Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5111

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-09-2013
Datum publicatie
16-09-2013
Zaaknummer
01/997013-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor rekening en verantwoording van verdachte worden drie varkenshouderijen geëxploiteerd. Een van de varkenshouderijen is een BV waarvan verdachte directeur is, de beide andere varkenshouderijen exploiteert hij als eenmanszaak. Bij alle varkenshouderijen zijn de vergunningvoorschriften niet nageleefd, zijn de vergunde varkensrechten over 2010 en 2011 overschreden en zijn de voorschriften voor het welzijn van varkens niet nageleefd. De BV wordt veroordeeld tot een geldboete. Verdachte persoonlijk wordt veroordeeld tot een taakstraf en een geldboete. Ten aanzien van alle drie de varkenshouderijen wordt de voorwaardelijke stillegging van de onderneming gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/997013-12

Parketnummer vordering: 01/995383-08

Datum uitspraak: 16 september 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats 1] op [1969],

wonende te [plaats 1], [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 september 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 mei 2013. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2012, in de gemeente Cranendonck, al dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting aan [adres 1] te [plaats 1], zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel C, Categorie 8 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van dat besluiten/of het - na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd - in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking,bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit

  • -

    het aanbrengen van berenhokken in stal 3 en/of

  • -

    het vervangen van berenhokken door zeugenhokken in stal 4 en/of

  • -

    het gebruik van een deel van stal 6 als opslag en/of

  • -

    het aanwezig hebben van 11 in plaats van de 7 vergunde silo's op het buitenterrein en/of

  • -

    het in gebruik hebben van een ruimte voor kantine, opslag en/of kantoor als woning;

2.

hij op of omstreeks 13 maart 2012, te [plaats 1] en/of [plaats 2], in de gemeente Cranendonck, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschriften van de omgevinsvergunning(en) dd 2 januari 2006 (voor wat betreft de hierna te nomen locatie in [plaats 1]) en/of 22 november 2004 (voor wat betreft de hierna te noemen locatie in [plaats 2]) van het college van Burgemeester en Wethouders van die gemeente, welke voorschriften betrekking hadden op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevinsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting

1.

gevestigd aan [adres 1] te [plaats 1], immers

- was in strijd met voorschift 1.1.1 de inrichting niet schoon gehouden en/of

- werd in strijd met voorschrift 3.4.3 water van de reinigingsplaats voor veewagens rechtstreeks geloosd op het oppervlaktewater en/of

- waren in strijd met voorschrift 5.1.4 de brandblusmiddelen in het kalenderjaar 2011 niet op deugdelijkheid gecontroleerd en/of in orde bevonden en/of

- was/waren in strijd met voorschrift 11.1.1 tot en met 11.1.5 (de) stal(len) 1, 3, 4 en/of 5 niet met een chemische luchtwasser uitgevoerd en/of

- waren in strijd met voorschrift 13.2.3 op meerdere plaatsen gemorste producten niet direct verwijderd

2.

gevestigd aan[plaats 2], immers

- had hij in strijd met voorschrift 14.4.1 als vergunninghouder niet alles gedaan en/of nagelaten hetgeen redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om verontreiniging (met name met mest) van de bodem te voorkomen en/of te beperken en/of

- was in strijd met voorschrift 10.6.3 de opvanggoot (slibvang) in de wasplaats niet na enige reiniging ontdaan van (vaste) mestdelen, zaagsel etc. en/of

- werden in strijd met voorschrift 10.1.1 in stal 2 ongeveer 763 stuks vleesvarkens gehouden en/of in stal 3 ongeveer 900 vleesvarkens gehouden en/of

- werden in strijd met voorschrift 2.1.3 afvalstoffen, te weten geknoeid of gelekt water uit de voederinstallatie, in de bodem gebracht en/of

- was in strijd met voorschrift 11.2.3 stal 3 in gebruik zonder dat de chemische wasser in werking was;

3.

hij op of omstreeks 13 maart 2012, te [plaats 1], in de gemeente Cranendonck, bij agrarische activiteiten, dan wel activiteiten, die daarmee verband houden, te weten het uitoefenen van een varkensbedrijf, op de locatie [adres 1] te [plaats 1] en/of op de locatie[plaats 2], al dan niet opzettelijk, niet voldoende zorg in acht heeft genomen om verontreiniging van het oppervlaktewater te voorkomen, immers

  • -

    is toen vanaf zijn bedrijfsterrein op de locatie te [plaats 1], met voerresten, verontreinigd water in een kavelsloot geloosd, althans gelopen en/of

  • -

    is toen vanaf zijn bedrijfsterrein op de locatie te [plaats 2] met voerresten verontreinigd water en/of afvalwater van een wasplaats in een kavelsloot geloosd, althans gelopen,

waardoor hij wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door zijn handelen en/of nalaten het oppervlaktewater kon worden verontreinigd en toen niet heeft voldaan aan zijn verplichting, dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kon worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd teneinde die verontreiniging te voorkomen, althans voorzover die verontreiniging niet kon worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken en/of ongedaan te maken;

4.

hij op of omstreeks 13 maart 2012 in de gemeente Cranendonck, varkens heeft gehuisvest en/of verzorgd, terwijl dit niet geschiedde overeenkomstig artikel 9, tweede lid en/of 13, tweede lid, van het Varkensbesluit, aangezien

  • -

    op zijn bedrijf gelegen aan of nabij [adres 2] te [plaats 1], ongeveer 1523, in elk geval een aantal, varkens niet permanent beschikten over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen en/of ongeveer 1824, althans een aantal, varkens ouder dan twee weken niet permanent beschikten over voldoende vers water en/of

