Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:2498

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_30495
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 64 Vw 2000, BMA-advies, veilige behandelomgeving.

Eisers stelling dat de BMA-arts ten onrechte geen oordeel, althans geen gewogen oordeel, heeft gegeven over de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst, kan niet worden gevolgd. De rechtbank acht daarbij van belang dat, zoals verweerders gemachtigde ter zitting van 25 april 2013 ook heeft benadrukt, de BMA-arts blijkens het BMA-advies het eventueel ontstaan van een medische noodsituatie bij het uitblijven van behandeling en de noodzaak van fysieke overdracht uitsluitend koppelt aan een mogelijke toename van de aanwezige suïcidaliteit. Hij brengt dit niet in verband met het door eiser gestelde seksueel misbruik. In dit kader is de BMA-arts in het aanvullend advies, in het licht van wat eiser en zijn behandelaar hebben aangevoerd, gemotiveerd ingegaan op het punt van de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst. Daaruit blijkt dat de uitlatingen van de behandelaar van eiser de BMA-arts geen aanleiding geven om op voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in Afghanistan aanwezige behandeling. Met betrekking tot de gestelde traumatisering ten gevolge van seksueel misbruik is door de behandelaar noch in zijn brief van 16 oktober 2011, noch in de brief van 29 augustus 2012, waarin voor het eerst wordt vermeld dat het gestelde seksueel misbruik door eisers oom is gepleegd, aangegeven dat geen behandeling mogelijk zou zijn in het land van herkomst. In de laatstgenoemde brief wordt in dit verband enkel ingegaan op afwezigheid van opvang door andere familieleden en vrienden. In deze informatie bestond dan ook geen aanleiding om, kort gezegd, de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst te beoordelen. Voor het overige heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat de inhoud van de brief van 29 augustus 2012 overeenkomt met eerdere informatie van de behandelaar en dat het BMA die informatie bij de advisering heeft betrokken. Verweerder hoefde de brief van eisers behandelaar van 29 augustus 2012 dus niet aan de BMA-arts voor te leggen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/30495

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, (voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel), verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verheijen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Bij besluit van 24 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op
29 januari 2013, waarna het onderzoek is geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nader te reageren op elkaars standpunten.

Partijen hebben bij brieven van 22, 26 en 28 februari 2013 op elkaars standpunten gereageerd.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer is voortgezet op 25 april 2013. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is geboren op 18 januari 1994 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiser heeft op
4 mei 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 3 februari 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 10 december 2009 (AWB 09/6543) heeft de rechtbank het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op 28 maart 2011 heeft eiser onderhavige aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 ingediend. In verband met deze aanvraag heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) op 31 augustus 2011 en 19 juli 2012 adviezen uitgebracht. Het BMA heeft laatstgenoemd advies op 6 september 2012 aangevuld.

Bij voormelde advisering heeft het BMA onder meer de hierna genoemde informatie van eisers behandelaar G.A.V.M. Schelkens betrokken: brieven van 21 maart 2011,
16 augustus 2011, 6 oktober 2011 en 4 juni 2012.

Met name in de vorenbedoelde brief van 6 oktober 2011, voor zover hier van belang, wordt voor het eerst melding gemaakt van seksueel misbruik van eiser en wordt door eisers behandelaar vermeld dat hij bij eiser een zeer hoge mate van traumatisering heeft vastgesteld, verbonden aan chronisch seksueel misbruik.

In het BMA-advies van 19 juli 2012 (BMA-advies), waarbij onder meer voormelde brief van eisers behandelaar van 6 oktober 2011 is betrokken, is onder meer het volgende vermeld.


Met betrekking tot de medische klachten van eiser is vermeld:

“Betrokkene is bekend met een posttraumatische stressstoornis. Volgens informatie van de GZ-psycholoog vertoont hij in hoge mate decompensatie zich uitend in lichamelijke stressreactie met intense en lange aanhoudende hyperventilatie aanvallen, bewustzijnsdalingen soms leidend tot bewustzijnsverlies, verlamming van de spieren en aanhoudende tremor. Bovendien vertoont hij een significant verlies van lichaamsgewicht, apathie, wanhoop met suïcidale gedachten waarbij toenemend structurele persoonlijkheidsproblematiek met vermijdingsgedrag aanwezig is.”

