooghoeken bij haar neus komen en dit heb ik af gedept. Ik zag bloed uit haar rechteroog en bloed uit haar linkeroor. En wat bloed op de neus.” 8

Op de vraag van de politie op welke wijze hij een rol heeft in of schuld heeft aan het letsel, verklaart verdachte:

“Ik ben degene geweest die het letsel heeft veroorzaakt van mijn vrouw. Dat is logisch. Het kan niet anders, maar hoe precies weet ik niet. Ik ben degene die dat geweest is, klaar.” 9

Later verklaart verdachte:

"Ik heb dus liggen piekeren en heb bedacht dat ik mijn vrouw mogelijk met mijn knieën heb bewerkt. (...) Ik had mijn broek ter hoogte van mijn knieën helemaal onder het bloed, dus zou het mogelijk kunnen zijn dat ik haar hoofd heb vastgepakt en haar met mijn knieën heb gestoten. Of met mijn schoenen." 10

Bij de rechter-commissaris verklaart verdachte op 24 december 2012 onder meer dat hij waarschijnlijk wel geweld gebruikt heeft tegen zijn vrouw. Hij zegt dat er een woordenwisseling is geweest met zijn vrouw en dat hij denkt dat hij haar geslagen heeft nadat er bij hem boven iets was geknapt. Hij verklaart dat hij niet denkt dat de verwondingen van een val of iets dergelijks zijn gekomen. 11

Ter terechtzitting verklaart verdachte onder meer het volgende. 12

Ik blijf bij wat ik bij de politie heb verklaard. Daar heb ik de waarheid gesproken. Ik heb er misschien in mijn eerste verklaringen bij de politie, over de val van de trap, een smoes van willen maken. Ik schaamde me dat mij dit overkomen is, dat wil zeggen dat mijn vrouw er zo slecht bij lag.

Ik heb bij de politie gezegd: “Ik zal het wel gedaan hebben. Ik ben een pittig mannetje.”

Ik ben op de bank gaan zitten en ben naar bed gegaan en in slaap gevallen. Ik ben pas ’s morgens wakker geworden.

U houdt me voor dat ik bij de politie heb verklaard over duw- en trekwerk en vallen.

En dat ik haar mogelijk een duw heb gegeven. Ik hoor dat ik heb gezegd dat ik door het lint gegaan ben. Als dat er staat zal ik dat gezegd hebben. Ik hoor dat U me voorhoudt dat ik eerder heb verklaard dat ik haar wel eens geslagen zou hebben. U houdt me voor: “Ik zal wel een flinke tik hebben uitgedeeld, zeker als ik kwaad ben”. Ik hoor dat ik bij de politie heb gezegd: “ik ben degene geweest die het letsel heeft veroorzaakt, maar hoe en precies dat weet ik niet”.

Ik antwoord hierop dat ik me het echt niet meer kan herinneren hoe het gegaan is. Ik heb van broek gewisseld omdat ik met mijn knieën in het bloed zat. Ik heb een schone broek aangetrokken voordat de ambulance kwam. We waren wel boos op elkaar die avond omdat ze gedronken had. Er zijn woorden over geweest. Ik heb haar niet zien vallen of ergens tegenaan zien bonken. Ik heb haar ook niet horen vallen. Ik heb mijn vrouw niet met mijn volle verstand letsel toegebracht. Ik voel me wel schuldig, omdat ik beter die fles wijn niet had kunnen opdrinken. Misschien had ik dan geweten wat er precies gebeurd was.

Ik heb eerder wel eens geweld uitgeoefend tegen mijn vrouw. Ik heb vermoedelijk niet het idee gehad dat ze zo erg gewond was.

De bewezenverklaring.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaring van mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, begaan tegen zijn echtgenote, meermalen gepleegd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van de gehele tenlastelegging wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt ten eerste vast dat het letsel dat is geconstateerd bij mevrouw [slachtoffer] is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Wetboek van Strafrecht. Dit volgt uit de aard van het letsel en de noodzakelijkheid van medisch ingrijpen. Daarnaast is daarbij van belang dat het herstel van lange duur is, voor zover al van volledig herstel kan worden gesproken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het verdachte is geweest die het zwaar lichamelijk letsel bij mevrouw [slachtoffer] heeft veroorzaakt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich niets meer van het voorval kan herinneren en dat hij niet weet hoe zijn echtgenote zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hij heeft verder verklaard dat hij bij zijn verklaringen blijft zoals hij die heeft afgelegd bij de politie, voor zover het de verklaringen betreft die hij heeft afgelegd nadat hij had erkend dat zijn echtgenote niet van de trap in het portaal was gevallen. Verdachte geeft in die verklaringen – kort samengevat – aan dat hij boos was, dat er duw- en trekwerk heeft plaatsgevonden, dat hij door het lint is gegaan en dat hij de veroorzaker is van het letsel bij zijn echtgenote, al kan hij zich niet herinneren exact op welke wijze.