  • -

    op zijn bedrijf aan de[plaats 2] ongeveer 845, in elk geval een aantal, varkens niet permanent beschikten over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen en/of ongeveer 1663, in elk geval een aantal, varkens ouder dan twee weken niet permanent beschikten over voldoende vers drinkwater;

5.

hij in of omstreeks de kalenderjaren 2010 en/of 2011 in de gemeente Cranendonck, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk op een bedrijf met het mestnummer [nummer] gelegen aan [adres 2] te [plaats 1] en/of[plaats 2]

- gemiddeld gedurende het jaar 2010 2307 en/of,

- gemiddeld gedurende het jaar 2011 2432,

in elk geval (telkens) een groter aantal, varkens heeft gehouden dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/995383-08 is aangebracht bij vordering van 21 mei 2013. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de economische politierechter te 's-Hertogenbosch d.d. 18 november 2010.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen 1 en de beoordeling daarvan.

TEN AANZIEN VAN HET ONDER 1 TEN LASTE GELEGDE FEIT.

 De aan verdachte verleende omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften.2

 Het relaas van verbalisant [verbalisant 1].3

 De bevindingen van de toezichthouder bij de SRE Milieudienst [persoon 1].4

 De erkennende verklaring van verdachte.5

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

TEN AANZIEN VAN HET ONDER 2 TEN LASTE GELEGDE FEIT.

Ten aanzien van de locatie [adres 1] te [plaats 1].

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van overtreding van voorschrift 3.4.3 [onderdeel 1, tweede gedachtestreepje] omdat de in de dagvaarding genoemde handeling niet onder dit voorschrift valt. De overige in de tenlastelegging genoemde overtredingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende bewijsmiddelen.

 De aan verdachte verleende omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften.6

 Het relaas van verbalisant [verbalisant 1].7

 De bevindingen van de toezichthouder bij de SRE Milieudienst [persoon 1].8

 De erkennende verklaring van verdachte.9

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

Ten aanzien van de locatie[plaats 2].

Bij beschikking van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck van 22 november 2004 is, onder voorschriften een milieuvergunning verleend voor een varkenshouderij gelegen aan de[plaats 2]. De vergunning werd verleend voor het houden van 1914 vleesvarkens en 323 gespeende biggen.10 Aan die vergunning waren onder meer de navolgende voorschriften verbonden.11

  • -

    Voorschrift 2.1.3 [pag. 504]: Afvalstoffen mogen niet in de bodem worden gebracht of terecht kunnen komen. Het bewaren of bezigen van afvalstoffen op de bodem moet zodanig plaatsvinden dat geen verontreiniging van de bodem kan optreden.

  • -

    Voorschrift 10.1.1 [pag. 512]: In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren aanwezig zijn:

  • -

    Stal 2: 323 stuks gespeende biggen (diercategorie D 1.1.15.2);

  • -

    Stal 4: 792 stuks vleesvarkens (diercategorie D. 3.2.7.2.1);

  • -

    Stal 3: 840 stuks vleesvarkens (diercategorie D 3.2.9.1);

  • -

    Stal 2: 282 stuks vleesvarkens (diercategorie D 3.4.2).

  • -

    Voorschrift 10.6.3 [pag. 515]: De opvangsloot (slibvang) in de wasplaats moet na elke reiniging worden ontdaan van (vaste) mestdelen, zaagsel etc.

  • -

    Voorschrift 11.2.3 [pag. 517]: De chemische wasser moet bij ingebruikname van de stal in werking zijn.

  • -

    Voorschrift 14.4.1 [pag. 527]: Om de deugdelijkheid van voorzieningen en het naleven van voorschriften te kunnen controleren moet, indien daartoe aanleiding bestaat in de vorm van het vermoeden van verontreiniging, de vergunninghouder na overleg met het bevoegd gezag de bodem en het grondwater van de inrichting op een door het bevoegd gezag aan te geven wijze onderzoeken.

Op 13 maart 2012 heeft verbalisant [verbalisant 2], vergezeld door de toezichthouder van de milieudienst van het SRE[persoon 2], een onderzoek ingesteld in de varkenshouderij, gelegen[plaats 2]. Het onderzoek was gericht op de naleving van de voor die inrichting verleende vergunning Wet milieubeheer van 22 november 2004 en de daaraan verbonden voorschriften. Bij dat onderzoek heeft [verbalisant 2] het navolgende geconstateerd.12

  • -

    [eerste gedachtestreepje] Ik zag dat op het terrein achter de stallen 2 en 3 op de onbeschermde bodem partijen mest lagen [pag. 550: voorschrift 14.1.1].

  • -

    [tweede gedachtestreepje] Ik zag dat voor stal 2 een reinigings- en ontsmettingsplaats was ingericht bestaande uit een betonnen plaat. Ik zag dat deze betonnen plaat afwaterde naar een slibvang / opvanggoot. Ik zag dat deze goot tot aan de daarop liggende roosters was gevuld met een brijachtige substantie die op sommige plaatsen nagenoeg vast was. Ik zag dat de substantie bestond uit brijvoer, zaagsel en/of mest. Ik zag dat op de bodem naast de opvanggoot een substantie lag die soortgelijk was aan de substantie die ik in de opvanggoot had aangetroffen [pag. 551 en 552: voorschrift 10.6.3].

  • -

    [derde gedachtestreepje] Ik zag dat in de stallen 2 en 3 alleen vleesvarkens werden gehouden. Bij telling werd vastgesteld dat in stal 2, 763 en in stal 3, 900 vleesvarkens werden gehouden. In voorschrift 10.1.1 van de vigerende vergunning is opgenomen dat in stal 2 323 gespeende biggen en 282 vleesvarkens aanwezig mogen zijn en in stal 3 840 stuks vleesvarkens [pag. 554: voorschrift 10.1.1].

