Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:2698

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
01-889077-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek voorarrest voor het medenemen naar een ander land van een persoon, met het oogmerk deze persoon ertoe te brengen werkzaam te zijn in de prostitutie.

Vrijspraak van mensenhandel (art. 273f lid 1 sub 4 en 9 van het Wetboek van Strafrecht) en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01/889077-12]

Strafrecht

Parketnummer: 01/889077-12

Datum uitspraak: 04 juli 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]op [1992],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 september 2012, 11 december 2012 en 19 en 20 juni 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 augustus 2012.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 september 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2012 tot en met 23 maart 2012 te Eindhoven en/of 's-Gravenhage en/of elders in

Nederland en/of Hongarije,tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen,

[slachtoffer 1] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden,

door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding

dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen

zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te

weten het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen

betaling (sub 4)

en/of

[slachtoffer 1] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden,

door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding

dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen

hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de

seksuele handeling(en) van [slachtoffer 1] met of voor een derde,(sub 9)

Immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) in voornoemde

periode:

  • -

    een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [slachtoffer 1] en/of

  • -

    voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) naar een prostitutieplek vervoerd en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] onder druk gezet en/of dreigende/agressieve taal jegens die [slachtoffer 2]

geuit en/of

- (de werkzaamheden van) die[slachtoffer 1] gecontroleerd, althans haar

verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of

- die [slachtoffer 1] gedwongen/bewogen om 12 uur per dag, althans een groot aantal

uren per dag, prostitutiewerkzaamheden te verrichten en/of

- die [slachtoffer 1] gedwongen/bewogen om voor 30 euro per klant seksuele handelingen

te verrichten, zijnde die 30 euro een substantieel lager bedrag dan het

gangbare tarief voor seksuele handelingen op het [plein] te Eindhoven

en/of

- die [slachtoffer 1], indien er niet genoeg inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden

binnen kwam, gedwongen/bewogen om op haar (prostitutie)werkplek te overnachten

en/of

- de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer 1] beperkt door haar op te dragen dat zij

niet zonder zijn, verdachtes, en/of zijn mededaders, toestemming, haar

prostitutiewerkplek mocht verlaten en/of

- die [slachtoffer 1] gedwongen/bewogen (een groot deel van) haar

verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) af

te staan/af te dragen;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2010

tot en met 23 maart 2012, te Eindhoven en/of 's-Gravenhage en/of elders in

Nederland en/of te Hongarije en/of elders in Europa, tezamen en in vereniging

met (een) ander(en), althans alleen,

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] heeft/hebben medegenomen

met het oogmerk die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] in een ander

land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het

verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub

3);

(artikel 273f lid 1 sub 4, 9 en 3 Wetboek van Strafrecht)

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari

2012 tot en met 6 juni 2012, te Eindhoven en/of 's-Gravenhage en/of een of

meer plaatsen in Nederland en/of Hongarije, (telkens)

(een) voorwerp(en), te weten een of meer hoeveelheid/hoeveelheden (contant)

geld zijnde de inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1], heeft

verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans

van dat/die voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist,

althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis/quater van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging, nu de teksten/samenvattingen van de in het proces-verbaal opgenomen tapverslagen ontoelaatbaar en doelbewust zijn gemanipuleerd.

De officier van justitie heeft gesteld dat het verweer van de raadsman tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te worden verworpen omdat de in het dossier opgenomen samenvattingen vrijwel identiek zijn aan de strekking en de inhoud van de integraal uitgewerkte telefoongesprekken.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vervolging.

In het eindproces-verbaal en in het BOB-dossier bevinden zich samenvattingen/delen van de tapgesprekken. Tevens is een aantal telefoongesprekken integraal uitgewerkt.

De rechtbank heeft de samenvattingen en de integraal uitgewerkte telefoongesprekken met elkaar vergeleken. De rechtbank heeft geconstateerd dat er samenvattingen zijn die op onderdelen afwijken van de integraal uitgewerkte telefoongesprekken. Deze afwijkingen zijn naar het oordeel van de rechtbank ofwel gering of het betreft een interpretatie waarover valt te twisten. De rechtbank is van oordeel dat, gelet hierop, niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een doelbewuste verkeerde weergave van de samenvattingen van de telefoongesprekken of anderszins van manipulatie.

