Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:4994

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
01/833063-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samen met zijn mededader heeft de toen 17-jarige verdachte een cafetaria overvallen, waarbij zij het personeel hebben bedreigd met een op een vuurwapen lijkend voorwerp. Verdachte wordt veroordeeld tot 99 dagen jeugddetentie met aftrek en een voorwaardelijke pij-maatregel met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/833063-12
Parketnummers vorderingen: 01/834245-10, 01/834129-10 en 02/650154-11

Datum uitspraak: 09 september 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek ter terechtzitting van 14 januari 2013 en 26 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 december 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 september 2012 te Valkenswaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een cafetaria aan de [adres 2], heeft weggenomen een hoeveelheid contant geld (te weten ongeveer 2100,- euro) en/of een geldkistje met geld (te weten ongeveer 800,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het in (gedeeltelijk) gezichtsbedekkende en/of -verhullende kleding en voorzien van een vuurwapen, althans vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een ploertendoder/wapenstok, althans soortgelijk voorwerp, binnengaan van dat cafetaria en/of benaderen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het richten van een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het plaatsen en/of houden van een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen/op/nabij het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of

- het roepen naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]: "geld, geld" en/of "open kassa, open kassa", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 februari 2012 tot en met 7 juni 2012 te Oosterhout, als jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten het Warrandecollege te Oosterhout was ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken;

(artikel 2, derde lid, Leerplichtwet 1969)

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/834245-10 is aangebracht bij vordering van 26 november 2012. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige kamer te

's-Hertogenbosch d.d. 21 november 2011. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De zaak met parketnummer 01/834129-10 is aangebracht bij vordering van 26 november 2012. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de kinderrechter te

's-Hertogenbosch d.d. 20 januari 2011. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De zaak met parketnummer 02/650154-11 is aangebracht bij vordering van 13 juni 2013. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de kantonrechter te Breda d.d. 27 april 2012. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Ten aanzien van feit 1 1 :

Inleiding.

Op de avond van zondag 30 september 2012 waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan het werk in hun cafetaria “[naam]”, gelegen aan het [adres 1] te Valkenswaard. Even na tien uur ’s avonds werd het cafetaria door twee personen overvallen. Beide personen waren helemaal in het zwart gekleed en droegen (gedeeltelijk) gezichtsbedekkende kleding. De ene persoon had een pistool in zijn hand, de andere een lange zwarte stok. De persoon met de stok sprong over de toonbank heen. Vervolgens werd op aangeefster [slachtoffer 1] het pistool gericht. Zij is in de keuken van het cafetaria op de grond gaan zitten met haar handen op het hoofd. Daarna kwam de vader van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], erbij en werd het pistool op hem gericht. Ook [slachtoffer 2] ging op de grond zitten. Vervolgens werd het pistool tegen de zijkant van zijn hoofd gezet. De overvallers riepen “geld, geld”. Aangeefster zei dat het geld in de kassa zat. Een van de overvallers riep vervolgens “open kassa, open kassa”. Aangeefster heeft toen de kassa geopend. De persoon die over de toonbank was gesprongen heeft vervolgens de kassa leeggehaald en het geld in een stoffen tas gestopt. De persoon met het pistool stond op dat moment nog bij aangever [slachtoffer 2]. Deze persoon pakte het grijs/zilveren geldkistje dat bij de koffieautomaat stond. Vervolgens zijn beide overvallers het cafetaria uitgevlucht.2

Aangeefster [slachtoffer 1] vermoedt dat een van de overvallers zich waarschijnlijk heeft bezeerd aan de vernielde toonbank. Zij ontleent dat vermoeden aan het feit dat zij na de overval constateerde dat het glas van de toonbank kapot was, terwijl dit daarvóór niet het geval was.3 Ook [slachtoffer 2] heeft het vermoeden dat een van de overvallers zich heeft verwond tijdens de overval. Hij ontleent dat aan het feit dat hij een bloedspoor in de zaak aantrof ter hoogte van de plek waar een van de overvallers over de toonbank was gesprongen.4

