Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5455

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
13/4219
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft niet met stukken onderbouwd dat hij over onvoldoende financiële middelen beschikt om de verbeurde dwangsom te betalen. Geen reden voor schorsing. Dergelijke stukken kunnen nog worden ingediend in de bezwaarfase.

Of legalisatie van de overtreding mogelijk is (in verband met verwacht nieuw welstandsbeleid) en dat handhavend optreden onevenredig is, is beoordeeld in het handhavingbesluit van 17 augustus 2012. De rechtmatigheid van dat besluit is in deze procedure niet meer aan de orde. Dat geldt ook voor de stelling van verzoeker ter zitting, dat onder de waarschuwingsbrief van 14 februari 2012 geen rechtsmiddelenclausule was vermeld en hij hierdoor niet in staat is gesteld om daartegen een rechtsmiddel aan te wenden. Verzoeker had dat kunnen aanvoeren in een eventuele procedure tegen het handhavingsbesluit van 17 augustus 2012, maar hij heeft daartegen geen rechtsmiddel aangewend.

Wetsverwijzingen
Woningwet, geldigheid: 2013-10-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/4219

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te Oss, verzoeker,

(gemachtigde: mr. L.P.M. van Erp)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, verweerder.

(gemachtigde: J.F.A.C. Verbruggen)

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 6.000, te betalen binnen zes weken na het van kracht worden van dat besluit.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Bij besluit van 17 augustus 2012 heeft verweerder verzoeker gelast de overtreding van artikel 12, eerste lid, onder a, van de Woningwet, vanwege een groen gespoten dak, binnen twee maanden te beëindigen. Dit kon op twee manieren, namelijk door de dakpannen terug te brengen in de oorspronkelijke kleur, of in overleg met de welstandscommissie, een andere kleur (dakpannen) te kiezen, die niet in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand en deze kleur (dakpannen) dan na goedkeuring van de welstandscommissie aan te brengen. De begunstigingstermijn liep tot 18 oktober 2012. De dwangsom bedroeg € 1.000 per week, met een maximum van € 6.000.

1.2

Op 15 november 2012 heeft verweerder verzoeker laten weten dat niet tot invordering van de verbeurde dwangsommen zou worden overgegaan, indien verzoeker de overtreding uiterlijk 1 februari 2013 alsnog zou beëindigen. Op 17 januari 2013 is de invordering nog een keer opgeschort tot 1 mei 2013. Op 2 mei 2013 is door een inspecteur van de afdeling handhaving van verweerders gemeente vastgesteld dat verzoeker het dak had ingepakt met zwart plastic.

1.3

Bij brief van 21 juni 2013 is verzoeker op de hoogte gesteld van het voornemen de verbeurde dwangsom in te vorderen.

Bij brieven van 12 juli 2013 en 31 juli 2013 heeft verzoeker zienswijzen tegen het voornemen naar voren gebracht. Ook is de zienswijze mondeling toegelicht.

2.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat door zwart plastic aan te brengen over de dakpannen de overtreding niet is beëindigd. Door verzoeker is niet voldaan aan de verplichting, opgelegd in de handhavingsbeschikking van

17 augustus 2012. Verweerder stelt dat verzoeker voldoende kansen heeft gehad om aan die verplichting te voldoen.

3.

Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter over te gaan tot schorsing van de invordering van de dwangsom en daarbij voor de duidelijkheid en rechtszekerheid aan te geven dat met die schorsing de verjaring van de verbeurde dwangsom is gestuit.

4.

Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invoering van de dwangsom.

5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tegen het handhavingsbesluit van 17 augustus 2012 geen rechtsmiddel is aangewend, zodat het besluit in rechte is komen vast te staan. Dit besluit heeft voor de hier te maken beoordeling als uitgangspunt te gelden. De bevoegdheid van verweerder om de last op te leggen, kan in deze procedure niet meer aan de orde komen. Door verzoeker is niet betwist dat de overtreding niet binnen zes weken na 18 oktober 2012 is beëindigd. Hiermee staat vast dat een maximale dwangsom van € 6.000 is verbeurd en dat verzoeker verplicht is dat bedrag te betalen.