Blijkens voormeld advies staat eiser voor zijn klachten onder behandeling, te weten therapie en medicatie. Wat betreft mantelzorg is in voormeld advies vermeld: “uit het dossier blijkt niet dat betrokkene afhankelijk is van mantelzorg.”.


Ten aanzien van medische noodsituatie op korte termijn is vermeld: “een medische noodsituatie is niet uit te sluiten bij het uitblijven van de behandeling wegens een mogelijke toename van de aanwezige suïcidaliteit.”

Voorts wordt eiser geacht te kunnen reizen met gangbare vervoersmiddelen. Daarbij acht het BMA aanwezigheid van een psychiatrisch geschoolde verpleegkundige nodig tijdens de reis naar het land van herkomst wegens een vermoedelijke toename van eisers klachten. Na de reis is een fysieke overdracht aan een psychiater nodig wegens het eventuele suïcidegevaar door een wanhoopsdaad.

Ten slotte is in voormeld advies aangegeven dat behandeling voor de klachten die eiser heeft, aanwezig is in het land van herkomst. Wat betreft de therapie is in voormeld advies vermeld dat behandeling door een psychiater aanwezig is, bijvoorbeeld in het Mental Health Hospital, Darulaman in Kabul, en dat deze ook gericht is op het aanwezige ziektebeeld van eiser, alsmede dat ook een behandeling door een psycholoog aanwezig is in Kabul. De behandeling waarvoor fysieke overdracht noodzakelijk is, is in voormeld Mental Health Hospital, Darulaman in Kabul aanwezig. Wat betreft de medicatie is in voormeld advies vermeld dat deze ook aanwezig is.

Voorts is in de aanvulling van 6 september 2012 van het BMA (aanvullend advies), waarbij onder meer de brief van eisers behandelaar van 4 juni 2012 is betrokken, het volgende vermeld:

“De behandelaar (…) stelt in zijn brief van 16 augustus 2011 dat het perspectief van een mogelijke terugkeer nog te bedreigend is en de onderliggende trauma’s acuut op de voorgrond kan plaatsen en dus destabiliserend zijn. Tevens stelt de behandelaar dat te verwachten valt dat een perspectief van een gedwongen terugkeer onderliggende trauma’s zal reactiveren wat tot een psychische decompensatie en mogelijk suïcide kan leiden.

De brief van de behandelaar van eiser van 16 augustus 2011 geeft aanleiding tot de volgende reactie. Een gevoel van (on)veiligheid met betrekking tot de behandelomgeving dient gezien te worden als een onderdeel van het totale complex aan omstandigheden die een bijdrage kan leveren aan de verbetering van de mentale toestand van de patiënt. Gevoelens van (on)veiligheid zijn echter subjectief en medisch gezien niet objectiveerbaar. Het is daarom voor een BMA-arts niet mogelijk om een medisch gefundeerde uitspraak te doen ten aanzien van de vraag of betrokkene de behandelomgeving in Afghanistan als veilig zal ervaren (waar al dan niet eventuele trauma’s hebben plaatsgevonden). Evenmin is voor de BMA-arts te beoordelen welke invloed dat heeft op het welslagen van de behandeling, omdat hierbij ook vele andere factoren van betekenis zijn. In het algemeen kan niet als juist worden aanvaard de stelling dat de behandeling van psychische klachten in het land waar de oorzaak van die klachten ligt of wordt vermoed te liggen niet of niet succesvol kan plaatsvinden (…).

Mede in het licht van het bovenstaande geven de uitlatingen van de behandelaar ten aanzien van het ontbreken van een als veilig ervaren behandelomgeving in Afghanistan mij geen aanleiding om op voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in Afghanistan aanwezige behandeling.”

