Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:2702

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
03-07-2013
Zaaknummer
SHE 13/2698
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing relativiteitsvereiste (artikel 8:69a van de Awb) in een Wet WIA-zaak. Eiser is een WGA-uitkering toegekend. Naar aanleiding van het bezwaar van zijn werkgever (die voor eiser een IVA-uitkering wil) is de WGA-uitkering ingetrokken per 12 april 2013. Eiser heeft een beroep gedaan op het verbod van reformatio in peius. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze beroepsgrond niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Artikel 8:69a van de Awb verzet zich hier namelijk tegen omdat het door eiser genoemde rechtsbeginsel in dit geval niet strekt tot bescherming van zijn belangen, maar tot bescherming van de belangen van zijn werkgever. De rechtbank is niettemin van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Verweerder heeft de WGA-uitkering aanvankelijk beëindigd per een datum gelegen in de loongerelateerde fase. Verweerder handhaaft dit standpunt niet langer omdat de effecten hiervan voor eisers WW-rechten zeer nadelig zijn. De door verweerder gekozen ‘noodoplossing’ acht de rechtbank in strijd met artikel 117 van de Wet WIA. Gegeven het feit dat verweerder artikel 117 van de wet WIA bij een geslaagd werkgevers bezwaar niet pleegt toe te passen, ligt een toepassing van artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA (voortzetting van de uitkering tot het einde van de loongerelateerde fase) in de rede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/87 met annotatie van C.B. Modderman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/2698

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.H. Smit),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: P.M.W. van der Helm).

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser per 21 maart 2012 in aanmerking komt voor een loongerelateerde WGA-uitkering.

Tegen dit besluit heeft de werkgever van eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van

4 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard en de WGA-uitkering met ingang van 12 april 2013 beëindigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2013, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.

Eiser was werkzaam als kraanbestuurder en heeft zich op 24 maart 2010 ziek gemeld in verband met benauwdheidsklachten.

3.

Naar aanleiding van eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts op 6 maart 2012 een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Aangezien de arbeidsdeskundige geen voor eiser geschikte functies kon vinden, heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat eiser voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft vervolgens zijn besluit van 13 april 2012 genomen.

4.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B) geconstateerd dat het rapport van de verzekeringsarts tegenstrijdigheden bevat en ook op andere gronden ondeugdelijk is. De zaak is terugverwezen naar de primaire verzekeringsarts en deze heeft informatie opgevraagd bij eisers longarts. Mede op basis van deze informatie heeft de verzekeringsarts een nieuwe FML opgesteld waarin lichtere beperkingen zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van functieduiding vastgesteld dat eiser alsnog, met ingang van 21 maart 2012, minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De hierop volgende beoordelingen van de verzekeringsarts B&B en de arbeidsdeskundige B&B hebben niet tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage geleid.

5.

Bij bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering. Gelet op het bepaalde in artikel 117 van de Wet WIA heeft verweerder de WIA-uitkering bij het bestreden besluit beëindigd per 12 april 2013.

6.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

7.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de primaire toekenning van de WGA-uitkering naar aanleiding van het bezwaar van de werkgever ten onrechte inhoudelijk heeft overwogen. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat de werkgever geen procesbelang had zodat diens bezwaar niet-ontvankelijk had dienen te worden verklaard.

8.

De rechtbank stelt vast dat de werkgever met zijn bezwaar beoogde te bereiken dat aan eiser een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering zou worden toegekend. Nu een IVA-uitkering, anders dan een WGA-uitkering, niet wordt doorberekend in de premie aan de werkgever is de rechtbank van oordeel dat het resultaat dat de werkgever met het bezwaar nastreefde ook daadwerkelijk kon worden bereikt en aan het realiseren daarvan feitelijke betekenis voor de werkgever niet kon worden ontzegd. Naar vaste rechtspraak is in die situatie sprake van procesbelang. Dat de heroverweging in bezwaar tot een door de werkgever niet beoogd resultaat heeft geleid, doet hier niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.

9.

Evenmin kan eiser worden gevolgd in zijn stelling dat de heroverweging in bezwaar beperkt had dienen te blijven tot de door de werkgever aangevoerde bezwaargrond dat eisers arbeidsongeschiktheid duurzaam van aard was. In aanmerking genomen dat deze bezwaargrond geen betrekking heeft op een besluitonderdeel maar op een besliscomponent, verzette artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich niet tegen een heroverweging van de in het primaire besluit vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid door verweerder.

10.

Nu eiser van het voorgenomen besluit op 2 november 2012 in kennis is gesteld en hij in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren dienaangaande naar voren te brengen, kan eiser voorts niet worden gevolgd in zijn stelling dat hem een procesgang is ontnomen. In aanmerking genomen dat de uiteindelijke beslissing op bezwaar pas op 4 maart 2013 is genomen, is van een onredelijke korte termijn om de bezwaren tegen het voorgenomen besluit naar voren te brengen bovendien geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

11.

