Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5208

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
01/825454-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging gericht naar derden. De vraag die hierbij richtinggevend is, is in welke gevallen een bedreiging die op een derde betrekking heeft, objectief gezien een vergelijkbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid van het vreesobject oplevert als een bedreiging die op het vreesobject zelf betrekking heeft. Er dient daarbij in ieder geval sprake te zijn van een voldoende nauwe relatie tussen het vreesobject en het schadeobject. Niet kan worden gezegd dat de inhoud van een door verdachte naar zijn werkgever gestuurde e-mail met daarin een aankondiging van geweldpleging jegens winkelend publiek en overige onbekend gebleven personen een vergelijkbare inbreuk oplevert op de persoonlijke vrijheid van die werkgever als een bedreiging die op die werkgever zelf betrekking heeft. Vrijspraak van bedreiging van de werkgever. Verder is uit het dossier niet gebleken dat onder meer genoemd winkelend publiek en de overige onbekend gebleven personen op enigerlei wijze op de hoogte zijn geraakt van de inhoud van de door verdachte verzonden e-mails. Eveneens vrijspraak voor bedreiging van deze personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/825454-12

Datum uitspraak: 25 september 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2012, 1 februari 2013, 11 maart 2013 en 12 september 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 november 2012. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 11 maart 2013 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 september 2012 te Valkenswaard, althans elders in het arrondissement 's-Hertogenbosch, [slachtoffer] en/of personeel van [bedrijf] in Valkenswaard en/of winkelend publiek (op het [adres 2] in Eindhoven) en/of een of meerdere onbekend gebleven, niet nader omschreven groep van personen heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een of meerdere e-mailberichten verzonden aan die [slachtoffer] en/of aan de politie, welke mail aan die [slachtoffer] ter kennis van de politie is gebracht, met onder meer de (ongeveer) de navolgende inhoud:

“ afgelopen 2 jaar heb ik in alle vrijheid iets echt heel ergs kunnen voorbereiden. Vandaag, gewoon een dag zou het moeten gebeuren. Nu het moment er is besef ik dat het onomkeerbaar is als ik het doe.

"ik haat mensen echt heel erg. Mijn plan was om met een truck via [adres 2] het winkelgebied in te gaan. Op die manier zou ik aanzienlijk meer slachtoffers maken dan dat anderen met wapens gedaan hebben. Ik was op weg naar [bedrijf] waar ik gewerkt heb om een truck te stelen en kreeg ineens een heel kil gevoel"

en/of

"ik heb plannen om met een gestolen rangeertruck honderden mensen plat te gaan rijden. [slachtoffer], geloof me dat ik uitgewerkte plannen heb voor dat. Als ik de juiste aanloop neem en met 40 ton aan kom zetten gaan er geen 8 mensen dood maar een heel winkelend publiek"

en/of

"ik haat mensen en dat is erg gevaarlijk"

en/of

"zie je dat alles een wapen kan zijn? Het gaat hoe dan ook slecht met me aflopen";

(artikel 285 Wetboek van strafrecht).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden onder meer reclasseringsbegeleiding, een klinische behandeling van ten hoogste één jaar bij FPC De Woenselse Poort en daaropvolgend een ambulante forensisch psychiatrische behandeling, waarbij er een klinische opname voor een periode van ten hoogste 7 weken kan plaatsvinden ten behoeve van onder meer detoxificatie, een en ander zoals door de reclassering in haar adviesrapportage van 21 augustus 2013 is geadviseerd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

Vrijspraak.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het door artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht beschermde rechtsgoed ook op het spel kan staan ingeval het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen een ander dan degene jegens wie de bedreiging is geuit. Een dergelijke bedreiging kan immers een inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van degene jegens wie de bedreiging is geuit die vergelijkbaar is met een bedreiging die op hem zelf betrekking heeft (Hoge Raad 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400).

Het vreesobject (degene bij wie vrees ontstaat voor de verwezenlijking van de bedreiging) en schadeobject (degene of datgene waartegen de eventuele verwezenlijking van de bedreiging zich richt) behoeven derhalve niet in alle gevallen samen te vallen. Dit betekent echter niet dat elke mededeling dat een ander iets zal worden aangedaan, een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht oplevert. De vraag die daarbij richtinggevend is, is in welke gevallen een bedreiging die op een derde betrekking heeft, objectief gezien een vergelijkbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid van het vreesobject oplevert als een bedreiging die op het vreesobject zelf betrekking heeft. Er dient daarbij in ieder geval sprake te zijn van een voldoende nauwe relatie tussen het vreesobject en het schadeobject. Hierbij kan gedacht worden aan een familieverband, zoals bijvoorbeeld een bloedverwantschap in de eerste graad.

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in het onderhavige geval deze nauwe relatie tussen de persoon aan wie verdachte de e-mail heeft gericht, te weten [slachtoffer] (vreesobject) en het winkelend publiek op het [adres 2] in Eindhoven en de overige onbekend gebleven personen (schadeobjecten). Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de inhoud van de e-mail met daarin een aankondiging van geweldpleging jegens het winkelend publiek en de overige onbekend gebleven personen een vergelijkbare inbreuk op de persoonlijkheid vrijheid van [slachtoffer] oplevert als een bedreiging die op [slachtoffer] zelf betrekking heeft. De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat verdachte in de e-mails slechts algemene bewoordingen gebruikt, waarbij een nadere concretisering, bijvoorbeeld door vermelding van datum en tijdstip waarop de eventuele verwezenlijking van de aangekondigde geweldpleging zou plaatsvinden achterwege is gebleven en voorts dat uit de bewoordingen van verdachte bezorgdheid over zijn eigen gedachten en aarzeling over het al dan niet uitvoeren van zijn voorgenomen handeling blijken. Gelet hierop acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een bedreiging van [slachtoffer].

Ten aanzien van het personeel van [bedrijf], het winkelend publiek en een of meer onbekend gebleven, niet nader omschreven, groep van personen, die in de mails aan [slachtoffer] en de politie worden genoemd, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen (Hoge Raad 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659).

De rechtbank overweegt dat, voor zover de in de tenlastelegging opgenomen inhoud van de e-mails van verdachte reeds als een bedreiging kan worden beschouwd, uit het dossier niet is gebleken dat genoemd personeel van [bedrijf], het winkelend publiek en de overige onbekend gebleven personen op enigerlei wijze daarvan op de hoogte zijn geraakt. Gelet hierop acht de rechtbank dan ook evenmin bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een bedreiging van deze personen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.W. van den Heuvel, voorzitter,

mr. S.J.O. de Vries en mr. P.T. Heblij, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 25 september 2013.