Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2022:3395

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-09-2022
Datum publicatie
21-09-2022
Zaaknummer
18/270212-21; 18/227996-21; 18/236080-21; 18/195429-21 en 18/262668-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie
Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 77b
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 326
Wetboek van Strafrecht 350
Wetboek van Strafrecht 416
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie

Assen

parketnummers 18/270212-21; 18/227996-21; 18/236080-21; 18/195429-21 en 18/262668-21

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 september 2022 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [straatnaam] , [woonplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 maart 2022 (inhoudelijk), 14 april 2022 (sluiting onderzoek en heropening) en 1 september 2022.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting gevoegd.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Keijzer, advocaat te Emmen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens

Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd,

onder parketnummer 18/270212-21, na nadere omschrijving van de tenlastelegging,

1. diefstal met (bedreiging van) geweld, gepleegd op 29 september 2021 te Emmen, in vereniging,waarbij een portemonnee (inclusief inhoud) en/of een Iphone 7 telefoon en/of autosleutels van

[benadeelde partij 1] is/zijn weggenomen

en/of

afpersing op 29 september 2021 te Emmen, in vereniging, waarbij [benadeelde partij 1] is gedwongen tot afgifte van een portemonnee (inclusief inhoud) en/of een Iphone 7 telefoon en/of autosleutels;

2) diefstal met (bedreiging van) geweld, gepleegd op 4 oktober 2021 te Emmen, in vereniging, waarbijeen telefoon en/of autosleutels en/of huissleutels en/of een geldbedrag van 5 euro van [benadeelde partij 2] is/zijn weggenomen

en/of

afpersing op 4 oktober 2021 te Emmen, in vereniging, waarbij [benadeelde partij 2] is gedwongen tot afgifte van een telefoon en/of autosleutels en/of huissleutels en/of een geldbedrag van 5 euro;

3) diefstal met (bedreiging van) geweld, gepleegd op 5 oktober 2021 te Emmen, in vereniging, waarbijeen portemonnee en/of een Samsung Galaxy S9+ telefoon en/of een pinpas en/of een rijbewijs van

[benadeelde partij 3] is/zijn weggenomen

en/of

afpersing op 5 oktober 2021 te Emmen, in vereniging, waarbij [benadeelde partij 3] is gedwongen tot afgifte van een portemonnee en/of een Samsung Galaxy S9+ telefoon en/of een pinpas en/of een rijbewijs;

4. diefstal op 5 oktober 2021 te Emmen, in vereniging, waarbij een geldbedrag van 5.000 euro van[benadeelde partij 3] is weggenomen door onbevoegd gebruik van zijn pinpas en pincode;

5. poging tot diefstal met (bedreiging van) geweld, in vereniging, om goederen en/of een geldbedragweg te nemen van een persoon die zich voordeed als ‘ [naam 1] ’, gepleegd op 6 oktober 2021 te

Emmen

en/of

poging tot afpersing, in vereniging, om een persoon die zich voordeed als ‘ [naam 1] ’ te dwingen tot afgifte van goederen en/of een geldbedrag, gepleegd op 6 oktober 2021 te Emmen;

onder parketnummer 18/227996-21,

  1. vernieling van twee auto’s, gepleegd op 13 december 2020 te Emmen, in vereniging;

  2. het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen in de periode 13 december 2020 tot enmet 25 mei 2021 te Emmen dan wel in Nederland;

onder parketnummer 18/236080-21,

  1. het opzettelijk aanwezig hebben van 87,4 gram hennep op 10 juni 2021 te Emmen;

  2. het meermalen witwassen dan wel schuldwitwassen van geldbedragen (in totaal € 17.872,--), invereniging, in de periode van 28 oktober 2020 tot en met 6 november 2020, te Emmen dan wel in Nederland;

  3. diefstal op 6 november 2020 te Emmen, in vereniging, waarbij een geldbedrag van

€ 2.963,00 van [benadeelde partij 4] is weggenomen door onbevoegd gebruik van haar pinpas en pincode;

onder parketnummer 18/195429-21,

  1. primair: het medeplegen van oplichting, gepleegd op 2 oktober 2020 te Emmen dan wel inNederland, waarbij [benadeelde partij 5] , werd bewogen tot het van zijn bankrekening laten afschrijven van geldbedragen (in totaal € 9.970,--); subsidiair: medeplichtigheid aan oplichting van [benadeelde partij 5] door pinpassen en pincodes behorende bij bankrekeningen van anderen beschikbaar te stellen, waarop de afgeschreven bedragen konden worden gestort;

  2. meermalen witwassen dan wel schuldwitwassen van geldbedragen in de periode van 1 oktober2020 tot en met 26 december 2020, te Emmen dan wel in Nederland;

  3. diefstal gepleegd op 4 januari 2021 te Emmen, waarbij een geldbedrag van € 780,-- van[benadeelde partij 6] is weggenomen;

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging onder feit 3 tweede regel “780” in plaats van "740". De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen in plaats van het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

onder parketnummer 18/262668-21,

primair: diefstal van een snorfiets van [benadeelde partij 7] , gepleegd op 24 augustus 2020 te

Emmen;

subsidiair: heling van de weggenomen snorfiets in de periode van 24 augustus 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Emmen of in Klazienaveen;

De teksten van de gehele tenlasteleggingen onder voormelde parketnummers zijn opgenomen in bijlage A die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Verweren ten aanzien van de voorvragen

In de zaak met parketnummer 18/195429-21

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot feit 2 nietig dient te worden verklaard. De tenlastelegging is kennelijk toegespitst op “witwassen’ maar de feitelijke uitwerking daarvan ontbreekt in de tenlastelegging. Ook uit de bewijsmiddelen kan die uitwerking niet worden afgeleid.

Verdachte kan zich daarom niet behoorlijk verweren tegen deze verdenking. De dagvaarding voldoet op dit punt niet aan het gestelde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) .

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de tenlastelegging niet voldoet aan de vereisten die de wet daaraan stelt in artikel 261 Sv.

In de tenlastelegging ontbreekt om welke bedragen het zou moeten gaan en naar welke strafbare feiten die bedragen te herleiden zijn. De dagvaarding zal met betrekking tot dit feit nietig worden verklaard.

Beoordeling van het bewijs

Inleiding (parketnummer 18/270212-21)

In september/oktober 2021 hebben, in een tijdsbestek van een week, drie gewelddadige berovingen plaatsgevonden. Hierbij werden de slachtoffers via een datingapp voor voornamelijk homoseksuele mannen (Bullchat en Grindr) onder valse voorwendselen naar een afgelegen plek gelokt. Daar zijn zij vervolgens door een groep (overwegend minderjarige) verdachten beroofd. Daarbij is telkens fors verbaal en fysiek geweld gebruikt. De groep verdachten trad op in wisselende samenstelling.

Op 6 oktober 2021 is een politieambtenaar ingezet, de zogenoemde lokagent, om een seksafspraak te maken. Tijdens de hierop volgende ontmoeting zijn zes verdachten aangehouden op verdenking van poging tot beroving.

