Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:3012

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-07-2013
Datum publicatie
25-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_38
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een uitspraak na een tussenuitspraak waarbij verweerder gelegenheid is geboden om te motiveren of de gevorderde schade tot het normale maatschappelijke risico ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro behoort. Verweerder heeft een advies ingewonnen van de SAOZ. De rechtbank is van oordeel dat de SAOZ terecht heeft gekozen voor het hanteren van de kortingsmethode nu de wetgever reeds in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro in een drempel heeft voorzien en dat daarom het hanteren van een tweede drempel niet erg voor de hand ligt. Bij de kortingsmethode wordt eerst bezien of in zijn algemeenheid sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt de schade vastgesteld en wordt bezien of deze zowel in absolute als in relatieve zin als onevenredig moet worden aangemerkt. Als de schade onevenredig blijkt te zijn, wordt deze vergoed na aftrekt van een korting. De SAOZ heeft vervolgens een aantal deelvragen geformuleerd en een kortingspercentage vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat door middel van beantwoording van de betreffende deelvragen een oordeel kan worden gevormd over de aanwezigheid en, zo ja, de omvang van het normale maatschappelijke risico. Anders dan de SAOZ is de rechtbank van oordeel dat ook binnenplanse afwijkingsmogelijkheden kunnen worden betrokken. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een korting van 20% op de tegemoetkoming.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 12/38

Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2013 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats],

eiseres,

(gemachtigde: M.E.W.M. Pals-Reiniers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo, verweerder,

(gemachtigden: mr. G. van Houtert en mr. P. Verstraaten).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen [naam1] te [plaats1].

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder drie aanvragen voor een tegemoetkoming in planschade op grond van artikel 6.1 Wro toegewezen.

Bij besluit van 22 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2012. Bij mondelinge tussenuitspraak van 1 juni 2012 heeft de rechtbank verweerder de gelegenheid geboden om de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen. De enkelvoudige kamer heeft vervolgens de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 5 december 2012. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken SHE 11/2075 en SHE 12/733. De rechtbank heeft verweerder bij tussenuitspraak van 15 januari 2013 in de gelegenheid gesteld het in de tussenuitspraak geconstateerde resterende gebrek te herstellen. Verweerder heeft op 19 maart 2013 gereageerd. Eiseres heeft gereageerd op 18 april 2013. De derde-partij heeft niet meer gereageerd. De rechtbank heeft op 18 juni 2013 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1 In de tussenuitspraak van 1 juni 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de adviezen van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (verder: de SAOZ) niet blijkt op welke wijze de eventuele voorzienbaarheid bij de advisering is betrokken. In de tussenuitspraak van 15 januari 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder er, in navolging van de SAOZ ten onrechte van uit is gegaan dat, omdat de schade groter is dan 2%, de gehele schade voor tegemoetkoming in aanmerking komt. De resterende motivering in het advies van de SAOZ was onvoldoende om de vraag te beantwoorden of de schade behoort tot het normale maatschappelijke risico.

1.2 De rechtbank heeft aanleiding gezien om verweerder opnieuw in gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen en gemotiveerd antwoord te geven op de vraag of de gevorderde schade tot het normale maatschappelijke risico behoort en zo ja, in welke omvang. De rechtbank heeft verweerder de aanwijzing gegeven om deze vraag te beantwoorden met inachtneming van rechtsoverweging 14 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: ABRS) van 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3737.

2.

Verweerder heeft er voor gekozen de motivering van de beslissing op bezwaar aan te vullen met een aanvullend advies van de SAOZ van 20 februari 2013. Eiseres heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.1

Ter beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre sprake is van een maatschappelijk risico in de zin van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), beziet de SAOZ in de eerste plaats of hierbij de zogenaamde drempelmethode moet worden gehanteerd of de kortingsmethode. Bij de kortingsmethode wordt eerst bezien of in zijn algemeenheid sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt de schade vastgesteld en wordt bezien of deze zowel in absolute als in relatieve zin als onevenredig moet worden aangemerkt. Als de schade onevenredig blijkt te zijn, wordt deze vergoed na aftrekt van een korting. Naarmate de hoogte van de korting hoger is, worden zwaardere eisen aan de motivering daarvan gesteld.
De maximale hoogte van de korting is volgens de SAOZ nooit hoger dan 25%. De bestemming wijzigt of wijzigt niet. Deze wijziging is nadelig of niet nadelig. Het kortingspercentage valt volgens de SAOZ lager uit dan 25% naarmate op basis van de omstandigheden van het geval er minder aanleiding is om aan te nemen dat een nadelige planwijziging zich voor zou kunnen gaan doen.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat de SAOZ terecht heeft gekozen voor het hanteren van de kortingsmethode nu de wetgever reeds in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro in een drempel heeft voorzien en dat daarom het hanteren van een tweede drempel niet erg voor de hand ligt. In hoeverre het kortingspercentage nooit meer dan 25% kan uitvallen, acht de rechtbank niet relevant.

