Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:2632

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
SHE 12 / 2309
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:352, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om intrekking van een met een omgevingsvergunning gelijkgestelde revisievergunning voor een veehouderij.

Met ingang van 1 januari 2013 zijn op de inrichting algemene regels van toepassing geworden. Omdat voor de inrichting nog steeds een omgevingsvergunning (beperkte milieutoets) nodig is, kan nog steeds sprake zijn van intrekking, voor zover gedurende een periode van meer dan drie jaren geen gebruik van de vergunning is gemaakt. In artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo is de situatie waarin sprake is van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo niet uitgezonderd.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/444
JOM 2013/387
OGR-Updates.nl 2013-0200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 12/2309

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden,

verweerder,

gemachtigden: N. Ansems en J. van der Heijden.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te Reusel, vergunninghouder, gemachtigde mr. dr. J.J.J. de Rooij.

Procesverloop

Bij brief van 12 juni 2012 heeft eiser verweerder verzocht om gedeeltelijke intrekking van de revisievergunning van 27 augustus 2002 van vergunninghouder, voor zover deze vergunning betrekking heeft op het houden van rundvee in de inrichting van vergunninghouder aan het [adres A].

Bij brief van 4 juli 2012 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de ambtshalve ingezette procedure tot gedeeltelijke intrekking van de revisievergunning is stopgezet.

Bij brief van 24 juli 2012 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld, omdat hem geen redenen zijn gebleken op grond waarvan een (gemotiveerd) besluit uitblijft.

Bij brief van 26 juli 2012 heeft verweerder de ingebrekestelling, met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht, als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

De rechtbank heeft eiser bij brief van 1 augustus 2012 in de gelegenheid gesteld de gronden van beroep in te dienen.

Bij brief van 13 augustus 2012 heeft eiser de gronden van zijn beroep ingediend.

Verweerder heeft op 29 augustus 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 oktober 2012 heeft vergunninghouder zijn standpunt naar voren gebracht.

De behandeling van de zaak is aangevangen ter zitting van 19 november 2012. Eiser is verschenen, vergezeld door [persoon A]. Verweerder en derde-partij zijn verschenen bij gemachtigde.

Tijdens de zitting heeft eiser de behandelend rechter gewraakt. De rechter heeft daarop het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij beschikking van 21 december 2012, zaaknummer/rekestnummer: 255465/EX RK 12-228 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek afgewezen.

Eiser en derde-partij hebben nadien een nadere reactie aan de rechtbank doen toekomen.

De behandeling van de zaak is vervolgens voortgezet ter zitting van 14 maart 2013. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Eiser en derde-partij zijn niet verschenen of vertegenwoordigd.

Overwegingen

1.

Op 27 augustus 2002 heeft verweerder aan vergunninghouder een revisievergunning, ingevolge de Wet milieubeheer, verleend voor het oprichten/houden van een inrichting aan het [adres A], ten behoeve van het houden van 22 kraamzeugen, 65 guste en dragende zeugen, 311 gespeende biggen, 2 dekberen, 3 opfokzeugen, 59 melkkoeien, 80 stuks vrouwelijke jongvee, 380 vleesvarkens en 6 paarden.

De vergunning is, voor zover het de uitbreiding van de inrichting met stal B voor het houden van 9 melkkoeien betreft, nadien van rechtswege komen te vervallen.

2.

Verweerder heeft vergunninghouder op 24 februari 2012 in kennis gesteld van het voornemen om de vergunning gedeeltelijk in te trekken, voor zover deze het houden van 50 melkkoeien en 80 stuks jongvee betreft.

Nadat op 28 juni 2012 door een medewerker van verweerders gemeente was geconstateerd dat in de inrichting 5 runderen aanwezig waren, heeft verweerder de procedure tot gedeeltelijke intrekking van de vergunning beëindigd.

3.