Verdachte wordt betrokkenheid verweten bij deze 5 feiten. Daarnaast worden verdachte in de gevoegde zaken nog 8 strafbare feiten verweten.

Standpunt van de officier van justitie

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een veroordeling gevorderd

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/270212-21 voor de feiten 1, 2 en 3, telkens het medeplegen vandiefstal met geweld, 4, medeplegen van diefstal en 5, het medeplegen van de poging tot diefstal met geweld;

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/227996-21 voor de feiten 1 (medeplegen van vernieling auto’sKwalitaria) en 2 (voorhanden hebben automatisch vuurwapen),

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/236080-21 voor de feiten 1 (opzettelijk aanwezig hebben hennep),

2 ( witwassen geld [benadeelde partij 4] en [naam 4] ) en 3 (diefstal geld [benadeelde partij 4] ),

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/195429-21 voor de feiten 1 primair (medeplegen oplichting[benadeelde partij 5] ) en 3 (diefstal geld [benadeelde partij 6] ) en

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/262668-21 voor het subsidiair ten laste gelegde feit (helingsnorfiets [benadeelde partij 7] ).

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van

  • -

    de ten laste gelegde afpersingen in de zaak onder parketnummer 18/270212-21 feiten 1, 2 en 3 ende poging afpersing feit 5,

  • -

    feit 2 in de zaak met parketnummer 18/195429-21 (meermalen plegen van witwassen dan welschuldwitwassen) en

  • -

    het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18/262668-21 (diefstal snorfiets[benadeelde partij 7] ).

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting, overeenkomstig de inhoud van zijn pleitnotities, onder meer op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het/de

- in de zaak met parketnummer 18/262668-21:

primair en subsidiair ten laste gelegde omdat verdachte elke betrokkenheid bij de diefstal dan wel heling van de snorfiets ontkent;

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/195429-21:

  • -

    onder 1 primair ten laste gelegde oplichting, in vereniging gepleegd omdat de bijdrage van verdachte bij deze oplichting niet dusdanig wezenlijk is geweest dat gesproken kan worden van medeplegen. Hooguit zou sprake kunnen zijn van medeplichtigheid (het subsidiair ten laste gelegde).

Een en ander geldt alleen voor het regelen van de bankpas van [medeverdachte 9] ;

  • -

    onder 3 ten laste gelegde omdat er geen bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij de wegnemingshandeling;

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/236080-21:

onder feit 2 ten laste gelegde voor zover het betreft de pinbetalingen vanaf de bankrekening van [medeverdachte 7] kan verdachte hooguit medeplichtigheid worden verweten en dat is niet ten laste gelegd;

- in de zaak met parketnummer 18/270212-21:

onder 5 ten laste gelegde omdat de ten laste gelegde gedragingen niet kunnen worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van het misdrijf diefstal met geweld. Er was daarom nog geen sprake van een begin van uitvoering en daarmee geen strafbare poging tot diefstal met geweld.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een bewezenverklaring van de overige in de gevoegde zaken ten laste gelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 18/262668-21 acht de rechtbank het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Uit het dossier kan onvoldoende blijken dat verdachte de snorfiets op 24 augustus 2020 heeft weggenomen.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde feiten onder de verschillende parketnummers. De rechtbank acht die feiten wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte heeft zijn aandeel in een aantal ten laste gelegde feiten erkend. Voor die feiten volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Het betreffen de volgende feiten:

- in de zaak met parketnummer 18/270212-21 (onderzoek Stitch) de feiten 1 tot en met 5.

Voor feit 5 geldt dat verdachte erkent dat de in de tenlastelegging opgesomde uitvoeringshandelingen hebben plaatsgevonden en dat hij ter plekke aanwezig was. De raadsman geeft daaraan voornoemde

juridische kwalificatie, te weten dat er geen sprake was van een begin van uitvoering om tot bewezenverklaring van een strafbare poging te kunnen komen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van een poging tot diefstal met geweld in vereniging gepleegd. De in de tenlastelegging genoemde modus operandi komt overeen met de andere ten laste gelegde diefstallen met geweld. Er is contact gelegd via Grindr met de lokagent. Vervolgens is er een afspraak gemaakt, waarop verdachte en 5 medeverdachten zich vlakbij de afgesproken plek, op een meer afgelegen stuk, hebben verzameld. Zij hadden gezichtsbedekking bij zich en hebben gesproken 1 over het gewelddadig tegemoet treden van de lokagent. Op het moment dat de lokagent op de afgesproken plaats arriveerde, zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 14] daar naartoe gelopen om hem op te halen en mee terug te lokken naar de plek waar de andere 4 verdachten zich hadden gepositioneerd. Dit alles volstrekt zoals het zich de dag ervoor heeft afgespeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat duidelijk sprake is van een begin van uitvoering. Deze gedragingen zijn zonder twijfel gericht op de voltooiing van de diefstal met geweld, als ten laste gelegd. De rechtbank komt daarmee tot wettig en overtuigend bewijs van het onder 5 ten laste gelegde.

- in de zaak met parketnummer 18/236080-21

Met betrekking tot feit 3 heeft verdachte het betalen met de gestolen pinpas bekend en uit het dossier volgt dat die betaling ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat verdachte heeft aangegeven dat hij niet op de hem aangereikte pas heeft gekeken naar de naam die op de pas stond verandert dit niet. Hij wist dat de pas van een ander was en daar komt bij dat hij de dag ervoor de pas ook al onder zich had. Dat hij niet zou hebben gekeken naar de naam vat de rechtbank daarom niet op als een verweer dat verdachte te goeder trouw heeft gehandeld. Zeker nu verdachte stelt voor het pinnen in de winkel een jas ter waarde van € 870,- en nog € 200,- contant 2 te hebben gekregen.

- in de zaak met parketnummer 18/227996-21 de feiten 1 en 2.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

In de zaak met parketnummer 18/270212-21

1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de terechtzitting van 24 maart 2022 voor zover hier van belang -zakelijk weergegeven-:

Feit 1.

Ik kwam met drie anderen uit de bosjes. Ik had een mondkapje en droeg een hoodie waarvan ik de capuchon op had. Wij wilden geld maken. [medeverdachte 1] is naar de auto gelopen om de telefoon en de portemonnee van die man op te halen.

Ik heb die man vastgehouden en geduwd.

Feit 2.

Ook in deze zaak is het op een beroving uitgelopen.

Ik heb die man tegengehouden toen hij weg wilde lopen. Hij kreeg toen een duw.

Ik heb naast die man gestaan.

We hadden ons eerst in de bosjes verstopt, dat klopt.

We hadden een appgroep en als er een duimpje was, wist ik dat er wat ging gebeuren en dat ik klaar moest staan.

Feiten 3 en 4.

Toen had ik alleen een mondkapje voor.

Ik heb wel dingen gezegd maar ik weet niet meer wat dat precies is geweest.

