Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5502

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-10-2013
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
01/853048-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld tegen jonge weerloze kinderen in 's-Hertogenbosch. Verdachte is licht verminderd toerekeningsvatbaar. Opgelegd wordt een leerstraf van 35 uren, een werkstraf van 40 uren en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken met een proeftijd van twee jaren en verplicht toezicht van de jeugdreclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/853048-12

Datum uitspraak: 07 oktober 2013

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [1998],

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 september 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 augustus 2013.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 september 2013 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 november 2012 te 's-Hertogenbosch met een ander of

anderen, op of aan de openbare weg, de Sluisweg en/of Fleringen, in elk geval

op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het onverhoeds duwen tegen het lichaam

en/of de fiets en/of het onverhoeds slaan in het gezicht van voornoemde[slachtoffer 1]

; (delict 1)

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 november 2012 te 's-Hertogenbosch tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend

een persoon (te weten [slachtoffer 1]) onverhoeds tegen het lichaam en/of de fiets

heeft geduwd en/of onverhoeds in het gezicht heeft geslagen, waardoor

voornoemde[slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 12 november 2012 te 's-Hertogenbosch tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooter (merk Peugeot

Vivacity, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s); (delict 2)

art. 310 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 20 november 2012 te 's-Hertogenbosch met een ander of

anderen, op of aan de openbare weg, de Klokkenlaan, in elk geval op of aan een

openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen[slachtoffer 4]

, welk geweld bestond uit het schelden tegen die [slachtoffer 4] en/of de tas

van die [slachtoffer 4] vastpakken en/of vasthouden en/of die [slachtoffer 4] tot stoppen

dwingen en/of het meermalen althans eenmaal in het gezicht van die [slachtoffer 4]

slaan; (delict 3)

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 november 2012 te 's-Hertogenbosch tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend

een persoon (te weten[slachtoffer 4]) meermalen althans eenmaal in het gezicht

althans tegen het hoofd slaan, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 16 november 2012 te 's-Hertogenbosch met een ander of

anderen, op of aan de openbare weg, de Klokkenlaan, in elk geval op of aan een

openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5]

, welk geweld bestond uit het voor die [slachtoffer 5] gaan staan en/of die

[slachtoffer 5] insluiten en/of het meermalen althans eenmaal slaan tegen het hoofd van

die [slachtoffer 5]; (delict 6)

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 november 2012 te 's-Hertogenbosch tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend

een persoon (te weten [slachtoffer 5]) meermalen althans eenmaal tegen het

hoofd heeft geslagen, waardoor [slachtoffer 5] voornoemde letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5. 850348-13

ter berechting gevoegd

hij op of omstreeks 22 maart 2013 te 's-Hertogenbosch opzettelijk niet heeft

voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 172 a van de

Gemeentewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door

de burgemeester van de Gemeente 's-Hertogenbosch, die was belast met de

uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard

tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft

verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen,

althans van hem had gevorderd zich in de periode van 7 januari 2013 tot en met

7 april 2013 niet in het gebied te begeven dat wordt begrensd door het

Burgemeester van Zwietenpad, De Goudkinderen, De Bokkelaren, Het Klokkendiep,

de Tondeldoos, Het Wielsem, Sint Teunislaan, Klokkenlaan, Eerste Morgen,

Tweede Morgen, 't Geerke en het Burgemeester van Zweitenpad te

's-Hertogenbosch, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;

art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken en overweegt daartoe als volgt.

De belastende verklaringen van de medeverdachten wijken, ook ten aanzien van de rol die verdachte zou hebben gespeeld in verband met dit feit, dermate veel van elkaar af dat niet kan worden vastgesteld wie de waarheid spreekt. Derhalve kan ook niet worden vastgesteld of verdachte als mededader betrokken is geweest bij de diefstal. Uit de bewijsmiddelen komen wel sterke aanwijzingen naar voren dat verdachte betrokken was bij de heling van de scooter, maar dat feit is niet ten laste gelegd.

ten aanzien van feit 5:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van dit feit bevinden zich in het strafdossier de volgende stukken:

a. a) een proces-verbaal (strafrechtelijk) minderjarige van 29 maart 2013;

b) een proces-verbaal verhoor verdachte van 26 maart 2013;

c) een kopie van een besluit van de burgemeester van 's-Hertogenbosch van 4 januari 2013, betreffende onder meer een gebiedsverbod met als bijlage een kaart/plattegrond van (een deel van) de gemeente 's-Hertogenbosch waarop het betreffende gebied is vastgelegd en rood-omlijnd is weergegeven.

