Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:4147

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-07-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
246869 / HA ZA 12-433
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incident ex art. 223 Rv. Opheffing beslag. Door een woningstichting is beslag gelegd op de verzekeringsaanspraken van haar oud-bestuurder en oud-toezichthouders uit hoofde van een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering. Die verzekering biedt dekking voor schade en voor kosten van verweer. Enkele toezichthouders vragen opheffing van het beslag om het verweer tegen de woningstichting te kunnen bekostigen. De verzekeraar vraagt opheffing van het beslag op grond van het non peius beginsel. De rechtbank besluit na een belangenafweging tot gedeeltelijke opheffing van het beslag, om de toezichthouders in staat te stellen ten laste van de verzekerde som een conclusie van antwoord te nemen en zich ter comparitie te laten bijstaan. De verzekeraar heeft ten aanzien van de bestuurder en een andere toezichthouder haar beroep op het non peius beginsel onvoldoende onderbouwd. Voor het overige houdt de rechtbank de beslissing aan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 223
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 705
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/324
JBPr 2014/11 met annotatie van mr. J.E.P.A. van Hooff
JOR 2013/323 met annotatie van mr. M.L.S. Kalff
OR-Updates.nl 2013-0267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/246869 / HA ZA 12-433

Vonnis in incident van 24 juli 2013

in de zaak van

de stichting

WONINGSTICHTING SERVATIUS,

gevestigd te Maastricht,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. V.H. Affourtit te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te[woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde 4],

wonende te[woonplaats],

5. [gedaagde 5],

wonende te[woonplaats],

6. [gedaagde 6],

wonende te[woonplaats],

7. [gedaagde 7],

wonende te[woonplaats],

8. [gedaagde 8],

wonende te [woonplaats],

9. [gedaagde 9],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak (allen),

eisers in het incident (alleen gedaagden sub 2 t/m 8)

advocaat mr. F.M. van Peski te Rotterdam (voor gedaagden sub 1 en 9),

advocaat mr. M.H.J. van Maanen te Den Haag (voor gedaagden sub 2 t/m 8),

en

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

interveniënt,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.F. Garvelink te Amsterdam.

Eiseres in de hoofdzaak zal hierna worden aangeduid met “Servatius”. Gedaagden in de hoofdzaak zullen gezamenlijk worden aangeduid als “[gedaagden]”. Gedaagden in de hoofdzaak sub 1 en 9 zullen “[gedaagden 1 + 9]” worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak sub 2 t/m 8 (tevens eisers in dit incident) zullen “[gedaagden 2 t/m 8]” worden genoemd. Interveniënt (tevens eiseres in het incident) zal “Achmea” worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident (tussenkomst) van 17 april 2013,

  • -

    de incidentele conclusies tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv (opheffing beslag) van [gedaagden 2 t/m 8] (27 maart 2013) en van Achmea (8 mei 2013),

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van Servatius.

1.2.

Ter zitting van 18 juli 2013 hebben de partijen in het incident aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities hun standpunten in het incident ex artikel 223 Rv nader toegelicht, waarna vonnis is bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

Bij de beoordeling van dit incident gaat de rechtbank onder meer uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

[gedaagden] zijn de voormalig bestuurder en toezichthouders van Servatius.

2.2.

In de hoofdzaak vordert Servatius hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een schadevergoeding van bijna 67 miljoen euro, op grond van de artikelen 2:9 en 6:162 BW.

2.3.

Per 1 januari 2007 heeft Servatius ten behoeve van haar bestuurder en toezichthouders een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Achmea. Deze verzekering biedt niet alleen dekking voor schade, maar ook voor de kosten van verweer tegen (gegronde of ongegronde) aanspraken, gezamenlijk tot ten hoogste het verzekerde bedrag van 2,5 miljoen euro voor alle verzekerden samen.

2.4.

Voordat Servatius tot dagvaarding van [gedaagden] is overgegaan, heeft zij in juli 2011 conservatoir beslag gelegd op alle rechten van ieder van [gedaagden] uit hoofde van deze verzekering.