  • -

    [vierde gedachtestreepje] Ik zag dat de voederinstallatie in stal 3 was geplaatst in een verzonken ruimte. Ik zag dat op de vloer van deze ruimte een troebele vloeistof stond. Ik zag dat in de vloeistof een slang hing met daaraan kennelijk een dompelpomp. Ik zag dat deze slang in een PVC leiding stak die vanuit de voederinstallatieruimte naar buiten liep. Ik zag dat de betreffende PVC leiding uitmondde op een naast de bestrating gelegen grasland. Aan de uitstroomsporen zag ik dat kennelijk vloeistof vanuit de PVC leiding op het grasland was uitgestroomd. Ik zag dat ter plaatse van deze uitstroming een laag brij op de bodem lag en dat daar, in tegenstelling tot de rest van het grasland, geen vegetatie zichtbaar was [pag. 551 en 552: voorschrift 2.1.3].

  • -

    [vijfde gedachtestreepje] Ik zag dat stal 3 was voorzien van een luchtwasinstallatie. Ik zag dat de deur die toegang geeft tot het centrale luchtkanaal openstond waardoor aangezogen lucht vanuit stal 3 ongereinigd in de buitenlucht kon komen nog voordat het de luchtwasser passeerde. Ik zag verder dat de luchtwasinstallatie niet in werking was [pag. 556: voorschrift 2.1.3].

De hiervoor genoemde constateringen van verbalisant [verbalisant 2], worden bevestigd door de bevindingen van toezichthouder[persoon 2]. Hij heeft zijn bevindingen in een verslag van het controlebezoek neergelegd.13 Verdachte heeft de overtreding van vergunningvoorschriften 14.4.1, 10.6.3, 10.1.1 [ten aanzien van stal 3] en 11.2.3 erkend.14

Bij de controle hebben verbalisant [verbalisant 2] en toezichthouder[persoon 2] geconstateerd dat in stal 2 alleen vleesvarkens werden gehouden. Verdachte heeft verklaard dat in stal 2 ook gespeende biggen werden gehouden.

De rechtbank overweegt hierover het navolgende. Zodra een varken meer dan 25 kilogram weegt krijgt het de status van vleesvarken, bij een lager gewicht wordt het varken als een gespeende big aangemerkt. Bij de controle door de opsporingsambtenaren zijn de varkens die zij in stal 2 aantroffen niet gewogen. De vaststelling dat zich in die stal alleen vleesvarkens bevonden, dus varkens met een gewicht boven 25 kilogram, hebben zij gedaan door visuele waarneming gebaseerd op hun ervaring en expertise in de varkensbranche. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan deze constateringen te twijfelen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de opsporingsambtenaren hebben vastgesteld dat in stal 2 763 vleesvarkens werden gehouden, terwijl in die stal het houden van 282 vleesvarkens was vergund. Gelet op de bij de opsporingsambtenaren aanwezig kennis en expertise van de varkensbranche acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de opsporingsambtenaren het gewicht van ongeveer 480 varkens te laag hebben ingeschat. Bovendien heeft verdachte zijn standpunt dat zich in stal 2 ook gespeende biggen bevonden, op geen enkele wijze onderbouwd / kunnen onderbouwen omdat verdachte heeft nagelaten een veesaldoregistratie te voeren, waaruit zou kunnen volgen tot welke diercategorie die in stal 2 gehouden varkens behoren.

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dan ook dat verdachte in elk geval meer vleesvarkens in stal 2 heeft gehouden dan het hem vergunde aantal van 282.

Verdachte heeft erkend dat er water in de voederinstallatieput stond en dat hij dit water met een dompelpomp en een pvc-buis buiten op het grasland heeft gepompt.15 In de pleitnota heeft de raadsman van verdachte gesteld dat deze handeling geen overtreding van vergunningvoorschrift 2.1.3 oplevert zoals in de tenlastelegging staat vermeld, maar dat deze handeling een overtreding van vergunningvoorschrift 2.1.4 oplevert. De raadsman concludeert hieruit dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. Vergunningvoorschrift 2.1.3 luidt: “Afvalstoffen mogen niet in de bodem worden gebracht of terecht kunnen komen. Het bewaren of bezigen van afvalstoffen op de bodem moet zodanig plaatsvinden dat geen verontreiniging van de bodem kan optreden.” Naar het oordeel van de rechtbank valt de hiervoor beschreven handeling van verdachte, het lozen van het water uit de voerderinstallatieput op het grasland, onder de reikwijdte van dit vergunningvoorschrift. Het daartegen door de raadsman gevoerde verweer wordt verworpen.

Gelet op de hiervoor genoemde constateringen van verbalisant [verbalisant 3] en toezichthouder[persoon 2] en de verklaring van verdachte, acht de rechtbank het onder 2 als onderdeel 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

TEN AANZIEN VAN HET ONDER 3 TEN LASTE GELEGDE FEIT

Ten aanzien van de locatie [adres 1] te [plaats 1].

