Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5030

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
10-09-2013
Zaaknummer
01/845141-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer met een vleesmes meermalen in de hals- en borststreek gestoken. Van de poging tot moord wordt verdachte vrijgesproken. Verdachte wordt voor poging tot doodslag veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845141-13

Datum uitspraak: 10 september 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1961],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 mei 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 februari 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten

rade[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een

mes, althans een scherp voorwerp, in diens borst en/of hals, althans diens

bovenlichaam, heeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 februari 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in diens borst en/of hals, althans diens bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs 1

Vaststaande feiten.

Op 23 februari 2013 was verdachte op visite bij [getuige] en [slachtoffer] (aangever) in hun woning in Eindhoven. Op een gegeven moment is er ruzie ontstaan tussen aangever en verdachte, waarbij aangever meerdere harde vuistslagen tegen het hoofd van verdachte heeft gegeven, waardoor verdachte op de grond is gevallen. Verdachte is vervolgens naar de keuken gerend en heeft uit de keukenlade een vleesmes gepakt. Met dit mes is verdachte op aangever afgelopen en heeft hem meerdere malen gestoken2, onder andere in de hals- en borststreek.3

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot moord en heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich op hetzelfde standpunt gesteld als de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht, gelet op de verklaring van aangever en de verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever meerdere malen met een mes in zijn hals en borst heeft gestoken.

Voorbedachte raad:

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte met voorbedachte raad heeft getracht [slachtoffer] van het leven te beroven.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. (Vergelijk o.a. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BR2342 )

De rechtbank gaat, evenals de officier van justitie en de raadsman, ervan uit dat verdachte niet planmatig te werk is gegaan, maar dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling nadat hij door het slachtoffer meerdere malen hard met de vuist was geslagen en hierdoor op de grond was gevallen.

De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen het korte tijdsbestek waarin zich alles heeft afgespeeld en de hevigheid van de emotie, waardoor verdachte ook onvoldoende in de gelegenheid is geweest zich over de gevolgen van zijn daad te beraden.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er bij verdachte sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De rechtbank stelt vast dat verdachte aangever meermalen met een vleesmes heeft gestoken op plekken waar zich vitale lichaamsdelen bevinden. Hierbij heeft aangever onder meer letsel bekomen in zijn hals- en borststreek.4

Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand als gevolg van het meermalen steken met een vleesmes in de hals- of borststreek komt te overlijden aanmerkelijk.

Bij de beoordeling van de letsels die bij aangever zijn aangetroffen door een forensisch arts is onder meer geconcludeerd dat er sprake was van perforatie van de borstkas aan de linkerzijde, waarbij het hart tot zeer dicht was genaderd, waardoor er grote risico’s zijn geweest op fatale verwonding.5

De gedragingen van de verdachte waren dan ook geëigend om de dood van het slachtoffer [slachtoffer] te kunnen laten intreden en kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood, dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte zich van de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust is geweest en deze heeft aanvaard. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest. De rechtbank acht daarom de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank heeft gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 23 februari 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in diens borst en hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt nu hij zich heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf door [slachtoffer] waardoor vervolgens bij verdachte een hevige gemoedsbeweging is veroorzaakt tengevolge waarvan verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte mitsdien niet strafbaar is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte een beroep op noodweerexces toekomt, dient allereerst bezien te worden welke feitelijke gang van zaken aannemelijk is geworden. De verklaring van verdachte enerzijds en de verklaringen van aangever en getuige [getuige] anderzijds lopen op een aantal punten uiteen. De rechtbank overweegt in dit kader dat bij het slachtoffer na het incident een alcoholpromillage van 3.0 is vastgesteld6

Een feit van algemene bekendheid is, dat het innemen van grote hoeveelheden drank een negatieve invloed heeft op het waarnemingsvermogen en het geheugen. Aangever heeft verklaard dat hij niet alles meer wist en dat hij sommige dingen van [getuige] had gehoord.7

[getuige] heeft over het gebeurde sterk wisselende verklaringen afgelegd.

De verklaringen die verdachte heeft afgelegd zijn consistent en naar het oordeel van de rechtbank plausibel. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van de feiten uitgaan van de verklaring van verdachte en de verklaring van aangever en getuige [getuige] ter zijde schuiven.