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op grond van de voorhanden bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de overvallers van het cafetaria is geweest.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, kennelijk met een beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, betoogd dat het optreden van de politie bij het eerste binnentreden van de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest, zodat al het bij die gelegenheid vergaarde bewijsmateriaal van het bewijs moet worden uitgesloten. De verdediging verzoekt een uitdrukkelijke beslissing van de rechtbank op dit punt. De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat hetgeen overigens aan bewijsmateriaal voorhanden is, voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar aanleiding van de melding dat cafetaria “[naam]” was overvallen, heeft de politie een onderzoek opgestart. De slachtoffers van de overval hebben aan de politie de signalementen van de overvallers opgegeven. Het ging om twee mannen, helemaal in het zwart gekleed, allebei een donker petje op – één petje had een knopje erop – en allebei slank en lang. Dat signalement werd onder de politie verspreid. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn in de omgeving van het cafetaria gaan zoeken naar mogelijke verdachten en zijn vervolgens naar de[straatnaam] te Valkenswaard gereden, een adres in de nabije omgeving van het cafetaria. Het was deze verbalisanten ambtshalve bekend dat bewoners van de woning aan [adres 3], waaronder verdachte, antecedenten hadden op het gebied van vermogensdelicten en zouden kunnen voldoen aan het opgegeven signalement.

Op de [straatnaam] worden de verbalisanten eerst aangesproken door de getuige [getuige 1]. Deze meldt aan de verbalisanten dat hij even tevoren in het nabij gelegen bosperceel door twee in het zwart geklede mannen, met een zwarte tas, werd gepasseerd en dat zij in de richting van de bierbrouwerij liepen. Vervolgens wordt een politiehond ingezet. Deze pikt een spoor van recent menselijke geur op vanaf het punt waar de personen in het bosperceel voor het laatst waren gesignaleerd. Het spoort eindigt op ongeveer 100 meter van de woning aan de [adres 3], de woning van de verdachte. Uiteindelijk belt de politie aan bij de woning van de verdachte, deelt het doel van haar komst mede, te weten het verifiëren of bewoners van de woning iets te maken zouden kunnen hebben met de overval op het cafetaria, en treedt de woning binnen.

Anders dan namens de verdachte is betoogd, oordeelt de rechtbank dit binnentreden niet onrechtmatig. In de eerste plaats niet aangezien uit het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] van [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] blijkt dat de hoofdbewoonster van de woning, zijnde de moeder van medeverdachte [medeverdachte],[persoon 1], de deur heeft opengemaakt en, na het doel van hun komst te hebben aangehoord, aan de verbalisanten toestemming heeft verleend om de woning te betreden. Dat, naar de verdediging heeft gesteld, het proces-verbaal op dit punt niet in overeenstemming met de waarheid is opgemaakt, dat het verdachte is geweest die de deur heeft geopend en dat de politie door druk te zetten op de verdachte vervolgens de woning is binnengetreden, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Deze enkele stelling van de verdachte weegt niet op tegen het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van vier verbalisanten waaruit het tegendeel blijkt.

Er staat in de tweede plaats geen rechtsregel aan in de weg dat verbalisanten in het kader van een onderzoek naar een strafbaar feit bij een woning aanbellen teneinde, zoals in het onderhavige geval, te kunnen verifiëren of de bewoners van die woning al dan niet betrokken zouden kunnen zijn bij een strafbaar feit. Het is daarna aan de bewoner om al dan niet toestemming te verlenen voor het betreden van de woning. In dit geval is die toestemming gegeven. Al hetgeen na het betreden van woning aan bewijsmateriaal is vergaard, is dan ook rechtmatig verkregen en bruikbaar voor de bewijsvoering.

Het verweer van de verdediging wordt dus verworpen.