2.5.

[gedaagden 1 + 9] hebben in de hoofdzaak inmiddels een conclusie van antwoord genomen. [gedaagden 2 t/m 8] hebben dit nog niet gedaan.

De proceskosten van [gedaagden] zijn tot nu toe vergoed door Achmea.

3 De vorderingen in het incident

[gedaagden 2 t/m 8]

3.1.

vorderen om bij incidenteel vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. het door Servatius op 20 juli 2011 ten laste van verzekerden gelegde beslag onder Achmea op te heffen voor wat betreft hun aanspraken onder de polis op vergoeding van de kosten van verweer;

  2. Servatius te verbieden om opnieuw beslag te leggen ten laste van verzekerden op hun aanspraken onder de polis op vergoeding van de kosten van verweer;

  3. Servatius te verbieden om de namens [gedaagden 2 t/m 8] verschafte informatie met betrekking tot vermogen en inkomen aan te wenden voor andere, buiten de beoordeling van de provisionele vordering gelegen doeleinden;

met veroordeling van Servatius in de kosten van dit incident.

[gedaagden 2 t/m 8] leggen hieraan samengevat het volgende ten grondslag.

3.2.

Achmea heeft besloten geen betalingen meer te zullen doen ten behoeve van gedaagden in de hoofdzaak indien het beslag gehandhaafd blijft. Daarom vragen [gedaagden 2 t/m 8] de rechtbank het beslag (gedeeltelijk) op te heffen. Het belang van Servatius om haar verhaalsmogelijkheden in geval van toewijzing van haar vorderingen zeker te stellen, weegt volgens [gedaagden 2 t/m 8] niet op tegen het belang dat [gedaagden 2 t/m 8] hebben bij opheffing van het beslag. Opheffing van het beslag zal hen in staat stellen deugdelijk verweer te voeren tegen de omvangrijke en complexe vordering die Servatius tegen hen heeft ingesteld, zonder dat zij hierdoor financieel worden geruïneerd.

3.3.

[gedaagden 2 t/m 8] doen in verband met de door de rechtbank te maken belangenafweging kort gezegd een beroep op de volgende omstandigheden:

  • -

    het rechtskarakter van de aansprakelijkheidsverzekering;

  • -

    de positie van Servatius als beslaglegger/verzekeringnemer;

  • -

    de stand van de procedure;

  • -

    de te verwachten kosten;

  • -

    de financiële draagkracht van de verzekerden;

  • -

    artikel 6 EVRM;

  • -

    het non-peius beginsel;

  • -

    de nemo plus regel.

[gedaagden 2 t/m 8] bespreken hierbij onder meer de Jomed-uitspraak (Rechtbank Amsterdam 19 april 2006, NJF 2006,347) en het Ceteco-arrest (Hof Amsterdam 9 september 2008, JBPR 2009,27).

Achmea

3.4.

Achmea vordert om bij incidenteel vonnis, uitvoerbaar bij voorraad het op 20 juli 2011 door Servatius ten laste van [gedaagden] onder Achmea gelegde conservatoire derdenbeslag op te heffen, voor zover het betreft de aanspraken van [gedaagden] onder de verzekeringsovereenkomst op vergoeding van de kosten van verweer, met veroordeling van Servatius in de kosten van het incident, vermeerderd met rente, en in de nakosten.

3.5.

Achmea meent dat zij ondanks het beslag de kosten van verweer ten laste van de verzekerde som mag brengen. Zij is er echter niet (langer) zeker van of een rechter haar standpunt zal delen en vraagt mede daarom opheffing van het beslag voor zover dit beslag ziet op de kosten van het verweer.

3.6.

