Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5039

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
01/845163-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met een spijkerpistool diverse keren op 3 politiemensen en 2 ambulancemedewerkers geschoten. Een van de spijkers is in het kogelwerend vest van een van de agenten gekomen. Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag. Hij wordt veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845163-13

Datum uitspraak: 12 september 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [1969],

wonende te[woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 7 juni 2013 en van 29 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 31 mei 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 februari 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1]

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet met een spijkerpistool een of meer spijkers in de

richting (van de borst) van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, welke spijkers die

[slachtoffer 1] in zijn kogelwerendvest (ter hoogte van zijn hart) heeft/hebben

geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 februari 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, [slachtoffer 1]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend

met een spijkerpistool een of meer spijkers in de richting (van de borst) van

die [slachtoffer 1] geschoten, welke spijkers die [slachtoffer 1] in zijn kogelwerendvest (ter

hoogte van zijn hart) heeft/hebben geraakt;

hij op of omstreeks 28 februari 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of[slachtoffer 4] en/of

[slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een spijkerpistool een of

meer spijkers in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 februari 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]

en/of [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar

opzettelijk dreigend met een spijkerpistool een of meer spijkers in de

richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of

[slachtoffer 6] geschoten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezen verklaring van de onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van verbalisanten [slachtoffer 1], [slachtoffer 6] en[slachtoffer 4] en ambulancemedewerkers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde met betrekking tot verbalisant [slachtoffer 5] verzoekt de officier van justitie verdachte vrij te spreken.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag of zware mishandeling dan wel bedreiging wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte heeft slechts één keer met het spijkerpistool geschoten. Hij heeft daarmee niet in de richting van verbalisant [slachtoffer 1] of de andere verbalisanten of ambulancemedewerkers geschoten, zodat niet gesproken kan worden van een poging tot het toebrengen van dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel. Daarbij komt dat het spijkerpistool geen wapen is dat geschikt is om een persoon van een afstand van anderhalve meter te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat ook niet gesproken kan worden van een bedreiging zoals onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Verbalisant [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij naar aanleiding van een melding van een mogelijke verhanging van verdachte samen met meerdere collega’s en twee medewerkers van de ambulance naar het chalet van verdachte is gegaan. Hij heeft “politie” geroepen en bij geen gehoor heeft hij met een bezemsteel een ruit van één van de deuren van het chalet ingeslagen. Toen hij de ruit had ingeslagen, zag hij dat het gordijn van binnenuit weg werd geschoven. Hij stond op nog geen meter afstand van de voordeur waarvan hij het raam had ingeslagen. Hij zag plotseling een man met ontbloot bovenlijf staan. De man hield het gordijn met zijn rechterhand tegen zodat zij elkaar konden zien. Verbalisant [slachtoffer 1] riep nogmaals “politie”. Hij zag dat de man met zijn linkerhand een apparaat vasthield wat de vorm en grote van een doorsnee boormachine had. Hij zag dat dit apparaat op nog geen meter afstand op zijn hoofd werd gericht en dat de man hem recht in zijn ogen keek. Hij hoorde de man iets roepen van, wat moet dat hier en hoorde meerdere knallende geluiden. Hij voelde ineens een harde druk op zijn borstkas, op zijn borstbeen ter hoogte van zijn hart. Hij vreesde voor zijn leven, het leven van zijn collega [slachtoffer 6] en de medewerkers van de ambulance en riep dat er werd geschoten en iedereen weg moest gaan. Hij zag dat de man nog steeds het gordijn openhield en het apparaat vasthield. Toen [slachtoffer 6] en de medewerkers van de ambulance wegrenden, hoorde hij meerdere knallen. Hij zag dat het apparaat gericht werd op [slachtoffer 6] en de medewerkers van de ambulance toen hij deze knallen hoorde. Verbalisant [slachtoffer 1] is vervolgens met zijn vuurwapen gericht op de voordeur achteruit gelopen en de hoek omgelopen. Na een aantal minuten werd door collega’s de tuinpoort ingetrapt zodat verbalisant [slachtoffer 1] kon wegkomen. Even later hoorde hij weer meerdere schoten. Hij hoorde een mannenstem roepen dat ze een stelletje helden waren. Toen hij op het politiebureau kwam zag hij dat er precies bij zijn hart een gaatje in zijn trui zat.2