De politie heeft gerelateerd in een kort proces-verbaal, niet zijnde een proces-verbaal van bevindingen, dat verdachte werd aangetroffen in een gebied waarin hij conform een gebiedsverbod, opgelegd door de gemeente 's-Hertogenbosch, niet mocht zijn. Verdachte werd aangetroffen op de Bokkelaren, in het aldaar gelegen park achter de flats, alwaar hij blijkens zijn gebiedsverbod niet mocht zijn. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij naar zijn stage ging bij [stageplaats]aan de [adres 2] te 's-Hertogenbosch en onderweg [medeverdachte 4] tegenkwam. Laatstgenoemde stond op het punt de weg in te fietsen waar hij vandaan kwam en op dat moment kwam er politie. Naar zijn mening heeft verdachte niets verkeerd gedaan. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij niet werd aangetroffen in een park achter de flats, maar op straat De Korenaar, en dat hij inderdaad op weg was naar zijn stage-adres. Verdachte heeft ter zitting op een plattegrond aangegeven waar hij de politie tegenkwam.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de summiere verslaglegging door de verbalisant over de plaats waar hij verdachte heeft aangetroffen niet worden vastgesteld dat verdachte zich op 22 maart 2013 te 17.15 uur bevond op een plek die is gelegen binnen het gebiedsverbod, nu raadpleging van genoemde plattegrond van de gemeente 's-Hertogenbosch leert dat de Bokkelaren deels wel en deels niet valt binnen het gebiedsverbod. Met de enkele omstandigheid dat de verbalisant kort relateert dat verdachte zich binnen het gebied bevond, kan niet zonder meer worden volstaan, nu verdachte geheel andersluidend heeft verklaard over de plek waar de politie hem heeft aangetroffen. Naar aanleiding van verdachtes verklaring heeft geen nader onderzoek plaatsgevonden, waarbij zij opgemerkt dat indien verdachte op de Korenaar was aangetroffen op de plaats zoals door verdachte aangegeven op de plattegrond, verdachte zich niet bevond binnen het gebiedsverbod. Gelet op dit alles heeft de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van het op zichzelf wettig bewijs, bestaande uit onder a genoemde op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte zal worden vrijgesproken van dit feit.

Bewijsoverwegingen.

ten aanzien van feit 1 primair:

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte weliswaar bekent het latere slachtoffer[slachtoffer 1] te hebben geduwd, voordat medeverdachte [medeverdachte 1] het slachtoffer sloeg, maar dit gebeurde louter omdat verdachte zichzelf wilde beschermen, omdat deze[slachtoffer 1] hem op een korte afstand (20 cm) passeerde en hem bijna aanreed. Het was niet zo dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op zoek waren naar de kans om iemand te pakken. Er was aldus geen sprake van onderlinge samenwerking, zo begrijpt de rechtbank de raadsvrouwe.

De rechtbank acht met de officier van justitie de lezing van de feiten als door de verdediging voorgehouden niet aannemelijk geworden en overweegt daartoe het volgende.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte het slachtoffer naar hem toe wegduwde, waarop [medeverdachte 1] het slachtoffer sloeg. De rechtbank ziet dit gebeuren niet als een op zichzelf staand incident, maar als het laatste (zij werden immers die avond nog aangehouden) van een reeks vervelende incidenten, waarbij steeds weerloze jongens en meisjes in dezelfde omgeving zonder enige aanleiding werden mishandeld door een groep jongens. Verdachte en [medeverdachte 1] waren vaker - naar eigen zeggen en ook blijkens de hierna te bespreken feiten (deels) - bij die mishandelingen betrokken en maakten deel uit van die groep jongens. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat ook op de bewuste avond van 27 november 2012, nadat al een reeks van mishandelingen was gepleegd, verdachte en [medeverdachte 1] op zoek waren naar de kans om opnieuw iemand te pakken. Toen[slachtoffer 1] verdachte op korte afstand passeerde, greep verdachte die kans door hem zonder enige aanleiding weg te duwen in de richting van [medeverdachte 1], waarop deze, eveneens zonder aanleiding, zijn bijdrage leverde door het slachtoffer in zijn gezicht te slaan. [medeverdachte 1] maakte als het ware vanzelfsprekend en stilzwijgend de klus af die verdachte hem aanreikte en dat, zonder dat dus enig overleg nodig was. Het aldus op significante wijze en bovendien stilzwijgend aan elkaars geweld bijdragen, zoals zij al eerder aan elkaars geweld hadden bijgedragen, maakt dat hier sprake was van openlijk in vereniging gepleegd geweld tegen het slachtoffer [slachtoffer 1]. Dat deze[slachtoffer 1] zelf niets heeft verklaard over een duw van verdachte, doet daaraan niet af.

ten aanzien van feit 3 primair:

De raadsvrouwe heeft op de gronden zoals weergegeven in haar pleitnotitie vrijspraak bepleit omdat - kort gezegd - aangever [slachtoffer 4] verdachte niet zou hebben herkend als een van de daders.

De rechtbank verwerpt dit verweer aangezien verdachte bij de politie en op de terechtzitting heeft bekend het slachtoffer met anderen te hebben geslagen en nu er voldoende steunbewijs is te vinden in de verklaringen van de aangever, de beide getuigen en die van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]die beiden verklaren dat verdachte het slachtoffer heeft geslagen.

ten aanzien van feit 4 primair:

De raadsvrouwe heeft op de gronden zoals weergegeven in haar pleitnotitie vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig bewijs.

