Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:4888

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
03-09-2013
Zaaknummer
01/885004-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In een meineedzaak overweegt de rechtbank ambtshalve dat het bestanddeel ‘gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt’ ook vervuld kan worden ingeval een getuige op de voet van artikel 216, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is beëdigd.

Waar de Hoge Raad in 1994 de vraag nog in het midden kon laten of zich te dezen voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, ziet de rechtbank zich thans voor deze vraag gesteld.

De rechtbank komt op basis van de bedoeling van de wetgever tot de conclusie dat wanneer de rechter-commissaris beëdiging in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring noodzakelijk acht, zich voordoet een geval waarin artikel 216, tweede lid Wetboek van Strafvordering vordert dat deze getuige ook wordt beëdigd.

Veroordeling voor meineed. Werkstraf voor de duur van 120 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/885004-12

Datum uitspraak: 03 september 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1953],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 maart 2013 en 20 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 februari 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 19 december 2011 te 's-Hertogenbosch bij de

rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, bij de

rechtbank te 's-Hertogenbosch opgeroepen en verschenen als getuige in de zaak

tegen [betrokkene], nadat zij in handen van de rechter-commissaris op de bij de

wet voorgeschreven wijze de eed/belofte had afgelegd de gehele waarheid en

niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval in een geval waarin een

wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en/of daaraan

rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel

of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft

verklaard:"dat zij de door haar op 21 juni 2010 aan de rijksrecherche

overhandigde verklaring niet samen met [betrokkene] heeft opgesteld en/of dat [betrokkene]

in die verklaring geen aanpassingen heeft aangebracht, behalve

spelfouten" en/of "dat zij ten aanzien van de pillen en vloeistof in de koffer

van [betrokkene] niet wist wat het was";

(artikel 207 Wetboek van Strafrecht)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht meineed bewezen, met uitzondering van het deel van de tenlastelegging dat [betrokkene] in die verklaring geen aanpassingen heeft aangebracht, behalve spelfouten en dat verdachte ten aanzien van de pillen en vloeistof in de koffer van [betrokkene] niet wist wat het was.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken omdat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet onomstotelijk volgt dat verdachte ten aanzien van de pillen en de vloeistof in de koffer wist wat het was en dat de schriftelijke verklaring van verdachte onjuist is. Ook verzoekt de verdediging (subsidiair) verdachte vrij te spreken omdat verdachte zich niet bewust was van de onjuistheid van de verklaring en derhalve geen opzet had op het afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid.

Het oordeel van de rechtbank. 1

In deze zaak gaat het om de vraag of verdachte meineed heeft gepleegd toen zij bij de rechter-commissaris op 19 december 2011 als getuige een verklaring aflegde in de strafzaak tegen politie-ambtenaar [betrokkene]. Deze [betrokkene] was in een strafzaak betrokken geraakt (mede) doordat verdachte in 2010 bij het het Bureau Interne Onderzoeken (BIO) van politieregio Brabant Zuid-Oost een gesprek had aangevraagd en toen belastende informatie had verteld over die [betrokkene], onder meer met betrekking tot het bezit van verdovende middelen. De relatie tussen beiden was toen kort daarvoor verbroken.

Verdachte werd op 21 juni 2010, toen de relatie weer hersteld was, door de Rijksrecherche gehoord. Tijdens dat verhoor heeft verdachte een op schrift gestelde verklaring met haar naam eronder en ondertekend, aan de Rijksrecherche overhandigd. Verdachte vertelde tijdens dat verhoor dat dat [betrokkene] niet wist dat zij op dat moment een verklaring aflegde bij de Rijksrecherche.

In de dagen vóór dat verhoor op 21 juni 2010 hadden verdachte en [betrokkene], zo blijkt uit het onderzoek, emailcontact. De volgende gesprekken zijn van belang voor onderhavige zaak.

Op 15 juni 2010 te 12.41 uur stuurt verdachte een e-mailbericht aan [betrokkene] 2met als onderwerp “een begin van mijn verhaal”, met als bijlage “mijn verhaal mbt [betrokkene].doc”.

Verdachte bericht dan: “Dit heb ik alvast opgeschreven”.