Partijen houdt vervolgens verdeeld of eisers mate van arbeidsongeschiktheid bij het thans bestreden besluit terecht op minder dan 35% is vastgesteld. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. De rechtbank acht in dit verband van belang dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en de verzekeringsarts bij zijn oordeelsvorming mede beschikte over informatie van eisers behandelend longarts.

12.

Op basis van de aldus verkregen informatie heeft de verzekeringsarts zich op het standpunt gesteld dat eiser in principe een goed inspanningsvermogen heeft en in staat moet worden geacht tot niet al te zware werkzaamheden. Aan de door eiser in geding gebrachte resultaten van een Sapphire fysiek belastingsonderzoek, uitgevoerd door ergonomisch adviesbureau Ergonomeijs, kan naar het oordeel van de rechtbank niet die waarde worden gehecht die eiser wenst. Naar vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 maart 2005 (LJN: AT1547) dienen de uitkomsten van belastbaarheidsonderzoeken met terughoudendheid te worden gehanteerd bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen, reeds omdat in verband met de gebruikte onderzoeksmethode de onderzochte persoon zelf, al dan niet bewust, in enige mate invloed zal kunnen uitoefenen op het onderzoek en aldus niet voorkomen zal kunnen worden dat de resultaten ervan mede afhankelijk zijn van diens medewerking aan het onderzoek.

13.

Op basis van de opgestelde FML is eiser geschikt te achten tot het verrichten van de aan hem voorgehouden functies, waarbij het verlies aan verdienvermogen is vastgesteld op minder dan 35%. De belasting in de geduide functies valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de voor eiser vastgestelde belastbaarheid, en voor zover daarbij sprake is van overschrijdingen zijn deze door de arbeidsdeskundige (B & B) genoegzaam gemotiveerd. De door eiser tegen de geduide functies aangevoerde grieven gaan uit van verdergaande beperkingen dan in de FML zijn neergelegd, en kunnen derhalve niet slagen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat bij eiser per einde wachttijd sprake is van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

14.

Partijen houdt vervolgens verdeeld de vraag of verweerder op grond van dit gewijzigd inzicht aangaande eisers arbeidsongeschiktheid de bij het primaire besluit toegekende loongerelateerde WGA-uitkering mocht beëindigen.

15.

Eiser heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het verbod van reformatio in peius nu de werkgever slechter af is door het instellen van bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond, wat daar overigens ook van zij, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Het rechtsbeginsel waarop eiser zich beroept strekt in dit concrete geval niet tot bescherming van eisers belangen, maar tot bescherming van de belangen van zijn werkgever. Van reformatio in peius ten opzichte van eiser zelf is voorts geen sprake nu hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de primaire toekenning van de WGA-uitkering maar als derde-belanghebbende bij het bezwaar van de werkgever was betrokken. Aan de hoedanigheid van derde-belanghebbende is naar het oordeel van de rechtbank inherent dat primaire (begunstigende) besluitvorming naar aanleiding van ingediende bezwaargronden ten nadele kan worden gewijzigd.

16.

Evenwel is de rechtbank van oordeel dat eiser om de navolgende reden gevolgd kan worden in zijn standpunt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

17.

Ter zitting heeft verweerder verzocht het bestreden besluit gewijzigd te lezen in die zin dat de WGA-uitkering alsnog per einde wachttijd (21 maart 2012) wordt ingetrokken, evenwel die uitkering feitelijk doorbetaald wordt tot 12 april 2013. Indien een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) wordt toegekend per 21 maart 2012 zal deze worden verrekend met de tot 12 april 2013 betaalde WGA-uitkering, waarna de WW-uitkering met ingang van laatstgenoemde datum zal worden uitbetaald. Middels deze bestendige gedragslijn, door verweerder als ‘noodoplossing’ aangeduid, tracht verweerder de nadelige effecten die voortvloeien uit het onverkort toepassen van artikel 117 van de Wet WIA voor de werknemer te ondervangen. Vanwege het bepaalde in artikel 17a, tweede lid, van de WW kan een werknemer bij een weigering of beëindiging van de WGA-uitkering per een andere datum dan de datum einde wachttijd namelijk geen recht meer krijgen op een WW-uitkering, ook niet voor de resterende periode waarop hij gezien zijn arbeidsverleden nog recht zou hebben. Onverkorte toepassing van artikel 117 van de Wet WIA, een bepaling die juist tot doel heeft de werknemer te beschermen, leidt in een geval zoals hier aan de orde is immers tot een veel groter nadeel voor de werknemer, aldus verweerder.

18.

De rechtbank kan verweerders ter zitting gedane verzoek om het bestreden besluit gewijzigd te lezen niet honoreren, reeds omdat die gewijzigde lezing leidt tot een ander rechtsgevolg (te weten: een intrekking van de WGA-uitkering per einde wachttijd) dan thans in het bestreden besluit is vervat. Nu verweerder de intrekking van de WGA-uitkering per 12 april 2013 niet langer handhaaft is de grondslag aan het bestreden besluit komen te ontvallen, en kan dit besluit niet in stand blijven.