Achmea stelt dat het beslag moet worden opgeheven op grond van het non-peius beginsel en/of de nemo plus regel, althans op basis van een afweging van de belangen van partijen. In verband met haar beroep op het non peius beginsel stelt Achmea dat zij als derde-beslagene in een nadeliger positie wordt gebracht dan waarin zij zonder beslag zou hebben verkeerd. Indien zij de kosten van verweer blijft betalen loopt zij het risico dat zij deze niet ten laste van de verzekerde som mag brengen. Indien zij de vergoeding staakt - waartoe zij onlangs heeft besloten - vergroot ze daarmee de kans dat geen deugdelijk verweer zal worden gevoerd en zij dekking zal moeten verlenen voor een (onterechte) toewijzing van de vorderingen van Servatius. Volgens Achmea hebben [gedaagden] niet voldoende financiële draagkracht om de forse kosten die naar verwachting gemoeid zullen zijn met het voeren van verweer in de hoofdzaak voor hun rekening te nemen. In verband met de te maken belangenafweging wijst Achmea verder onder meer op de aard en het doel van de door Servatius ten behoeve van haar bestuurder en toezichthouders afgesloten verzekering, op het feit dat de toezichthouders hun functie nagenoeg onbezoldigd hebben uitgeoefend uit maatschappelijke betrokkenheid, op artikel 6 EVRM en op de geringe kans van slagen van de vordering in de hoofdzaak. Ook Achmea bespreekt bij dit alles de eerdergenoemde Jomed-uitspraak en het Ceteco-arrest.

3.7.

Op hetgeen [gedaagden 2 t/m 8] en Achmea overigens naar voren hebben gebracht zal, voor zover nodig, worden ingegaan bij de beoordeling.

4 Het verweer in het incident

Servatius voert samengevat het volgende verweer.

4.1.

De aanwezigheid van een spoedeisend belang bij opheffing van het beslag - een vereiste ingevolge artikel 223 Rv - is gesteld noch gebleken.

Voor [gedaagden 2 t/m 8] ontbreekt het vereiste spoedeisend belang omdat tot nu toe Achmea alle kosten betaalt. Indien Achmea daartoe niet langer bereid is, dan zijn de inkomens en vermogens van [gedaagden 2 t/m 8] toereikend om de kosten voor de conclusie van antwoord en de comparitie na antwoord te dragen.

Voor Achmea geldt dat zij (onverplicht) al voor een groot bedrag aan verweerkosten voor haar rekening heeft genomen zonder om opheffing van het beslag te vragen. Indien Achmea nu stopt met betalen kunnen [gedaagden 2 t/m 8] op eigen kosten adequaat verweer voeren gedurende het resterende deel van de procedure in eerste aanleg.

4.2.

Het beroep van Achmea op schending van het non-peius beginsel slaagt niet omdat het is gebaseerd op de onjuiste aanname dat het stoppen met betalingen ertoe zou leiden dat in de hoofdzaak geen adequaat verweer meer zou kunnen worden gevoerd. De nog te maken kosten van verweer in eerste aanleg zullen beperkt zijn en niet is aangetoond dat [gedaagden 2 t/m 8] die kosten niet zelf kunnen dragen.

4.3.

Het belang van Servatius bij het veiligstellen van verhaal voor een (uiterst klein) deel van haar schade weegt op tegen de gestelde belangen van [gedaagden 2 t/m 8] en Achmea bij opheffing van het beslag. In dit verband is volgens Servatius onder meer van belang:

  • -

    dat Servatius een deugdelijke vordering heeft ingesteld;

  • -

    dat [gedaagden] Servatius aanzienlijke schade hebben toegebracht;

  • -

    dat [gedaagden] wisten of althans behoorden te weten dat met de verzekering mede werd beoogd om Servatius verhaalsmogelijkheden te bieden in geval van (interne) bestuurdersaansprakelijkheid;

  • -

    dat [gedaagden] hebben bijgedragen aan het ontstaan van de huidige situatie door een verzekering af te sluiten met een zo beperkte verzekerde som;

  • -

    dat Achmea hoe dan ook – met of zonder beslag – slechts hooguit 2,5 miljoen Euro behoeft uit te keren;

  • -

    dat Servatius enkel beslag heeft gelegd op de verzekeringsaanspraken en niet op de (overige) vermogensbestanddelen van [gedaagden] waardoor zij geacht moeten worden daaruit de kosten van hun verweer te voldoen.

