Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5356

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
01/825031-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft tijdens een ruzie met een mes een prikkende beweging in de richting van zijn vader gemaakt. Ten gevolge hiervan heeft zijn vader in de onderbuik een steekwondje opgelopen. Verdachte is zwakbegaafd en wordt als verminderd toerekeningsvatbaar aangemerkt. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 74 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Een van de daaraan gekoppelde voorwaarden is dat verdacht zich ambulant zal laten behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/825031-12

Datum uitspraak: 25 september 2013

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 september 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 augustus 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 januari 2012 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een mes heeft gestoken, althans stekende/prikkende bewegingen met een mes heeft gemaakt in/tegen de buik(streek) en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 jo 45 Wetboek van Strafrecht);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 januari 2012 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn vader, althans aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een mes heeft gestoken, althans stekende/prikkende bewegingen met een mes heeft gemaakt in de buikstreek en/of het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo 304 jo 45 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 januari 2012 te Eindhoven opzettelijk mishandelend zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking stond, althans een persoon, te weten [slachtoffer], meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een mes heeft gestoken, althans stekende/prikkende bewegingen met een mes heeft gemaakt in de buikstreek en/of het lichaam van die [slachtoffer],, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

(art. 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

De verklaringen van aangever, zijn ex-vrouw, zijn huidige vrouw en verdachte verschillen ten aanzien van de feitelijke toedracht op diverse punten van elkaar. De rechtbank gaat op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting uit van de volgende toedracht. Verdachte en zijn vader hadden thuis ruzie waarbij verdachte door zijn vader werd geslagen en geschopt, waarna verdachte terugschopte. Nadat het T-shirt van verdachte door zijn vader kapot was getrokken, heeft verdachte een mes uit een keukenla gepakt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het mes gelijk was aan de 3 messen in het linkervak van de rechterbak zichtbaar op foto 12 van het proces-verbaal van de Forensisch Technische Opsporing. De rechtbank gaat daarvan uit en schat de lengte van die messen op 20 centimeter met een lemmet van 8 centimeter. Het slachtoffer is in zijn buik geraakt met het mes dat verdachte vast had.

Verdachte heeft verklaard dat hij slechts wilde dreigen met het mes en dat het niet zijn bedoeling was zijn vader met het mes te raken. Hij hield het mes gericht op zijn vader vast en strekte zijn arm juist toen zijn vader onverwacht naar voren stapte, waardoor verdachte hem met het puntje van zijn mes raakte en het mes verboog. Het mes heeft verdachte in de prullenbak in de keuken gegooid.

De huisarts van aangever heeft verklaard dat er sprake was van een 6 millimeter lang en 1 millimeter breed wondje rechts op de bovenbuik dat is geplakt met weefsellijm. Aangever heeft verklaard dat het een klein steekwondje betrof, dat inwendig onderzoek volgens de huisarts niet nodig was en dat niet gezegd is dat hij voor controle terug moest komen. De rechtbank gaat er op grond van het bovenstaande van uit dat er sprake was van een ondiep wondje.

Verbalisanten hebben in de prullenbak in de keuken een mes met omgeknikt lemmet aangetroffen.

Het ondiepe wondje en het omgeknikt lemmet zijn in lijn met de bovenstaande verklaring van verdachte. De rechtbank acht die verklaring niet onaannemelijk en zal van die verklaring van verdachte, in de kern inhoudend dat juist toen hij zijn arm strekte zijn vader naar voren stapte, en dat zijn vader daardoor onbedoeld met het mes is geraakt, uitgaan. Gelet op het bovenstaande heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen stekende, maar wel een prikkende beweging gemaakt door zijn arm te strekken met een mes in zijn hand.

Vervolgens is de vraag of verdachte door zijn handelen voorwaardelijk opzet had op het doden van zijn vader, subsidiair op het aan hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Daarvoor zou verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans moeten hebben aanvaard dat zijn vader door het mes geraakt zou worden en daardoor zou overlijden of zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.