Met ingang van 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Vergunningen ingevolge de Wet milieubeheer zijn in de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld met vergunningen ingevolge de Wabo. Gemakshalve zal hierna dan ook steeds worden gesproken over de omgevingsvergunning.

4.

Alvorens tot een inhoudelijke behandeling van de zaak over te kunnen gaan, dient de rechtbank te bespreken of het beroep ontvankelijk is. Verweerder is van mening dat het belang van eiser niet rechtstreeks betrokken bij het intrekken van een omgevingsvergunning en hij niet om intrekking van een omgevingsvergunning kan vragen.

5.

De rechtbank deelt de opvatting van verweerder niet. De rechtbank leidt uit de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de Wabo af dat weliswaar, anders dan in de Wet milieubeheer, de mogelijkheid om intrekking van een omgevingsvergunning te vragen niet langer openstaat voor een ieder, maar dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om omwonenden van een inrichting als belanghebbende van die mogelijkheid uit te sluiten (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30 844, nr. 3, pag. 21).

6.

Ook vergunninghouder lijkt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep te concluderen. Volgens vergunninghouder kan namelijk van gehele of gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning geen sprake meer zijn, omdat zijn inrichting met ingang van 1 januari 2013 onder het regime van het Activiteitenbesluit is komen te vallen. De rechtbank verstaat de opvatting van vergunninghouder aldus dat hij van mening is dat eiser met zijn beroep niet langer kan bereiken wat hij hiermee beoogt en daardoor het procesbelang is vervallen.

7.

Met ingang van 1 januari 2013 zijn het bij besluiten van 14 september 2012 (Staatsblad 2012, 441) en 31 oktober 2012 (Staatblad 2012, 558) gewijzigde Activiteitenbesluit milieubeheer en het bij dat laatste besluit gewijzigde Besluit omgevingsrecht in werking getreden. Met ingang van die datum is, voor het houden binnen een inrichting van ten minste 51 en ten hoogste 750 zeugen behorende tot de diercategorieën D.1.2, D.1.3 en D 3 van de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij, op grond van artikel 2.2a, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit omgevingsrecht, in combinatie met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, een omgevingsvergunning nodig. In dit geval worden binnen de inrichting 22 kraamzeugen, 65 guste en dragende zeugen en 3 opfokzeugen gehouden. Er worden binnen de inrichting dus meer dan 51 zeugen, behorende tot de genoemde diercategorieën gehouden, zodat een omgevingsvergunning nodig is.

Op grond van artikel X, eerste lid, van het besluit van 14 september 2012 wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, die van kracht en onherroepelijk was onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, van dat besluit, voor zover die omgevingsvergunning een activiteit betreft die in artikel II, onderdeel A, is aangewezen, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo. In dit geval is hiervan sprake.

8.

In artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, is bepaald dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken, voor zover gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. In deze bepaling is geen uitzondering gemaakt voor het geval dat voor de activiteit een omgevingsvergunning geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo.

De omstandigheid dat voor de inrichting algemene regels zijn gaan gelden en sprake is van een omgevingsvergunning waarvoor een beperkte milieutoets geldt, staat niet in de weg aan (gedeeltelijke) intrekking van een omgevingsvergunning. Van het vervallen van procesbelang, zoals door vergunninghouder bedoeld, is dan ook geen sprake.

9.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder nog op zijn verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning moet beslissen. Volgens eiser moet daarbij toepassing worden gegeven aan Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

10.

De rechtbank deelt niet eisers opvatting dat verweerder alsnog op zijn verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning moet beslissen. Met het besluit van 4 juli 2012 moet verweerder worden geacht op het verzoek van eiser te hebben beslist. Van een niet tijdig nemen van een besluit kan om die reden geen sprake zijn.

11.

Op grond van artikel 3.15, derde lid, in combinatie met artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, is op de voorbereiding van een beschikking tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning paragraaf 3.3 van de Wabo (De uitgebreide voorbereidingsprocedure) van toepassing.