4.4.

Servatius voert ook verweer tegen de overige vorderingen en tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad.

4.5.

Op hetgeen Servatius in dit verband naar voren heeft gebracht zal, voor zover nodig, worden ingegaan bij de beoordeling.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

Inzet van de door [gedaagden 2 t/m 8] en Achmea ingestelde incidenten is opheffing van het beslag voor zover het betreft de aanspraken van [gedaagden] op vergoeding van de kosten van verweer.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank is van oordeel, dat de (toekomstige) aanspraken van [gedaagden] uit hoofde van de bij Achmea gesloten verzekeringsovereenkomst vatbaar zijn voor beslag. De rechtbank zal bij haar beslissing tot uitgangspunt nemen dat Servatius zich op het standpunt stelt dat het beslag dat Servatius heeft gelegd op die aanspraken van [gedaagden] tot gevolg heeft dat Achmea betalingen die zij doet ten behoeve van het verweer van [gedaagden] niet ten laste mag brengen van de verzekerde som. Daarvan uitgaande hebben [gedaagden 2 t/m 8] en Achmea belang bij de door hen ingediende incidentele vorderingen tot (gedeeltelijke) opheffing van het beslag gedurende de resterende duur van de procedure in eerste aanleg, en kan van hen niet worden gevergd dat zij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwachten. Er moeten in eerste aanleg immers nog kosten worden gemaakt voor het voeren van verweer.

5.3.

Gevorderd wordt opheffing van het beslag bij wege van voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv. Gelet op het karakter van de voorlopige voorziening betekent dit dat de rechtbank het beslag slechts kan opheffen voor zolang de procedure in eerste aanleg nog bij haar aanhangig zal zijn. Opheffing van het beslag als voorlopige voorziening zal (dus) niet tot gevolg hebben dat de verweerkosten die door Achmea reeds zijn betaald (naar zij ter zitting heeft verklaard gaat het om een bedrag van ongeveer € 675.000,-) alsnog ten laste van de verzekerde som kunnen worden gebracht. Ook voor de kosten van verweer die eventueel na de eerste aanleg nog gemaakt moeten worden, zal een provisionele opheffing van het beslag door de rechtbank geen gevolgen hebben.

De vordering van [gedaagden 2 t/m 8]

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat er, gezien de omstandigheden van dit geval en na afweging van de wederzijdse belangen, voldoende zwaarwegende gronden zijn om de gevraagde voorziening vooralsnog deels toe te wijzen en het gelegde beslag op de verzekeringsaanspraken van [gedaagden 2 t/m 8] op te heffen om [gedaagden 2 t/m 8] in de gelegenheid te stellen ten laste van de verzekerde som verweer te voeren tot het moment dat de rechtbank een eerste (tussen)vonnis zal hebben gewezen. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

5.5.

De rechtbank kent een zwaar gewicht toe aan het feit dat Servatius de verzekering heeft afgesloten met de kennelijke bedoeling om haar bestuurder en toezichthouders te verzekeren tegen aansprakelijkheid en tegen de kosten voor het voeren van verweer tegen een aansprakelijkstelling. In de polis zijn immers de bestuurder en toezichthouders als verzekerden aangewezen, en is bepaald dat de verzekering dekking biedt voor schade en voor kosten van verweer. Aangenomen moet worden dat de verzekering is afgesloten ter bescherming van de bestuurders en toezichthouders, en niet, althans niet in de eerste plaats, om verhaalsmogelijkheden te bieden aan Servatius in geval van aansprakelijkheid van de bestuurder en/of toezichthouders jegens Servatius.

5.6.

