Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:2876

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-07-2013
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
AWB-13_352
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskosten. Ter zitting behandelt de rechtbank achttien zaken van verschillende belanghebbenden waarin dezelfde gemachtigde optreedt. De rechtbank ziet daarin, zie rechtsoverweging 15, geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, Bpb.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2015/168 met annotatie van Redactie
FutD 2015-0467
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/352

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: G. Gieben),

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, verweerder

(gemachtigden: J. Tammel en A.C.M. Felix-Vlemmings).

Procesverloop

Bij besluit van 29 februari 2012 heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2011, vastgesteld voor het kalenderjaar 2012 op € 424.000.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 december 2012 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 375.000. Daarbij is tevens aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend ter hoogte van in totaal € 218.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft ten behoeve van alle zaken die tezamen op de zitting van 29 mei 2013 zijn geagendeerd een gezamenlijk verweerschrift ingediend, gedagtekend op 22 maart 2013.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2013. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken SHE 12/3607, SHE 12/3608, SHE 12/3659, SHE 12/4264, SHE 13/63, SHE 13/127, SHE 13/262, SHE 13/328, SHE 13/341, SHE 13/348, SHE 13/349, SHE 13/350, SHE 13/351, SHE 13/575, SHE 13/576, SHE 13/585, SHE 13/638. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Uyen en B.M.T. Claasen, kantoorgenoten van zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigden. Nadien zijn de zaken weer gesplitst en wordt in deze zaak separaat uitspraak gegaan.

Overwegingen

1.

Het beroep richt zich enkel tegen de hoogte van de bij de bestreden uitspraak toegekende proceskostenvergoeding. Volgens eiser maakt hij ook aanspraak op een vergoeding in verband met kosten van rechtsbijstand voor het verschijnen op de hoorzitting.
Ook dient verweerder de volledige kosten van het in bezwaar overgelegde taxatierapport en de in bezwaar gemaakte kadasterkosten te vergoeden.

2.

De rechtbank stelt voorop, anders dan verweerder heeft vermeld in de bijlage bij het verweerschrift, dat ter zitting is komen vast te staan dat de heer B. van der Wielen, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser, op 18 september 2012 is verschenen op de (gecombineerde) hoorzitting en tijdens deze hoorzitting zijn standpunt naar voren heeft gebracht. De rechtbank zal bij de beoordeling van deze zaak daar dan ook vanuit gaan.


De hoorzitting

3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor vergoeding van de kosten voor het verschijnen op de hoorzitting. Verweerder is van mening dat de hoorzitting niet noodzakelijk was en de kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser op de hoorzitting niet in wezenlijk opzicht heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de bestreden uitspraak. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang gelezen met artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) geen grond biedt om bij een gegrond bezwaar af te zien van vergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting. Dat de verlaging van de waarde volgens verweerder niet heeft plaatsgevonden naar aanleiding van hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht, maakt het verzoek van de gemachtigde om te worden gehoord en de aanwezigheid op een hoorzitting nog niet onredelijk of onnodig.

4.

Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank van oordeel is dat de hoorzitting voor een vergoeding in aanmerking komt, er sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, althans in gevallen waar sprake is van gecombineerde hoorzittingen. Volgens verweerder kan hierin aanleiding worden gevonden om voor de zaken die tijdens een gecombineerde hoorzitting zijn behandeld en waarvan de bezwaren gegrond zijn verklaard, de wegingsfactor voor het bijwonen van de hoorzitting op 0,25 vast te stellen. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415) dat voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb terughoudendheid is geboden. Een dergelijke toepassing is eerst op zijn plaats, indien sprake is van een groot aantal zaken die een sterke inhoudelijke samenhang vertonen, waardoor de proceshandelingen voor een groot deel een uniform karakter hebben en niet zijn afgestemd op de bijzonderheden van de zaak. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Het enkele feit dat verweerder er voor kiest deze zaak tezamen met een aantal andere zaken van de gemachtigde van eiser op één gecombineerde hoorzitting te behandelen, is daarvoor onvoldoende. Te meer nu het gaat om zaken van verschillende eisers. Bovendien zijn deze eisers afkomstig uit verschillende gemeentes die toevallig ressorteren onder het samenwerkingsverband van verweerder. Ook de feitelijke omstandigheden, de in bezwaar bestreden waarden van de onroerende zaken en de aangevoerde bezwaargronden verschillen wezenlijk van elkaar. De omstandigheid dat het tijdsbeslag van de behandeling van de zaak op een gecombineerde hoorzitting relatief kort is geweest en dat de hoeveelheid werk voor de kantoorgenoot van de gemachtigde – en daarmee de kosten – in dit geval wellicht bescheiden in omvang is geweest, vormt nog geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. Het is immers een forfaitaire regeling, waarbij wordt geabstraheerd van de daadwerkelijk gemaakte kosten.