Op 30 augustus 2012 heeft eisers gemachtigde een brief van eisers behandelaar van
29 augustus 2012 overgelegd. Hierin wordt voor het eerst melding gemaakt dat bovenbedoeld seksueel misbruik door de oom van eiser is gepleegd en dat er geen “andere significante familieleden of vrienden” zijn in het land van herkomst die eiser basale veiligheid zouden kunnen bieden. De facto betekent dit dat een gedwongen terugkeer naar het land van herkomst in grote mate onveiligheid zal oproepen en vrees voor “hertraumatisering”, zodat bij terugkeer niet voldaan kan worden aan de noodzaak van een veilige behandelomgeving. Deze brief van de behandelaar van eiser is niet betrokken bij voormelde advisering door het BMA.

2.

Verweerder heeft eisers aanvraag bij het in het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit afgewezen. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 het BMA-advies en het aanvullend advies ten grondslag gelegd.

3.

Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen. Het ter zake geldende beleid, ten tijde hier van belang, is neergelegd in paragraaf A4/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

In voormelde paragraaf is onder meer vermeld dat het een tijdelijke maatregel betreft enkel gericht op de opschorting van de uitzetting en/of de rechtsplicht om Nederland te verlaten. De uitzetting blijft op grond van artikel 64 Vw 2000 achterwege indien de medisch adviseur aangeeft dat:
- het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van één van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen; of
- de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan en de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of een ander land waar betrokkene naar kan vertrekken.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2007, LJN BA6053) is het advies van het BMA aan te merken als een deskundigenadvies ten behoeve van de uitoefening van verweerders bevoegdheden. Indien een zodanig advies op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, onder aanduiding van de bronnen waaraan dit is ontleend, mag verweerder bij de besluitvorming op aanvragen om toelating in beginsel van de juistheid van een dergelijk advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

4.

Zoals de Afdeling in de uitspraak van 20 december 2011 (LJN: BU9578) heeft overwogen, volgt uit de jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg (CTG) (onder meer de beslissing van 27 april 2010, in zaak nr. C2009/215 en de beslissing van 15 maart 2011, in zaak nr. C2010/126) dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan verweerder omtrent de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van die vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waaromtrent het BMA wel kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.

5.

Eiser heeft aangevoerd dat de BMA-arts op voorhand redenen zou moeten hebben om te twijfelen aan de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst. In dit verband heeft eiser gesteld dat concrete informatie over de noodzaak van een veiliger behandelomgeving is aangedragen die op de aard en het ontstaan van de (ernstige) psychische klachten van eiser is toegespitst. Een deel van deze informatie heeft verweerder niet aan het BMA doorgezonden. In het advies van het BMA van 19 juli 2012, noch in de aanvulling van 6 september 2012 wordt melding gemaakt van de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dit is veroorzaakt, namelijk chronisch seksueel misbruik. Ook in de vraagstelling vanuit BMA richting SOS International wordt geen melding gemaakt van seksueel misbruik. Verder heeft verweerder niet voldaan aan de vergewisplicht. In de eerste plaats heeft verweerder niet zelf de conclusies van het BMA kritisch beschouwd in het licht van het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van 11 maart 2009 en het standpunt van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) van mei 2006, zoals verwoord in Humanitarian consideration with regard to return to Afghanistan. In de tweede plaats heeft verweerder deze stukken niet ter beschikking gesteld aan de BMA-arts. Nu de BMA-arts ten onrechte geen oordeel, althans geen gewogen oordeel, heeft gegeven over de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst, kan het advies van het BMA volgens eiser niet als deskundigenbericht worden aangemerkt en heeft verweerder dan ook ten onrechte het bestreden besluit op dat advies gebaseerd.

6.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het BMA-advies en het aanvullend advies.

7.

Eisers stelling dat de BMA-arts ten onrechte geen oordeel, althans geen gewogen oordeel, heeft gegeven over de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst, kan niet worden gevolgd.