Omdat Servatius de verzekering ten behoeve van [gedaagden 2 t/m 8] heeft afgesloten, mochten [gedaagden 2 t/m 8] er tegenover Servatius op vertrouwen dat zij een beroep zouden kunnen doen op deze verzekering wanneer zij onverhoopt in hun hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder aansprakelijk zouden worden gesteld, ook indien die aansprakelijkstelling door Servatius zou gebeuren. Door nog vóór het uitbrengen van de dagvaarding beslag te leggen op al hun aanspraken uit de verzekering, heeft Servatius het [gedaagden 2 t/m 8] echter van aanvang af onmogelijk gemaakt een beroep te doen op de geboden dekking.

5.7.

Het is voor [gedaagden 2 t/m 8] van groot belang om zich op de verzekering te kunnen beroepen, gelet op de omvang en de complexiteit van de aansprakelijkstelling, die het voeren van verweer kostbaar maken. Mogelijk moeten [gedaagden 2 t/m 8], althans één of meer van hen, financieel in staat worden geacht om de kosten te dragen die gemoeid zullen zijn met het voeren van verweer in eerste aanleg. Dit neemt niet weg dat zeker de kosten van een eerste schriftelijk verweer en een eerste mondelinge behandeling van de zaak nu juist de kosten zijn waarvan [gedaagden 2 t/m 8] in hun relatie tot Servatius mochten aannemen dat zij daarvoor hoe dan ook een beroep zouden kunnen doen op de verzekering. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit eerste stadium van de procedure - totdat de rechtbank een eerste (tussen)vonnis zal hebben gewezen - nog geen enkele duidelijkheid bestaat over de gegrondheid van de vordering van Servatius.

5.8.

Het belang van Servatius bij volledige handhaving van het beslag totdat de rechtbank eindvonnis zal hebben gewezen, is betrekkelijk. Blijkens het beslagrekest heeft Servatius besloten tot beslaglegging om te voorkomen dat de verzekerde som geheel zou worden besteed aan (advocaten)kosten en er voor haar niets zou resteren om zich op te verhalen. De rechtbank onderkent dit belang van Servatius, maar zoals overwogen onder 5.3 kan de gevraagde maatregel ex artikel 223 Rv enkel zien op de kosten die [gedaagden 2 t/m 8] nog zullen moeten maken in de eerste aanleg. Er is vooralsnog geen reden om aan te nemen dat die kosten de gehele verzekerde som of een groot deel daarvan zullen bedragen. Toch past hier voorzichtigheid, omdat nog ongewis is hoe de procedure in eerste aanleg zal verlopen en (dus) hoeveel kosten hiermee gemoeid zullen zijn. Met het oog op het belang van Servatius zal de rechtbank daarom vooralsnog de gevraagde voorziening slechts gedeeltelijk toewijzen en het beslag slechts opheffen voor zover dat nodig is om [gedaagden 2 t/m 8] in de gelegenheid te stellen ten laste van de verzekerde som een conclusie van antwoord te nemen en zich te laten bijstaan op de comparitie na antwoord. Voor het overige zal de rechtbank haar beslissing op de incidentele vordering van [gedaagden 2 t/m 8] tot opheffing van het beslag (vordering 1) vooralsnog aanhouden.

5.9.

In overeenstemming met de hoofdregel zal de rechtbank deze beslissing tot (gedeeltelijke) opheffing van het beslag uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit met het oog op de gewenste voortgang van de bodemprocedure. Gezien de beperkingen die gelden voor de opheffing van het beslag is de rechtbank van oordeel dat Servatius hierdoor niet onevenredig zwaar in haar belangen wordt getroffen.

5.10.

De rechtbank zal afwijzen het verzoek om Servatius te verbieden opnieuw beslag te leggen op hun verzekeringsaanspraken (vordering sub 2). Indien Servatius in weerwil van deze beslissing van de rechtbank gedurende de periode dat het beslag zal zijn opgeheven opnieuw beslag wil laten leggen, bijvoorbeeld omdat sprake zou zijn van gewijzigde omstandigheden, dan heeft zij daarvoor ingevolge artikel 700 Rv verlof nodig van de voorzieningenrechter. Het is alsdan aan de voorzieningenrechter om te bepalen of dat verlof kan worden verleend.

5.11.