De rechtbank acht het aannemelijk dat aangever verdachte heeft aangevallen door hem meerdere harde vuistslagen tegen zijn hoofd te geven waardoor verdachte tot twee keer toe op de grond is gevallen. Verdachte is hierdoor in paniek geraakt en wilde zich verdedigen. Verdachte wankelde toen hij opstond en was niet in staat om klappen terug te geven aan zijn belager. Verdachte verkeerde immers op het moment van de aanval al in een slechte fysieke gezondheidstoestand. Hij lijdt al jaren aan de longziekte COPD en heeft een hartaanval gehad. Verdachte is daarom de keuken ingevlucht en heeft een mes uit de lade gepakt, waarmee hij zich wilde verdedigen tegen aangever.8

De rechtbank acht voorts aannemelijk dat voor verdachte geen reële vluchtmogelijkheid bestond. Immers bevond verdachte zich in een voor hem onbekende woning en waren alle deuren van voornoemde woning op slot althans ‘op de knip’.9

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank aannemelijk dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lichaam van verdachte door aangever waartegen verdachte zich mocht verdedigen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er sprake was van een noodweersituatie.

Bij de verdediging tegen een wederrechtelijke aanranding dient men te blijven binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachte weliswaar fors is geslagen door aangever, maar het toegepaste geweld niet levensbedreigend was. Daarnaast was aangever ongewapend en was op het moment dat verdachte het mes pakte de dreiging vanuit aangever minder acuut. Aangever kwam verdachte immers niet direct achterna toen verdachte de keuken invluchtte.

Verdachte heeft verklaard dat hij met het mes dat hij uit de keukenlade had gepakt op aangever is afgelopen en aangever meerdere malen met het mes heeft gestoken, onder meer in de hals- en borststreek. Door aldus te handelen heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging ruimschoots overschreden.

Om een geslaagd beroep op noodweerexces te kunnen doen dient de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg te zijn van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging (HR 13 juni 2006,ECLI:NL:HR:2006: AW3569).

De rechtbank acht aannemelijk dat de door aangever onverwacht aan verdachte gegeven vuistslagen bij verdachte een hevige gemoedsbeweging hebben veroorzaakt, te weten gevoelens van angst en boosheid.

Naar het oordeel van de rechtbank is de wijze van verdediging door verdachte, het meerdere malen steken van het slachtoffer in hals- en borststreek, in verhouding tot het door het slachtoffer gebruikte geweld echter zodanig disproportioneel dat het niet kan worden aanvaard als een onmiddellijk gevolg van deze hevige gemoedsbeweging. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het voor verdachte duidelijk was dat aangever ongewapend was en dat verdachte zelf op aangever is afgelopen en hem meermalen doelbewust, op plekken waar zich vitale lichaamsdelen bevinden, heeft gestoken met een zeer gevaarlijk wapen. Er is geen sprake van een situatie waarin aangever verdachte zodanig in het nauw heeft gedreven dat verdachte het eerste voorwerp dat binnen handbereik was heeft gepakt om zich te verdedigen.

Gelet op bovenstaande overwegingen verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, de door de officier van justitie gevorderde straf zeer sterk te matigen, aangezien een langdurige gevangenisstraf het door verdachte te volgen TBS- traject zou doorkruisen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

De omstandigheid dat het slachtoffer niet dodelijk is geraakt of ernstiger gewond is geraakt is een gelukkige, die niet aan verdachte te danken is.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffend uittreksel justitiële documentatie in 2001 is veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens moord.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat aangever als eerste geweld heeft gepleegd. Verdachte heeft forse klappen van aangever gekregen, hetgeen onder meer blijkt uit de foto’s die van het letsel van verdachte zijn gemaakt. Bij verdachte is als gevolg daarvan een hevige gemoedsbeweging ontstaan, onder invloed waarvan hij het strafbare feit heeft gepleegd. Deze omstandigheid werkt sterk strafmatigend.

De rechtbank ziet evenals de officier van justitie en de raadsman geen reden om opnieuw de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Blijkens de door de psychiater en psycholoog uitgebrachte rapportages hebben de bij verdachte aanwezige ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens het thans bewezen verklaarde strafbare feit slechts in geringe mate beïnvloed.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair

poging tot doodslag

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

BESLISSING:

T.a.v. primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans , voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 10 september 2013.

Mr. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, genummerd 2013026045.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 27 augustus 2013.

3 Verklaring van aangever d.d. 25 februari 2013, proces-verbaal pag. 50 en rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 01 juli 2013 betreffende beoordeling van letsels bij de heer[slachtoffer], geboren 2 september 1981, pag. 1-11.

4 Fotomap letselfotografie van het slachtoffer van het steekincident in de woning[adres 2] te Eindhoven, proces-verbaal pag. 128-130.

5 rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 01 juli 2013 betreffende beoordeling van letsels bij de heer[slachtoffer], geboren 2 september 1981, pag 11.

6 Medische informatie betreffende[slachtoffer] d.d. 23 februari 2013, proces-verbaal pag. 47.

7 Verklaring van[slachtoffer], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 28 mei 2013.

8 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 27 augustus 2013.

9 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 27 augustus 2013.