Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5033

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
01/825475-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in een jaar tijd schuldig gemaakt aan diverse geweldsmisdrijven. Bij de laatste en tevens zwaarste geweldshandeling heeft verdachte, als geoefend vechtsporter, samen met twee anderen het slachtoffer zonder enige aanleiding geschopt en geslagen. Op het moment dat het slachtoffer kennelijk buiten bewustzijn was, heeft verdachte het slachtoffer met geschoeide voet vol tegen het hoofd, dat op dat moment los boven de grond bungelde, geschopt.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/825475-12, 01/053147-12 en 01/130343-12 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 12 september 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [1993],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 augustus 2013.

Ter terechtzitting van 29 augustus 2013 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 26 juli 2013 en 29 juli 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 september 2012 te Eindhoven, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het

leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet meermalen (met kracht) (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of tegen

het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschopt/getrapt en/of eenmaal (met

kracht) (met gebalde vuist) tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft

geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/302 jo artikel 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 september 2012 te Eindhoven met een ander of anderen,

op of aan de openbare weg, aan de Rechtestraat, in elk geval op of aan een

openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1]

, welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal slaan en/of

schoppen tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1],

waarbij hij, verdachte, meermalen heeft geschopt en/of geslagen tegen het

lichaam van die [slachtoffer 1] en/of eenmaal heeft geschopt tegen het hoofd van

die [slachtoffer 1],

en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een kniewond en/of

striemen op de arm en/of een gezwollen oog) voor die [slachtoffer 1] ten gevolge

heeft gehad;

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/053147-12 tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 september 2011 te Veldhoven opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 2]),(met gebalde vuist) tegen het gezicht heeft

geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 september 2011 te Veldhoven opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 3]), (met gebalde vuist) tegen het gezicht heeft

geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/130343-12 tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 april 2012 te Eindhoven toen de aldaar dienstdoende

ambtena(a)r(en) verdachte als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer

op hetredaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en

had(den) vastgegrepen, althans vast had(den), zich met geweld tegen die

bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige

uitoefening zijner / hunner bediening, heeft verzet door, toen de

ambtena(a)r(en) hem, verdachte, trachtte(n) te boeien, liggend op de grond met

zijn armen te slaan en/of met zijn benen te schoppen en/of zijn arm weg te

trekken en/of zijn bovenlichaam omhoog te bewegen in een richting tegengesteld

aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden;

(artikel 180 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 08 april 2012 te Eindhoven opzettelijk beledigend (een)

ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 4] (brigadier van de Regiopolitie

Zuid-Oost) en/of [slachtoffer 5] (agent van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost) ,

gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun

bediening ,in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de

woorden "kankermongool", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking;

(artikel 266 jo 267 Wetboek van Strafrecht)

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Ten aanzien van het feit ten laste gelegd onder 01/825475-12.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde, het medeplegen van poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Verdachte heeft door met geschoeide voet te trappen tegen het hoofd van het bewusteloze slachtoffer de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe is van oordeel dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouwe voert aan dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat verdachte het opzet op de dood van het slachtoffer had, ook niet in de voorwaardelijke zin. Er was geen sprake van een vooropgezet plan dat de medeverdachte het slachtoffer zo vastpakte dat verdachte kon schoppen. Het is onduidelijk waar tegen zijn hoofd het slachtoffer is getrapt, niet is vast te stellen dat het slachtoffer toen al bewusteloos was en bovendien droeg verdachte ten tijde van het feit sportschoenen van relatief zacht materiaal.

Het oordeel van de rechtbank. 1

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van openlijke geweldpleging gepleegd op 20 september 2012 omstreeks 02.45 uur te Eindhoven. [slachtoffer 1] werd door een drie- of viertal jongens aangesproken. [slachtoffer 1] liep weg maar de jongens kwamen achter hem aangelopen en begonnen [slachtoffer 1] te duwen. Vervolgens voelde [slachtoffer 1] een harde klap op zijn rechteroog. Hij voelde direct een pijnscheut. Vervolgens kwam [slachtoffer 1] handen te kort om de klappen af te weren, hij werd namelijk door drie of vier jongens tegelijkertijd belaagd. Alle jongens hebben [slachtoffer 1] geslagen. Hij is nog even buiten westen geweest en heeft pijn aan zijn rechteroog, zijn linkerknie en rechterelleboog. 2