5.

Ook anderszins is er geen reden om de wegingsfactor voor het bijwonen van de hoorzitting op 0,25 te stellen. Uit de Nota van toelichting bij het Besluit van 25 februari 2002 tot wijziging van het Bpb, Stb 2002, 113, leidt de rechtbank af dat wegingsfactor 1 het uitgangspunt is. Daarvan kan voor lichtere of zwaardere zaken gemotiveerd worden afgeweken, waarbij het uitgangspunt steeds het gewicht van de zaak is. In het onderhavige geval heeft verweerder in de bestreden uitspraak bij de toekenning van de kosten voor rechtsbijstand reeds gesteld dat de wegingsfactor 1 is gehanteerd. Verweerder heeft dit standpunt in beroep ook gehandhaafd, omdat ook volgens verweerder sprake is van een ‘gemiddelde’ zaak als bedoeld in het Bpb. De rechtbank ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen. Aangezien de wegingsfactor van de zaak in bezwaar reeds is vastgesteld op 1, kan vervolgens door verweerder niet worden verdedigd dat diezelfde zaak tijdens de hoorzitting moet worden aangemerkt als zeer licht. Anders dan verweerder meent, gaat het gelet op het bepaalde in het Bpb bij de hantering van de wegingsfactor niet om het gewicht van de proceshandeling, in dit geval de hoorzitting, maar van de zaak zelf.

6.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het Bpb geen aanknopingspunt biedt om in dit geval minder dan 1 punt (met wegingsfactor 1) voor het bijwonen van een hoorzitting door een (kantoorgenoot van de) gemachtigde toe te kennen. Verweerder dient dan ook in onderhavige zaak, evenals in alle andere zaken afzonderlijk, het verschijnen op de hoorzitting voor 1 punt en met wegingsfactor 1 te vergoeden.



Taxatiekosten

7.

Eiser heeft zich in dit verband ter zitting allereerst op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat om verweerder de werkelijk gemaakte taxatiekosten te laten vergoeden en niet aan te sluiten bij de Richtlijn inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties (gepubliceerd in de Staatscourant van 18 december 2012, nr. 26039) die de gerechtshoven en de rechtbanken inmiddels naar aanleiding van onder meer het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX0904) hanteren. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit dit arrest volgt immers dat eerst aanleiding bestaat om af te wijken van de in de richtlijn genoemde tarieven voor taxaties indien daar naar de aard en de complexiteit van de te verrichten taxatie van een object aanleiding toe bestaat. Dat daar in dit geval, een (inpandige) taxatie van een courante woning, sprake van was heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen reden om, in afwijking van de tarieven als genoemd in de Richtlijn, uit te gaan van de door de taxateur van eiser gefactureerde taxatiekosten.

8.

Met betrekking tot de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten hanteert de rechtbank aldus de Richtlijn als uitgangspunt. Omdat verweerder het door eiser gestelde tijdsbeslag niet heeft weesproken en evenmin het door verweerder gehanteerde tarief omzetbelasting in geschil is, gaat de rechtbank conform de Richtlijn uit van een uurtarief van € 50 en een tijdsbeslag van 4 uur voor een inpandige opname, te vermeerderen met 21 % omzetbelasting, dus een bedrag van € 242. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat eiser de omzetbelasting niet in aftrek kan brengen en dat deze ook daadwerkelijk op hem drukt.



Kadastrale kosten

9.

Verweerder heeft ten aanzien van de kadastrale kosten het standpunt ingenomen dat deze kosten zijn inbegrepen in de taxatie en niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. De kosten die eiser heeft gemaakt voor het opstellen van een taxatierapport als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb dienen te worden onderscheiden van de kosten die eiser voor kadastrale recherche heeft moeten maken. Deze kadastrale kosten dienen te worden aangemerkt als kosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb. Verweerder dient deze kadastrale kosten (€ 5,90) aan eiser te vergoeden.

Waarde per punt

10.

De rechtbank gaat voor de bezwaarfase uit van een waarde per punt van € 235. In overeenstemming met de inmiddels door de Hoven gevolgde lijn (zie de uitspraak van 12 april 2013 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8512, en de uitspraak van 15 januari 2013 van het gerechtshof Arnhem, ECLI:NL:GHARL:2013: BY9478), dient immers te gelden dat indien de rechter na vernietiging van de uitspraak op bezwaar een proceskostenvergoeding voor de kosten van bezwaar vaststelt of wijzigt, het verhoogde tarief moet worden toegepast, ook als het gaat om proceshandelingen die vóór 1 januari 2013 zijn verricht. Dit is in overeenstemming met de lijn die de hoogste algemene bestuursrechters hanteren bij de hoogte van het tarief voor handelingen die zien op de beroepsfase (zie het arrest van 19 april 2013 van de Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4034).

11.