Ik heb de pinlimiet verhoogd zodat er meer geld kon worden gepind. Ik heb die 800 euro van [medeverdachte 2] gekregen.

Die man rende weg en gleed uit omdat ik hem een klap gaf. Ik heb hem meerdere klappen gegeven.

Ik had wel een groot aandeel in deze zaak.

Feit 5.

Ik stond iets verder op samen met [medeverdachte 3] toen het allemaal gebeurde. Wij stonden aan de andere kant van het pad.

Ik ben op een gegeven moment weggerend en even later aangehouden.

Wij waren allemaal op de hoogte van wat er zou gaan gebeuren.

We hebben ons teruggetrokken op het moment dat we werden aangehouden.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 29 september 2021,opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met onderzoeksnummer NN3R021099 (onderzoek STITCH) van 23 december 2021, inhoudend de verklaring van [benadeelde

partij 1] ;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 4 oktober 2021,opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 2] ;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 6 oktober 2021,opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 3] ;

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van begeleiding van 7 oktober 2021,opgenomen op pagina 183 e.v. van voornoemd, inhoudend de verklaring van verbalisant [nummer];

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 oktober 2021,opgenomen op pagina 195 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verbalisant [nummer];

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 oktober 2021,opgenomen op pagina 194 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verbalisant [nummer].

In de zaak met parketnummer 18/227996-21:

1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de terechtzitting van 24 maart 2022, voorzover hier van belang -zakelijk weergegeven- :

Op 13 december 2020 ben ik met [medeverdachte 4] op de scooter naar de parkeerplaats in Emmen gereden waar snackbar [benadeelde partij 8] staat. Ik had een stengun bij mij. Dat wapen stond op scherp. Er kon dus direct mee worden geschoten. Dat wapen is afgegaan toen ik bij die auto’s van de [benadeelde partij 8] stond. Het was een serie schoten snel achter elkaar. Door het schieten met het wapen zijn die twee auto’s geraakt.

[medeverdachte 4] heeft mij op mijn verzoek daar heen gebracht.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 december 2020,opgenomen op pagina 43 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020344089, onderzoek CARLOS/NN3R020142 d.d. 8 oktober 2021, inhoudend de verklaring van [naam 2] ;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [straatnaam] Emmen), opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 1] ;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 april 2021, opgenomen op pagina246 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 2] ;

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 24 augustus 2021,opgenomen op pagina 503 e.v. van voornoemd dossier, inhouden de verklaring van [medeverdachte 4]

.

In de zaak met parketnummer 18/236080-21

1. De (deels) bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de terechtzitting van 24 maart 2022, voor zover hier van belang -zakelijk weergegeven-:

De op 10 juni 2021 in mijn kamer in Emmen aangetroffen wiet was deels van mij.

Ik ben op 6 november 2020 bij kledingwinkel [naam kledingwinkel] in Emmen geweest. Ik was daar met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] is in feite [naam 3] . Ik kreeg een bankpas met pincode aangereikt van [medeverdachte 5] . Ik moest toen een bedrag van bijna 3000 euro betalen met die pinpas. Ik heb voor die betaling een jas en een bedrag ontvangen. [medeverdachte 5] vroeg toen ook aan mij of ik een rekening kon regelen om geld op te storten want hij had zijn limiet al bereikt.

Ik heb toen aan [medeverdachte 7] gevraagd om haar pinpas en pincode. [medeverdachte 7] heeft het geld dat op haar rekening was gestort opgenomen en aan mij gegeven. Die twee jongens waren aanwezig bij het pinnen door [medeverdachte 7] . Het geld heb ik aan [medeverdachte 5] gegeven.

[medeverdachte 8] benaderde mij omdat hij iets met geld had dat hij niet kon pinnen.

Ik heb voor hem de limiet van zijn rekening verhoogd. Daarna is er twee keer gepind door mij. Ik kreeg daarvoor 150 euro.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte (met bijlage) van 20 november 2020, opgenomen op pagina 133 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021095246 van 22 juli 2021, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 4] ;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte (met bijlage) van 5 november2020, opgenomen op pagina 210 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 4] ;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 19 april 2021,

opgenomen op pagina 205 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 7] ;

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 23 maart 2021,opgenomen op pagina 205 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 8] ;

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 18 juni 2021,opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 3] ;

De rechtbank overweegt met betrekking tot de verklaring van verdachte over de geldopnames in Groningen het volgende.

Verdachte heeft op de terechtzitting en bij de politie verklaard dat hij met de twee andere personen die ook bij de pinbetaling in de kledingwinkel [naam kledingwinkel] op 6 november 2020 aanwezig waren, in Groningen geld heeft willen pinnen (naar blijkt van de rekening van aangever [benadeelde partij 4] ) maar dat die opnames niet gelukt zijn.

Uit de aangifte van [benadeelde partij 4] blijkt dat die opnames wel degelijk hebben plaatsgevonden en dat blijkt ook uit de bankafschriften die bij de aangifte zijn gevoegd. Die opnames hebben op 5 november 2020 plaatsgevonden. Verdachte heeft voorts op 6 november 2020 [medeverdachte 7] benaderd om haar rekening en pasje beschikbaar te stellen zodat er € 5000,- kon worden overgemaakt van de rekening van [benadeelde partij 4] naar de rekening van [medeverdachte 7] . Die overboeking heeft op 6 november 2020 rond 15.47 uur plaatsgevonden.

De betaling bij [naam kledingwinkel] heeft plaatsgevonden op 6 november 2020 rond 17.19 uur. De verklaring van verdachte dat hij zich ten tijde van het pinnen met de bankpas van [benadeelde partij 4] van geen kwaad bewust was, is op zijn minst ongeloofwaardig. Verdachte is met anderen zowel op 5 november als op 6 november met de bankpas en het rekeningnummer van [benadeelde partij 4] in de weer geweest. Dat de geldopnames op 5 november niet zouden zijn gelukt, strookt niet met de bankgegevens van [benadeelde partij 4] die zich ook in het procesdossier bevinden.

Gelet hierop is verdachte mede verantwoordelijk voor de geldopnames in Groningen en wist verdachte op 6 november 2020 bij de betaling in de winkel van [naam kledingwinkel] dat hij betaalde met een weggenomen bankpas.

In de zaak met parketnummer 18/195429-21

1. De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 maart 2022, voor zover hier vanbelang - zakelijk weergegeven -:

Wat het eerste feit betreft. Ik heb de bankrekening van [medeverdachte 9] geregeld en dus zijn bijbehorende pinpas en pincode. Ik heb daar 150 euro voor gekregen. Het bitcoin verhaal dat ik aan [medeverdachte 9] heb verteld had ik van anderen overgenomen.

Over feit 3 wil ik zeggen dat ik het pinpasje met pincode bij [benadeelde partij 6] heb opgehaald.