[medeverdachte 1], medeverdachte, heeft verklaard dat de man (het slachtoffer) een stoorzender was. [medeverdachte 1] zag dat [medeverdachte 2] (medeverdachte) uit balans raakte. [medeverdachte 1] werd erg boos en rende op de man (het slachtoffer) af en heeft het slachtoffer toen een ingehouden, maar toch best harde lowkick gegeven. Hij zag dat het slachtoffer half naar beneden zakte. [medeverdachte 1] heeft hem toen met gebalde vuist op zijn gezicht geslagen. Toen hij dit had gedaan, was de man buiten westen. 3

[medeverdachte 2], medeverdachte, heeft verklaard dat hij samen was met [verdachte] (verdachte) en [medeverdachte 1] (medeverdachte). De man (het slachtoffer) werd aangevallen, hij werd geslagen of geschopt. Vervolgens liep de man (het slachtoffer) weg richting Ram Bam. [medeverdachte 2] liep achter hem aan en wilde tegen zijn benen trappen, maar miste de man. Toen [medeverdachte 2] later zag dat de man op de grond lag,wilde hij de man optillen en nam de hand van de man vast en trok aan zijn arm. Vervolgens werd de man (het slachtoffer) door iemand tegen zijn hoofd getrapt. 4

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 20 september 2012 te Eindhoven gericht tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft getrapt op het moment dat medeverdachte [medeverdachte 2] het slachtoffer had vastgepakt. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij verschillende vechtsporten heeft beoefend en weet hoe hij moet schoppen alsmede dat hij weet dat een persoon kan komen te overlijden na een trap tegen het hoofd. 5

Ter terechtzitting heeft de rechtbank de aan het dossier toegevoegde beelden van de beveiligingscamera’s in het centrum van Eindhoven bekeken. Daarop is te zien is dat een persoon, waarin de rechtbank verdachte herkend en waarvan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij dat is, [slachtoffer 1] neerslaat, die dan even roerloos blijft liggen en daarna weer opstaat en verder loopt. Even later wordt[slachtoffer 1] door [medeverdachte 2] onderuit geschopt waarna er door verdachte, en [medeverdachte 1] in de richting van [slachtoffer 1] wordt getrapt, die dan net buiten beeld ligt. Vervolgens wordt [slachtoffer 1] door [medeverdachte 2] aan zijn arm deels binnen het beeld van de camera getrokken. Te zien is dat het hoofd van [slachtoffer 1] achterover naar beneden bungelt, waar de rechtbank uit afleidt dat hij op dat moment bewusteloos is. Vervolgens trapt verdachte met zijn geschoeide voet met kracht tegen de rechterkant van het hoofd van [slachtoffer 1]. Het hoofd van [slachtoffer 1] slaat door de trap naar links (vanuit [slachtoffer 1] gezien) en verdwijnt uit beeld.

Voorwaardelijk opzet.

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 20 september 2012 te Eindhoven met geschoeide voet tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft getrapt. Waar verdachte het hoofd van [slachtoffer 1] met zijn geschoeide voet raakte, acht de rechtbank niet relevant, temeer niet omdat het bungelende hoofd van [slachtoffer 1] op het moment van schoppen nog in beweging was, wat maakt dat de precieze plaats waar het hoofd zou worden geraakt van toeval afhankelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat bij het hard schoppen tegen een los bungelend hoofd van iemand die bewusteloos is de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben door kwetsuren aan hoofd en/of nek. De rechtbank is van oordeel dat door met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer aan te trappen, verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij daarmee de dood van het slachtoffer zou bewerkstelligen. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat hij weet dat iemand na een trap tegen het hoofd kan komen te overlijden. De rechtbank acht derhalve de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is daarbij voorts van oordeel dat bij de uitvoering van dat feit sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, te weten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], zodat medeplegen kan worden bewezen.

Ten aanzien van feit 1 en 2 ten laste gelegd onder parketnummer 01/053147-12.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde mishandelingen wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte bekent aangever [slachtoffer 2] (feit 1) en aangever [slachtoffer 3] (feit 2) te hebben geslagen. Verdachte stelt in beide gevallen zichzelf te hebben verdedigd.

(De raadsvrouwe verzoekt verdachte primair voor deze feiten vrij te spreken subsidiair te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Zie voor de beslissing hierover het kopje ‘strafbaarheid van het feit’).

Het oordeel van de rechtbank. 6

Ten aanzien van feit 1.