Niet kan worden gezegd dat er sprake is van een aan het openbaar ministerie toe te rekenen ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook voor het overige geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak.

Ten aanzien van feit 1 ( [slachtoffer 1] dwingen/bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde (art. 273f lid 1 sub 4) en het zich bevoordelen uit de opbrengst (art. 273f lid 1 sub 9) en ten aanzien van feit 2 (witwassen).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht - kort gezegd - de mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] en het witwassen van de inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen. Er is sprake van een liefdesrelatie tussen verdachte en [slachtoffer 1]. De bestanddelen genoemd in de tenlastelegging kunnen op basis van de tapgesprekken worden bewezen, met uitzondering van de bedreigingen.

Uit de tapgesprekken blijkt dat na de actiedag op 23 maart 2012 op het [plein] alle betrokkenen druk bezig zijn hun verklaringen op elkaar af te stemmen.

De officier van justitie hecht geen geloof aan de verklaringen van [slachtoffer 1].

De tapgesprekken en (tegenstrijdige) getuigenverklaringen vragen om een redelijke verklaring van verdachte. Die geeft hij echter niet.

Verdachte heeft de inkomsten uit de mensenhandel verworven en voorhanden gehad.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte ontkent het hem ten laste gelegde. De raadsman van verdachte heeft vrijspraak ten aanzien van de feiten 1 en 2 bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat sprake is van een (liefdes)relatie tussen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en verdachte. [slachtoffer 1] heeft in de prostitutie gewerkt – onder andere op het [plein] te Eindhoven - en verdachte heeft [slachtoffer 1] een keer naar de prostitutieplek gebracht.

In het dossier bevinden zich processen-verbaal betreffende afgeluisterde telefoongesprekken, gevoerd met de mobiele telefoon in gebruik bij [slachtoffer 3], die eveneens als prostituee op het [plein] te Eindhoven werkte. Sommige gesprekken voert [slachtoffer 3] met [slachtoffer 1]. Daarnaast zijn er gesprekken waarin [slachtoffer 3] met een ander over [slachtoffer 1] spreekt. De gesprekken bevatten enkele aanwijzingen dat [slachtoffer 1] het slachtoffer is van mensenhandel. In enkele van de opgenomen en afgeluisterde gesprekken (bijvoorbeeld nr. 1053 en nr. 536) spreekt [slachtoffer 1] met [slachtoffer 3] over verdachte. De inhoud daarvan is echter onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte zich schuldig maakt aan mensenhandel.

Voorts blijkt uit het dossier niet dat er door [slachtoffer 1] geld is overgemaakt naar of overgedragen aan verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte degene is geweest die van de prostitutie-inkomsten van [slachtoffer 1] heeft geprofiteerd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel met betrekking tot [slachtoffer 1].

Nu niet kan worden bewezen dat verdachte inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] heeft verworven of voorhanden gehad, kan het onder 2 ten laste gelegde eveneens niet wettig en overtuigend worden bewezen. Om die reden zal de rechtbank verdachte ten aanzien van feit 2 vrijspreken.

Bewijs

Bronnen.

1.

Een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche, met dossiernummer 2012023943, afgesloten d.d. 29 augustus 2012, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 1055. Dit dossier bevat een verzameling opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventuele) andere bescheiden (hierna dossier 1);

2.

Een BOB-dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche

Eindhoven, met dossiernummer 2012023943, afgesloten d.d. 28 augustus 2012,

aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 1173. Dit dossier bevat een

verzameling opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader

van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventuele) andere

bescheiden (hierna dossier 2);

3.

Een aantal integraal vertaalde tapgesprekken met betrekking tot de periode van 9 maart 2012 tot en met 24 maart 2012, pag. 1 tot en met 162 (hierna dossier 3).

4.

Een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche, met dossiernummer 2233120307, met betrekking tot[medeverdachte 1]. Dit dossier bevat een verzameling opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventuele) andere bescheiden (hierna dossier 4);

Inleiding.