Ik regelde op verzoek van [naam 3] bankrekeningen en de bijbehorende pasjes en pincodes.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, met bijlagen, van 5 oktober2020, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021058370 van 6 mei 2021, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij 5] :

Op dinsdag 29 september 2020 te 00:04 uur heb ik een sms gekregen van nummer [telefoonnummer] . De sms leek afkomstig te zijn van de ING en had als inhoud dat mijn rekening zou zijn beperkt. Er stond een link in de SMS welke zou dienen tot een verificatie. Ik heb om 09:49 uur nog een sms gehad van zoals het lijkt de ING. Dit ging over een activeringscode van de mobiel bankieren app van de ING. Ik ben volgens mij op die bewuste dag gebeld op mijn vaste telefoon door een man welke vertelde werkzaam te zijn voor de ING. Hoe het gesprek exact verliep heb ik niet helder voor de geest maar ik vertrouwde het in ieder geval niet. Ik heb vervolgens contact opgenomen met de fraudelijn van de ING.

Op vrijdag 2 oktober 2020 werd ik in de avond weer gebeld op de vaste telefoon door een man welke aangaf werkzaam te zijn bij de ING. Ik was zo in de war dat het de man uiteindelijk gelukt is om tot 3 keer toe 4.985,- euro van mijn rekening af te schrijven. Hiervan bleken later 2 transacties geslaagd. Ik ben dus een kleine 10.000 euro kwijtgeraakt omdat ik ben opgelicht. Ik was in de war en er is misbruik van mij gemaakt. Mijn rekeningnummer is [rekeningnummer] .

Uit het bij de aangifte gevoegde rekeningafschrift blijkt dat van de ING bankrekening van aangever op 2 oktober 2020 om 21:34 uur, door middel van online bankieren 4985 euro is overgeboekt naar rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 9] en op 2 oktober 2020 te 21:53 is door middel van online bankieren 4985 euro overgeboekt naar rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 10] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 28 oktober 2020,opgenomen op pagina 117 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] :

Op 28 oktober 2020, ontving ik naar aanleiding van mijn vordering 126NDA bij Geldmaat de camerabeelden van de pintransacties aangaande dit onderzoek.

Ik zag dat er op 2 oktober 2020 te 21:34:44 een persoon aan komt rennen in de richting van de pinautomaat.

Ik zag drie transacties welke achter elkaar uitgevoerd werden, ik zag dat dit overeenkwam met de uitslag van de vordering 126ND die ik op het rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 9] heb gedaan.

Ik zag op de vordering het volgende:

Op 2 oktober 2020 om 21:35 uur werd er een bedrag van 2000 euro opgenomen.

Op 2 oktober 2020 om 21:36 uur werd er een bedrag van 2000 euro opgenomen.

Op 2 oktober 2020 om 21:38 uur werd er een bedrag van 950 euro opgenomen.

Ik zag dat er op 2 oktober 2020 te 21:54:40 een jongen naar de pinautomaat liep.

Ik zag dat de twee transacties overeenkwamen met de uitslag van de vordering 126ND die ik op het rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 10] . Ik zag op de vordering het volgende:

Op 2 oktober 2020 om 21:55 uur werd er een bedrag van 2000 euro opgenomen.

Op 2 oktober 2020 om 21:56 uur werd er een bedrag van 2950 euro opgenomen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 6 april 2021, opgenomenop pagina 117 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 9] :

Het klopt dat er op 2 oktober 2020 meerdere keren geld op mijn rekening is gestort dat niet van mij was.

Ik ben toen in oktober 2020 benaderd door een gozer die ik ken als [verdachte] . Deze had een verhaal over bitcoins die van een rekening af moesten en dat kon niet op een rekening en daarom had die nog een andere bankrekening nodig. Ik heb deze [verdachte] toen mijn bankpas gegeven en de pincode. Hiervoor heb ik 500 euro gehad.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 7 januari 2021,opgenomen op pagina 135 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij 6] :

Ik was afgelopen maandag 4 januari 2021 aan het werk bij [bedrijf] , dit is een pompstation.

Tussen 17.00 uur en 17.45 uur kwam een bekende van mij binnen in de shop van het pompstation. Deze bekende is [verdachte] . Ik heb eerder bij [verdachte] in de klas gezeten. [verdachte] kocht in de shop een pakje sigaretten.

[verdachte] vertelde mij nu, bij het pompstation, dat hij met bitcoins heel veel geld had verdiend. Zelfs zoveel dat hij het niet op zijn rekening kon laten staan. Hij vertelde mij dat hij graag geld naar mijn rekening over wilde maken. Hij zou dan het geld er af halen en ik zou geld hiermee kunnen verdienen. Ik zou ongeveer 200 of 250 euro krijgen.

heeft onder valse voorwendselen, hij gaf aan dat ik geld zou verdienen en dat hij alleen het geld er af zou halen wat hij er op zou zetten, mijn bankpas gekregen en heeft zonder mijn toestemming er meer af gehaald dan was afgesproken. [verdachte] mocht geen geld, wat van mij was, van de rekening halen.

heeft 780 euro (de rechtbank begrijpt: 740 euro) van mijn rekening gehaald. Mijn rekeningnummer van de Rabobank is [rekeningnummer] .

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 6 april 2021, opgenomen op pagina 138 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van

[benadeelde partij 6] :

Op de beelden gemaakt door de camera's bij het tankstation [bedrijf] aan de [straatnaam] te

Klazienaveen is te zien dat de auto waar [verdachte] op 4 januari 2021 mee kwam omstreeks 17.00 uur parkeerde en dat [verdachte] uitstapt aan de passagierszijde en naar binnen komt in de shop.

Ik heb het pasje om 17.12.35 uur aan [verdachte] gegeven.

Nadat [verdachte] met die jonge vrouw weg was gereden heb ik mijn bankiersapp in de gaten gehouden. Hij zou geld over storten naar mijn rekening en dat er weer af halen. Ik zag echter dat er kort nadat hij weg was gegaan, geld van mijn spaarrekening naar mijn lopende rekening was overgemaakt en dat dit geld, 740 euro even later, op 4 januari 2021 om 18.04 uur bij een geldautomaat van de bank is gehaald.

Ik weet dat [medeverdachte 10] ongeveer hetzelfde is overkomen. Die vertelde mij dat hij ook aangifte heeft gedaan. Ik sprak hem tijdens het schaatsen in januari. Hij noemde het een "gevalletje [verdachte] ".

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte zowel de rekening van [medeverdachte 9] alsook de rekening van [medeverdachte 10] heeft geregeld. Naar deze bankrekeningen is het geld van [benadeelde partij 5] overgemaakt. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij [naam 3] die hem een aantal malen benaderd heeft om rekeningnummers met pasjes te regelen, wel heeft zien werken met een laptop en een koptelefoon op. Hij wist wel dat dat te maken had met oplichtingspraktijken. De bankpasjes en de daarbij behorende bankrekeningen waren nodig om de geldbedragen van de bankrekening van [benadeelde partij 5] over te kunnen maken, waarna die geldbedragen konden worden opgenomen bij geldautomaten. Verdachte kreeg voor zijn bijdrage een vergoeding.