Op 13 maart 2012 omstreeks 09.25 uur hebben verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] een integraal milieu-opsporingsonderzoek ingesteld op het agrarisch bedrijf van [verdachte] aan [adres 1] te [plaats 1]. Daarbij hebben zij het navolgende geconstateerd:16

Op het bedrijfsterrein stonden twee witte silo's voor de opslag van natte brijvoerprodukten. Voor deze silo's lag een opvangput voor gemorst produkt en afvalwater van de wasplaats. Zowel de opvangput als het overloopgedeelte waarvan ik, verbalisant [verbalisant 4],ambtshalve wist dat deze middels een lozingspijp in open verbinding staat met de kavelsloot, waren gevuld met wit brijvoerprodukt. Bij het lozingspunt in de kavelsloot was brijvoerprodukt waarneembaar. Kennelijk was gemorst brijvoerprodukt vanuit de opvangput via de lozingspijp in de kavelsloot geloosd. Deze kavelsloot was vervuild met wit brijvoerprodukt. Middels afpassen schatten wij de afstand van de vervuiling in de kavelsloot op 100 meter. Wij voerden veldmetingen uit met behulp van een geleidbaarheidsmeter, aangeduid als EGV-waarde. De geleidbaarheidsmeter geeft een indicatie van de in het water opgeloste zouten. De EGV-waarde van niet verontreinigd oppervlaktewater bedraagt circa 400 micro-siemens per centimeter. De EGV-waarden van het water met brijvoerprodukt in de kavelsloot bedroegen tussen de 1.470 micro-siemens per centimeter bij het lozingspunt tot 1.300 micro-siemens per centimeter na 100 meter. Hierna bedroeg de EGV-waarde van het slootwater 520 micro-siemens per centimeter en 430 micro-siemens per centimeter. De kavelsloot is een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de Waterwet.

Verdachte heeft aangevoerd dat de kavelsloot niet was verontreinigd met brijvoer en als dit wel het geval was, dat deze verontreiniging is ontstaan door de onzorgvuldige wijze waarop de chauffeurs ’s-nachts, buiten aanwezigheid van verdachte, het brijvoer lossen en vervolgens nalaten het door hen geknoeide voer op te ruimen. Voor zover deze verontreiniging is veroorzaakt, ontbreekt daartoe het opzet bij verdachte.

De rechtbank overweegt het navolgende. Op grond van de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zoals die hier voor zijn weergegeven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de kavelsloot gelegen naast het perceel [adres 1] te [plaats 1] was verontreinigd. Op verdachte rust als vergunninghouder de plicht zijn bedrijfsvoering op zodanige wijze te organiseren dat de aan zijn omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij geen, dan wel onvoldoende controle heeft uitgeoefend op en bij het lossen van het brijvoer, terwijl hij wist dat daarbij regelmatig voer op de bodem werd geknoeid. Door deze handelwijze heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de kavelsloot naast het perceel [adres 1] te [plaats 1], door het bij het lossen gemorste brijvoer, zou kunnen worden verontreinigd.

Ten aanzien van de locatie[plaats 2].

Op 13 maart 2012 omstreeks 09.25 uur hebben verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] een integraal milieu-opsporingsonderzoek ingesteld op het agrarisch bedrijf van [verdachte] aan De[plaats 2]. Daarbij hebben zij het navolgende geconstateerd:17

Vanuit de lozingspijp vanaf de wasplaats werd grijs afvalwater geloosd in de bermsloot. Wij voerden veldmetingen uit met behulp van een geleidbaarheidsmeter, aangeduid als EGV-waarde. De geleidbaarheidsmeter geeft een indicatie van de in het water opgeloste zouten. De EGV-waarde van niet verontreinigd oppervlaktewater bedraagt circa 400 micro-siemens per centimeter. De EGV-waarde van het grijze afvalwater in de bermsloot bedroeg 2.500 micro-siemens per centimeter bij het lozingspunt. De bermsloot was over een afstand van circa 10 meter vervuild met zaagsel. De bezinkput van de wasplaats was geheel gevuld met zaagsel. De overloop van deze bezinkput was geheel gevuld met afvalwater en zaagsel. De EGV-waarde van het afvalwater bedroeg 1.760 micro-siemens per centimeter. Ambtshalve is mij, verbalisant [verbalisant 4], bekend dat deze overloop uitmondt in de bermsloot. Kennelijk werd hier afvalwater vanaf de wasplaats geloosd in de bermsloot. De bermsloot is een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de Waterwet.

Verdachte heeft gesteld dat de verontreiniging van de bermsloot aan de voorzijde van het perceel[plaats 2] niet door hem is veroorzaakt, maar dat die verontreiniging is ontstaan doordat de opsporingsambtenaren de slibvang open hebben gemaakt waardoor het water de sloot in is gelopen.18

Op grond van de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] ende door hen op de locatie gemaakte foto’s acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat in de bermsloot gelegen aan de voorzijde van het perceel [plaats 2] te [plaats 2] afvalwater is geloosd. Dit is in strijd met de vergunningvoorschriften. Op verdachte rust als vergunninghouder de plicht zijn bedrijfsvoering zodanig te organiseren dat de aan zijn omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Dat heeft verdachte niet gedaan. De stelling van verdachte dat het afvalwater in de bermsloot is gekomen doordat opsporingsambtenaren de slibvang hebben open gezet acht de rechtbank niet aannemelijk omdat verdachte deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Daarvan is evenmin uit andere feiten of omstandigheden gebleken. Dat deze bermsloot met voederresten was verontreinigd acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.

TEN AANZIEN VAN HET ONDER 4 TEN LASTE GELEGDE FEIT.

Op grond van het relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7]19 en de erkennende verklaring van verdachte20 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 maart 2012 op het varkensbedrijf gevestigd aan [adres 1] te [plaats 1], gemeente Cranendonck 1.523 varkens heeft gehuisvest terwijl die varkens niet permanent konden beschikken over voldoende speelmateriaal om te onderzoeken en mee te spelen en dat verdachte 1.824 varkens ouder dan twee weken heeft gehuisvest terwijl die varkens niet permanent de beschikking over voldoende vers water hadden.