Het beroep is gegrond en de bestreden uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden vernietigd. De rechtbank stelt de hoogte van de proceskosten in bezwaar op de voet van de artikelen 8:75 in samenhang met 7:15, tweede lid, van de Awb alsnog vast op in totaal € 717,90. Dit bedrag is samengesteld uit de kosten van rechtsbijstand € 470 (het indienen van een bezwaarschrift, het verschijnen op de hoorzitting, een waarde per punt van € 235 en een wegingsfactor 1), de kosten van de deskundige voor het opstellen van het taxatierapport (€ 242) en de kadasterkosten (€ 5,90).

Proceskosten in beroep

12.

Verweerder stelt zich bij de bepaling van de hoogte van de proceskostenvergoeding in beroep op het standpunt dat uit moet worden gegaan van samenhang als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb tussen deze zaak en de andere zaken als genoemd in het procesverloop.

13.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb is sprake als het gaat om (nagenoeg) gelijktijdig door één of meer belanghebbenden tegen (nagenoeg) identieke besluiten op vergelijkbare gronden ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand is verleend door één of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. In dit geval is daarvan geen sprake. Op de eerste plaats omdat niet gezegd kan worden dat de beroepen nagenoeg gelijktijdig zijn ingesteld. Het betreft immers de periode van 7 november 2012 tot 13 februari 2013. Bovendien gaat het om zaken van achttien verschillende belastingplichtigen (natuurlijke personen) van wie gesteld noch gebleken is dat zij op enigerlei wijze aan elkaar zijn gelieerd of met elkaar zijn te vereenzelvigen. Onder omstandigheden is het weliswaar denkbaar dat ook bij verschillende (niet gelieerde of met elkaar te vereenzelvigen) belastingplichtigen sprake is van samenhangende zaken – bijvoorbeeld in een situatie waarin een aantal belastingplichtigen met eenzelfde probleem en teneinde de kosten per persoon te beperken gezamenlijk een gemachtigde benaderen om namens hen te procederen – , maar dergelijke omstandigheden zijn door verweerder niet gesteld. De enkele omstandigheid dat belastingplichtigen met een gelijk of vergelijkbaar geschil zich hebben laten bijstaan door dezelfde gemachtigde is op zichzelf onvoldoende om de zaken van die belastingplichtigen als samenhangend aan te merken. Een ander oordeel zou leiden tot het onaanvaardbare gevolg dat verschillende belastingplichtigen die van elkaar niet weten dat zij door dezelfde gemachtigde worden bijgestaan, worden geconfronteerd met een lagere proceskostenvergoeding hoewel er geenszins op voorhand van kan worden uitgegaan dat zij ook minder kosten hebben gemaakt. In het licht van het voorgaande leidt de verwijzing van verweerder naar de uitspraak van 13 januari 2012 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2012:BV8493) en de uitspraak van 12 oktober 2012 van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2890), niet tot een ander oordeel.

14.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank hem niet volgt in zijn standpunt dat sprake is van samenhangende zaken, er aanleiding bestaat om af te wijken van de forfaitaire regeling vanwege het feit dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. De onverkorte toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Bpb zou volgens verweerder leiden tot een onevenredigheid tussen de omvang van de verrichtte werkzaamheden en de vergoeding.

15.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 2, derde lid, van het Bpb geen grond biedt om in dit geval af te wijken van de in artikel 2, eerste lid, van het Bpb vastgelegde regeling voor vergoeding van de kosten. Zoals reeds is overwogen dient de rechtbank bij de toepassing van de hiervoor genoemde hardheidsclausule een grote mate van terughoudendheid te betrachten en volgt uit de jurisprudentie dat toepassing in de regel beperkt dient te blijven tot die situaties waarbij sprake is van een (zeer) groot aantal zaken en er werkelijk sprake is van een uitzondering. De omstandigheid dat de zaken in beroep zich beperken tot de proceskostenvergoeding en daardoor deels een inhoudelijke samenhang vertonen, waardoor de hoeveelheid werk voor de gemachtigde beperkter van aard kan zijn geweest, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. De verwijzing van verweerder naar het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een vergelijkbare situatie.

16.

De rechtbank gaat tenslotte voorbij aan eisers stelling ter zitting dat de werkelijke gemaakte kosten dienen te worden vergoed door verweerder. Nog daargelaten dat de ter zitting geschetste kostenberekening niet is onderbouwd met relevante stukken, heeft eiser zich voorts op het standpunt gesteld om aan te sluiten bij de forfaitaire bedragen als genoemd in het Bpb. De rechtbank zal daar bij de proceskostenveroordeling ook van uitgaan.

17.

Verweerder dient het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2013, voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 472 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 0,5 omdat het geschil zich beperkt tot de proceskosten).


Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aangevochten;

  • -

    stelt de hoogte van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase vast op € 717,90;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 472, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.S. Peskens, rechter, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.