Met het regelen van de bankrekeningen is verdachte opzettelijk behulpzaam geweest bij de oplichting van [benadeelde partij 5] , zodat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van medeplichtigheid aan oplichting. Nu verdachte pas ter zitting is gekomen met de naam van [naam 3] valt niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat hij de persoon is die verantwoordelijk kan worden gehouden voor de oplichting zodat de rechtbank ervan uit kan blijven gaan dat een onbekend gebleven persoon/personen de oplichting heeft/hebben gepleegd, waarbij verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest.

De rechtbank komt tevens tot een bewezenverklaring van diefstal van 740 euro, gepind met de pinpas van [benadeelde partij 6] . Verdachte haalt een pas en pincode op bij [benadeelde partij 6] . Uit de aangifte blijkt dat verdachte aangever vertelt dat de pas gebruikt zou worden om geld op te storten, waarvoor aangever een vergoeding zou ontvangen. Kort daarna wordt met de pas en pincode € 740,van de rekening van aangever gepind. Aangever heeft verklaard dat verdachte hierna niet meer heeft gereageerd op zijn pogingen om contact met hem te krijgen. Verdachte kon zich tijdens het politieverhoor op 2 april 2021 niets herinneren 3 met betrekking tot dit voorval. Pas ter zitting, als duidelijk is dat er ook beelden zijn van het tankstation waaruit blijkt dat hij de pas heeft opgehaald, geeft verdachte dit deel toe. Op basis van dit alles, in samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte degene is geweest die het geld van de rekening van [benadeelde partij 6] heeft gepind. De pas ter zitting door verdachte afgelegde verklaring van verdachte dat hij slechts de pinpas en pincode had geregeld en vervolgens aan [naam 3] had gegeven, acht de rechtbank in het licht van het voorgaande ongeloofwaardig.

In de zaak met parketnummer 18/262668-21

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 27 augustus 2020,opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021061211 van 13 augustus 2021, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij 7] :

Ik doe aangifte van diefstal van mijn snorfiets, merk LA Souris voorzien van het kenteken [kenteken] , blauw van kleur.

Mijn zoon [naam 5] woont aan de [straatnaam] in Emmen. Op 23 augustus 2020 rond 11:00 uur heeft mijn zoon mijn snorfiets aan de rechterkant van zijn portiek geparkeerd. Hij heeft de snorfiets op slot gedaan met zo'n veiligheidsslot. Ook heeft hij de snorfiets afgesloten middels het stuurslot. Mijn zoon [naam 5] kwam zondag rond 03.30 uur thuis en toen stond mijn snorfiets er nog. Toen hij 24 augustus 2020 rond 11:00 uur buiten kwam zag hij dat de snorfiets er niet meer stond.

De scooter is te herkennen aan de beschadigingen en krassen aan de zijkant.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 28 augustus 2020,opgenomen in voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 1] :

Ik had op snapchat een post geplaatst dat ik op zoek was naar een scooter om op te knappen. [verdachte] reageerde hierop dat hij een scooter te koop had. Hij had tegen mij gezegd dat de scooter van hem was en dat deze gestolen was geweest. Maar dat hij hem net van de politie terug had gekregen.

We hadden 250 euro afgesproken. Ik heb 100 betaald en heb afgesproken met [verdachte] dat ik de rest de week erop zou betalen.

Ik heb de scooter van [verdachte] gekocht bij de [straatnaam] in Emmen op maandag 24 augustus 2020, rond 17:30 uur. De scooter was wel in een nette staat. Het contactslot was kapot en ook lag de uitlaat er half onderweg.De buddyseat was kapot en je kon deze zonder sleutel openen.

De cilinder van het contactslot was verbogen waardoor je met een andere sleutel bijvoorbeeld het contact kon omdraaien. Er zat een killswitch op de scooter, als je deze aanzette en de kickstart gebruikte ging de scooter aan. Als je de killswitch dan weer uitzette, ging de scooter weer uit.

Er was geen sleutel bij de scooter.

Aangezien [verdachte] mij vertelde dat hij de scooter net terug had gekregen van de politie omdat deze gestolen zou zijn geweest, vond ik het allemaal niet vreemd. Ik heb geen kentekenbewijs van de scooter gekregen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 februari 2021, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 6] :

V: Je wordt gehoord als getuige voor heling van een scooter, waar je broer [medeverdachte 1] verdachte is, begrijp je dat? Dit gaat over een La Souris City.

A: Ja, dan weet ik waar dit over gaat. Het was in Angelslo, aan de [straatnaam] in Emmen. Ik was daar met mijn broertje [medeverdachte 1] , [naam 7] en [naam 8] . [medeverdachte 1] heeft daar een scooter gekocht van [verdachte] .

Het was een donkerblauwe Piaggio Zip achtige scooter. Een La Souris City. De scooter was gebruikt, er zaten wel een paar krassen op.

Uit de aangifte blijkt dat de scooter op maandag 24 augustus 2020 rond 11.00 uur door aangever werd gemist. De scooter stond om 3.30 uur nog voor de portiek, afgesloten middels een veiligheidsslot en middels een stuurslot. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 24 augustus 2020 om ongeveer 17.30 uur een scooter, die van diefstal afkomstig was, heeft verkocht aan [medeverdachte

1] .

Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat bij de scooter geen sleutel aanwezig was, dat de scooter op een bijzondere wijze moest worden gestart en dat de cilinder van het contactslot verbogen was. Gelet op deze omstandigheden en ook met name gelet op het korte tijdsverloop tussen het moment van vermissing en de verkoop van de scooter aan [medeverdachte 1] , kan het niet anders zijn dan dat verdachte op het moment van de verwerving van de scooter moet hebben geweten, gelet op de staat waarin de scooter zich bevond, dat de scooter van diefstal afkomstig was. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/270212-21 onder 1 tot en met 5 en

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/227996-21 onder 1 en 2 en

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/236080-21 onder 1, 2 en 3 en

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/195429-21 onder 1 subsidiair en 3 en

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/262668-21 subsidiair

ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Parketnummer 18/270212-21

1. primair

hij op 29 september 2021 te Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, een portemonnee (inclusief inhoud) en een Iphone 7 telefoon en autosleutels, die aan [benadeelde partij 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door:

  • -

    die [benadeelde partij 1] op de grond te gooien/trekken en

  • -

    te slaan/stompen in het gezicht van die [benadeelde partij 1] en

  • -

    te schoppen/trappen in het kruis van die [benadeelde partij 1] en

  • -

    die [benadeelde partij 1] dreigend de woorden toe te voegen "we slaan je hartstikke dood";

2 primair

hij op 4 oktober 2021 te Emmen tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon en autosleutels en huissleutels en een geldbedrag van 5 euro, die aan [benadeelde partij 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door:

  • -

    die [benadeelde partij 2] op de grond te gooien/trekken en

  • -

    te slaan/stompen in het gezicht van die [benadeelde partij 2] en

  • -

    te schoppen/trappen tegen de schenen van die [benadeelde partij 2] ;