Na het binnentreden van de woning worden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aldaar op de bank aangetroffen. Verdachte verleent vervolgens vrijwillig toestemming aan de verbalisanten om zijn handen te bekijken. Bij verdachte wordt vervolgens een wond op zijn linkerhand geconstateerd. Deze wond was vers en bloedde nog.5 Verdachte wordt dan ter plekke aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de overval op cafetaria [naam].

Met toestemming van hoofdbewoonster [persoon 1] wordt vervolgens de woning van de verdachte doorzocht. Bij die doorzoeking wordt in de bij de woning behorende schuur onder meer een grijskleurig geldkistje, een sleutelbos met drie sleutels en een aantal op vuurwapens gelijkende voorwerpen, waaronder een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in een zwarte Nike tas, aangetroffen. Ook wordt er een grote hoeveelheid munt- en briefgeld aangetroffen.6 In de slaapkamer van de verdachte wordt een zwarte jas aangetroffen met daarin een zwart langwerpig voorwerp dat herkend werd als een ploertendoder.7

[persoon 1] verklaarde desgevraagd dat het in de schuur aangetroffen geld en het daar aangetroffen geldkistje eerder die dag nog niet in de schuur lagen.8

De politie heeft vervolgens aan aangeefster onder meer het onder verdachte aangetroffen grijs/zilverkleurige geldkistje en de drie sleutels getoond. Zij herkent het geldkistje als het geldkistje dat bij de overval is weggenomen. De sleutels worden door aangeefster herkend als de sleutels die in het geldkistje zaten en welke bij de twee in het cafetaria geplaatste gokautomaten horen. De gokkasten worden vervolgens met de onder verdachte aangetroffen sleutels ook daadwerkelijk geopend.9

Ten slotte heeft er nog onderzoek plaatsgevonden naar de in het cafetaria aangetroffen bloedsporen, die als dadersporen kunnen worden aangemerkt. Deze bloedsporen werden veiliggesteld, verpakt en gewaarmerkt met SIN nummers AACC4437NL en AACC4439NL.10 Het NFI heeft vervolgens een DNA-onderzoek op deze sporen verricht. Het omtrent dat onderzoek opgemaakte rapport van de deskundige M.J.W. Pouwels houdt in dat van het bloed in de bemonsteringen AACC4437NL en AACC4439NL onvolledige DNA-profielen zijn verkregen van een man en dat deze profielen matchen met het DNA-profiel van de verdachte. Er zijn geen andere matches gevonden. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze (onvolledige) DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.11

Gelet op het aantreffen van de bij de overval buitgemaakte goederen onder de verdachte in combinatie met de bij verdachte geconstateerde verwonding aan zijn hand en het bij de overval door de dader achtergelaten bloedspoor dat herleid kan worden naar de verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de daders van de overval op cafetaria “[naam]” is geweest, zoals dat hierna wordt vermeld.

Ten aanzien van feit 2:

Op grond van de bekennende verklaring van de verdachte12 en het proces-verbaal leerplicht van 27 juni 2012, opgemaakt door de leerplichtambtenaar A.M.N. Graafmans - van Grinsven, acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals dat hierna wordt vermeld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

hij op 30 september 2012 te Valkenswaard tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een cafetaria aan de [adres 2], heeft weggenomen een hoeveelheid contant geld en een geldkistje met geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit:

- het in (gedeeltelijk) gezichtsbedekkende en/of -verhullende kleding en voorzien van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een ploertendoder/wapenstok, althans soortgelijk voorwerp, binnengaan van dat cafetaria en benaderen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

- het richten van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

- het plaatsen en/of houden van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] en

- het roepen naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]: "geld, geld" en "open kassa, open kassa";

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

hij op tijdstippen in de periode van 8 februari 2012 tot en met 7 juni 2012 te Oosterhout, als jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten het Warrandecollege te Oosterhout was ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken;

(artikel 2, derde lid, Leerplichtwet 1969)

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten te veroordelen tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie conform de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk (PIJ-maatregel) met – naast de algemene voorwaarden – daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die in het advies van de Reclassering worden vermeld.