Op 25 september 2012 fietste [slachtoffer 2] samen met vrienden op het Heike te Veldhoven. Hij hoorde dat er een groep achter hen aan fietste. [slachtoffer 2] stapte van zijn fiets af en zag dat er een niet al te grote jongen met een Indonesisch uiterlijk naar hem toeliep. [slachtoffer 2] voelde en zag dat die jongen hem een harde duw gaf. Vervolgens voelde [slachtoffer 2] dat die jongen hem met gebalde rechtervuist tegen zijn neus sloeg. Op dat moment had [slachtoffer 2] daar niet zoveel pijn van, later had hij wel pijn aan zijn neus. 7 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [slachtoffer 2] heeft geslagen. 8

Op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 september 2011 te Veldhoven [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Ten aanzien van feit 2.

Op 25 september 2011 reed [slachtoffer 3] samen met [slachtoffer 2] en [persoon 1] op het Heike te Veldhoven. Zij werden op een gegeven moment van achter benaderd door een grote groep jongens. Zij stopten en de groep stopte ook bij hen. [slachtoffer 3] zag dat één van de jongens een Indonesisch uiterlijk had. Hij zag dat die jongen naar [slachtoffer 2] liep en hem direct sloeg met zijn gebalde rechtervuist. [slachtoffer 3] zag dat diezelfde jongen op hem afkwam en hem direct opzettelijk en hard tegen zijn gezicht sloeg. Hij zag en voelde dat de jongen hem raakte op zijn linkerjukbeen net onder zijn oog. Hij zag en voelde toen dat die jongen hem daarna nogmaals sloeg en hem raakte op zijn kaak aan de linkerzijde. [slachtoffer 3] voelde door die klappen veel pijn en bij de tweede klap voelde hij dat hij een stuk kies in zijn mond had. 9 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [slachtoffer 3] één keer heeft geslagen. 10

Op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 september 2011 te Veldhoven [slachtoffer 3] heeft mishandeld.

Ten aanzien van feit 1 en 2 ten laste gelegd onder parketnummer 01/130343-12.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de respectievelijk onder 1 en 2 ten laste gelegde wederspannigheid en belediging wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 en 2 11

Verbalisanten, [verbalisant 1], brigadier van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, [verbalisant 2], agent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost en [verbalisant 3], agent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost maakten deel uit van het horecadetachement en droegen over hun uniform een geel hesje met zowel op de voor- als achterzijde de reflecterende tekst ‘Politie’. Zij zagen dat de portier van uitgaansgelegenheid ‘Bongo Beach’ een jongen, verdachte [verdachte], op de grond onder controle trachtte te houden. Verbalisant [verbalisant 1] (hierna te noemen: [verbalisant 1]) zei tegen verdachte dat hij moest meewerken en riep met luide en duidelijke stem dat zij van de politie waren. [verbalisant 1] zei tegen verdachte dat hij zijn handen op zijn rug moest doen. De verbalisanten zagen dat verdachte niet wilde meewerken en hevig met zijn armen en benen poogde te slaan en te schoppen. Toen verbalisant [verbalisant 3] (hierna te noemen: [verbalisant 3]) trachtte de rechterarm van verdachte te fixeren alvorens deze naar de rug van verdachte te brengen om bij hem de transportboeien aan te kunnen leggen, voelde [verbalisant 3] dat verdachte trachtte zijn arm weg te trekken. [verbalisant 1] en [verbalisant 3] hebben de geboeide verdachte van het Stratumseind afgevoerd. Zij voelden dat verdachte terwijl deze geboeid was, zich in een andere richting wilde bewegen dan zij hem trachtten te bewegen. [verbalisant 1] vorderde verdachte nogmaals om rustig mee te werken en zijn verzet te staken. [verbalisant 1] hoorde dat verdachte met luide en duidelijke stem tegen hem zei: “Kankermongool”. Verbalisant [verbalisant 1] voelde zich door deze belediging in zijn goede naam en eer aangetast. 12 Verdachte heeft verklaard dat hij op 8 april 2012 bij de ‘Bongo Beach’ te Eindhoven is geweest. Hij raakte in conflict met de portier aldaar. 13

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het ambtsedig proces-verbaal opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Op grond van voornoemd ambtsedig proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte dat hij op 8 april 2012 bij de ‘Bongo Beach’ te Eindhoven was, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 april 2012 te Eindhoven schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid en belediging van een ambtenaar in functie.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat in de zaak met parketnummer 01/ 825475-12 wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 20 september 2012 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het

leven te beroven, met dat opzet meermalen met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

In de zaak met parketnummer 01/053147-12 is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 25 september 2011 te Veldhoven opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), (met gebalde vuist) tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

op 25 september 2011 te Veldhoven opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]), (met gebalde vuist) tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

In de zaak met parketnummer 01/130343-12 is wettig en overtuigend bewezen dat

verdachte:

1.

op 08 april 2012 te Eindhoven toen de aldaar dienstdoende ambtenaren verdachte als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekte strafbare feiten hadden vastgegrepen, zich met geweld tegen die bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, heeft verzet door, toen de

ambtenaren hem, verdachte, trachtten te boeien, liggend op de grond met zijn armen te slaan en met zijn benen te schoppen en zijn arm weg te trekken en zijn bovenlichaam omhoog te bewegen in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

2.

op 08 april 2012 te Eindhoven opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4] (brigadier van de Regiopolitie Zuid-Oost) gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het

woord "kankermongool".