Op grond van het relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9]21 en de erkennende verklaring van verdachte22 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 maart 2012 op het varkensbedrijf gevestigd aan de[plaats 2] 845 varkens heeft gehuisvest terwijl die varkens niet permanent konden beschikken over voldoende speelmateriaal om te onderzoeken en mee te spelen en dat verdachte 1.663 varkens ouder dan twee weken heeft gehuisvest terwijl die varkens niet permanent de beschikking over voldoende vers water hadden.

Ter terechtzitting van 2 september 2013 heeft verdachte aangevoerd dat de varkens altijd op beide hiervoor genoemde locaties de beschikking over brijvoer of water hebben. Omdat in het brijvoer water zit, hebben de varkens - aldus verdachte – constant de beschikking over voldoende water. Verdachte heeft voorts erkend dat er in de stallen geen afzonderlijke drinkwatervoorziening is. Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden concludeert hij dat de varkens in zijn stallen permanent de beschikking over vers water hebben.23

De rechtbank volgt de verklaring van verdachte niet. De aanwezigheid van water in brijvoer betekent niet dat de varkens permanent de beschikking over vers drinkwater hadden, zoals bedoeld in artikel 13 tweede lid van het Varkensbesluit. Om aan het bepaalde in dat artikel te voldoen is het noodzakelijk dat er een afzonderlijke drinkwatervoorziening is die het mogelijk maakt dat de varkens op elk gewenst moment de beschikking over vers drinkwater hebben.

Het gevolg van de handelwijze van verdachte om de speelmaterialen in de stallen eerst te vervangen of te repareren nadat de stallen leeg waren, is dat de varkens niet permanent de beschikking hadden over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, zoals bedoeld in artikel 9 tweede lid van het Varkensbesluit.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

TEN AANZIEN VAN HET ONDER 5 TEN LASTE GELEGDE FEIT.

In het I&R systeem, Raadplegen Meldingseenheden en Relaties Actuele Gegevens, staat het navolgende geregistreerd.24 Relatie: [verdachte]; BRS-nr. [nummer]; bedrijfsvestigingen: [adres 1] te [plaats 1] en[plaats 2].

Op 11 mei 2012 omstreeks 13.00 uur bevond verbalisant [verbalisant 7] zich in een woonhuis, gelegen [adres 1] te [plaats 1], gemeente Cranendonck. Daar heeft hij verdachte ontmoet. Desgevraagd overhandigde verdachte hem enkele formulieren waarop de aantallen van de in 2010 en in 2011 door verdachte aan- en afgevoerde dieren vermeld stonden. De door [verbalisant 7] gevraagde veesaldoregistratie over de jaren 2010 en 2011 kon verdachte niet overhandigen omdat die nooit opgemaakt was.

Desgevraagd gaf verdachte aan [verbalisant 7] onder andere de volgende informatie. Verdachte houdt zeugen op de locatie [plaats 1] te [plaats 1] en vleesvarkens op de locatie[plaats 2]. De financiële boekhouding wordt bijgehouden door [bedrijf] uit Someren. Op 14 mei 2012 heeft [verbalisant 7] de aantallen dieren die op de beginbalans en op de eindbalans van 2010 en van 2011 stonden en de door verdachte aan- en afgevoerde dieren in 2010 en 2011 opgevraagd. Aan de hand van deze gegevens heeft [verbalisant 7] berekend hoeveel varkens er in 2010 en in 2011 minimaal gemiddeld gehouden zijn [pag. 698].

Bij zijn berekeningen is [verbalisant 7] er van uitgegaan dat de gemiddelde groei van een varken 799 gram per dag bedroeg. [verbalisant 7] heeft de aantallen gehouden varkens in het jaar 2010 in de onderstaande tabel weergegeven.

Categorie Omschrijving Gemiddeld aantal norm Benodigd varkensrecht in

VE [varkenseenheden]

401 Fokzeugen 320 2,74 876,80

403 Opfokzeugen 29 1,59 46,11

7

maanden en ouder

406 Dekberen ca 2 1,86 3,72

7

maanden en ouder

411 Vleesvarkens 1.380 1,00 1.380

Totaal afgerond 2.307

[verbalisant 7] heeft het voor deze gemiddeld gehouden dieren benodigde varkensrecht, op grond van bijlage 11 Meststoffenwet, berekend en in bovenstaande tabel toegevoegd. [verbalisant 7] heeft het bij verdachte aanwezige dierrecht over 2010, 36 VE, vergeleken met het hierboven berekende aantal gehouden dieren (2.307 VE) en hij heeft gezien dat er in 2010 een kennelijke overschrijding van 2.271 VE heeft plaatsgevonden [pag. 699].

[verbalisant 7] heeft de aantallen gehouden varkens in het jaar 2011 in onderstaande tabel weergegeven.

Categorie Omschrijving Gemiddeld aantal norm Benodigd varkensrecht

in VE [varkenseenheden]

401 Fokzeugen 373 2,74 1.022,02

403 Opfokzeugen 34 1,59 54,06

7

maanden en ouder.

406 Dekberen ca 2 1,86 3,72

7

maanden en ouder.