De verklaring van verdachte dat hij degene is geweest die zijn echtgenote heeft mishandeld, waardoor zij zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in de twee rapporten van het NFI betreffende de bloedspoorpatroonanalyse en het rapport van de forensisch arts betreffende het letsel van mevrouw [slachtoffer]. De conclusies houden immers in dat het toepassen van geweld één van de mogelijke oorzaken is van het letsel en de aangetroffen bloedspoorpatronen.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het geconstateerde letsel bij mevrouw [slachtoffer] ook past in het scenario dat dit is veroorzaakt door geweld afkomstig van verdachte. Door verdachte is geen alternatief scenario aangedragen dat mogelijk een verklaring zou opleveren voor het veroorzaakte letsel bij zijn echtgenote. Verdachte heeft ter terechzitting verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft zien of horen vallen of bonken. Ook anderszins is op geen enkele wijze aannemelijk dat mevrouw [slachtoffer] zichzelf het letsel heeft toegebracht.Verdachte heeft voorts verklaard dat er in de avond van 18 december 2012 en nacht van 18 op 19 december 2012 geen andere personen in de woning zijn geweest dan hij en zijn echtgenote. Er zijn ook geen andere aanwijzingen voor de mogelijkheid dat een derde persoon verantwoordelijk is voor de het letsel van mevrouw [slachtoffer].

De rechtbank vindt voorts steun voor haar oordeel in de verklaring van verdachte dat hij in het verleden eerder geweld heeft gebruikt tegen zijn echtgenote, welke verklaring wordt ondersteund door (getuigen)verklaringen van zijn kinderen.

Ten slotte vindt de rechtbank steun voor haar oordeel in de verklaring van de buurvrouw dat zij die avond geruzie en bonkgeluiden vanuit de woning van verdachte heeft gehoord.

Vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de raadsman van verdachte, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Primair is tenlastegelegd de poging tot doodslag op [slachtoffer], de echtgenote van verdachte. Subsidiair is tenlastegelegd de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [slachtoffer].

Voor een bewezenverklaring van deze tenlastegelegde strafbare feiten is vereist dat de verdachte (ten minste voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het van het leven beroven dan wel het zwaar mishandelen van zijn echtgenote.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood of zwaar lichamelijk letsel, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

In de ochtend van 19 december 2012 (rond 10.55 uur) treft ambulancepersoneel in de woning van verdachte de echtgenote van verdachte, mw. [slachtoffer] aan. Zij ligt op de grond voor de bank in de woonkamer, buiten bewustzijn, met zichtbaar ernstige

verwondingen aan haar gelaat. Ze wordt in kritieke toestand opgenomen in het ziekenhuis, met vermoeden van schedel/hersentrauma.

Het hoofd vormt een kwetsbaar lichaamsdeel van een mens. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hard slaan of uitoefenen van geweld op of tegen het hoofd van een persoon onder omstandigheden een aanmerkelijke kans op de dood van die persoon oplevert. Niet blijkt van omstandigheden op grond waarvan die wetenschap bij verdachte niet aanwezig kan worden verondersteld.

Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet zonder meer volgen dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard. Het onderzoek ter terechtzitting heeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen opgeleverd dat verdachte zijn echtgenote heeft willen doden of zwaar heeft willen mishandelen. Uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat hij dit gevolg niet heeft gewild en dat hij niet heeft stilgestaan bij de mogelijkheid dat zijn echtgenote als gevolg van het door hem toegepaste geweld zou kunnen overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Uit de bewijsmiddelen is voorts niet vast te stellen op welke wijze verdachte geweld heeft uitgeoefend op zijn echtgenote. Zo kan bijvoorbeeld niet aantoonbaar worden vastgesteld dat verdachte daartoe een massief, zwaar voorwerp heeft gebruikt, zodat ook niet uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte kan worden afgeleid dat hij voorwaardelijk opzet heeft gehad op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel of dat zijn echtgenote door zijn gedragingen zou komen te overlijden.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het primair en subsidiair ten

laste gelegde feit niet bewezen kunnen worden, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank komt op basis van de genoemde bewijsmiddelen, haar vaststelling dat het letsel van mevrouw [slachtoffer] is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel en haar oordeel dat geweld afkomstig van verdachte de oorzaak is van dit letsel, wel tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde, te weten eenvoudige mishandeling van zijn echtgenote, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

in de periode van 18 tot en met 19 december 2012 te Eindhoven,

zijn echtgenoot, [slachtoffer], heeft mishandeld, door opzettelijk een of meer vorm(en) van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] toe te passen/uit te oefenen,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een grote onderhuidse bloeduitstorting aan het hoofd, een barstwond aan de kin, letsel aan de tong, vier losgeraakte tanden in de onderkaak, dubbelzijdige onderkaakfractuur, een brilhematoom, een wond in het rechter onderooglid tot aan de traanbuis, een bloeding in de ophangband van de twaalfvingerige darm en hersenschade), heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Uit een door psychiater J.R. Nijdam op 21 maart 2013 omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport blijkt dat het door verdachte gepleegde strafbare feit in licht verminderde mate aan hem kan worden toegerekend.