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat het gedrag van verdachte (ten laste gelegd onder parketnummer 01/053147-12 onder 1 en 2) een reactie was op een aanval van de andere groep fietsers, waartegen verdachte zich heeft verdedigd. De raadsvrouwe concludeert dat verdachte om die reden dient te worden vrijgesproken dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Naar het oordeel van de rechtbank treft het beroep op noodweer geen doel omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich moest verdedigen. Op 25 september 2011 te Veldhoven was verdachte betrokken bij een vechtpartij waarbij niet onomstotelijk kan worden vastgesteld wie als eerste heeft geslagen. Ook al zou verdachte als eerste zijn geslagen, is niet gebleken dat er geen alternatieven waren voor het ontwijken van respectievelijk De [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Verdachte komt onder deze omstandigheden geen beroep op noodweer toe. De rechtbank verwerpt het verweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals verwoord in het reclasseringsrapport d.d. 21 november 2012.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe bepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een onvoorwaardelijke werkstraf of een hoge geldboete met een daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden een behandelverplichting en een alcoholverbod.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen het tijdsbestek van een jaar schuldig gemaakt aan diverse geweldsmisdrijven, waarbij het op 20 september 2012 is gekomen tot een geweldsexplosie. Op 20 september 2012 heeft verdachte, een geoefend vechtsporter, samen met twee anderen slachtoffer [slachtoffer 1] zonder enige aanleiding geschopt en geslagen. Vervolgens zijn de verdachte en de medeverdachten [slachtoffer 1] gevolgd en hebben wederom die [slachtoffer 1] geschopt en geslagen. Op het moment dat [slachtoffer 1] kennelijk buiten bewustzijn was, schopte verdachte [slachtoffer 1] met geschoeide voet vol tegen het hoofd, dat op dat moment los boven de grond bungelde. Vervolgens is verdachte weggelopen zonder zich verder om het slachtoffer te bekommeren.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat een poging tot doodslag leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. Verdachte heeft door zijn gedraging welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor een ander in het leven geroepen en heeft zich niets aangetrokken van diens belangen. Het (zeer) gewelddadig karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om al dan niet met anderen (zwaar) geweld tegen andere mensen te gebruiken. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, naar eigen zeggen, tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol verkeerde waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen. Desondanks heeft hij toch alcohol gedronken.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte gemotiveerd lijkt te zijn om te stoppen met het gebruik van alcohol. Hij is al begonnen met een serieuze behandeling van zijn verslaving.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 01/825475-12).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie verzoekt om toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 779,90 (bestaande uit € 640,00 aan gemiste inkomsten, € 99,85 kosten broek en € 39, 95 kosten schoenen) alsmede toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en niet-ontvankelijkverklaring terzake het overige, vanwege onvoldoende onderbouwing daarvan

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie met uitzondering van de kosten van de schoenen ad € 39,95. Die dienen tevens in mindering te worden gebracht omdat er geen causaal verband is tussen de schoenen en het delict.

Beoordeling.

Het opgegeven uurloon van [slachtoffer 1] (ZZP’er) is niet onderbouwd, maar wordt niet betwist en komt de rechtbank niet onredelijk voor. De duur van de door die [slachtoffer 1] gemiste inkomsten wordt evenmin onderbouwd, maar wordt wel betwist. De rechtbank acht aannemelijk dat het slachtoffer ten gevolge van het tegen hem gepleegde strafbare feit enige tijd niet heeft kunnen werken. De rechtbank zal de dientengevolge ontstane schade begroten op na te melden bedrag, onder niet-ontvankelijk verklaring van het overige deel van deze post.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade een bedrag ad € 4.000,-- aan gemiste inkomsten en € 99,95 zijnde de kosten van de kapotte broek. De rechtbank zal het deel van de vordering ter zake van gemiste inkomsten dat betrekking heeft op de BTW afwijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren terzake het overige omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde [slachtoffer 1]

bevrijd voorzover hij of (een van) zijn mededaders heeft voldaan aan

een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (parketnummer 01/053147-12).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie verzoekt om de vordering met betrekking tot de materiële schade af te wijzen (geen causaal verband) en de vordering met betrekking tot de immateriële schade ad € 25,-- toe te wijzen, alsmede toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe verzoekt om de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn geheel af te wijzen. Met betrekking tot de materiële schade ontbreekt het causale verband en met betrekking tot de immateriële schade verzoekt de raadsvrouwe om rekening te houden met het aandeel van het slachtoffer.