Op 15 juni 2010 te 13.41 stuurt [betrokkene] een e-mailbericht aan verdachte3. [betrokkene] bericht: “okay, mega ziet er goed uit maar kom er nog wel verder op terug. (…)”.

Op 15 juni 2010 te 13.44 uur stuurt verdachte een e-mailbericht aan [betrokkene]4 met als onderwerp: “een begin van mijn verhaal” en met als bijlage: “mijn verhaal mbt [betrokkene].doc”.

Verdachte bericht: “Kut wat een gestress. Ik heb het verhaal nog wat aangepast dus hierbij”.

Op 17 juni 2010 te 09.29 uur stuurt [betrokkene] een e-mailbericht aan verdachte5. [betrokkene] bericht: “Ja dan heb je in ieder geval een idee hoe men te werk gaat al is het natuurlijk wel zo dat er bij jou wat andere vragen om de hoek komen kijken. Ik bedoel dat je denk ik dezelfde vragen krijgt zoals drugsgebruik, drankgebruik, agressie, fysieke toestanden, verhouding met de kinderen, schulden en noem maar op. Maar ook zullen ze vragen waarom je het e.e.a. hebt verteld en dan kom je dus uit bij ons relatieverhaal (hoe spijtig dat ook was). Op basis daarvan moet het verhaal verder onderuit”.

Op 17 juni 2010 te 09.33 uur stuurt verdachte een e-mailbericht aan [betrokkene]6. Verdachte bericht: “Je moet me straks nog even uitleggen ons “relatieverhaal (hoe spijtig dat ook was)”, hoe ik dat moet verwoorden”.

De Rijksrecherche heeft in haar onderzoek de op 21 juni ingeleverde verklaring vergeleken met de verklaring die verdachte zelf had opgesteld op 15 juni 2010 voordat zij die aan [betrokkene] stuurde. De Rijksrecherche heeft vastgesteld dat er drie inhoudelijke toevoegingen en twee taalkundige wijzigingen zijn aangebracht. De derde toevoeging luidt als volgt: “Er zijn hier simpelweg nooit verdovende middelen in huis geweest in wat voor doosje dan ook. Ik was zo vreselijk boos op hem voor al hetgeen hij mij heeft aangedaan de afgelopen tijd. (…)”

Na voornoemd verhoor van verdachte op 21 juni 2010 wordt verdachte op haar initiatief, omdat zij naar eigen zeggen last had van haar geweten, op 31 augustus 20107 wederom verhoord door de Rijksrecherche. Zij verklaart dan dat zij bij het vorige verhoor aan verbalisanten een verhaal heeft laten lezen dat zij niet alleen gemaakt heeft, maar samen met [betrokkene] had gemaakt. Zij verklaart dan dat [betrokkene] wel wist dat zij verhoord zou worden en dat zij op een gegeven moment zelf een verhaal op papier heeft gezet en dat zij dat aan [betrokkene] heeft gemaild op zijn werk. “Daar heeft [betrokkene] zijn ins en outs al zo’n beetje bijgezet en afgehaald.” Daarna heeft zij het uitgeprint en toen heeft [betrokkene] het nog een keer gelezen toen hij tegenover haar aan tafel zat. Dat heeft zij gedaan om zijn hachje te redden zodat hij bij haar terug zou komen en dat was het liefste wat zij wilde, aldus verdachte toen.

[betrokkene] heeft op 14 januari 2011 8 verklaard dat hij niet uitsluit dat verdachte hem via zijn werkmailadres voorafgaande aan haar eerste verhoor door de Rijksrecherche, op 21 juni 2010, een mailtje heeft gestuurd met betrekking tot de door haar af te leggen verklaring en dat hij niet uitsluit dat hij de door haar aan hem gemailde verklaring heeft gelezen en daar enkele wijzigingen in heeft aangebracht. Voorts heeft [betrokkene] verklaard dat, indien er in deze verklaring aanvullingen zijn aangebracht, hij niet uitsluit dat deze door hem zijn aangebracht, in het bijzijn van verdachte.

