Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:4792

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
887861
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Overname horecaonderneming in België door gedaagde namens nog op te richten BVBA. BVBA is nadien opgericht. In 'side letter' overeenkomst tot verlenen bijstand gedurende aantal maanden door eiser tegen vergoeding van 25.000,- euro, ondertekend door gedaagde. Gedaagde niet in persoon aansprakelijk voor betaling 25.000,- euro. Haviltex-criterium. Eiser heeft behoren te begrijpen dat gedaagde overeenkomst van side letter sloot namens BVBA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 887861

Rolnummer : 13-2833

Uitspraak : 12 september 2013

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [gemeente],

eiser,

gemachtigde: mr. J.M. Karstens,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te [gemeente],

gedaagde,

gemachtigde: mr. K.W.H. Albert.

Partijen zullen verder worden aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.

1 De procedure

[eiser] heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. [gedaagde] is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een comparitie van partijen bepaald. De gemachtigde van [eiser] heeft nog stukken ingezonden ten behoeve van de comparitie. De comparitie heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2013. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert betaling van € 25.000,-, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

[eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag.

Bij schriftelijke koopovereenkomst van 9 februari 2009 heeft de vennootschap naar Belgisch recht BVBA [adres], voor wie [eiser] als directeur optrad, aan [gedaagde] verkocht, kort gezegd, het handelsfonds betreffende de horeca-aangelegenheid aan de [adres] te [gemeente]. Daarnaast en in aansluiting op deze koopovereenkomst is op 31 mei 2009 tussen [eiser] in privé en [gedaagde] overeengekomen dat hij de rest van het jaar 2009 aan [gedaagde] bijstand/begeleiding van diverse aard bij de exploitatie van “Karbonkel” zou verlenen voor een bedrag van € 25.000,-.

Begin 2010 heeft [gedaagde] aan [eiser] kenbaar gemaakt geen behoefte meer te hebben aan de bijstand, zodat hij recht had op de betaling van het bedrag van € 25.000,-. [gedaagde] heeft echter, ondanks sommatie, geen enkele betaling aan hem gedaan.

Op grond van artikel 6:96 BW maakt [eiser] tevens aanspraak op een bedrag van € 800,- wegens buitengerechtelijke incassokosten. Hij beperkt zijn vordering echter tot € 25.000,-.

2.2.

[gedaagde] heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.

[eiser] heeft geen vordering op haar om drie redenen:

- de overeenkomst waarop de vordering is gebaseerd is gesloten tussen BVBA [adres] en de rechtspersoon naar Belgisch recht de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde]. In privé is [gedaagde] geen verplichtingen aangegaan.

- [eiser] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.

- [eiser] heeft de overeenkomst zelf beëindigd door geen werkzaamheden meer te verrichten.

2.3.

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd zal, indien en voor zover van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3 De beoordeling

3.1.

[eiser] woont in België. De kantonrechter is op grond van artikel 2 EEX-Vo “Brussel I” bevoegd kennis te nemen van de vordering, omdat de gedaagde partij - [gedaagde] - in Nederland, in [gemeente], woont.

3.2.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat naar haar mening Nederlands recht op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is. [eiser] heeft zich daar niet expliciet over uitgelaten, maar heeft wel, ter onderbouwing van zijn stellingen, verwezen naar bepalingen van het Nederlandse recht. Kennelijk is ook hij van mening dat Nederlands recht van toepassing is. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat partijen, op de voet van artikel 3 van het Europees Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) (welk verdrag van toepassing is op overeenkomsten gesloten vóór 17 december 2009), hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht.

3.3.

Tussen partijen staat het volgende vast.

Op 8 oktober 2008 hebben partijen een “Intentieverklaring” ondertekend, waarin zij hebben vastgelegd dat op 24 september 2008 in principe onder meer het volgende is overeengekomen:

“Overname van het “handelsfonds” van Grand Café Karbonkel, [adres] te [gemeente]. Het “handelsfonds” zal door een nieuw op te richten BVBA worden overgenomen. Gebaseerd op de balans van 1e helft 2008.

Prijs: 70% van de omzet van de laatste balans (1e half jaar 2008) Zijnde in de orde van grootte € 450.000,-

Tijd traject: overname doelstelling per 1 april 2009

Samenwerking: [gedaagde] zal per 1 januari een samenwerkingsovereenkomst aangaan met Karbonkel. (voorgestelde vergoeding € 2500,- excl. B.t.w. per maand te factureren door de BVBA aan Karbonkel)

Heer [eiser] zal [gedaagde] gedurende een nader af te spreken periode, echter minimaal van 1 januari t/m 1 april 2009, inwerken in alle aspecten van het bedrijf.

Huurovereenkomsten, contracten e.d. zullen onder verantwoordelijkheid van [eiser] onder gelijke voorwaarden en condities overgedragen worden.

Na deze periode zal er nog een langdurige overeenkomst gemaakt worden voor support bij de verschillende aspecten zoals bv personeelsbestand, inkoop e.d.

(…)”

Op 9 februari 2009 is een “overeenkomst tot overdracht van een handelsfonds” tot stand gekomen tussen de vennootschap BVBA [adres], vertegenwoordigd door [eiser], en [gedaagde], optredend voor een BVBA in oprichting. Bij deze overeenkomst zijn, kort weergegeven, alle bestanden die samen het handelsfonds vormen overgedragen voor een prijs van € 500.400,-.

De oprichting van de BVBA heeft, blijkens de daarvan opgemaakte akte, op 20 februari 2009 plaatsgevonden. Het betreft de BVBA[gedaagde].