De rechtbank acht daarbij van belang dat, zoals verweerders gemachtigde ter zitting van
25 april 2013 ook heeft benadrukt, de BMA-arts blijkens het BMA-advies het eventueel ontstaan van een medische noodsituatie bij het uitblijven van behandeling en de noodzaak van fysieke overdracht uitsluitend koppelt aan een mogelijke toename van de aanwezige suïcidaliteit. Hij brengt dit niet in verband met het door eiser gestelde seksueel misbruik. In dit kader is de BMA-arts in het aanvullend advies, in het licht van wat eiser en zijn behandelaar hebben aangevoerd, gemotiveerd ingegaan op het punt van de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst. Daaruit blijkt dat de uitlatingen van de behandelaar van eiser de BMA-arts geen aanleiding geven om op voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in Afghanistan aanwezige behandeling. Met betrekking tot de gestelde traumatisering tengevolge van seksueel misbruik is door de behandelaar noch in zijn brief van 16 oktober 2011, noch in de brief van 29 augustus 2012, waarin voor het eerst wordt aangegeven dat het gestelde seksueel misbruik door eisers oom is gepleegd, aangegeven dat geen behandeling mogelijk zou zijn in het land van herkomst. In de laatstgenoemde brief wordt in dit verband enkel ingegaan op afwezigheid van opvang door andere familieleden en vrienden. In deze informatie bestond dan ook geen aanleiding om, kort gezegd, de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst te beoordelen. Voor het overige heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat de inhoud van de brief van 29 augustus 2012 overeenkomt met eerdere informatie van de behandelaar en dat het BMA die informatie bij de advisering heeft betrokken. Verweerder hoefde de brief van eisers behandelaar van 29 augustus 2012 dus niet aan de BMA-arts voor te leggen. In het licht van het vorenstaande hebben eisers stellingen dat in het BMA-advies, noch in het aanvullend advies melding wordt gemaakt van de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dit is veroorzaakt, dat ook in de vraagstelling vanuit BMA richting SOS International geen melding wordt gemaakt van seksueel misbruik en dat concrete informatie over de noodzaak van een veiliger behandelomgeving is aangedragen die op de aard en het ontstaan van de (ernstige) psychische klachten van eiser is toegespitst, geen relevantie.

8.

Met betrekking tot het door eisers gemachtigde aangevoerde over overdracht aan “Tabish”, heeft verweerders gemachtigde zich terecht op het standpunt gesteld dat die overdracht niet aan de orde is. Immers, zoals uit het vorenstaande volgt en voorts uit het bij brief van 22 februari 2013 overgelegde stuk van het BMA blijkt, is in dit geval van een medische reisvoorwaarde van fysieke overdracht op grond van klachten in verband met seksueel misbruik geen sprake. De medische reisvoorwaarde van fysieke overdracht houdt immers enkel verband met suïcidegevaar.

9.

Ten aanzien van het door eiser ingeroepen rapport van SFH van 11 maart 2009 en het standpunt van de UNHCR van mei 2006, zoals verwoord in Humanitarian consideration with regard to return to Afghanistan, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende is ingegaan op deze stukken. Gelet op die motivering kan eiser niet in zijn stelling worden gevolgd dat verweerder niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan, omdat hij voormelde stukken niet ter beschikking heeft gesteld aan de BMA-arts, dan wel omdat hij niet zelf de conclusies van het BMA kritisch heeft beschouwd in het licht van deze stukken.

10.

Het vorenstaande leidt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat verweerder bij zijn besluitvorming mocht uitgaan van het BMA-advies en het aanvullend advies.

11.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige, zoals door eisers gemachtigde is verzocht.

12.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat verweerder op basis van de BMA-advisering zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het, gelet op de gezondheidstoestand van eiser, verantwoord is om te reizen en dat eiser niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

13.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzitter, en mr. E.J.J.M. Weyers en
mr. A. Venekamp, leden, in aanwezigheid van mr. D.S. Arjun Sharma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.