Op 19 december 2011 is verdachte te ’s-Hertogenbosch door de rechter-commissaris als getuige gehoord in de strafzaak contra [betrokkene]9. Zij werd vervolgens onder ede gehoord, en heeft daartoe de belofte afgelegd. Vervolgens heeft verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris -onder meer- verklaard10: “Ik heb die verklaring niet samen met [betrokkene] opgesteld. Ook heeft [betrokkene] die verklaring niet aangepast, behalve spelfouten (…) U, rechter-commissaris, vraagt mij waarom ik de verklaring juist aan [betrokkene] laat lezen. Uit netheid. Toen was sprake van een hele erge knipperlichtrelatie. Ik heb de verklaring laten lezen in de zin van: “Kijk er eens naar, wat vind je ervan.. (…)”

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit vorenstaande mailwisseling en de verschillen tussen de door verdachte op 15 juni opgestelde en de uiteindelijk op 21 juni 2010 ingeleverde verklaring, dat [betrokkene] een wezenlijke, inhoudelijk inbreng heeft gehad in de totstandkoming van die verklaring. Er is niet sprake van enkel spel- of taalfouten, zoals verdachte bij de rechter-commissaris beweert. [betrokkene] heeft zich wezenlijk bemoeid met de strekking van die verklaring, suggesties gedaan en een plan gemaakt. De rechtbank acht de verklaring van verdachte van 31 augustus 2010 betrouwbaar nu de inhoud daarvan wordt ondersteund door de inhoud van de hiervoor vermelde e-mailberichten en deze spontaan en – naar eigen zeggen – uit wroeging over eerdere leugens is afgelegd. Mede op basis van deze verklaring concludeert de rechtbank dat de verklaring van verdachte op 19 december 2011 ten overstaan van de rechter-commissaris, dat verdachte de door haar op 21 juni 2010 aan de Rijksrecherche overgelegde verklaring niet samen met [betrokkene] heeft opgesteld, in strijd is met de waarheid. Gelet op het voorgaande kan niet gezegd worden dat verdachte niet wist van de bemoeienis van [betrokkene] bij de door haar overhandigde verklaring. Gelet ook op haar verklaring van 31 augustus 2010 was zij zich bovendien bewust van het belang voor de strafzaak van [betrokkene] van haar verklaringen over de vermeende betrokkenheid van [betrokkene] bij het opstellen van de verklaring. Er zijn de rechtbank geen omstandigheden gebleken die tot de conclusie zouden moeten leiden dat deze wetenschap en bewustheid niet meer aanwezig waren toen verdachte in de strafzaak van [betrokkene] in 2011 bij de rechter-commissaris werd gehoord.

Daarmee acht de rechtbank ook het opzet op het afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid bewezen en wordt het verweer dienaangaande verworpen.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs bestaat voor dat deel van de tenlastelegging dat stelt dat verdachte in strijd met de waarheid heeft verklaard dat [betrokkene] in de verklaring geen aanpassingen heeft aangebracht, behalve spelfouten en dat verdachte ten aanzien van de pillen en vloeistof in de koffer van [betrokkene] niet wist wat het was. Verdachte wordt van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

Ambtshalve bijzondere bewijsoverweging

Om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen moeten alle bestanddelen van de delictsomschrijving van artikel 207, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vervuld worden. Ten aanzien van de vervulling van het bestanddeel ‘gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt’ overweegt de rechtbank ambtshalve het navolgende.

Verdachte is op 19 december 2011 als getuige gehoord bij de rechter-commissaris en tijdens dat verhoor – naar de rechtbank het proces-verbaal van de rechter-commissaris begrijpt – op de voet van artikel 216, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) als getuige beëdigd. De rechter-commissaris heeft, zo blijkt uit het door de rechter-commissaris opgemaakte proces-verbaal, op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte afgenomen dat zij de waarheid en niets anders dan de waarheid zal verklaren.

De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of het proces-verbaal van de rechter-commissaris, op grond waarvan blijkt dat verdachte is beëdigd, het bestanddeel ‘gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt’ kan vervullen.

Om dit bestanddeel te kunnen vervullen moet er sprake zijn van ofwel een wettelijk voorschrift dat een verklaring onder ede vordert, ofwel een wettelijk voorschrift dat rechtsgevolgen aan een verklaring onder ede verbindt.