411 Vleesvarkens 1.352 1,00 1.352

Totaal afgerond 2.432

[verbalisant 7] heeft het voor deze gemiddeld gehouden dieren benodigde varkensrecht, op grond van bijlage 11 Meststoffenwet, berekend en in bovenstaande tabel toegevoegd. [verbalisant 7] heeft het bij verdachte aanwezige dierrecht over 2011, 36 VE, vergeleken met het hierboven berekende aantal gehouden dieren (2.432 VE) en hij heeft gezien dat er in 2011 een kennelijke overschrijding van 2.396 VE heeft plaatsgevonden [pag. 700].25

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de locatie[plaats 2] vanaf 1996 tot eind 2012, op grond van een met verdachte gesloten pachtovereenkomst, in gebruik is geweest bij akkerbouwer [persoon 3]. Deze overeenkomst is destijds opgesteld onder het stelsel van de grondgebonden mestproductierechten. Verdachte had de dieren, de akkerbouwer had de grond. Vanwege zijn grond kon de akkerbouwer de dieren van verdachte houden. De raadsman concludeert dat de dieren die teveel in [plaats 2] zouden zijn gehouden niet op het conto van verdachte kunnen komen.

De rechtbank overweegt het navolgende. De pachtovereenkomst waarop de raadsman in zijn pleidooi doelt, heeft hij als bijlage bij de pleitnota gevoegd. Uit die overeenkomst – waarvan overigens pagina 2 ontbreekt – blijkt dat de overeenkomst op 1 augustus 1996 is ingegaan, dat die een looptijd van zes jaar had en dat de overeenkomst eindigde op 1 augustus 2002. Weliswaar heeft de raadsman ter zitting gesteld dat die pachtovereenkomst tussentijds met zes jaar is verlengd en eind 2012 is geëindigd, maar deze stelling is op geen enkele wijze nader onderbouwd. Bij zijn verhoor door de politie heeft verdachte niet over het bestaan van deze pachtovereenkomst gerept. Dit had wel voor de hand gelegen gelet op het belang wat verdachte daaraan kennelijk hecht. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk geworden dat de gestelde, tussen [persoon 3] en verdachte gesloten pachtovereenkomst na 1 augustus 2002 is verlengd. Ook overigens heeft verdachte bij het verhoor door de politie op geen enkel moment aangegeven dat niet hij, maar een ander verantwoordelijk is voor de gehouden dieren.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt de rechtbank het door de raadsman van verdachte gevoerde verweer dat de teveel gehouden dieren op de locatie[plaats 2], niet voor rekening en verantwoording van verdachte komen.

Door en namens verdachte is niet betwist dat op het bedrijf van verdachte meer varkens zijn gehouden dan het op het bedrijf rustende varkensrecht. Verdachte kan zich echter niet vinden in de hiervoor weergegeven berekening van verbalisant [verbalisant 7] omdat verdachte van oordeel is dat [verbalisant 7] bij het opstellen van zijn berekening uit is gegaan van een te lage aangroei van het gewicht van de varkens. Verdachte stelt zich op het standpunt dat de aangroei van de varkens op het bedrijf van verdachte niet 799 gram per dag, maar 900 gram per dag bedroeg. Door deze hogere groei kunnen – aldus verdachte – meer mestronden per jaar worden uitgevoerd. Het gevolg daarvan is dat hij op een lager gemiddeld aantal gehouden vleesvarkens uitkomt.26

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor weergegeven berekening van verbalisant [verbalisant 7] inzichtelijk is en dat die berekening is gebaseerd op algemeen aanvaarde uitgangspunten. Namens verdachte is aangevoerd dat verbalisant [verbalisant 7] van een te lage aangroei van de varkens is uitgegaan. Verdachte heeft zijn stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd. Dat heeft hij voor een groot deel aan zichzelf te wijten, nu verdachte heeft nagelaten een veesaldoregistratie te voeren waaruit de juiste gegevens zouden hebben kunnen blijken. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de hiervoor weergegeven berekening zoals die door verbalisant [verbalisant 7] is opgesteld en verwerpt het daartegen door en namens verdachte gevoerde verweer.

Tenslotte merkt de rechtbank nog op dat voor een bewezenverklaring de mate van overschrijding van de op het bedrijf van verdachte rustende varkensrechten niet van belang is. Dat die varkensrechten zijn overschreden, acht de rechtbank op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de op zijn bedrijven, gevestigd aan [adres 1] te [plaats 1] en[plaats 2], rustende varkensrechten heeft overschreden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 13 maart 2012, in de gemeente Cranendonck, opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting aan [adres 1] te [plaats 1], zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel C, Categorie 8 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, en het - na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd - in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit

  • -

    het aanbrengen van berenhokken in stal 3 en

  • -

    het vervangen van berenhokken door zeugenhokken in stal 4 en

  • -

    het gebruik van een deel van stal 6 als opslag en

  • -

    het aanwezig hebben van 11 in plaats van de 7 vergunde silo's op het buitenterrein en

  • -

    het in gebruik hebben van een ruimte voor kantine, opslag en/of kantoor als woning;

2.

op 13 maart 2012, te [plaats 1] en [plaats 2], in de gemeente Cranendonck, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met voorschriften van de omgevingsvergunningen dd 2 januari 2006 voor wat betreft de hierna te nomen locatie in [plaats 1] en 22 november 2004 voor wat betreft de hierna te noemen locatie in [plaats 2] van het college van Burgemeester en Wethouders van die gemeente, welke voorschriften betrekking hadden op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting

1.

gevestigd aan [adres 1] te [plaats 1], immers

- was in strijd met voorschift 1.1.1 de inrichting niet schoon gehouden en

- waren in strijd met voorschrift 5.1.4 de brandblusmiddelen in het kalenderjaar 2011 niet op deugdelijkheid gecontroleerd en/of in orde bevonden en