Ook het verzoek om Servatius te verbieden om de namens [gedaagden 2 t/m 8] verschafte informatie met betrekking tot vermogen en inkomen aan te wenden voor andere doeleinden (vordering sub 3) zal worden afgewezen. De rechtbank is met Servatius van oordeel dat zonder nadere toelichting, die door [gedaagden 2 t/m 8] niet is gegeven, niet valt in te zien waarom het door hen genoemde arrest van de Hoge Raad van 20 december 2002 (NJ 2004,4) steun zou bieden voor hun vordering. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het treffen van een voorziening als gevorderd.

De vordering van Achmea

5.12.

Nu de vordering van [gedaagden 2 t/m 8] vooralsnog (deels) zal worden toegewezen, heeft Achmea in zoverre geen belang meer bij haar vordering voor zover het de aanspraken van [gedaagden 2 t/m 8] betreft. Resteert de vraag of er aanleiding is het beslag op vordering van Achmea tevens op te heffen voor wat betreft de aanspraken van [gedaagden 1 + 9] op vergoeding van hun kosten van verweer.

5.13.

De rechtbank beantwoordt die vraag vooralsnog ontkennend. De rechtbank merkt daarbij op dat Achmea haar vordering ten onrechte mede baseert op de belangen die [gedaagden] hebben bij opheffing van het beslag. Bij de beoordeling van de vordering van Achmea gaat het om de vraag of het beslag in strijd is met het non peius beginsel, zoals Achmea aanvoert, dan wel of er, gezien de omstandigheden van het geval en na afweging van de belangen van enerzijds Servatius en anderzijds Achmea, een voldoende zwaarwegende grond is om het beslag op te heffen zoals gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat Achmea daartoe onvoldoende heeft gesteld. In dit verband acht de rechtbank van belang dat [gedaagden 1 + 9] reeds een zeer uitvoerige conclusie van antwoord hebben genomen waarvan de kosten, ondanks het beslag, door Achmea zijn vergoed. Achmea heeft niet gesteld en onderbouwd dat, wanneer zij zal stoppen met de betalingen, [gedaagden 1 + 9] niet in staat zullen zijn de nog te maken kosten voor het voeren een deugdelijk verweer in eerste aanleg, althans voor het bekostigen van bijstand ter comparitie, voor eigen rekening te nemen. De rechtbank zal daarom op dit moment niet beslissen tot opheffing van het beslag op de verzekeringsaanspraken van [gedaagden 1 + 9].

5.14.

Voor het overige zal de rechtbank, in aanmerking genomen dat dat ook in het incident van [gedaagden 2 t/m 8] het geval is, haar beslissing op de incidentele vordering van Achmea tot opheffing van het beslag vooralsnog aanhouden.

5.15.

Ter zitting heeft Achmea de gronden voor haar vordering aangevuld door zich te beroepen op een bepaling in de algemene voorwaarden waarin zou zijn bepaald dat Servatius als verzekeringnemer zich moet onthouden van gedragingen die de belangen van Achmea als verzekeraar kunnen schaden. Dit beroep kan niet slagen reeds omdat een afschrift van de algemene voorwaarden waaruit het bestaan en de inhoud van een dergelijke bepaling zou kunnen blijken, niet is overgelegd.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

heft op het door Servatius op 20 juli 2011 onder Achmea gelegde beslag voor wat betreft de aanspraken van [gedaagden 2 t/m 8] op vergoeding van de kosten van verweer vanaf heden tot het moment dat de rechtbank een (eerste) vonnis zal wijzen in de hoofdzaak,

6.2.

verklaart deze maatregel tot opheffing van het beslag uitvoerbaar bij voorraad,

6.3.

wijst af de vorderingen van [gedaagden 2 t/m 8] genoemd onder 3.1 sub 2 en sub 3,

6.4.

houdt iedere verdere beslissing in het incident aan,

in de hoofdzaak

6.5.

bepaalt dat de zaak - conform een door partijen daarover gemaakte afspraak - weer op de rol zal komen van 11 september 2013 voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagden 2 t/m 8].

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2013.