Artikel 216 Sv schrijft slechts voor een beperkt aantal gevallen dwingend aan de rechter-commissaris voor dat hij een getuige onder ede moet horen (eerste lid). Deze gevallen zijn bij het getuigenverhoor van verdachte op 19 december 2011 niet aan de orde.

Daarnaast geeft het tweede lid van artikel 216 Sv de rechter-commissaris de bevoegdheid een getuige te beëdigen, indien hij dat noodzakelijk acht in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring.

Kan van deze bepaling gezegd worden dat dit een geval betreft waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert?

In 1994 liet de Hoge Raad (11-10-1994, LJN ZC9823 / NJ 1995, 82 – r.o. 5.2) nog in het midden of zich te dezen (beëdiging van een getuige bij de rechter-commissaris) voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, aangezien, gelet op het bepaalde in artikel 295 Sv, zich te dezen voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift aan een verklaring onder ede rechtsgevolgen verbindt, zodat het desbetreffende bestanddeel van de in artikel 207 Sr vervatte delictsomschrijving is vervuld.

Tot 1 februari 1998 luidde artikel 295 Sv als volgt:

“Indien een getuige, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek beëedigd (…) overleden is of, naar het oordeel der rechtbank, niet op de terechtzitting heeft kunnen verschijnen, of van wiens verhoor overeenkomstig het bepaalde in artikel 280, zevende lid, is afgezien, (…) zal zijne vroegere verklaring, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd worden aangemerkt.”

Nu evenwel de voorheen als artikel 295 Sv geldende bepaling niet meer bestaat en er geen ander wettelijk voorschrift is dat aan een verklaring onder ede (als onderhavige verklaring bij de rechter-commissaris) rechtsgevolgen verbindt, kan thans niet langer gezegd worden dat zich te dezen voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift aan een verklaring onder ede rechtsgevolgen verbindt, zodat hiermee niet het desbetreffende bestanddeel vervuld kan worden.

Waar de Hoge Raad in 1994 derhalve de vraag nog in het midden kon laten of zich te dezen voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, ziet de rechtbank zich thans voor deze vraag gesteld.

Gezien de redactie van artikel 216, tweede lid Sv, is het niet direct duidelijk of dit een wettelijk voorschrift betreft dat een verklaring onder ede vordert. Het is immers een zogenaamde ‘kan-bepaling’. De rechter-commissaris kan overgaan tot beëdiging.

De rechtbank slaat bij beantwoording van de vraag of hier sprake is van een zodanig voorschrift daarom nadrukkelijk acht op de bedoeling van de wetgever.

In de Memorie van Toelichting behorend bij de invoering van artikel 207 Sr11 staat:

“Wat de wet hier heeft strafbaar te stellen, is (…) de wederregtelijke schending van een door haar erkenden waarborg. Als eenig wettelijk voorschrift de bevestiging van een verklaring door den eed vordert of, zonder zoodanige vordering, aan eene door den eed bevestigde verklaring regtsgevolgen verbindt, dan is dit omdat zij in die bevestiging een waarborg voor de waarheid ziet, daaraan een vermoeden van waarheid hecht.”

En:

“Bij de wet van 26 November 1873 (Staatsblad nr. 175) is art. 96 wetb. van strafv. in dien zin aangevuld, dat het mogelijk wordt, reeds vóór de behandeling van de zaak ter openbare teregtzitting beëedigde getuigenissen te doen afleggen, opdat het gemis daarvan geen beletsel zoude zijn tot verkrijging van uitlevering. Valschheid in zoodanig getuigenis is thans niet strafbaar. Er bestaat echter in het stelsel van dit ontwerp geen voldoende grond, eene uitzondering aan te nemen ten einde deze getuigenissen te onttrekken aan de werking van art. 228 (thans 207, rb) waarin zij volkomen passen.”