Beoordeling.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Tussen het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de materiële schade (fiets en huissleutels) en het bewezenverklaarde bestaat geen rechtstreeks verband. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat zij niet heeft kunnen vaststellen of sprake was van eigen schuld bij het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van dat onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 180, 266, 267, 287, 300.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/825475-12 primair:

Medeplegen van poging tot doodslag.

T.a.v. 01/053147-12 feit 1:

Mishandeling.

T.a.v. 01/053147-12 feit 2:

Mishandeling.

T.a.v. 01/130343-12 feit 1:

Wederspannigheid.

T.a.v. 01/130343-12 feit 2:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. 01/825475-12 primair, 01/053147-12 feit 1, feit 2, 01/130343-12 feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en

aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- dat veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft,

voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe

moet veroordeelde zich binnen twee dagen volgend op de uitspraak melden bij

Reclassering Nederland, locatie Eindhoven via telefoonnummer 040-2651189. Hierna

moet veroordeelde zich gedurende de door Reclassering Nederland bepaalde periode

blijven melden, zo frequent als zij dit nodig acht;

- dat veroordeelde zich zal laten behandelen voor zijn agressie- en alcoholproblematiek bij

De Woenselse Poort, ambulante afdeling 'De Omslag' of een vergelijkbare instelling.

Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die

behandeling door of namens de instelling / behandelaar zullen worden gegeven.

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol,

zolang de reclassering dit nodig acht en dat veroordeelde verplicht ten behoeve van de

naleving van dit verbod meewerkt aan bloedonderzoeken / urineonderzoeken.

- waarbij de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG

te 's-Hertogenbosch,opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de

voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. 01/825475-12 primair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 4099,95 subsidiair 50 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 4.099,95 (zegge: vierduizend negenennegentig euro en vijfennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schade. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 4.099,95 (zegge: vierduizend negenennegentig euro en vijfennegentig eurocent euro). Het bedrag bestaat uit materiële schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde [slachtoffer 1]

bevrijd voorzover hij of (een van) zijn mededaders heeft voldaan aan

een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het deel van de vordering dat betrekking heeft op de kapotte schoenen ad 39,95 EUR en een deel van de gemiste inkomsten ad 1.440,-- EUR niet ontvankelijk is.

Wijst de vordering voor het overige af (BTW kosten ad 1.033,60).

T.a.v. 01/053147-12 onder 1:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.O. de Vries, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. B. Poelert, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 12 september 2013.

Mr. B. Poelert is buiten staat dit vonnis (mede) te ondertekenen.

1 Wanneer in de zaak met parketnummer 01/825475-12 wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politieregio Brabant Zuid-Oost, genummerd PL2204 2012139829 aantal doorgenummerde bladzijden 83.

2 Verklaring van [slachtoffer 1], aangever, d.d. 20 september 2012 (p. 10 t/m 12)

3 Verklaring van [medeverdachte 1], medeverdachte, d.d. 20 september 2012 (p. 40 t/m 43)

4 Verklaring van [medeverdachte 2], medeverdachte, d.d. 21 september 2012 (p. 47 t/m 50)

5 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting d.d. 29 augustus 2013

6 Wanneer in de zaken met parketnummer 01/053147-12 wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politieregio Brabant Zuid-Oost, genummerd PL2218 2011166818 aantal doorgenummerde bladzijden 32.

7 Verklaring [slachtoffer 2], aangever, d.d. 25 september 2012 (p. 7 t/m 10)

8 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting d.d. 29 augustus 2013

9 Verklaring van [slachtoffer 3], aangever, d.d. 25 september 2012 (p. 13 t/m 16)

10 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting d.d. 29 augustus 2013

11 Wanneer in de zaken met parketnummer 01/130343-12 wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politieregio Brabant Zuid-Oost, genummerd PL2204 2012051203 aantal doorgenummerde bladzijden 26

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2012 (p. 21, 22)

13 Verklaring verdachte [verdachte] d.d. 8 april 2012 (p. 13 t/m 16)