Op 31 mei 2009 hebben partijen een stuk ondertekend met de titel “Side Letter”. Daarin is het volgende vastgelegd:

“Hierbij zijn wij overeengekomen dat [eiser], gedurende de resterende tijd van 2009 en een gedeelte van 2010 bijstand verleend bij de uitbating. Als vergoeding voor deze bijstand is overeengekomen dat een totaal bedrag van € 25.000,- zal worden betaald. Deze betaling zal geschieden in verschillende stortingen gedurende de eerste maanden van de overname, waarna geen verdere financiële verplichtingen bestaan.”

3.4.

[gedaagde] heeft betoogd dat deze side letter een aanvulling is op de overeenkomst van 9 februari 2009, mede gelet op het woord “side” en dat de overeenkomst van de side letter derhalve ook is gesloten tussen de BVBA’s. Een en ander zou aanvullende bijstand betreffen ten opzichte van de in de intentieverklaring genoemde bijstand. [gedaagde] was op dat moment ook in dienst van de BVBA[gedaagde] en trad dus niet als ondernemer op, aldus [gedaagde]. BVBA[gedaagde] kon niet, zoals wel was toegezegd, per 1 april 2009 over het huurgenot van het café beschikken. Omdat BVBA[gedaagde] pas per 1 juni 2009 over het huurgenot kon beschikken en toen pas de exploitatie door deze BVBA een aanvang nam, is in de side letter overeengekomen dat de bijstand zou starten vanaf juni 2009. Aldus [gedaagde].

3.5.

[eiser] heeft ter zitting aangevoerd dat uit de side letter blijkt dat [gedaagde] in persoon, voor zichzelf, optreedt. Tevens heeft hij aangevoerd dat nergens uit blijkt dat er een bekrachtiging van de overeenkomsten heeft plaatsgevonden door de BVBA.

Van de zijde van [gedaagde] is verklaard dat dat wel is geschied, onder meer blijkens het feit dat een bedrag van € 480.000,- van de overnamesom is betaald door de BVBA.

3.6.

Voor de beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen ervan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het Haviltexcriterium). Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

3.7.

Uit de intentieverklaring blijkt:

- dat het “handelsfonds” door een nieuw op te richten BVBA zal worden overgenomen.

- dat [gedaagde] per 1 januari 2009 een samenwerkingsovereenkomst met Karbonkel zal sluiten en dat de BVBA daarvoor zal factureren aan Karbonkel;

- dat het in de bedoeling lag om de overname per 1 april 2009 te laten plaatsvinden;

- dat het in de bedoeling lag om na de overname een langdurige overeenkomst te sluiten voor ‘support’ bij de verschillende aangelegenheden zoals het personeelsbestand, de inkoop e.d.

De overnameovereenkomst is door [gedaagde] namens een op te richten BVBA gesloten. Zij heeft vervolgens de BVBA[gedaagde] opgericht. Onder B van de akte van oprichting van BVBA[gedaagde] is vermeld dat de comparanten verklaren dat de vennootschap de verbintenissen overneemt die voor rekening en ten name van de vennootschap in oprichting zijn aangegaan te rekenen vanaf 1 januari 2009, en dat de aangegane verbintenissen dienen te worden bekrachtigd nadat de vennootschap rechtspersoonlijkheid heeft verkregen.

Als niet betwist staat vast dat BVBA[gedaagde] een bedrag van € 480.000,- van de overnamesom heeft betaald. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat de BVBA de overname van de verbintenissen heeft bekrachtigd. Niet vereist is dat van de bekrachtiging een schriftelijk stuk wordt opgemaakt.

3.8.

BVBA[gedaagde] drijft derhalve de onderneming. Niet weersproken is dat [gedaagde] in dienst is van deze onderneming. In de intentieverklaring is (al) vermeld dat de op te richten BVBA zal factureren aan Karbonkel voor de werkzaamheden van [gedaagde] voor Karbonkel. Daaruit blijkt dat [gedaagde] in de intentieverklaring al heeft kenbaar gemaakt aan [eiser] dat zij bij deze overname en alles wat daarmee samenhangt niet voor zichzelf beoogde te handelen, maar voor de (op te richten) BVBA.

In de intentieverklaring is voorts vermeld dat het in de bedoeling ligt een langdurige overeenkomst voor het verlenen van bijstand te sluiten. Die bijstand zal moeten worden verleend door de persoon van [eiser], maar [eiser] heeft uit de intentieverklaring behoren te begrijpen dat het in de bedoeling van [gedaagde] heeft gelegen dat die overeenkomst eveneens op naam van de op te richten BVBA, die de onderneming zou gaan drijven, zou worden gesloten. In de side letter is BVBA[gedaagde] niet genoemd, maar omdat partijen aan dit stuk de naam “side letter” hebben gegeven, moeten zij beiden hebben begrepen dat het gaat om een overeenkomst die is gesloten in het kader van de overname. In de side letter is ook vermeld dat het gaat om het verlenen van bijstand bij de uitbating. [eiser] wist dat die uitbating zou geschieden door BVBA[gedaagde]. In de side letter is niet vermeld dat [gedaagde] het bedrag van € 25.000,- zal betalen; er is slechts vermeld dat een bedrag van € 25.000,- zal worden betaald. De conclusie moet zijn dat [eiser] heeft behoren te begrijpen dat niet [gedaagde] in persoon de verplichting aanging om voor de bijstand een bedrag van € 25.000,- te betalen, maar dat zij dat namens BVBA[gedaagde] deed.

[gedaagde] is derhalve niet aansprakelijk voor de betaling van dit bedrag.

3.9.

Omdat dit verweer slaagt, behoeft op de overige verweren niet te worden geoordeeld.

3.10.

De vorderingen moeten derhalve worden afgewezen.

3.11.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 800,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast).

Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2013.