3 primair

hij op 5 oktober 2021 te Emmen tezamen en in vereniging met anderen, een portemonnee en een

Samsung Galaxy S9+ telefoon en een pinpas en een rijbewijs, die aan [benadeelde partij 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door:

  • -

    te slaan/stompen tegen het hoofd en de ribben van die [benadeelde partij 3] en

  • -

    te schoppen/trappen tegen de ribben van die [benadeelde partij 3] en

  • -

    die [benadeelde partij 3] dreigend de woorden toe te voegen “Je krijgt opnieuw klappen” en “I put agun to your head” en “je krijgt klappen als de code niet goed is”;

4. hij op 5 oktober 2021 te Emmen tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag van 5.000 euro, dat aan [benadeelde partij 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van een pinpas en van een bijbehorende pincode, toebehorende aan voornoemde [benadeelde partij 3] ;

5. primair

hij op 6 oktober 2021 te Emmen tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een hoeveelheid goederen en/of een geldbedrag, die/dat geheel of ten dele aan een persoon die zich voordeed als ‘ [naam 1] ’ toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die persoon die zich voordeed als ‘ [naam 1] ’, te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken

  • -

    een afspraak heeft gemaakt via de app Grindr met een persoon die zich voordeed als ‘ [naam 1] ’ endie ‘ [naam 1] ’ heeft laten komen naar een afgelegen locatie en

  • -

    die ‘ [naam 1] ’ heeft getroffen bij zijn auto en vervolgens die ‘ [naam 1] ’ heeft gevraagd om mee te lopen en

  • -

    ( op voorhand en onderling) afspraken heeft gemaakt over de te verdelen buit en

  • -

    ( op voorhand en onderling) afspraken heeft gemaakt over hoe die ‘ [naam 1] ’ opgewacht zouworden op een donkere plek en wat er vervolgens tegen die ‘ [naam 1] ’ gezegd zou worden en/of

  • -

    ( op voorhand en onderling) afspraken heeft gemaakt over het toe te passen geweld tegen die ‘[naam 1] ’, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Parketnummer 18/227996-21

  1. hij op 13 december 2020 te Emmen tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk 2 auto's, die aan [benadeelde partij 8] toebehoorden, heeft beschadigd;

  2. hij in de periode van 13 december 2020 tot en met 25 mei 2021 in Nederland, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een machinepistool/automatisch vuurwapen, van het merk Stengun, type MKII, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad.

Parketnummer 18/236080-21

  1. hij, op 10 juni 2021, te Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 87,4 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

  2. hij, in de periode van 28 oktober 2020 tot en met 6 november 2020, te Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal ongeveer

€ 17.872,00 (€ 13.000 ( [benadeelde partij 4] ) en € 4.872,00 ( [naam 4] )), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij en zijn mededaders telkens wisten, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf;

3 hij op 6 november 2020, ( 17.37 uur) te Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag van € 2.963,00, dat aan [benadeelde partij 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met de bankpas van voornoemde [benadeelde partij 4] , en daarbij behorende pincode, te betalen.

Parketnummer 18/195429-21

1. subsidiair

Een of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en) omstreeks 2 oktober 2020 in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten: twee geldbedragen, van in totaal € 9970, door sms(jes) naar die [benadeelde partij 5] te sturen

(zogenaamd) door/namens de ING-bank en te vermelden dat zijn (bank)rekening beperkt zou zijn of worden en dat de rekening geverifieerd moest worden zodat blokkade voorkomen kon worden en (vervolgens) een activatiecode voor een Mobiel bankieren app te sturen en (vervolgens) telefonisch contact op te nemen (zogenaamd) door/namens de ING-bank, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 2 oktober 2020 te Emmen opzettelijk behulpzaam is geweest door meerdere pinpassen en pincodes (en dus bankrekeningen waarop die geldbedragen gestort konden worden), toebehorend aan [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 9] , te regelen;

3

hij op 4 januari 2021 te Klazienaveen, gemeente Emmen een geldbedrag van in totaal € 740, dat aan [benadeelde partij 6] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Parketnummer 18/262668-21

Subsidiair hij op 24 augustus 2020 te Emmen, een snorfiets (LA Souris, blauw), voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: onder parketnummer 18/270212-21

1. primair diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. primairdiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3. primairdiefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

4. diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

5. primairpoging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

onder parketnummer 18/227996-21

1. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd;

2

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en het feit begaat met een wapen van categorie II, van de Wet wapens en munitie.

onder parketnummer 18/236080-21

  1. opzettelijk handelen in strijd van een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

  2. medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

  3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

onder parketnummer 18/195429-21

1. subsidiair medeplichtigheid aan oplichting;

3

diefstal.

onder parketnummer 18/262668-21

subsidiair opzetheling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting van 1 september 2022 zijn eerdere vordering gewijzigd en gevorderd dat verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1062 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 720 dagen voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 5 jaren. De officier van justitie heeft verzocht als bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen meldplicht bij de reclassering, meewerken aan behandeling en begeleiding door het FACT-team, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, schuldhulpverlening, en het verkrijgen en behouden dagbesteding, contactverbod met medeverdachten, het eenmalig meewerken aan controle op en het verwijderen van beeldmateriaal dat gerelateerd is aan de berovingen en een (tijdelijk) locatiegebod met elektronische controle. Het tijdelijke locatiegebod met elektronische controle dient ter overbrugging vanaf het moment dat verdachte vrijkomt tot aan het moment dat verdachte terecht kan bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang.

Indien de rechtbank de strafeis zal volgen, zal dat betekenen dat verdachte op 22 september 2022 vrijkomt, zodat de reclassering na de uitspraak van het vonnis nog één week de tijd heeft om het elektronisch toezicht te regelen en verdachte daarop aan te sluiten. De officier van justitie heeft toegelicht dat hij tot deze aanpassing van zijn strafeis komt omdat hij van mening is dat er meer rekening dient te worden gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte en vanwege het feit dat er inmiddels mogelijkheden worden gezien tot het opleggen van bijzondere voorwaarden ter vermindering van het recidiverisico. Verdachte dient een kans te krijgen, waarbij aan verdachte een forse voorwaardelijke straf - als stok achter de deur - dient te worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte inmiddels lang genoeg heeft vastgezeten en de kans dient te krijgen om met begeleiding en door middel van behandeling zijn leven te beteren. De raadsman heeft verzocht de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals geadviseerd door de reclassering. De standaard proeftijd van 3 jaren acht de raadsman afdoende. Verdachte is bereid om zich aan alle bijzondere voorwaarden te houden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Stitch

Van 29 september 2021 tot en met 5 oktober 2021 hebben in Emmen drie gewelddadige berovingen plaatsgevonden. Op 6 oktober 2021 is het door inzet van een zogenoemde ‘lokagent’ gebleven bij een poging daartoe.