Verdachte wordt voorts onder 1 verweten dat hij [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] heeft meegenomen naar Nederland met het oogmerk hen ertoe te brengen werkzaam te zijn in de prostitutie.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] op 12 maart 2012 samen met anderen heeft meegenomen naar een ander land, met het oogmerk haar ertoe te brengen werkzaam te zijn in de prostitutie. Verdachte heeft [slachtoffer 2] op Airport Eindhoven opgehaald en haar meteen daarna naar het [plein] gebracht.

Voor het meenemen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] acht de officier van justitie onvoldoende wettig en overtuigd bewijs voorhanden. Ten aanzien van het meenemen van deze personen heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte ontkent het hem ten laste gelegde.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Behulpzaam zijn bij vervoer of andere aspecten bij legale prostitutie kan niet als strafbaar feit worden gezien. Voorts is niet gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met de mededaders.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4].

De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat ten aanzien van

het meenemen naar een ander land van [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] met het oogmerk deze personen ertoe te brengen werkzaam te zijn in de prostitutie geen wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid van verdachte bij deze feiten is. De rechtbank zal verdachte dan ook ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van [slachtoffer 2].

Vanaf 8 maart 2012 is het gsm-nummer in gebruik bij [slachtoffer 3] getapt.1

Tap nr. 2012

Op 11 maart 2012 belt[slachtoffer 3] met [slachtoffer 2]. [slachtoffer 3] verheugt zich dat [slachtoffer 2] hier komt. Zij zegt dat [medeverdachte 2] en [persoon 1] hen tweeën op het vliegveld ophalen. [medeverdachte 2] brengt haar hierheen.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij als prostituee werkzaam was op het [plein] te

Eindhoven.3

Op 12 maart 2012 wordt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op Airport Eindhoven een observatie uitgevoerd op de passagiersstromen van vlucht W6 2273 vanuit Boedapest (Hongarije). Zij controleerden [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1], die kort daarvoor met de vlucht uit Boedapest waren gearriveerd.4

Uit de vluchtgegevens blijkt dat op de vlucht Boedapest-Eindhoven op 12 maart 2012 vertrektijd 15.35 uur en aankomsttijd 17.40 uur [medeverdachte 1] en [slachtoffer 2] als passagiers staan geregistreerd.5

Op 12 maart 2012 voerden verbalisanten observaties uit. Zij zagen omstreeks 17.37 uur een personenauto merk Mercedes, kenteken [kenteken], geparkeerd ter hoogte van Eindhoven Airport. Twee mannen waren in de auto aanwezig. Een man, met een koffer, en een vrouw verlieten omstreeks 17.45 uur de aankomsthal. De auto reed omstreeks 17.50 uur in de richting van de Airport en stopte bij de man en vrouw. De man en de vrouw stapten in de Mercedes. Hiervan zijn foto’s gemaakt.6

De auto met voornoemd kenteken staat op naam van [eigenaar] (eigenaar) en [medeverdachte 2] (bezitter).7

Op beelden van het [plein] te Eindhoven is te zien dat op 12 maart 2012 omstreeks 18.08 uur een vrouw met een koffer het [plein] op loopt. Ze leek erg op de vrouw die door het observatieteam was gefotografeerd, zijnde [slachtoffer 2]. Ze wordt begroet door een vrouw.8

[medeverdachte 2] heeft op 12 april 2012 bij de politie verklaard dat hij [slachtoffer 2] vanaf

Eindhoven Airport heeft opgehaald. Daarbij waren [medeverdachte 1] en zijn neef [persoon 1].9

[slachtoffer 2] heeft op 23 maart 2012 bij de politie verklaard dat zij met [medeverdachte 1] hier naartoe is gereisd.10 Zij woont op het [plein] 10 en werkt daar als prostituee.11

[medeverdachte 1] heeft op 3 september 2012 bij de politie verklaard dat [slachtoffer 2] geld wilde verdienen. Hij is met haar naar Nederland gegaan om werk te zoeken. Hij heeft de tickets voor [slachtoffer 2] en hem betaald. In Nederland heeft [slachtoffer 2] in de prostitutie gewerkt.12

Verdachte heeft op 26 juni 2012 bij de politie verklaard dat hij een enkele keer [persoon 1] wordt genoemd.13

Na confrontatie met de op Airport Eindhoven gemaakte foto en de vraag van verbalisant wat verdachte op Eindhoven Airport deed, heeft verdachte geantwoord:

Op de foto te zien zoek ik iets in de kofferruimte van de auto.14

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat[medeverdachte 2] zijn neef is.15

Gelet op de verklaring van [medeverdachte 2] en de verklaring van verdachte acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 12 maart 2013 op Airport Eindhoven is geweest.