De rechtbank verwerpt dit verweer aangezien verdachte ter terechtzitting heeft bekend het slachtoffer te hebben geduwd en nu er voldoende steunbewijs is te vinden in het relaas van de verbalisant die de melding van het incident heeft vastgelegd, in de verklaringen van de beide getuigen en in die van de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] die beiden verklaren dat verdachte het slachtoffer heeft geslagen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. (

primair) op 27 november 2012 te 's-Hertogenbosch met een ander, op de openbare weg de Sluisweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het onverhoeds duwen tegen het lichaam en het onverhoeds slaan in het gezicht van voornoemde[slachtoffer 1].

3. (

primair) op 20 november 2012 te 's-Hertogenbosch met anderen, op de openbare weg de Klokkenlaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen[slachtoffer 4], welk geweld bestond uit het schelden tegen die [slachtoffer 4] en de tas van die [slachtoffer 4] vastpakken en vasthouden en die [slachtoffer 4] tot stoppen dwingen en het meermalen in het gezicht van die [slachtoffer 4] slaan.

4. (

primair) op 16 november 2012 te 's-Hertogenbosch met anderen, op de openbare weg de

Klokkenlaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5], welk geweld bestond uit het voor die [slachtoffer 5] gaan staan en die [slachtoffer 5] insluiten en het meermalen slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer 5].

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van de feiten 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair en 5 een leerstraf voor de duur van 35 uur, subsidiair 17 dagen jeugddetentie, in de vorm van een

Tools4U training, een werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke jeugddetentie van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde toezicht van de jeugdreclassering waarvan de eerste drie maanden ITB-Criem. Voorts eist de officier van justitie dat de benadeelde partij ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering.

De officier van justitie betrekt daarbij met name de ernst van de openlijke geweldplegingen. Ook heeft de officier van justitie daarbij meegewogen de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat hij geen strafblad heeft en verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van de feiten.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat het opleggen van een taakstraf en begeleiding door de jeugdreclassering een rechtvaardige en zinvolle reactie is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging met een groep jongens tegen jonge weerloze kinderen zonder dat daarvoor ook maar enige aanleiding bestond. Verdachte maakte deel uit van een groep minderjarige jongens die in de maanden oktober en november 2012 in ’s-Hertogenbosch meerdere jonge kinderen mishandelden. Zonder enige aanleiding werden willekeurig gekozen slachtoffers geschopt en/of geslagen door deze groep. Daarbij werd veelal gehandeld op dezelfde wijze: door het opwachten, aanroepen of uitdagen van de slachtoffers en bij enige reactie of zelfs het uitblijven daarvan, over te gaan tot zinloos geweld. Zo ook bij deze slachtoffers. Dit soort feiten veroorzaakt onrust en roept gevoelens van angst en onveiligheid op bij slachtoffers, hun naaste omgeving en in de maatschappij als geheel. Verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit aangetast. Dit geweld moet een grote indruk op hen hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog lang last van. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om deze gevolgen.

Strafverminderend laat de rechtbank meewegen dat uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door de gz-psycholoog drs. K.T.E. Záslós van 8 maart 2013 blijkt, dat de door hem gepleegde strafbare feiten in licht verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Dit rapport houdt daaromtrent onder meer het volgende in:

Betrokkene is weliswaar in staat het ontoelaatbare van zijn handelwijze in te zien, maar is op grond van factoren passend bij zijn gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in licht verminderde mate in staat zijn wil conform dat besef te bepalen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, verdachte zal vrijspreken van de feiten 2 en 5 en voorts van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank zal om die reden de gevorderde werkstraf matigen als na te melden.

De rechtbank zal de jeugddetentie voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze voorwaardelijke straf zal na te noemen bijzondere voorwaarde worden gekoppeld.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten van verdachte. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n,77v, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 141.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 en 5 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

t.a.v. feit 3 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

t.a.v. feit 4 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen:

t.a.v. feit 1 primair, feit 3 primair, feit 4 primair:

- een leerstraf voor de duur van 35 uren subsidiair 17 dagen jeugddetentie.

Deze leerstraf bestaat uit het volgen van de gedragsinterventie Tools4U Verlengd Plus.

t.a.v. feit 1 primair, feit 3 primair, feit 4 primair:

- een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie met aftrek

overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

t.a.v. feit 1 primair, feit 3 primair, feit 4 primair:

- jeugddetentie voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar

feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan

het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa

van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder

begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd

gedraagt naar de aanwijzingen hem in het kader van de jeugdreclassering te

geven door of namens het Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, Wal 20, 5611 GG

Eindhoven, waarvan de eerste drie maanden in het kader van ITB-Criem.

Verleent opdracht aan voornoemd bureau om aan de veroordeelde terzake van de

naleving van deze bijzondere voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 7 december 2012 reeds

geschorst.

t.a.v. feit 2:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden

begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter, tevens kinderrechter-plv.,

mr. M. Lammers en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier,

en is uitgesproken op 7 oktober 2013.

Mr. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.