Op woensdag 29 september 2021 wordt via de app Grindr een seksafspraak gemaakt met de 75jarige aangever [benadeelde partij 1] . Aangever wordt door verdachte [medeverdachte 11] opgehaald op de afgesproken plek en meegevoerd naar de meer afgelegen plek waar verdachte en drie andere verdachten ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 12] en [medeverdachte 1] ) in de bosjes wachten. Door middel van een duimpje in de snapchatgroep laat verdachte [medeverdachte 11] weten aan de groep dat hij met aangever onderweg is. Het slachtoffer wordt vervolgens uitgescholden, bedreigd, geslagen en geschopt. Het is de verdachten met name te doen om de telefoon en portemonnee van aangever. Wanneer blijkt dat deze spullen in de auto liggen, worden de autosleutels afgepakt, wordt de auto opgehaald en doorzocht. Nadat aangever ook na dreigementen en geweld volhardde in zijn weigering om zijn pincode af te geven, worden hem de autosleutels teruggegeven, waarna aangever heeft kunnen vluchten.

Op maandag 4 oktober 2021 wordt door [medeverdachte 2] via de app Grindr een seksafspraak gemaakt met aangever [benadeelde partij 2] . Weer wordt de aangever opgehaald, dit keer door [medeverdachte 2] , en met een smoes meegevoerd naar de meer afgelegen plek waar nu een groep van 8 personen (verdachte, [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 16] , [medeverdachte 17] en [medeverdachte 18] ) verdekt in de bosjes op hen staat te wachten. De groep draagt gezichtsbedekking en aangever wordt uitgescholden, bedreigd en geslagen en getrapt. Ook nu worden de autosleutels en de telefoon afgepakt. De telefoon blijkt vergrendeld. Aangever heeft zijn telefoon terug weten te pakken. Na hevig verzet heeft aangever zich aan de groep weten te onttrekken en is er rennend vandoor gegaan.

Op dinsdag 5 oktober 2021 wordt wederom door [medeverdachte 2] een seksafspraak gemaakt, nu met aangever [benadeelde partij 3] . Aangever wordt door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 14] opgehaald en meegevoerd naar de plek waar vijf andere verdachten (verdachte, [medeverdachte 13] , [medeverdachte 17] , [medeverdachte 16] en [medeverdachte 18] ) zich in de bosjes hebben verstopt. Daar aangekomen wordt de aanval ingezet. Aangever ziet twee mannen met bivakmuts op zich afkomen, probeert te ontkomen, maar valt. Hij wordt vervolgens onder meer met de vuist tegen het hoofd gestompt en geschopt tegen zijn ribben. Hij moet op zijn knieën met de armen op de rug. De groep schreeuwt dan om geld en zijn telefoon. Zijn auto- en huissleutels en portemonnee worden hem afgepakt. Hij wordt gedwongen om twee vingers in zijn mond te stoppen. Ondertussen wordt aangever meermalen uitgescholden voor onder meer pedofiel en wordt hij gefilmd en wordt er een foto van zijn rijbewijs gemaakt. Ook wordt in het Engels4 tegen hem gezegd dat er een wapen tegen zijn hoofd zou worden gezet. Aangever [benadeelde partij 3] wordt ook gedwongen om zijn pincode af te geven en zijn telefoon, waarna twee van de groep ( [medeverdachte 13] en [medeverdachte 17] ) zijn gaan pinnen. Ondertussen wordt aangever gedwongen om de telefoon te ontgrendelen waarna geld wordt overgeboekt van de spaarrekening naar de lopende rekening en de pinlimiet wordt verhoogd. De eerste keer wordt een bedrag van € 800,- gepind, de tweede keer, zeven minuten later, wordt een bedrag van € 4.200,- buitgemaakt. Al deze tijd wordt aangever door de vijf overige verdachten, onder wie dus ook verdachte, onder bedreiging met geweld op de plaats gehouden.

Op 6 oktober 2021 heeft [medeverdachte 2] opnieuw via Grindr een seksafspraak gemaakt. Dit keer was er echter door de politie een lokagent ingezet. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 14] zijn naar de afgesproken plek toegelopen, terwijl de andere vier achterbleven bij/in de bosjes. Nadat contact werd gelegd met de lokagent zijn vervolgens zes verdachten (verdachte, [medeverdachte 2] ,

[medeverdachte 14] , [medeverdachte 18] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 19] ) aangehouden.

Zowel op basis van het procesdossier alsook op basis van de verklaring van verdachte ter zitting kan worden vastgesteld dat er plannen zijn gemaakt om mannen (pedofielen) te overvallen die een seksafspraak zouden hebben gemaakt met een minderjarige. Deze mannen zijn bewust uitgekozen omdat ervan werd uitgegaan dat zij niet snel de politie zouden inschakelen. Daarmee hebben verdachten heel bewust kwetsbare slachtoffers uitgekozen met als doel hen te beroven en de kans op betrapping zo klein mogelijk te maken. Hiertoe werden valse accounts op datingssites voor homoseksuele mannen aangemaakt. Deze nepaccounts werden kort na de berovingen weer verwijderd. Duidelijk is geworden dat het de verdachten te doen was om geld en niet om het ‘pedojagen’. Voor zover er verdachten hebben meegedaan omdat zij (in eerste instantie) een rechtvaardiging zagen in het jagen en afstraffen van pedofielen, dient duidelijk te zijn dat hierin geen rechtvaardiging voor hun handelen ligt. In een rechtstaat is het aan de politie onder leiding van het openbaar ministerie om strafbare feiten op te sporen en ligt de beoordeling hiervan in handen van de onafhankelijke rechter. Alleen op die manier kunnen burgers worden beschermd tegen willekeur en wordt voor een ieder het recht op een eerlijk proces en beoordeling van hun zaak door de onafhankelijke rechter gewaarborgd. Eigenrichting ondermijnt onze rechtstaat en levert een ernstig gevaar op voor de veiligheid in onze maatschappij.

Zoals reeds verwoord, was het de verdachten echter te doen om geld en hebben ze kwetsbare slachtoffers gezocht. De slachtoffers zijn gelokt naar een afgelegen plaats waar de groep met gezichtsbedekking tevoorschijn is gekomen. Daarna zijn de slachtoffers op gewelddadige wijze beroofd. De acties van de verdachten waren erop gericht om zo snel mogelijk de pinpas en pincode, alsook de toegang tot internetbankieren te verkrijgen. In het geval van aangever [benadeelde partij 3] is dat gelukt en is een bedrag van € 5.000,- buitgemaakt.

Of het filmen van de slachtoffers door de verdachten als extra vernedering moet worden gezien dan wel als een mogelijkheid om de slachtoffers op een later moment nog te kunnen chanteren, kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Beide redenen zijn echter verwerpelijk en tonen waartoe deze groep verdachten in staat is gebleken.