In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 23251, nr. 3) staat met betrekking tot de verruiming van artikel 216 Sv – onder meer –:

“Ingevolge het voorgestelde tweede lid van artikel 216 vindt een beëdiging tevens plaats ingeval de rechter-commissaris deze in verband met de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige of deskundige nodig acht. Door de beëdiging zal de getuige ervan doordrongen zijn dat hij de waarheid dient te vertellen. Doet hij (dat, rb) niet, dan maakt hij zich schuldig aan meineed(…)”

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest om de bij de rechter-commissaris beëdigde getuige, ook die welke op de voet van het tweede lid van artikel 216 Sv is beëdigd, ervan te doordringen dat hij de waarheid dient te vertellen, op straffe van een veroordeling wegens meineed.

Uit de toelichting bij het voorstel tot wijziging van artikel 216 Sv volgt bovendien dat het de bedoeling van de wetgever is dat, ingeval de rechter-commissaris beëdiging in verband met de betrouwbaarheid nodig acht, beëdiging plaatsvindt. In deze formulering ziet de rechtbank geen ‘kan-constructie’. Wanneer de rechter-commissaris zulks nodig acht, dan beëdigt hij.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat wanneer de rechter-commissaris beëdiging in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring noodzakelijk acht, zich voordoet een geval waarin artikel 216, tweede lid Sv vordert dat deze getuige ook wordt beëdigd.

Aldus is de rechtbank van oordeel dat zich te dezen voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, zodat het desbetreffende bestanddeel van de in artikel 207 Sr vervatte delictsomschrijving is vervuld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 19 december 2011 te 's-Hertogenbosch bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch opgeroepen en verschenen als getuige in de zaak tegen [betrokkene], nadat zij in handen van de rechter-commissaris op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, zijnde een geval waarin een

wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft

verklaard dat zij de door haar op 21 juni 2010 aan de rijksrecherche

overhandigde verklaring niet samen met [betrokkene] heeft opgesteld.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak, derhalve geen strafoplegging. Een eventuele straf dient niet te worden gerelateerd aan de strafzaak tegen [betrokkene].

[betrokkene] is naar het oordeel van de verdediging te zwaar gestraft.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van meineed met de bedoeling haar (toenmalige en huidige) vriend [betrokkene], zijnde een politieambtenaar, te ontlasten in een tegen genoemde [betrokkene] aangespannen strafzaak.

Het onder ede afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid is een ernstige inbreuk op een juiste rechtsgang en doet afbreuk aan het vertrouwen dat in een onder ede afgelegde verklaring gesteld moet kunnen worden. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat er een geruime tijd is verstreken na het plegen van het feit (één jaar en acht maanden) en verdachte nog nimmer is veroordeeld ter zake een strafbaar feit.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d, 207.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert,

mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

Mr. J.H.P.G. Wielders en mr. B. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken op 3 september 2013.

Mr. B. Damen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar het einddossier, wordt bedoeld: Een einddossier van de Rijksrecherche, dossiernummer 2012 0002 (geen sluitingsdatum) op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door daartoe bevoegd en het dossier genoemde verbalisanten, bestaande uit in de wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften/bijlagen, aantal doorgenummerde pagina’s: 297

2 E-mail van verdachte d.d. 15 juni 2010 te 12.41 uur, pg. 121 van het einddossier

3 E-mail van [betrokkene] d.d. 15 juni 2010 te 13.41 uur, pg. 123 van het einddossier

4 E-mail van verdachte d.d. 15 juni 2010 te 13.44 uur, pg. 123 van het einddossier

5 E-mail van [betrokkene] d.d. 17 juni 2010 te 09.29 uur, pg. 130 van het einddossier

6 E-mail van verdachte d.d. 17 juni 2010 te 09.33 uur, pg. 130 van het einddossier

7 Verklaring van verdachte d.d. 31 augustus 2010, pg 276 van het einddossier

8 Verklaring van [betrokkene] d.d. 14 januari 2011, pg. 237 en 240 van het einddossier

9 Verklaring verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 19 december 2011, pg. 6-9 van het einddossier

10 Schriftelijke verklaring van verdachte d.d. 21 juni 2010, pg. 93 van het einddossier

11 Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, bijeengebracht en gerangschikt door mr. H.J. Smidt, tweede druk, herzien en aangevuld met de wijzigingen, door mr. J.W. Smidt: Haarlem, H.D. Tjeenk Willink, 1892, pagina 220 ev.