19.

Ter finale beslechting van het geschil ziet de rechtbank aanleiding voor de navolgende overwegingen.

20.

Hoewel de rechtbank begrip kan opbrengen voor de door verweerder voorgestane noodoplossing, waarbij de WGA-uitkering in verband met de WW-aanspraken van de werknemer met terugwerkende kracht per einde wachttijd wordt ingetrokken, is die oplossing naar het oordeel van de rechtbank strijdig te achten met het bepaalde in artikel 117 van de Wet WIA. De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis met dit artikel immers uitdrukkelijk willen voorkomen dat een werknemer als gevolg van een werkgeversbezwaar of - beroep geconfronteerd wordt met een intrekking of verlaging van zijn uitkering met terugwerkende kracht. Dat verweerder daarbij de feitelijk uitbetaalde bedragen aan WGA-uitkering ongemoeid laat, waarbij deze bedragen worden verrekend met eventuele betalingen van WW-uitkering, doet hier niet aan af.

21.

Met betrekking tot de door verweerder gekozen noodoplossing is voorts van belang dat de wetgever juist met het bepaalde in artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA uitdrukkelijk heeft beoogd opgebouwde WW-rechten tijdens het genieten van een WGA-uitkering in de loongerelateerde fase te waarborgen. Aan de wetsgeschiedenis (Tweede kamer, vergaderjaar 2004-2005, 30 034, nr.3 pagina 70) ontleent de rechtbank daarbij het volgende:

“Het recht op de WGA-uitkering eindigt in beginsel ook als de betrokkene

niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Daarop geldt een uitzondering

als de betrokkene een WGA-uitkering in de loongerelateerde fase

ontvangt. In die fase eindigt het recht op de WGA-uitkering niet als hij

minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt. De reden daarvan is dat de

loongerelateerde WGA-uitkering in de plaats komt van de WW-uitkering.

De WW kent een dergelijke eindigingsgrond niet. Als het recht op de

WGA-uitkering in de loongerelateerde fase op basis van deze grond wel

zou eindigen, zou dat meebrengen dat de betrokkene:

• Ofwel nog eens een WW-uitkering kan claimen die even lang duurt als

de loongerelateerde WGA-uitkering, en wel vanwege dezelfde periode

van werken voor ingang van het recht op de WGA-uitkering. Dat zou

betekenen dat de betrokkene tweemaal een (volledige) uitkering

ontvangt: eenmaal omdat hij na de loondoorbetalingsperiode gedeeltelijk

arbeidsgeschikt is en eenmaal omdat hij na de loondoorbetalingsperiode

(gedeeltelijk) werkloos is.

• Ofwel geen recht op een WW-uitkering hebben omdat hij niet aan de

referte-eis voldoet, terwijl zijn loongerelateerde uitkering ingevolge de

WGA (veel) korter heeft geduurd dan waar hij ingevolge de WW recht

op zou hebben gehad als hij direct na twee jaar ziekte minder dan 35%

arbeidsongeschikt zou zijn geweest.”

22.

Nu de wetgever er voor heeft gekozen een reeds toegekende WGA-uitkering, ondanks dat van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid geen sprake (meer) is, niet eerder te laten eindigen dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering eindigt, ligt een overeenkomstige toepassing van artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA, gegeven het feit dat verweerder in gevallen als die van eiser geen toepassing pleegt te geven aan artikel 117 van de Wet WIA, naar het oordeel van de rechtbank in de rede. Voor de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA, en de daaraan ten grondslag liggende gedachte dat opgebouwde WW-aanspraken in de loongerelateerde fase van een WGA-uitkering gewaarborgd dienen te blijven, bestaat naar het oordeel van de rechtbank immers geen noemenswaardig verschil tussen een betrokkene die in de loongerelateerde fase minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt en de werknemer ten aanzien van wie in de loongerelateerde fase naar aanleiding van een werkgeversbezwaar wordt vastgesteld dat hij per einde wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

23.

De rechtbank concludeert dat verweerder ten onrechte heeft besloten de WGA-uitkering van eiser te beëindigen. Eisers beroep slaagt. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal vernietigd worden. Verweerder zal worden opgedragen naar aanleiding van de bezwaren van eisers werkgever een nieuw besluit te nemen.Verweerder dient bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar vorenstaande overwegingen tot uitgangspunt te nemen.

24.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1). Verweerder zal ook het door eiser betaalde griffierecht aan hem dienen te vergoeden.

25.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank.

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in

deze uitspraak is overwogen;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem betaalde griffierecht ter hoogte van

€ 44,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 944,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers, voorzitter, en mr. B.A.J. Zijlstra en

mr. M. van ’t Klooster,als leden, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Laro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.