Verbalisant [slachtoffer 6] heeft verklaard dat verbalisant [slachtoffer 1] een bezemsteel pakte en luid en duidelijk ‘politie, politie’ riep. [slachtoffer 1] heeft vervolgens het raam van de deur van het chalet ingetikt. Zij hoorde dat [slachtoffer 1] nogmaals riep “politie”. [slachtoffer 6] is toen direct achter [slachtoffer 1] gaan staan. Zij stond op dat moment ongeveer op een halve meter schuin achter [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] stond op dat moment ongeveer op 1 meter van het raam. Op dat moment zag zij dat een hand van een persoon het gordijn opzij schoof en dat er een persoon stond met ontbloot bovenlichaam en met een oranje voorwerp in zijn linkerhand. Zij zag dat hij dit ter hoogte van zijn schouders vasthield. Ze hoorde dat [slachtoffer 1] riep “wapen, hij heeft een wapen”. [slachtoffer 1] stond op dat moment oog in oog met de man op nog steeds ongeveer 1 meter. Zij stond nog achter [slachtoffer 1] maar had volledig zicht op de man en stond ook volledig in zijn gezichtsveld. Op dat moment voelde ze angst. Zij hoorde [slachtoffer 1] roepen: “achteruit achteruit wapen”. Zij hoorde twee of drie schoten op het moment dat [slachtoffer 1] dit riep. Zij is al schuifelend achteruit gelopen. Toen zij even later bij de bestelbus stond, hoorde zij nog vier tot zes doffe schoten. Zij was op dat moment doodsbang.3

De heer [slachtoffer 2], chauffeur van de ambulance, heeft verklaard dat toen zij ter plaatse kwamen bij het chalet, hij zag dat 2 politiemensen uitstapten en naar het chalet renden. Hij heeft met zijn collega [slachtoffer 3] materiaal uit de ambulance gepakt die zij nodig hadden voor een eventuele reanimatie en zij zijn achter de politie aangerend naar het chalet. Toen hij zicht kreeg op het chalet zag hij dat verbalisant [slachtoffer 1] met een bezemsteel het raam van het chalet aan het openbreken was. Hij hoorde hem meerdere keren hard roepen “politie”. Hij riep nog iets van “kijk uit voor gas let op je veiligheid” en meteen daarop zag hij achter het gordijn van het chalet beweging. Hierna hoorde hij een aantal knallen. Hij zag dat [slachtoffer 1] ongeveer een meter verwijderd was van het gordijn waarachter hij beweging had gezien. Hij hoorde [slachtoffer 1] roepen ”wapen”. Hij weet niet wat er hierna is gebeurd omdat hij zich direct heeft omgedraaid en met zijn collega [slachtoffer 3] is weggerend naar een aantal politiemensen die inmiddels ook ter plaatse waren.4

De heer [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer 2] achter de twee politiemensen aan naar het chalet is gelopen. Hij hoorde dat er geroepen werd “politie” en zag dat verbalisant [slachtoffer 1] met een bezemsteel een ruit van het chalet intikte. Hij stond op dat moment recht schuin achter [slachtoffer 1] op een afstand van 2 a3 meter. Hij hoorde een mannenstem vanuit het chalet. Plotseling hoorde hij [slachtoffer 1] roepen “wapen, wapen. Hij raakte in paniek. Op het moment dat hij weg wilde rennen hoorde hij schoten. Het geluid was doffer dan pistoolschoten. Hij rende weg in de richting van de politieauto. Op het moment dat hij wegrende, hoorde hij een stuk of 4 a 5 schoten. Hij schrok hiervan en vreesde voor zijn leven en dat van de andere hulpverleners.5

Verbalisant [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij zag dat andere collega’s ( de rechtbank begrijpt verbalisant [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6]) naar het chalet renden. Hij heeft zich bij deze collega’s gevoegd en hoorde dat zij zich kenbaar maakten als politie. Hij heeft zelf ook meerdere keren politie geroepen. Hij zag dat een collega met een bezemsteel tegen het raam sloeg en zag dat het raam brak. Hij zag toen dat een man het gordijn opzij schoof en voor het kapotte raam stond. Hij hoorde toen een aantal doffe klappen. De afstand tussen [slachtoffer 4] en de man betrof op dat moment ongeveer een meter. Hij hoorde dat een collega riep “vuurwapen” en is naar achteren gelopen om dekking te zoeken. Hij hoorde nogmaals een 5 a 6-tal doffe klappen. Hij voelde zich ernstig bedreigd en had het gevoel dat er gericht op hem en zijn collega’s werd geschoten. Hij hoorde later dat de man riep; “stelletje helden, laat de officier van dienst maar komen” en “ik verdedig mijn eigen huis”. 6

Verdachte heeft - kort gezegd- verklaard dat hij op 28 februari 2013 vanuit chalet Fuut 96 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, één keer met het spijkerpistool een spijker heeft verschoten, terwijl een persoon voor de deur van zijn chalet stond. Hij was in de veronderstelling dat een persoon die hem ernstig bedreigt het raam van zijn chalet insloeg en daarom had hij eenmaal geschoten. Hij heeft in de richting van de grond geschoten.7

Vrijspraak.