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de aan de verdachte onder parketnummer 01/834129-10 en parketnummer 02/650154-11 opgelegde voorwaardelijke werkstraffen, onderscheidenlijk van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie en 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie, en dat de proeftijd zal worden verlengd met één jaar van de aan de verdachte onder parketnummer 01/834245-10 opgelegde jeugddetentie voor de duur van één maand.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wat betreft de afdoening van de ten laste gelegde feiten kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke jeugddetentie en dat moet worden afgezien van de oplegging van een al dan niet voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van bij parketnummer 01/834129-10 opgelegde voorwaardelijke werkstraf merkt de verdediging op dat de proeftijd in deze is verstreken. Voor het overige sluit de verdediging zich aan bij de vordering van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een cafetaria. Hij is samen met zijn mededader, gewapend en met gezichtsbedekkende kleding het cafetaria binnengegaan en heeft daar een aanzienlijke hoeveelheid geld buitgemaakt. De eigenaren van het cafetaria zijn daarbij bedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp). Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft het voorwerp op haar gericht gezien en het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft het zelfs tegen zijn hoofd gedrukt gekregen. Dit alles moet zeer beangstigend zijn geweest voor de slachtoffers. Uit het dossier blijkt ook dat zij van de overval zeer geschrokken zijn en dat zij erg bang zijn geweest.

Een overval, zeker wanneer daarbij gebruikt wordt gemaakt met een op een vuurwapen, althans een voorwerp wat daarop lijkt, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Overvallen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij besloot op grove wijze snel aan geld te willen komen. Bij gebreke van een nadere verklaring van de verdachte moet het er ook voor worden gehouden dat hij heeft gehandeld met slechts het oog op financieel gewin.

In het nadeel van de verdachte houdt de rechtbank verder rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juli 2013 eerder voor vermogensdelicten is veroordeeld en dat hij het onderhavige strafbare feit heeft gepleegd tijdens de proeftijden van eerdere veroordelingen. Kennelijk hebben die eerdere veroordelingen verdachte er niet van kunnen weerhouden opnieuw in de fout te gaan.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met diens jonge leeftijd. Verdachte was ten tijde van het plegen van de overval 17 jaren oud.

Voorts houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de resultaten van het pro justitia verrichte psychiatrisch en psychologisch onderzoek neergelegd in de rapporten van 25 april 2013 respectievelijk 24 april 2013. Zowel de psychiater drs. E.L.G. Heinsman-Carlier als de psycholoog drs. G.L.J. Fiddelers concluderen dat er bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en/of een ziekelijke stoornis, bestaande in een ernstige gedragsstoornis en een bedreigde antisociale persoonlijkheidsstoornis en dat het ten laste gelegde hem in verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank neemt deze conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare.

De rechtbank hecht eraan op te merken dat zij voor feiten als de onderhavige in beginsel geen andere straf oplegt dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur. Anderzijds heeft de rechtbank geconstateerd dat de behandeling van verdachte in het kader van de gesloten jeugdzorg inmiddels voorzichtige positieve resultaten laat zien. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie van langere duur dan verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zou een hernieuwde vrijheidsbeneming betekenen en dat zou verdere positieve ontwikkelingen doorkruisen. De rechtbank acht dit ongewenst. Om die reden zal de rechtbank de onvoorwaardelijke duur van de op te leggen jeugddetentie beperken tot de duur waarin verdachte in voorarrest heeft gezeten. In verband met een juiste normhandhaving kan niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf.