4.1

Om te beoordelen of sprake is van een normaal maatschappelijk risico, heeft de SAOZ de volgende deelvragen geformuleerd gebaseerd op de criteria die zijn genoemd in de uitspraak van de ABRS van 21 november 2012.

1.

Betreft het een normale maatschappelijke ontwikkeling waarmee in zijn algemeenheid rekening moest worden gehouden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang, plaats en moment van realisering?

2.

Past de ontwikkeling in de ruimtelijke structuur van de omgeving?

3.

Past de ontwikkeling in het door de overheid gevoerde planologische beleid?

4.

Wat is de afstand van de ontwikkeling tot de onroerende zaak?

5.

Wat is de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel

In aanvulling en deels ter invulling op de eerste deelvraag zijn door de SAOZ nog een aantal aanvullende vragen geformuleerd:

  1. Hoe oud is het bestemmingsplan?

  2. Is er sprake van een oorspronkelijke bebouwde of onbebouwde bestemming?

  3. Hoe oud is de oorspronkelijke bebouwing en is deze samen met de bijbehorende gronden al dan niet eenvoudig geschikt te maken voor een nieuwe gebruiksfunctie?

  4. Hoe is de eigendomssituatie?

  5. Zijn er specifieke publiek- en of privaatrechtelijke belemmeringen aan te wijzen waardoor herinrichting of herontwikkeling van een gebied wordt belemmerd?

4.2

De rechtbank is van oordeel dat door middel van beantwoording van deze vragen een oordeel kan worden gevormd over de aanwezigheid en, zo ja, de omvang van het normale maatschappelijke risico.

5.1

De SAOZ heeft vervolgens in het advies de hierboven genoemde vragen beantwoord.

De SAOZ merkt op dat een 10-jaarlijkse herziening van het bestemmingsplan ten tijde van het schadeveroorzakende planologische besluit geenszins in de reden lag omdat het oude bestemmingsplan onherroepelijk is geworden op 14 juni 2006 en het vrijstellingsbesluit onherroepelijk is geworden op 20 december 2007. De bestemming liet, zeker indien de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden in het oude bestemmingsplan buiten beschouwing worden gelaten, in overeenstemming met de uitspraak van de ABRS van 1 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3316 een substantieel mindere en lagere bouwmassa toe dan door middel van het vrijstellingsbesluit mogelijk is gemaakt.

Van een situatie waarbij een overheid bezig was om gronden in het plangebied te verwerven is de SAOZ niet gebleken. Wel kan het omzetten van een functie van gronden met een in hoofdzaak bedrijfsbestemming naar een woonbestemming voor omwonenden op zichzelf in de rede liggen.

De SAOZ acht voorstelbaar binnen de ruimtelijke structuur dat dit deel van de bebouwde kom van [plaats2] zou kunnen worden ingevuld met woningbouw. Binnen dit gedeelte is een breed scala van functies aanwezig, waaronder een ziekenhuis, een museum en een hotel, maar ook grondgebonden woningen en het stroomgebied van de Dommel.

De SAOZ is van mening dat de ontwikkeling niet kenbaar was in het door de overheid gevoerde planologische beleid en wijst op de mededeling van verweerder dat er geen structuurvisie gold op het moment van het vrijstellingsbesluit.

De afstand van de objecten aan [adres1] en 11 tot de bebouwing die is opgericht met het vrijstellingsbesluit bedraagt circa 30 meter en de afstand van [adres2] circa 35 meter. Dit is volgens de SAOZ betrekkelijk kort.

In alle drie de gevallen is sprake van een waardevermindering tussen de 3,5% en 5%. Dit is duidelijk merkbaar maar niet zwaar.

Op basis van de beantwoording van de vragen stelt de SAOZ in alle drie de gevallen een kortingspercentage vast van 20% van de geleden schade dat niet voor vergoeding in aanmerking komt op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro.

5.2

Verweerder mag in beginsel afgaan op het advies van een door hem benoemde deskundige op het gebied van planschade, indien uit het advies van deze deskundige op een objectieve en onpartijdige wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, van dat advies uitgaan tenzij er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht. In het licht van deze rechtspraak ziet de rechtbank, voor wat betreft de bepaling van het kortingspercentage, aanleiding voor een meer terughoudende toetsing. Gelet op de omstandigheid dat bij een nadelige planologische ontwikkeling in beginsel aanspraak bestaat op een tegemoetkoming in de planschade, zullen, naarmate de korting vanwege de aanwezigheid van een normaal maatschappelijk risico hoger is, wel hogere eisen mogen worden gesteld aan de motivering daarvan.

