Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5201

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
23-09-2013
Zaaknummer
SHE 12/1982 en SHE 12/1984
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat het de burger -ook in een Wahv-zaak- vrij staat om een Wob-verzoek in te dienen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State derogeert de Wahv-regeling niet aan de Wob. Het is aan eiser om te kiezen of hij stukken opvraagt volgens het regime van de Wahv of volgens de Wob. Daarnaast begrijpt de rechtbank het betoog van verweerder aldus dat hij van de rechtbank verlangt om ‘naar analogie met het strafrecht’ de Wob buiten toepassing te laten op Wob-verzoeken die worden ingediend in Wahv-zaken.

Dit verzoek kan de rechtbank niet inwilligen.

Nog daargelaten dat de keuze van instrument bij de verzoeker ligt, en ook afgezien van de omstandigheid dat de wetgever het strafrecht, gelet op de formulering van artikel 10, tweede lid, onder c., van de Wob, niet categorisch buiten het toepassingsbereik van die wet heeft gebracht, brengt het feit dat de wetgever de afdoening van verkeersovertredingen, om hem moverende redenen, uit het strafrecht heeft gehaald consequenties met zich die voor zijn rekening dienen te blijven.

Tenslotte slaagt ook het beklag van verweerder ten aanzien van overbelasting van het CVOM niet. Zoals ter zitting aan de orde is geweest, mag van een professionele organisatie verwacht worden dat deze zijn administratieve processen afstemt op veranderende omstandigheden en daarmee adequaat inspringt op mogelijke fluctuaties in de hoeveelheid inkomende post.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 12/1982 en SHE 12/1984

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2013 in de zaken tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Op 26 oktober 2011 heeft eiser, middels een tweetal faxberichten, verweerder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om te besluiten hem informatie toe te zenden met betrekking tot de onderzoeken uitgevoerd door de officier van justitie inzake een vermeende overtreding met kenmerk CJIB 6062 5421 3517 2259 (bij de rechtbank bekend met kenmerk SHE 12/1982) en een vermeende overtreding met kenmerk CJIB 0062 5421 3743 2328 (bij de rechtbank bekend met kernmerk SHE 12/1984) en die informatie ook daadwerkelijk te verstrekken.

Op 19 februari 2012 heeft eiser verweerder, in verband met het uitblijven van besluiten op zijn verzoeken, in gebreke gesteld.

Op 3 juli 2012 heeft eiser bij de rechtbank twee beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing. Daarbij heeft eiser verzocht verweerder dwangsommen op te leggen en de hoogte van verbeurde dwangsommen vast te stellen.

Verweerder heeft geen verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2013. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Buurma, werkzaam bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM).

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht. Dit laatste is het geval.

2.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Daartegen kan krachtens artikel 8:1, eerste lid, in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb, beroep worden ingesteld.

3.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

4.

Hoewel aan de inhoud van de ingebrekestelling geen specifieke wettelijke eisen worden gesteld, kan van een ingebrekestelling in de zin van de wet slechts sprake zijn, indien voldoende duidelijk is op welk te nemen besluit zij betrekking heeft (vgl. Kamerstukken II, 2005-2006, 30 435, nr. 3, p. 17). Van de ingebrekestelling mag dan ook worden verlangd dat deze specificeert op welke te nemen beschikking zij ziet. Zonder die specificatie is de ingebrekestelling niet rechtsgeldig (vgl. de Afdeling 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2554 en 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5083). Naar het oordeel van de rechtbank is er rechtsgeldig in gebreke gesteld.

5.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepschriften niet onredelijk laat ingediend in de zin van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb, zodat de beroepen ontvankelijk zijn.

6.

In artikel 4:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van een dergelijk termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wob bedraagt de termijn in dit geval vier weken.

7.

Niet in geschil is dat verweerder niet op tijd op de aanvragen heeft beslist. De rechtbank constateert dat de beslistermijnen zijn overschreden. De rechtbank constateert voorts dat eiser verweerder bij een tweetal brieven van 19 februari 2012 heeft medegedeeld dat hij in gebreke is, en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.

8.

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat hij op 6 juli 2012 een besluit heeft genomen met betrekking tot de aanvraag die ten grondslag ligt aan het dossier 12/1982. Vervolgens heeft verweerder in zijn algemeenheid – zakelijk weergegeven en zoals de rechtbank het begrijpt – aangevoerd dat vele bezwaren en beroepen lopen als gevolg van de ongeveer 650 Wob-verzoeken die de CVOM per week ontvangt. Deze verzoeken zijn vaak rommelig opgesteld of de verzoeken zitten als het ware verstopt in andere correspondentie. Dit alles heeft tot gevolg dat verweerder de verzoeken niet binnen de daarvoor gestelde periode van vier weken kan afhandelen. De Wob wordt in onderhavige zaken en in soortgelijke zaken gebruikt om sneller stukken te krijgen dan via de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) is geregeld. Dat levert, naar mening van verweerder, oneigenlijk gebruik van de Wob op. Verweerder is dan ook van mening dat verzoeken die zien op informatie met betrekking tot een procedure in het kader van de Wahv niet moeten worden aangemerkt als Wob-verzoeken maar uitsluitend vallen onder het eigen regime dat de Wahv kent. Tegen een beslissing op grond van de Wahv staat beroep open bij de kantonrechter en hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Concluderend vraagt verweerder om de verzoeken van eiser aan te merken als verzoeken in het kader van de Wahv, nu in die wet de rechtsbescherming van de burger met betrekking tot het verkrijgen van stukken afdoende is geregeld. Verweerder heeft daarbij nog gewezen op de (on)mogelijkheid om in de strafrechtelijke keten, neergelegd in het Wetboek van Strafvordering, met een beroep op de Wob stukken op te vragen.