- waren in strijd met voorschrift 11.1.1 tot en met 11.1.5 de stallen 1, 3, 4 en 5 niet met een chemische luchtwasser uitgevoerd en

- waren in strijd met voorschrift 13.2.3 op meerdere plaatsen gemorste producten niet direct verwijderd

2.

gevestigd aan[plaats 2], immers

- had hij in strijd met voorschrift 14.4.1 als vergunninghouder niet alles gedaan en/of nagelaten hetgeen redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om verontreiniging (met name met mest) van de bodem te voorkomen en/of te beperken en

- was in strijd met voorschrift 10.6.3 de opvanggoot (slibvang) in de wasplaats niet na enige reiniging ontdaan van (vaste) mestdelen, zaagsel etc. en

- werden in strijd met voorschrift 10.1.1 in stal 2 ongeveer 763 stuks vleesvarkens gehouden en/of in stal 3 ongeveer 900 vleesvarkens gehouden en/of

- werden in strijd met voorschrift 2.1.3 afvalstoffen, te weten geknoeid of gelekt water uit de voederinstallatie, in de bodem gebracht en/of

- was in strijd met voorschrift 11.2.3 stal 3 in gebruik zonder dat de chemische wasser in werking was;

3.

op 13 maart 2012, in de gemeente Cranendonck, bij agrarische activiteiten, dan wel activiteiten, die daarmee verband houden, te weten het uitoefenen van een varkensbedrijf, op de locatie [adres 1] te [plaats 1] en op de locatie[plaats 2], opzettelijk, niet voldoende zorg in acht heeft genomen om verontreiniging van het oppervlaktewater te voorkomen, immers

  • -

    is toen vanaf zijn bedrijfsterrein op de locatie te [plaats 1], met voerresten, verontreinigd water in een kavelsloot geloosd en

  • -

    is toen vanaf zijn bedrijfsterrein op de locatie te [plaats 2] afvalwater van een wasplaats in een sloot geloosd, althans gelopen,

waardoor hij redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door zijn handelen en/of nalaten het oppervlaktewater kon worden verontreinigd en toen niet heeft voldaan aan zijn verplichting, dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kon worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd teneinde die verontreiniging te voorkomen, althans voor zover die verontreiniging niet kon worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken en/of ongedaan te maken;

4.

op 13 maart 2012 in de gemeente Cranendonck, varkens heeft gehuisvest en/of verzorgd, terwijl dit niet geschiedde overeenkomstig artikel 9, tweede lid en 13, tweede lid, van het Varkensbesluit, aangezien

  • -

    op zijn bedrijf gelegen aan of nabij [adres 2] te [plaats 1], ongeveer 1523, varkens niet permanent beschikten over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen en ongeveer 1824, varkens ouder dan twee weken niet permanent beschikten over voldoende vers water en

  • -

    op zijn bedrijf aan de[plaats 2] ongeveer 845 varkens niet permanent beschikten over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen en ongeveer 1663 varkens ouder dan twee weken niet permanent beschikten over voldoende vers drinkwater;

5.

in de kalenderjaren 2010 en 2011 in de gemeente Cranendonck, opzettelijk op een bedrijf met het mestnummer [nummer] gelegen aan [adres 2] te [plaats 1] en[plaats 2] gedurende het jaar 2010 en gedurende het jaar 2011 telkens een groter aantal, varkens heeft gehouden dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten.

  • -

    Een taakstraf van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis.

  • -

    Gehele stillegging van de onderneming voor de tijd van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Indien de rechtbank dit onderdeel van de eis niet volgt in plaats daarvan 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit.

 Een geldboete van 5.000,-- subsidiair 60 dagen hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, dan wel de gevorderde boete sterk te matigen, gelet op de financiële draagkracht van verdachte en de investeringen die hij in de nabije toekomst nog in zijn bedrijf moet doen.

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard, de ernst en de hoeveelheid van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het nadeel van verdachte.

Door het aanpassen van één van zijn bedrijven zonder daarvoor benodigde omgevingsvergunning en het overtreden van de voorschriften die aan de aan verdachte verleende vergunningen waren verbonden, heeft verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de fysieke leefomgeving in de directe omgeving van zijn bedrijven. Daarnaast heeft verdachte door verontreinigd water naar een sloot te laten lopen, bewerkstelligd dat milieugevaarlijke stoffen vanaf zijn perceel in een oppervlaktewater terecht zijn gekomen. Daardoor heeft verdachte het leefmilieu in dat oppervlaktewater aangetast.

Door meer varkens te houden dan de op zijn bedrijven rustende varkensrechten heeft verdachte zich enerzijds ten onrechte een concurrentievoordeel verworven ten opzichte van zijn branchegenoten die zich wel aan de voorgeschreven regels hebben gehouden en anderzijds heeft verdachte, door meer varkens te houden dan was toegestaan, bijgedragen aan het mestoverschot, met alle voor het milieu nadelige gevolgen. Verder heeft verdachte, door varkens te huisvesten terwijl die varkens niet permanent over voldoende materiaal beschikten om te onderzoeken en niet de permanente beschikking hadden over vers drinkwater, inbreuk gemaakt op het welzijn van die varkens.

Bovendien is verdachte door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 7 februari 2012, en eerder onder andere in 2007 en 2006,voor milieu-overtredingen veroordeeld. Deze veroordelingen hebben verdachte niet weerhouden van het kort na de laatste veroordeling plegen van de hiervoor bewezen verklaarde feiten. Daarnaast is de rechtbank uit de houding van verdachte ter terechtzitting niet gebleken dat hij de ernst van de door hem gepleegde feiten ook maar enigszins inziet.