5.3

Anders dan de SAOZ is de rechtbank van oordeel dat ook binnenplanse afwijkingsmogelijkheden kunnen worden betrokken bij de beantwoording van de eerste deelvraag. Het bestaan van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan immers met zich meebrengen dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. De uitspraak van de ABRS van 1 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3316, maakt dit niet anders. Deze uitspraak heeft betrekking op de planologische vergelijking en niet op het bestaan respectievelijk de omvang van het kortingspercentage als gevolg van maatschappelijk risico. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de ABRS van 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2475 waarbij de aanwezigheid van een uitwerkingsplicht buiten beschouwing werd gelaten in de planologische vergelijking maar vervolgens wel betrokken bij de beantwoording van de vraag of de betreffende planschade voorzienbaar was. Dit gebrek in het advies van de SAOZ heeft echter geen gevolgen, gelet op de omstandigheid dat de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden op basis van het oude bestemmingsplan zeer beperkt waren. De rechtbank heeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de beantwoording van de overige deelvragen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de uitkomst van het advies van de SAOZ heeft kunnen overnemen in de motivering van het bestreden besluit met betrekking tot de tegemoetkomingen die zijn verstrekt inzake de objecten [adres1] en [adres2] en in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een korting van 20% op de tegemoetkoming.

5.4

Ten aanzien van het object [adres3], overweegt de rechtbank dat het destijds ingestelde beroep van eiseres op artikel 6.2, eerste lid, van de Wro zich nadrukkelijk beperkt tot de objecten [adres1] en [adres2] en niet tot het object [adres3] en dat eiseres haar gronden niet heeft aangevuld.Artikel 6.2, eerste lid van de Wro is bovendien niet van openbare orde. Voor het toepassen van een korting ingevolge artikel 6.2, eerste lid van de Wro, naast het bedrag dat ingevolge artikel 6.2, tweede lid, reeds voor rekening van de derde-partij bleef, bestaat daarom geen aanleiding.

6.

Uit de eerste tussenuitspraak volgde reeds dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, het bezwaarschrift van eiseres tegen besluit met betrekking tot het object [adres3] ongegrond te verklaren. De rechtbank zal de besluiten met betrekking tot de objecten [adres1] en [adres2] herroepen. De rechtbank bepaalt voorts dat [naam2], terzake van het object [adres1] te [plaats2] in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in geleden planschade tot een bedrag van € 5.200,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van haar verzoek en dat [naam3], terzake van het object [adres3] te [plaats2] in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in geleden planschade tot een bedrag van € 4.200,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van zijn verzoek. De rechtbank zal verder bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

7.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op in totaal €1.416,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor bijwonen van een zitting, 1/2 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie op de eerste tussenuitspraak, 1/2 punt voor het bijwonen van een vervolgzitting met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres heeft verzocht om vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase. De kosten van een deskundige op grond van artikel 8:75 van de Awb komen voor vergoeding in aanmerking, als het inschakelen van de deskundige redelijk is en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Of het inschakelen van een niet-juridische deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, is mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of degene die een beroep op de deskundige heeft gedaan, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van het inschakelen van de deskundige, ervan uit mocht gaan dat deze deskundige een bijdrage zou kunnen leveren aan een voor hem gunstigere beantwoording van een voor de uitkomst van het geschil relevante vraag. In het licht van deze maatstaf is de rechtbank van oordeel dat eiser in redelijkheid de bijstand van [bedrijf] heeft ingeroepen omdat hij in redelijkheid mocht menen dat een taxatie een relevante bijdrage zou leveren aan de procedure. De omstandigheid dat de rapportages van deze deskundige niet hebben geleid tot een aanpassing van de door de SAOZ vastgestelde waardevermindering doet hieraan niet af. Het uurtarief voor het opmaken van een deskundigenrapport wordt ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, dat in bezwaar in zoverre van overeenkomstige toepassing is, forfaitair bepaald overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor werkzaamheden waarvoor geen speciaal tarief is bepaald een tarief van ten hoogste €116,09 per uur. De aard van de verrichte werkzaamheden in aanmerking genomen gaat de rechtbank van dit uurtarief uit. Er zijn volgens de specificatie van [bedrijf] van 2 februari 2012 24 uren aan het advies besteed, zodat een bedrag van € 2.786,16 voor vergoeding in aanmerking komt.
De rechtbank veroordeelt verweerder ook tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van € 302,00.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaarschrift van eiseres tegen het primaire besluit terzake van het object van [adres3] ongegrond;

  • -

    herroept de primaire besluiten terzake van de objecten [adres1] en [adres2]

  • -

    bepaalt dat [naam2], terzake van het object [adres1] te [plaats2] in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in geleden planschade tot een bedrag €_5.200,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van haar verzoek en onder restitutie van de betaalde leges van € 300,00;

  • -

    bepaalt dat [naam3], terzake van het object [adres3] te [plaats2] in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in geleden planschade tot een bedrag van € 4.200,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van zijn verzoek en onder restitutie van de betaalde leges van € 300,00;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 302,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 4.202,16 te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. J.D. Streefkerk, leden, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Belt - Brouns, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2013.

griffier voorzitter

De griffier is buiten staat
de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.