Bij de beoordeling van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde dient allereerst de vraag te worden beantwoord of het schieten van een spijker met een spijkerpistool op een afstand zoals volgt uit de verklaringen van aangevers dodelijk kan zijn dan wel zwaar lichamelijk letsel kan opleveren. Om deze vraag te beantwoorden heeft de officier van justitie aan het NFI de onderzoeksvraag voorgelegd: ‘In hoeverre is de schiethamer een ‘deugdelijk middel’ om levensbedreigend te zijn wanneer op een persoon wordt geschoten, op een afstand van ongeveer 1,5 meter?’

Uit het rapport van het NFI van 4 juli 2013 blijkt dat er met tien spijkers op een blok ballistische gelatine bekleed met een huidsimulant is geschoten. Van de tien schoten hebben twee spijkers het blok met de punt eerst geraakt. Eén van de twee spijkers ging ca. 1 cm het blok in. De overige acht spijkers sloegen dwars op het blok. Op de high speed camerabeelden is te zien dat de spijkers instabiel zijn tijdens hun vlucht. Dit betekent dat ze tuimelen. Hierdoor is niet te zeggen hoe een spijker een object op 1,5 meter raakt: met de punt, kop of dwars.

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde bevindingen volgt dat geen sprake is van een aanmerkelijke kans op het overlijden van een persoon door het schieten met een schiethamer op een afstand van ongeveer 1,5 meter.

De rechtbank merkt hierbij op dat uit de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] volgt dat wellicht van een kortere afstand op [slachtoffer 1] is geschoten dan de onderzochte 1,5 meter, nu zij spreken over een afstand van ca. 1 meter. De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat de bevindingen van het NFI met een dergelijke afstand zodanig anders zouden zijn dat de resultaten van dit onderzoek niet bruikbaar zijn uitgaande van een afstand van ca. 1 meter.

Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat ook geen sprake is van een aanmerkelijke kans op het overlijden van een persoon door het schieten met een schiethamer op een afstand van ongeveer 1 meter.

De rechtbank is van oordeel dat het schieten van een spijker met het spijkerpistool mogelijk zwaar lichamelijk letsel kan toebrengen als deze spijker het lichaam binnendringt op een locatie met zacht en kwetsbaar weefsel zoals bijvoorbeeld een oog. De kans dat dit gebeurt, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet aanmerkelijk te noemen nu uit het rapport van het NFI volgt dat van de tien verschoten spijkers slechts twee spijkers het object met de punt hebben geraakt en dat slechts één spijker het blok tot 1 centimeter is binnengedrongen.

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde bedreiging van verbalisant [slachtoffer 5] overweegt de rechtbank het volgende. Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 5] zich op ongeveer 30 meter afstand van het chalet bevond en dat hij bedekt stond opgesteld toen met het spijkerpistool werd geschoten. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat bij [slachtoffer 5] niet de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de bedreiging van [slachtoffer 5].

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank acht op grond van de verklaring van verbalisant [slachtoffer 1] en de beschadiging van zijn trui als te zien op de foto’s in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een spijkerpistool een spijker in de richting van de borst van [slachtoffer 1] heeft geschoten en dat die spijker [slachtoffer 1] heeft geraakt.

De rechtbank stelt op grond van de verklaringen van aangevers, zoals hierboven weergegeven, vast dat meerdere schoten zijn gelost. De rechtbank kan niet vaststellen of bij al deze schoten ook spijkers zijn verschoten. Uit het rapport van het NFI volgt immers dat het ook mogelijk is om met het spijkerpistool te ‘schieten’, zonder dat er spijkers worden verschoten. Het geluid is dan hetzelfde als wanneer een spijker met het spijkerpistool wordt verschoten.