Uit een door psycholoog W.J.P. Gaertner en psycholoog C.T.H.M. Salet op 15 maart 2013 omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport blijkt eveneens dat het door verdachte gepleegde strafbare feit in licht verminderde mate aan hem kan worden toegerekend.

De rechtbank zal met de conclusies van deze deskundigen, die zij overneemt en tot de hare maakt, rekening houden in die zin dat zij verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar acht. De rechtbank zal daarbij bij de bepaling van de strafmaat rekening houden.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3

jaren en bijzondere voorwaarden:

1.

dat veroordeelde wordt verplicht zich te melden bij de reclassering, afdeling Leger des Heils, te Eindhoven, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk oordeelt;

2.

dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd voor een periode van maximaal 18 (achttien) maanden zal laten opnemen in de forensisch psychiatrische kliniek van "[kliniek]", een instelling van de geestelijke gezondheidszorg te [gemeente], en zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van een behandeling door of namens die instelling worden gegeven;

3.

dat veroordeelde gedurende de proeftijd zich onthoudt van het gebruik van alcoholhoudende drank en ter controle daarop zijn medewerking verleent aan urinecontroles.

De officier van justitie vordert uitvoerbaarheid bij voorraad van de onder 1 en 2 genoemde bijzondere voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft voor wat betreft de afdoening van de zaak opgemerkt dat verdachte bereid is mee te werken aan een behandeling van zijn problemen en dat verdachte zich ook in vrijheid wil laten behandelen voor zijn alcoholprobleem.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft het slachtoffer mevrouw [slachtoffer], zijn echtgenote, in haar eigen huis mishandeld door geweld tegen haar te gebruiken gericht op of tegen het hoofd en/of het lichaam. Deze mishandeling heeft uiteindelijk geleid tot de ernstige verwondingen zoals daarvan blijkt uit het bewezen verklaarde.

Verdachte heeft het slachtoffer gewond achtergelaten in de woonkamer terwijl hij zelf is gaan slapen en heeft niet tijdig (maar pas in de loop van de ochtend) medische hulp ingeroepen.

Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer na een langdurig verblijf in het ziekenhuis (vanaf de datum van het delict tot medio maart 2013) is overgebracht naar een verpleegtehuis en daar tot op de dag van vandaag wordt verpleegd. Er is geen prognose uitgesproken ten aanzien van (de aard van) het herstel van het slachtoffer.

Er is sprake van een ernstig strafbaar feit.

Door zijn gewelddadig handelen heeft verdachte groot leed toegebracht aan de familie en naaste omgeving van het slachtoffer en met name hun kinderen, die zich geconfronteerd zagen met de mishandeling van hun moeder door hun vader.

Verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een groot gevaar voor de gezondheid van het slachtoffer in het leven geroepen en heeft zich niets aangetrokken van haar belangen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte tijdens het plegen van het feit onder invloed van alcohol verkeerde, waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen. Desondanks heeft hij toch alcohol gebruikt.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte niet eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Ook neemt de rechtbank ten voordele van verdachte in aanmerking dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn echtgenote aangedane leed inziet en oprecht berouw heeft getoond. Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte regelmatig contact heeft met zijn echtgenote, dat de relatie van het slachtoffer met verdachte voortduurt en het slachtoffer de wens heeft uitgesproken dat verdachte niet wordt gestraft voor zijn handelen.

De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als richtlijn voor de straftoemeting.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarde(n) worden gekoppeld.

Voor wat betreft de te bepalen proeftijd en de te stellen bijzondere voorwaarden overweegt de rechtbank in het bijzonder nog het volgende.

Uit het door psychiater J.R. Nijdam op 21 maart 2013 uitgebrachte rapport blijkt dat verdachte lijdt aan een aanpassingsstoornis, met stoornissen van emoties en gedrag, afhankelijkheid en misbruik van alcohol en een narcistische persoonlijkheidsstoornis.