9.

Eiser stelt voorop dat in de Wob geen bepaling met betrekking tot misbruik is opgenomen. Verweerder lijkt, aldus eiser, (weer) het verwijt te maken van misbruik van procesrecht, zoals dat eerder door verweerder is aangevoerd in andere procedures, maar dat nu semantisch kwalificeert als ‘oneigenlijk gebruik van de Wob’. Dat verweer kan in onderhavige zaken niet opgaan nu het hier Wob-verzoeken betreft waarbij eiser nadrukkelijk een belang heeft, namelijk het ontvangen van informatie met betrekking tot de beschikkingen die hem in het kader van de Wahv zijn opgelegd. De ervaring leert eiser dat CVOM een ontransparante papierfabriek is waarbij hij een stok achter de deur, in de vorm van een dwangsom, nodig heeft om CVOM tot een reactie te dwingen, aldus eiser.

10.

De rechtbank oordeelt dat het eiser vrij staat om een Wob-verzoek in te dienen, ook in een Wahv-zaak. Volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT7485) derogeert de Wahv-regeling niet aan de Wob. Met andere woorden is het aan eiser om in een Wahv-zaak te kiezen of hij stukken opvraagt volgens het regime van de Wahv of volgens de Wob. Daarnaast begrijpt de rechtbank het betoog van verweerder aldus dat hij van de rechtbank verlangt om ‘naar analogie met het strafrecht’, de Wob buiten toepassing te laten op Wob-verzoeken die worden ingediend in het kader van een Wahv-zaak.

Dit verzoek kan de rechtbank niet inwilligen. Nog daargelaten dat de keuze van instrument bij de verzoeker ligt, en de wetgever het strafrecht, gelet op de formulering van artikel 10, tweede lid, onder c., van de Wob, niet categorisch buiten het toepassingsbereik van die wet heeft gebracht, brengt het feit dat de wetgever de afdoening van verkeersovertredingen, om hem moverende redenen, uit het strafrecht heeft gehaald consequenties met zich die voor zijn rekening dienen te blijven.

Tenslotte slaagt ook het beklag van verweerder ten aanzien van overbelasting van het CVOM niet. Zoals ter zitting aan de orde is geweest, mag van een professionele organisatie verwacht worden dat deze zijn administratieve processen afstemt op veranderende omstandigheden en daarmee adequaat inspringt op mogelijke fluctuaties in de hoeveelheid inkomende post.

11.

Wat betreft de overige algemene opmerkingen over het Wob-gedrag van eiser, en anderen, wat daar ook van zij, en haar (on)mogelijkheden om verweerder in zijn betoog te volgen, verwijst de rechtbank nog naar haar uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2013 (ECLI:NL:RBOBR:2013:CA3250).

Het verweer dat eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard faalt.

12.

Het vorenstaande brengt met zich dat de beroepen gegrond zijn.

13.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op het bezwaarschrift niet tijdig wordt gegeven, een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,00 per dag en de overige dagen € 40,00 per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de bezwaarmaker een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

14.

Met toepassing van artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank de door verweerder verbeurde dwangsommen vast op in totaal € 2.520,00 (zijnde tweemaal de maximaal te verbeuren dwangsom van € 1.260,00).

15.

Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over de verschuldigde dwangsommen. Ingevolge artikel 4:18, eerste lid, van de Awb had het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsommen binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsommen verschuldigd waren moeten vaststellen. In het geval van eiser zou verweerder dit hebben moeten doen uiterlijk op 29 april 2012. Artikel 4:100 van de Awb bepaalt dat, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsommen niet tijdig geeft, de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop het bestuursorgaan in verzuim zou zijn geweest, indien de beschikkingen op de laatste dag van de daarvoor geldende termijn zouden zijn gegeven. Vast staat dat verweerder in gebreke is gebleven de in artikel 4:18 van de Awb bedoelde beschikkingen te geven. De wettelijke rente over de verschuldigde dwangsommen is dan ook gaan lopen per 30 april 2012. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser de wettelijke rente over € 2.520,00 verschuldigd is met ingang van 30 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de veroordeling tot betaling van de wettelijke rente integraal deel uitmaakt van het dictum van deze uitspraak, zodat het beroep van verweerder op artikel 4:98 van de Awb faalt.

16.

Ter zitting is komen vast te staan dat verweerder in de zaak met kenmerk SHE 12/1984 nog immer geen besluit op de aanvraag heeft genomen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,00.

17.

Omdat de beroepen gegrond worden verklaard zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Ter zitting heeft eiser zijn vordering tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand door zijn management-bv ingetrokken. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 255,64, bestaande uit een bedrag van € 15,80 aan reiskosten op basis van kosten openbaar vervoer 2e klasse, alsmede een bedrag van € 239,84 aan gevorderde verletkosten.

18.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser de betaalde griffierechten ad
€ 312,00 (zijnde tweemaal € 156,00) vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;

  • -

    stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvragen twee dwangsommen van in totaal € 2.520,00 verschuldigd is;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser de wettelijke rente over € 2.520,00 verschuldigd is, met ingang van 30 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    draagt verweerder op alsnog een besluit op de aanvraag in de zaak met kenmerk SHE 12/1984 te nemen, binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder een aan eiser te betalen dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 255,64;

  • -

    bepaalt dat verweerder de betaalde griffierechten van € 312,00 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. van der Bruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
11 september 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.