6.1

Verzoeker voert aan dat hij niet over de middelen beschikt de verbeurde dwangsom te betalen en dat het, gelet op zijn financiële positie, niet te verwachten is dat hij een lening kan afsluiten om dit bedrag binnen de in het besluit genoemde termijn te betalen. Aan het bestreden besluit kleeft volgens verzoeker een gebrek, omdat als uitkomst van de te maken belangenafweging geen betalingsregeling is aangeboden of is overwogen.

6.2

Verweerder voert hierover aan dat slechts bij hoge uitzondering een betalingsregeling wordt getroffen. Verzoeker heeft volgens verweerder niet inzichtelijk gemaakt dat hij de dwangsom niet kan betalen. Verweerder ziet geen reden om nogmaals uitstel van betaling te geven.

6.3

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom, moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt, dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien, zoals blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7697).

6.4

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker weliswaar heeft gesteld dat hij over onvoldoende financiële middelen beschikt om de verbeurde dwangsom te betalen, maar dat hij dit niet met stukken heeft onderbouwd. Gelet hierop bestaat voorshands geen aanleiding om aan te nemen dat verweerder om deze reden van (gedeeltelijke) invordering dient af te zien. De voorzieningenrechter merkt hierbij ter informatie van verzoeker op dat deze stukken nog kunnen worden ingediend in de bezwaarfase en dat deze dan door verweerder bij de heroverweging bij het besluit op bezwaar dienen te worden betrokken. Voor een schorsing van het bestreden besluit vanwege de door verzoeker gestelde financiële situatie bestaat vooralsnog onvoldoende aanleiding.

7.

Verzoeker voert aan dat het belang bij het uiterlijk aanzien van de bebouwing in dit geval niet zodanig groot is dat invordering van de dwangsom en het verder voortzetten van het handhavingstrajact niet kan worden afgewacht, totdat duidelijk is of onder het binnenkort vast te stellen nieuwe welstandsbeleid nog wel van een overtreding sprake is, waartegen handhavend optreden geboden is. Daarbij is volgens verzoeker van belang dat de rechtsorde niet in ernstige mate is of wordt geschonden en dat de meerderheid van de omwonenden geen enkel bezwaar heeft ten aanzien van het dak van verzoeker, of ten minste handhavend optreden onevenredig acht.

7.1

Verweerder voert aan dat ook in de nieuwe welstandsnota een excessenregeling zal worden opgenomen en dat onderhavige situatie nog steeds als welstandsexces zal worden aangemerkt.

7.2

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vraag of legalisatie van de overtreding mogelijk is, beoordeeld is in het handhavingbesluit van 17 augustus 2012. De rechtmatigheid van dit handhavingsbesluit kan in het kader van de toetsing van het bestreden besluit echter niet meer aan de orde komen. Gelet hierop is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die verweerder dient te nopen tot het afzien van het invorderen van de dwangsom. Dat geldt ook voor het betoog van verzoeker dat handhavend optreden onevenredig is.

8.

Verzoekers stelling ter zitting dat de procedure om te komen tot het handhavingsbesluit van 17 augustus 2012 niet correct is geweest, omdat de waarschuwingsbrief van 14 februari 2012 dient te worden aangemerkt als besluit en ten onrechte geen rechtsmiddelenclausule is vermeld, kan hem niet baten. De voorzieningenrechter oordeelt dat, wat daar verder ook van zij, deze omstandigheid bij de hier te verrichten beoordeling geen rol kan spelen, nu verzoeker de mogelijkheid had een rechtsmiddel aan te wenden tegen het handhavingsbesluit van 17 augustus 2012, maar dit om hem moverende redenen, zoals ter zitting toegelicht, niet heeft gedaan.

9.

Verzoeker heeft voor de motivering van zijn verzoek verwezen naar zijn bezwaar, waarin is verwezen naar zijn zienswijze, die als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Ten aanzien van de in deze zienswijze aangevoerde gronden is, voor zover niet ter zitting toegelicht, geen nadere motivering gegeven. In de overwegingen van het bestreden besluit is verweerder op die gronden ingegaan. Verzoeker heeft in het bezwaarschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn.

10.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat tot invordering van de dwangsom kan worden overgegaan. Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen.

11.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

2 oktober 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.