Het rapport houdt onder meer in:

“Om de kans op recidive te verkleinen is het van groot belang dat betrokkene een psychiatrische behandeling zal krijgen. Het primaire doel zal zijn om de verslaving aan alcohol te behandelen, omdat dit de belangrijkste factor is die de recidive bepaald. Als betrokkene niet drinkt zal de kans dat hij tot agressief gedrag komt veel kleiner worden.

Vervolgens moet in deze behandeling aandacht worden besteed aan de narcistische persoonlijkheidstoornis en is van belang dat betrokkene meer zicht krijgt op zijn eigen rol in zijn gedrag, wat nu nauwelijks het geval is en een behandeling niet eenvoudig zal maken.

Een derde belangrijk aspect is de aandacht voor de vele al jaren bestaande psychosociale problemen met betrekking tot huisvesting, financiën en werk.”

Zijn advies luidt dat verdachte een klinische en daarna langdurige ambulante behandeling dient te ondergaan in het kader van te stellen bijzondere voorwaarden bij een substantieel voorwaardelijk strafdeel.

De psycholoog W.J.P. Gaertner en psycholoog C.T.H.M. Salet komen in grote lijn tot dezelfde conclusie en tot hetzelfde advies.

Hun rapport houdt onder meer in:

“Vanuit de persoonlijkheidsproblematiek en de verslavingsproblematiek zijn er problemen op diverse levensgebieden ontstaan. Betrokkene heeft vanuit de stoornissen ook onvoldoende adequate probleemoplossende vaardigheden waardoor de problemen zonder hulp niet opgelost kunnen worden. Het is als het ware een cirkel geworden die doorbroken dient te worden, iets dat betrokkene zelfstandig niet kan.”

Hun advies luidt dat aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf dient te worden opgelegd en een klinische behandeling in een laag tot matig beveiligde kliniek gericht op dubbeldiagnose.

Uit het omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 23 augustus 2013 volgt dat verdachte op 22 augustus 2013 definitief geplaatst is bij “[kliniek]”. Wat de duur van het behandeltraject betreft, wordt door deze instelling aangegeven dat minimaal één jaar nodig is om na een klinische behandeling (binnen een hoog beveiligingsniveau) een resocialisatie-traject te kunnen uitzetten. Toezicht van de reclassering is aangewezen om een controlerende, structurerende en begeleidende rol te vervullen.

De rechtbank ziet in het voorgaande redenen en noodzaak om de duur van een intramurale behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden vast te stellen op maximaal achttien maanden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 300, 304.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

(meer subsidiair)

mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, begaan tegen zijn echtgenote.,

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. meer subsidiair:

gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich (uiterlijk) op de tweede dag na deze uitspraak meldt bij de reclassering, Leger des

Heils Jeugdzorg en Reclassering, Dr. Berlagelaan 1, 5622 HA Eindhoven, telefoonnummer

088-0901140 en zich zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit

noodzakelijk oordeelt;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden

gegeven door de reclassering;

- zich gedurende de proeftijd voor de duur van maximaal 18 (achttien) maanden zal

laten opnemen in de forensisch psychiatrische kliniek van "[kliniek]", een

instelling van de geestelijke gezondheidszorg te [gemeente], althans een soortgelijke

intramurale instelling, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die

veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur

van die instelling zullen worden gegeven;

- dat veroordeelde gedurende de proeftijd zich onthoudt van het gebruik van

alcoholhoudende drank en ter controle daarop zijn medewerking verleent aan

urinecontroles,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr. uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn voor zover dit betreft de meldingsplicht en de opname in de forensisch psychiatrische kliniek van "[kliniek]".

Beslissing met betrekking tot de voorlopige hechtenis.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 22 augustus 2013 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. N.M. Spelt en mr. J. Leyenaar-Holleman, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 8 oktober 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar het dossier, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie recherche Forensische Technische Ondersteuning, dossiernummer PL 2233 2012185754, afgesloten d.d. 19 januari 2013, aantal doorgenummerde bladzijden: 168.

2 Ambtelijk verslag p. 4, dossier p. 8

3 NFI rapport bloedspoorpatroonanalyse, gedateerd 27 februari 2013

4 Herzien rapport van het NFI betreffende de beantwoording van aanvullende vragen over de analyse van bloedsporenpatronen, gedateerd 4 september 2013

5 NFI rapport betreffende een onderzoek naar de aard en oorzaak van letsels bij mevrouw [slachtoffer], gedateerd 4 september 2013, p.1, 2, 6, 7, 8.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] op 28 december 2012 , dossier p. 66; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] op 28 december 2012, dossier p. 68

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 22 december 2012, dossier p. 103, 104

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 22 december 2012, dossier p. 105

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 22 december 2012, dossier p. 110

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 23 december 2012, dossier p. 139

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte door de rechter-commissaris op 24 december 2012.

12 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 24 september 2013