Het meenemen van een persoon naar een ander land voor prostitutie is strafbaar, ook al stemt die persoon ermee in. Uit het hiervoor vermelde tapgesprek blijkt dat het tevoren vaststond dat verdachte en [medeverdachte 2] [slachtoffer 2] zouden ophalen op het vliegveld in Eindhoven, met de bedoeling dat [slachtoffer 2] als prostituee op het [plein] zou gaan werken. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] op het vliegveld opgehaald. Na aankomst is [slachtoffer 2] meteen naar het [plein] gebracht, alwaar zij in de prostitutie is gaan werken.

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het meenemen naar Nederland van [slachtoffer 2], met het oogmerk haar ertoe te brengen werkzaam te zijn in de prostitutie, wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Daarmee heeft verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan het misdrijf van mensenhandel.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 12 maart 2012 in Europa, tezamen en in vereniging met anderen,

[slachtoffer 2] heeft medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 2] in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele

handelingen met een derde tegen betaling.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

- een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Bij het bepalen van haar eis heeft de officier van justitie de ‘Richtlijn voor strafvordering mensenhandel in de zin van seksuele uitbuiting’ van het college van procureurs-generaal, inwerkingtreding 1 september 2010, als uitgangspunt genomen. De officier van justitie heeft aangegeven geen extra straf te eisen in verband met het meenemen van [slachtoffer 2] naar Nederland en het witwassen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Primair is de raadsman van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Bij een bewezenverklaring merkt de raadsman op dat er geen sprake was van grof geweld, van grove uitbuiting in financieel opzicht of van een nagenoeg volledige controle over de betrokken vrouw.

Bij een bewezenverklaring kan worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft met anderen, binnen familieverband, een meisje binnen Nederland gebracht uitsluitend met de bedoeling haar prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten.

Op geen enkel moment heeft verdachte getoond dat hij inzicht heeft in de laakbaarheid van zijn handelen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte ten aanzien van de eerste twee onderdelen van de tenlastelegging onder 1 en ten aanzien van feit 2 zal vrijspreken. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 273f.

DE UITSPRAAK

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 m.b.t. overtreding van artikel 273f Sr. lid 1

sub 4 en 9 (slachtoffer [slachtoffer 1]) en ten aanzien van feit 2.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde (artikel 273f lid 1 sub 3, slachtoffer [slachtoffer 2]) bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. feit 1:

Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 20 juni 2013 vanaf 15.30 uur

reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.M. Spelt, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. S. van Lokven, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 4 juli 2013.

1 Bevindingen verbalisant, dossier 1 pag. 387

2 Tapverslag, dossier 3 pag. 19-20, dossier 2 pag. 170

3 Verklaring [slachtoffer 3], dossier 1, pag. 225

4 Bevindingen verbalisanten, dossier 1 pag. 954-955

5 Bevindingen verbalisant, dossier 1 pag. 1030

6 Bevindingen verbalisanten, dossier 1. pag. 957-958

7 Kentekengegevens, dossier 1 pag. 962

8 Bevindingen verbalisant, dossier 1 pag. 122-123

9 Verklaring [medeverdachte 2], dossier 1 pag. 980

10 Verklaring [slachtoffer 2], dossier 1 pag. 916

11 Verklaring [slachtoffer 2], dossier 1 pag. 913

12 Verklaring[medeverdachte 1] d.d. 13 september 2012 te 13.03 uur , dossier 4, pag. 4-8

13 Verklaring verdachte, dossier 1 pag. 879

14 Verklaring verdachte, dossier 1. pag. 892

15 Verklaring verdachte ter terechtzitting