Bij het bepalen van de aan verdachte voor de bewezen verklaarde feiten op te leggen straf zal de rechtbank er bovendien rekening mee houden dat verdachte ter terechtzitting van 2 september 2013 heeft toegegeven dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit dat "ad informandum" op de inleidende dagvaarding staat vermeld. Dit feit heeft betrekking op de zaak die onder parketnummer 01/995007-13 is geregistreerd. Voor dit feit is of zal verdachte niet afzonderlijk worden vervolgd.

De strafmodaliteit.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden. De rechtbank zal echter wel een hogere taakstraf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde taakstraf. Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal de rechtbank bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

Gelet op de risico’s voor aantasting van het milieu en de directe leefomgeving van beide ondernemingen van verdachte bij voortzetting van de bedrijfsvoering op de huidige wijze zal de rechtbank de voorwaardelijke stillegging van deze ondernemingen gelasten. De rechtbank zal deze voorwaardelijke maatregel echter voor een langere duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Door deze maatregel voorwaardelijk op te leggen, wil de rechtbank verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten - en meer in het bijzonder overtredingen van de milieuwetgeving - te plegen.

Conclusie.

Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat veroordeling van verdachte tot een taakstraf van 200 uur, een geldboete van € 5.000,-- (voor feit 4), en een voorwaardelijke stillegging van de ondernemingen van verdachte voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/995383-08.

Bij vordering van 21 mei 2013 heeft de officier van justitie tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke gevangenisstraf waartoe verdachte bij vonnis van de economische politierechter in deze rechtbank van 18 november 2010 is veroordeeld.

Uit het zich in het procesdossier bevinden uittreksel Justitiële Documentatiedienst van 14 mei 2013 betreffende verdachte blijkt dat het gerechtshof te 's-Hertogenbosch het hiervoor genoemde vonnis van de economische politierechter bij arrest van 22 mei 2012 heeft vernietigd. Hieruit volgt dat het door de economische politierechter op 18 november 2010 uitgesproken vonnis niet langer rechtsgeldig is en dat daarom tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis opgelegde voorwaardelijke straf niet mogelijk is.

De rechtbank zal de officier van justitie daarom niet ontvankelijk verklaren in de vordering.

Toepasselijke wetsartikelen.

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 57, 62, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht

1a, 2, 6, 7 en 87 van de Wet op de economische delicten

1, 2.1, 2.3 en 8.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

1a, 2a en 39 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren

1, 2, 4 en 31 van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij

1, 45 en 131 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

1, 2, 9, 13 en 21 van het Varkensbesluit

1, 19 en 76 van de Meststoffenwet

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

 de misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan [artikel 4 eerste lid aanhef en onder 1 van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij].

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 19 van de Meststoffenwet, meermalen gepleegd.

 en overtreding:

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45 eerste lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd [artikel 2 tweede lid juncto artikel 9 tweede lid en artikel 13 tweede lid van het Varkensbesluit].

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

Ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde feiten.

 Een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.

 Gehele stillegging van de ondernemingen aan [adres 1] te [plaats 1] en de[plaats 2] voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde feit.

 Een geldboete van € 5.000,-- subsidiair 60 dagen hechtenis. Deze geldboete heeft betrekking op twee overtredingen en is derhalve samengesteld uit twee veroordelingen tot een geldboete van elk € 2.500,--.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de economische politierechter in deze rechtbank op 18 november 2010 onder parketnummer 01/995383-08 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.M. Spelt, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 16 september 2013.

1 In de voetnoten wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie recherche / regionaal milieuteam, proces-verbaalnummer 2012008782 [onderzoek Loopkever], afgesloten op 15 oktober 2012, aantal doorgenummerde bladzijden: 788.

2 vergunning, pag. 111 tot en met 124, vergunningvoorschriften, pag. 127 tot en met 159

3 het relaas van verbalisant [verbalisant 1], pag. 220 en 221

4 het relaas van toezichthouder [persoon 1], pag. 231

5 de verklaring van verdachte, pag. 41 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 september 2013

6 vergunning, pag. 111 tot en met 124, vergunningvoorschriften, pag. 127 tot en met 159

7 het relaas van verbalisant [verbalisant 1], pag. 222, 223 en 224

8 het relaas van toezichthouder [persoon 1], pag. 232, 233, 234 en 235

9 de verklaring van verdachte, pag. 40 en 41 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 september 2013

10 vergunning, pag. 486 tot en met 499

11 vergunningvoorschriften, pag. 502 tot en met 537

12 het relaas van verbalisant [verbalisant 2], pag. 550 tot en met 559

13 het verslag van[persoon 2], pag. 564, 565

14 de verklaring van verdachte, pag. 51, 52 en 53 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 september 2013

15 de verklaring van verdachte, pag. 52 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 september 2013

16 het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5], pag. 578 en 579 en de daarbij behorende foto’s, pag. 583 tot en met 586

17 het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5], pag. 612 en 613 en de daarbij behorende foto’s, pag. 617 tot en met 620

18 de verklaring van verdachte, pag. 53

19 het relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7], pag. 641 tot en met 645

20 de verklaring van verdachte, pag. 648 en diens verklaring ter zitting van 2 september 2013

21 het relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9], pag. 645, 646 en 647

22 de verklaring van verdachte, pag. 648 en 649 en diens verklaring ter zitting van 2 september 2013

23 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 september 2013

24 registratie in het I&R systeem van verdachte, pag. 655

25 het relaas van verbalisant [verbalisant 7], pag. 697, 698, 699 en 700

26 de verklaring vanverdachte, pag. 701 en diens verklaring ter terechtzitting van 2 september 2013