Naar het oordeel van de rechtbank strekte verdachte zijn arm niet met het doel zijn vader met het mes te raken, maar om de dreiging, die van het mes uitging, kracht bij te zetten. Zijn vader stapte desondanks naar voren. Ondanks deze ongunstige toedracht is verdachtes vader slechts oppervlakkig geraakt met het mes. Uit bijkomende omstandigheden zou kunnen blijken dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van dodelijk of zwaar lichamelijk letsel aanvaardde. Hierbij valt te denken aan het met kracht doorzetten van de ingezette beweging. De geconstateerde oppervlakkige verwonding wijst daar echter niet op. Op grond van het bovenstaande heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het toebrengen van dodelijk of zwaar lichamelijk letsel en dient verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte door met het mes de bovenomschreven prikkende beweging te maken, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het toebrengen van enig letsel bij zijn vader hetgeen oplevert dat verdachte

(meer subsidiair)

op 12 januari 2012 te Eindhoven opzettelijk mishandelend eenmaal met een mes met een prikkende beweging zijn vader heeft geraakt in de buikstreek waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gevorderd:

* een werkstraf [de rechtbank begrijpt: een taakstraf] voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis indien de verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht;

* een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 dagen met aftrek van het voorarrest;

* een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering en GZ-psycholoog drs. L.C.M. Beurskens in hun rapportages van respectievelijk 16 april 2012 en 25 juni 2012 zijn geadviseerd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft met een mes een prikkende beweging in de richting van zijn vader gemaakt en hem daarbij geraakt. Ten gevolge hiervan heeft zijn vader in de onderbuik een steekwondje van 6 millimeter lang en 1 millimeter breed bekomen en pijn ondervonden. Verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vader.

Verdachte heeft ter terechtzitting op emotionele wijze spijt betuigd voor zijn handelen. Deze spijtbetuiging kwam op de rechtbank oprecht over. De rechtbank laat dit in het voordeel van verdachte meewegen. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit werd veroordeeld.

Bovendien betrekt de rechtbank in het voordeel van verdachte het volgende. Over verdachte is door GZ-psycholoog Beurskens voornoemd een rapport opgemaakt. De deskundige adviseert verdachte als enigszins ontoerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank begrijpt dit advies aldus dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen is. De rechtbank leest dit advies verbeterd en neemt dit advies en de gronden waarop dat berust over.

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid. Hij was ten tijde van het ten laste gelegde niet in staat om een andere gedragskeuze te maken. De kans op herhaling is aanwezig als er niet gewerkt wordt aan de onderlinge gezinsrelatie, de financiële problemen, de huisvestingsproblemen en als er geen goed begrip (psycho-educatie) is van het beperkte, wellicht overschatte, intelligentievermogen van verdachte. Om dit tegen te gaan is behandeling en toezicht nodig.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard daar aan mee te werken.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde zal vrijspreken en de rechtbank bovendien van oordeel is dat de straf die hierna aan verdachte zal worden opgelegd de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank zal de gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen, enerzijds om de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan. Daarom zullen aan deze voorwaardelijke straf de in het dictum nader te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals deze door de reclassering en GZ-psycholoog Beurskens zijn geadviseerd.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om daarnaast aan verdachte nog een taakstraf op te leggen.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd van 74 dagen, onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die in het dictum van dit vonnis nader zullen worden omschreven.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor meer subsidiair bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het meer subsidiair bewezen verklaarde oplevert:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

gevangenisstraf voor de duur van 74 dagen;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 60 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaren één of meer van de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de Reclassering Nederland, regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch; daartoe dient de verdachte zich binnen twee dagen, volgend op het vonnis, telefonisch te melden bij de reclassering op telefoonnummer 073-6408080; hierna dient de verdachte zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode te blijven melden zo frequent als de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van poliklinische afdeling De Omslag van forensische polikliniek De Woenselse Poort te Eindhoven, of soortgelijke instelling, teneinde zich te laten behandelen voor onder meer zijn emotioneel welzijn,

waarbij de reclassering voornoemd opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden; deze voorlopige hechtenis is op 26 januari 2012 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.O. de Vries, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. P.T. Heblij, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 25 september 2013.