In dit geval is, overeenkomstig artikel 3.12 van de Wabo, de ontwerpbeschikking, strekkende tot intrekking van de omgevingsvergunning, ter inzage gelegd en is de gelegenheid gegeven om zienswijzen naar voren te brengen. Eiser heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt, mogelijk omdat hij bij de terinzagelegging van de ontwerpbeschikking stukken miste.

Naar aanleiding van een door vergunninghouder naar voren gebrachte zienswijze tegen de ontwerpbeschikking heeft verweerder de procedure tot intrekking van de omgevingsvergunning gestaakt (lees: geweigerd de omgevingsvergunning in te trekken).

Noch de Wabo, noch de Awb, bevat bepalingen die een bestuursorgaan verplichten om, indien het naar aanleiding van een zienswijze besluit om af te wijken van een voornemen, andere belanghebbenden in de gelegenheid te stellen om opnieuw hun zienswijzen naar voren te brengen, alvorens het het besluit neemt. De beroepsgrond van eiser betreffende de toepassing van Titel 4.1 van de Awb faalt derhalve.

12.

Eiser is verder van mening dat verweerder bevoegd was om de omgevingsvergunning in te trekken. Volgens eiser is gedurende meer dan drie jaren geen rundvee in de inrichting gehouden.

13.

Verweerder achtte zich niet bevoegd om tot intrekking van de omgevingsvergunning over te gaan, omdat inmiddels in de inrichting weer rundvee werd gehouden en niet bewezen kon worden geacht dat er langer dan drie jaar geen rundvee binnen de inrichting van vergunninghouder aanwezig is geweest.

14.

De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat, nadat blijkens een notariële akte van 6 augustus 2008 16 koeien in de inrichting werden gehouden, verweerder tot driemaal toe (op 26 mei 2009, 25 februari 2011 en 9 maart 2012) heeft geconstateerd dat in de inrichting geen rundvee aanwezig was.

Niet is gebleken dat vergunninghouder de door verweerder op 24 februari 2012 gevraagde diertelgegevens heeft overgelegd. Deze gegevens zijn bij uitstek geschikt om vast te kunnen stellen of in een bepaalde periode dieren zijn gehouden. Ook andere gegevens over het houden van rundvee in de genoemde periode ontbreken in het procesdossier.

Eerst op 28 juni 2012 is door een toezichthouder van verweerders gemeente geconstateerd dat in de inrichting weer enkele runderen werden gehouden.

15.

Tussen 26 mei 2009 en 28 juni 2012 zijn, gelet op deze gegevens, meer dan drie jaren verstreken waarin op geen enkel moment door verweerder is vastgesteld dat er in de inrichting runderen zijn gehouden. De rechtbank deelt dan ook niet verweerders opvatting, dat niet bewezen kan worden geacht dat langer dan drie jaar geen rundvee in de inrichting aanwezig is geweest en dat hij daarom niet bevoegd is om de omgevingsvergunning in te trekken.

16.

Het beroep is, gelet hierop, gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

17.

Verweerder is, ervan uitgaande dat hij niet tot intrekking bevoegd was, niet toegekomen aan een belangenafweging. Verweerder zal alsnog het belang van de bescherming van het milieu moeten afwegen tegen het belang van vergunninghouder om van de omgevingsvergunning gebruik te kunnen blijven maken. De rechtbank ziet, gezien de aard van het gebrek, geen aanleiding om verweerder bij tussenuitspraak in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen.

Verweerder zal dan ook worden opgedragen om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit te nemen.

18.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, begroot op in totaal € 396,71, bestaande uit verletkosten (conform opgave van eiser € 375,71) en reiskosten (€ 21,00).

19.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

20.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit te nemen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, begroot op € 396,71;

  • -

    bepaalt dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van € 156,00 dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. G.J. Krens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2013.

De griffier is buiten staat om Rechter

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.