De rechtbank zal naast deze onvoorwaardelijke straf aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk opleggen. Zij sluit zich in dit verband aan bij het strafadvies van de psychiater, de psycholoog en de jeugdreclassering die allen deze voorwaardelijk op te leggen maatregel als een noodzakelijke stok achter de deur zien. De rechtbank probeert met deze voorwaardelijke maatregel verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze voorwaardelijke straf zullen, eveneens conform het advies van de jeugdreclassering, naast de algemene voorwaarden ook de na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank heeft nog overwogen om aan de verdachte ook een onvoorwaardelijke taakstraf van aanzienlijke duur op te leggen, maar daar uiteindelijk vanaf gezien. Daarbij heeft zij vooral doorslaggevend belang gehecht aan het feit dat verdachte, na gegrond verklaring van de twee met deze strafzaak gelijktijdig dienende bezwaarschriften tegen de omzetting van een werkstraf in jeugddetentie ex artikel 22g, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, nog 84 uren werkstraf heeft te verrichten (welke beslissing apart geminuteerd zullen worden) en dat de verdachte in verband met de hierna te motiveren beslissingen na voorwaardelijke veroordelingen nog 50 uren werkstraf heeft te verrichten. Bovendien zal verdachte in verband met de onder feit 2 ten laste gelegde overtreding van de Leerplichtwet worden veroordeeld tot een taakstraf, zoals dat hierna apart zal worden opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat na te melden strafoplegging voldoende recht doet aan zowel de ernst van het feit als de persoon van de verdachte.

Ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde overtreding van de Leerplichtwet, acht de rechtbank oplegging van een taakstraf, in de vorm van een werkstraf voor de duur van tien uren, subsidiair vijf dagen jeugddetentie, passend en geboden.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/834245-10.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

In hetgeen ter terechtzitting ook omtrent de persoon van de verdachte aan de orde is gekomen alsmede in verband met de hiervoor gemotiveerde strafoplegging, ziet de rechtbank aanleiding thans geen tenuitvoerlegging te gelasten, doch de vastgestelde proeftijd te verlengen met één jaar.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/834129-10.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 02/650154-11.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 77i, 77m, 77n, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 91, 312;

Leerplichtwet 1969 art. 2.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf en de overtreding:

T.a.v. feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

T.a.v. feit 2:

als jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, niet voldoen aan de

verplichting tot het geregeld volgen van onderwijs overeenkomstig de

bepalingen van de Leerplichtwet 1969

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1:

Jeugddetentie voor de duur van 99 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

-dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door het Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, Wal

20, 5611 GG Eindhoven en;

- dat de veroordeelde meewerkt aan een uithuisplaatsing en/of plaatsing in het R.I.B.W.;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de regels van het R.I.B.W.;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan een behandeling van de GGZ.

Verleent opdracht aan voornoemd Bureau om aan de veroordeelde terzake naleving

van deze bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.

T.a.v. feit 2:

Werkstraf voor de duur van 10 uren subsidiair 5 dagen jeugddetentie.

Beveelt de teruggave van de in beslaggenomen goederen, als vermeld op de aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen goederen genoemde goederen met de nummers 1 tot en met 7, aan de aangever.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 15 januari 2013 reeds geschorst.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Verlenging van de proeftijd, bepaalt bij het vonnis van de meervoudige kamer te

‘s-Hertogenbosch d.d. 21 november 2011, gewezen onder parketnummer 01/834245-10 met één (1) jaar.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te 's-Hertogenbosch d.d. 20 januari 2011, gewezen onder parketnummer 01/834129-10, te weten:

Werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter te Breda d.d. 27 april 2012, gewezen onder parketnummer 02/650154-11, te weten:

Een werkstraf voor de duur van 20 uur subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 9 september 2013.

Mr. A.M. Kooijmans-de Kort is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie regio Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Valkenswaard, dossiernummer 2012145261.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 81 en 82, proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 1], p. 86 en 87 en het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2], p. 90 en 91.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 82.

4 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2], p. 92.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 103.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 112 en 114.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 116.

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige[persoon 1], p. 78

9 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 94.

10 Proces-verbaal FTO, p. 171.

11 Een rapport van het NFI, d.d. 6 november 2012, opgenomen op p. 202 e.v. van het dossier.

12 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank op 26 augustus 2013.