De rechtbank is van oordeel dat het schieten met een spijkerpistool, ongeacht of daarbij spijkers zijn verschoten, en het daarbij horen van een schot of een op een schot gelijkend geluid, maakt dat bij deze personen de gerechtvaardigde angst leefde dat zij het leven zouden kunnen laten. Dat levert naar het oordeel van de rechtbank een bedreiging tegen het leven gericht op, zoals hierna bewezen is verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van feit 1 subsidiair.

op 28 februari 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, [slachtoffer 1]heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend met een spijkerpistool een spijker in de richting (van de borst) van die [slachtoffer 1] geschoten, welke spijker die [slachtoffer 1] heeft geraakt;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair.

op 28 februari 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en[slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend met een spijkerpistool geschoten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake was van een noodweersituatie en daarmee ook geen sprake kan zijn van een geslaagd beroep op (putatief) noodweer.

Het standpunt van de verdediging:

De raadsvrouwe heeft bepleit dat verdachte mocht vrezen voor een feitelijke aantasting van zijn eigen lijf en goed. De mogelijke belager van verdachte was volgens verdachte in het bezit van een vuurwapen. De avond voor het onderhavige incident heeft deze persoon samen met zijn maten nog gedreigd, verdachte op te zoeken in zijn woning en zijn woning in brand te steken. Toen door een niet voor verdachte herkenbare persoon het raam van de deur van zijn chalet werd ingeslagen, verkeerde verdachte in de veronderstelling dat de dreigementen waarmee al langere tijd werd geconfronteerd, werkelijkheid werden. Verdachte heeft direct gereageerd op deze ogenblikkelijke aanranding. Verdachte mocht dat ook, omdat de politie niets met zijn meldingen van deze dreigementen heeft gedaan. Verdachte vreesde dat op hem zou worden geschoten of dat zijn woning in brand zou worden geschoten. Nu verdachte zich bevond in een geheel afgesloten chalet, kon verdachte niets anders doen dan handelen. Verdachte is daarom niet strafbaar voor de eventueel bewezen verklaarde feiten.

Het oordeel van de rechtbank.

De stelling van verdachte dat hij werd bedreigd en dat dit ook daags vóór het incident is gebeurd, wordt niet door enig stuk in het dossier ondersteund. Nu ook ter zitting deze vermeende bedreiging op geen enkele wijze concreet en/of aannemelijk is gemaakt, gaat de rechtbank hieraan voorbij.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin en zijn zus kort vóór het incident een bericht gestuurd dat hij het leven niet meer zag zitten en dat hij zich zou gaan verhangen. Om dit bericht kracht bij te zetten heeft hij hen een foto gestuurd van een door hem gemaakte strop met de tekst dat dit het touw was waarmee hij zich zou gaan verhangen. Een familielid van verdachte heeft vervolgens de hulpdiensten gewaarschuwd. De hulpdiensten, in dit geval politie en ambulance (GGD) zijn hierop naar het chalet van verdachte gegaan. Omdat na aanbellen en roepen een reactie uitbleef, is door een verbalisant een ruit in een deur ingeslagen. Het inslaan van een ruit is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte kon er ook niet zonder meer van uitgaan dat zich wel een dergelijke situatie voordeed, temeer omdat hij redelijkerwijs kon verwachten dat op zijn noodkreet hulpverleners ter plekke zouden komen.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer dan wel op putatief noodweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en reclasseringstoezicht met voorwaarden zoals door reclassering verwoord in het reclasseringsrapport. Verbeurdverklaring van het spijkerpistool en de set spijkers. Teruggave van de in beslag genomen trui van de heer [slachtoffer 1] aan de rechthebbende.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen. Zij heeft bepleit dat de door de officier van justitie gevorderde straf zodanig wordt gematigd dat het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf gelijk aan de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel kan de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht worden gekoppeld. Verdachte wil zo spoedig mogelijk gaan beginnen aan een behandeling bij De Woenselse Poort.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht tegen meerdere hulpverleners.

Verdachte heeft zeer dreigend gehandeld richting politieambtenaren en ambulancepersoneel die nota bene op zijn eigen noodkreet dat hij zich zou gaan verhangen afkwamen. De rechtbank rekent dit de verdachte buitengewoon zwaar aan. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichtingen bij de vorderingen van de benadeelde partijen en de schriftelijke slachtofferverklaringen van het ambulancepersoneel blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is en dat zij in hun werk en in hun privéleven nog steeds de nadelige gevolgen van deze bedreiging ondervinden.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte tijdens het plegen van de feiten verkeerde onder invloed van alcohol en medicijnen waarvan hij de gecombineerde negatieve werking op zijn gedrag moest begrijpen. Desondanks heeft hij bijna een hele fles whisky genuttigd en de medicijnen ingenomen.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij nu de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet en ook ter terechtzitting oprecht berouw heeft getoond. Uit het door de reclassering over de persoon van de verdachte uitgebrachte rapport blijkt, dat na het aan het licht komen van de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zijn persoonlijke omstandigheden zich zodanig in positieve zin hebben gewijzigd, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gedrag van verdachte zich ten goede zal keren. Hij stelt zich behandelbaar en begeleidbaar op.

Uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door M. van Winkel van 16 mei 2013 blijkt, dat de door hem gepleegde strafbare feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Dit rapport houdt kort weergegeven in:

‘Er is sprake van een depressieve stoornis, alcoholafhankelijkheid, middelenmisbruik en een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, borderline en narcistische kenmerken. Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde en beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen. Vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek heeft betrokkene moeite om met spanningsgevoelige situaties om te gaan. Tevens handelt hij vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek vaak impulsief en soms ook agressief, zonder zicht op de belevingswereld van de ander.’

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, groot drie maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf, ook al spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde. De gevorderde straf is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 1].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert de gehele toewijzing van de civiele vordering.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 4].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert de gehele toewijzing van de civiele vordering.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert de gehele toewijzing van de civiele vordering.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert de gehele toewijzing van de civiele vordering.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe verzoekt de civiele vordering te matigen.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, te weten immateriële schade tot een bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de overige gevorderde immateriële schade ad € 1.250,00 afwijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert de gehele toewijzing van de civiele vordering.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe verzoekt de civiele vordering te matigen.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 750,00 en de materiële schade (de gederfde onregelmatigheidstoeslag) € 49,19, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de overige gevorderde immateriële schade ad € 1.250,00 afwijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 5].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de civiele vordering.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank zal de vordering afwijzen, omdat verdachte is vrijgesproken van het onderdeel waarop de civiele vordering ziet.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 57, 60a, 285.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder feit 1 primair en het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregelen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

-dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften

en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

-dat de veroordeelde zal deelnemen aan de volgende gedragsinterventies:

* Leefstijltraining;

* Arbeidsvaardigheden training (ARVA)

-dat de veroordeelde zich laat behandelen voor de reeds vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek in De Woenselse Poort of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

-dat indien uit de behandeling bij de Woenselse Poort of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling blijkt dat een intakeprocedure en behandeling bij een intstelling voor verslavingszorg noodzakelijk is, dient veroordeelde hier zijn medewerking aan te verlenen;

-dat de veroordeelde zich (uiterlijk) binnen twee dagen na het vonnis in de zaak meldt bij de Reclassering Nederland, locatie 's-Hertogenbosch op telefoonnummer 073-6408080;

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten:

- een oranje Paslode Impuls Spijkerpistool im90i;

- een grijs Paslode Nailingsystems Spijkerhouder met 37 spijkers.

Teruggave in beslag genomen goederen, te weten:

Een trui en een veiligheidsvest, aan de rechthebbende.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Wijst af de vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 5].

Veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]van een bedrag van EUR 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 750,00 immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van EUR 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te weten EUR 750,00 immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 350,00 subsidiair 7 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer[slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 350,00 (zegge: driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 350,00 immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij[slachtoffer 4], van een bedrag van EUR 350,00 (zegge: driehonderdvijftig euro), te weten EUR 350,00 immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] van een bedrag van EUR 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 250,00 immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6], van een bedrag van EUR 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), te weten EUR 250,00 immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 750,00 immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van EUR 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te weten EUR 750,00 immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 799,19 subsidiair 15 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 799,19 (zegge: zevenhonderdnegenennegentig euro en negentien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 750,00 immateriële schadevergoeding en EUR 49,19 materiële schadevergoeding (post gederfde onregelmatigheidstoeslag).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van EUR 799,19 (zegge: zevenhonderdnegenennegentig euro en negentien eurocent), te weten EUR 750,00 immateriële schadevergoeding en EUR 49,19 materiële schadevergoeding (post gederfde onregelmatigheidstoeslag).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. Waals, voorzitter,

mr. H.H.E. Boomgaart en mr. C.P.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 12 september 2013.

Mr. C.P.C. Kuijs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Valkenswaard, genummerd PL2233 2013028663.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], op de pagina’s 35 en 36.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6], op de pagina’s 43 en 44.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], op pagina 47.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3], op pagina 50.

6 Proces-verbaal van aangifte van[slachtoffer 4], op de pagina’s 53 en 54 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 augustus 2013.

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 augustus 2013.