De ernst van de feiten, het georganiseerde verband waarin deze zijn gepleegd, het gebruikte fysieke geweld en de kwetsbaarheid van de slachtoffers rechtvaardigen al een onvoorwaardelijke jeugddetentie van aanzienlijke duur. Daarbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat feiten als deze vaak lange tijd grote nadelige gevolgen hebben voor de slachtoffers, zoals ook uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen is gebleken.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben met de gevoelens en de gevolgen voor de slachtoffers geen enkele rekening gehouden toen zij besloten op deze gewelddadige manier aan geld te komen. Zij hebben kennelijk alleen hun eigen geldelijke gewin voor ogen gehad. Daarnaast hebben de verdachten door zo te handelen ook bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Gebleken is dat [medeverdachte 2] en verdachte de leiders van de groep waren. Zij hebben in hun hang naar geld een groep, in sommige gevallen veel jongere verdachten, zover weten te krijgen om met hen mee te doen. Zij zijn ook degenen geweest die geld wilden maken en de pinners (

[medeverdachte 17] en [medeverdachte 13] ) hebben op 5 oktober 2021 het geld aan hen afgegeven. Verder kan ook worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die het grootste deel van de buit heeft gekregen. Voldoende is ook gebleken dat aan de andere verdachten niet is gemeld dat het is gelukt om geld te pinnen, zodat er meer te verdelen viel onder verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 17] en [medeverdachte 13] . In de strafmaat zal het voorgaande moeten doorklinken, waarbij sterk rekening moet worden gehouden met de niet geringe rol die verdachte bij de feiten heeft gespeeld.

Onderzoek Carlos

Verdachte heeft zich op 23 december 2020 in Emmen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een geladen Stengun. Met dit automatische machinepistool heeft verdachte geschoten waardoor twee auto’s van [benadeelde partij 8] zijn beschadigd. Hoewel vernieling ten laste is gelegd en bewezen is verklaard, geldt in strafverzwarende zin, dat verdachte de vernieling gepleegd heeft door in de publieke ruimte - waar kort daarvoor nog mensen aanwezig waren - met een automatisch wapen te schieten op twee auto’s.

Overige feiten

Verdachte heeft zich daarnaast nog schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ongeveer 88 gram hennep, het meermalen in vereniging witwassen van forse geldbedragen, diefstal in vereniging, medeplichtigheid aan oplichting, diefstal en opzetheling. Bij vrijwel alle van deze feiten is verdachte nietsontziend te werk gegaan om snel geld te verdienen, terwijl aan de forse schade die hij daarmee anderen toebracht geen enkele gedachte werd gewijd.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in totaal schuldig gemaakt aan dertien strafbare feiten, waarvan een aantal feiten zeer ernstig. De rechtbank is hiervoor uitgebreid ingegaan op de ernst van de feiten in het onderzoek ‘Stitch’. Gebleken is dat verdachte de feiten heeft gepleegd vanuit winstbejag. Daarbij heeft verdachte niet geschuwd om geweld te gebruiken of te dreigen met het gebruik van geweld. Verdachte heeft op geen enkele manier rekening mee gehouden met de gevolgen voor zijn slachtoffers. Gedurende het politieonderzoek en het strafproces heeft verdachte veel van de feiten ontkend, totdat hij er niet langer onderuit kon, waarna hij niet zelden is overgegaan tot het bagatelliseren van die feiten. De rechtbank tilt verder zwaar aan het feit dat verdachte een automatisch vuurwapen voorhanden heeft gehad en daarmee - in de publieke ruimte - schoten heeft gelost. Het voorhanden hebben en gebruik maken van een vuurwapen en bijbehorende munitie brengt grote veiligheidsrisico’s met zich mee. Het ongecontroleerde bezit van een (vuur)wapen met munitie verhoogt het risico op levensbedreigende delicten. De rechtbank neemt verdachte dit alles uiterst kwalijk.

Persoon van verdachte

Over verdachte zijn meerdere rapportages uitgebracht. De rechtbank heeft met name acht geslagen op de volgende rapportages:

  • -

    het psychologisch rapport d.d. 8 februari 2022 opgesteld door N. van der Weegen, GZ-psycholoog;

  • -

    het aanvullende psychologisch rapport d.d. 25 augustus 2022 opgesteld door N. van der Weegen,GZ-psycholoog;

  • -

    het psychiatrisch rapport d.d. 25 augustus 2022 opgesteld door M.A. Westerborg, forensischpsychiater;

  • -

    het reclasseringsrapport van Verslavingszorg Noord-Nederland (hierna: VNN) d.d. 22 maart 2022,opgesteld door L. Bos.

  • -

    het reclasseringsrapport van VNN d.d. 29 augustus 2022, opgesteld door L. Bos.

De psychiater heeft vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Volgens de psychiater is verdachte niet in staat om empathie te voelen en gebruikt hij anderen voor zijn eigen gewin. Van het voorgaande was ook tijdens het ten laste gelegde sprake. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De psychiater heeft geadviseerd de ten laste gelegde feiten aan verdachte volledig toe te rekenen, verdachte een straf op te leggen met een lang voorwaardelijk deel en als bijzondere voorwaarde aan verdachte op te leggen dat hij zich - door middel van schematherapie - laat behandelen aan zijn stoornissen.

De psycholoog heeft in haar rapportages vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast concludeert zij dat sprake is van psychopathie. Verdachte heeft een gebrekkig functionerend geweten en schiet tekort in zijn empathie. Het risico op recidive wordt als somber ingeschat.

De psycholoog komt tot de vaststelling dat de stoornis bij verdachte aanwezig was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en dat deze verdachte zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de ten laste gelegde feiten hebben beïnvloed. Desondanks adviseert de psycholoog het ten laste gelegde verdachte volledig toe te rekenen. Hoewel sprake is van doorwerking van de stoornis in het ten laste gelegde, heeft dit verdachte niet belemmerd om keuzes te maken voorafgaand en ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte heeft er op opportunistische en berekenende wijze voor gekozen de feiten te begaan, aldus de psycholoog.

In geval van veroordeling, wordt geadviseerd om verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij begeleid wonen en begeleiding door een FACT-team als bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd.

Ter terechtzitting heeft psycholoog N. van der Weegen haar rapport bevestigd en nader toegelicht:

Uit het aanvullende onderzoek is gebleken dat naast de antisociale persoonlijkheidsstoornis eveneens sprake is van psychopathie bij verdachte. Verdachte is daarnaast geneigd een sociaal wenselijk beeld van zichzelf te laten zien, waardoor effectieve behandeling moeilijk zal zijn. De stoornis van verdachte heeft doorgewerkt bij de feiten, maar niet zodanig dat sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Dit omdat verdachte in staat is om andere afwegingen en keuzes te maken, dan dat hij heeft gemaakt. Bovendien is geen sprake van verminderde controle, zoals bijvoorbeeld het geval zou zijn als (ook) sprake zou zijn van ADHD. Verdachte is ook niet psychotisch, hij is in staat om na te denken, maar weegt belangen alleen anders af dan anderen. Verdachte dient intensieve, dat wil zeggen dagelijkse, begeleiding te krijgen van het FACT-team. Het FACT-team kan verdachte ook behandelen. Een behandeling kan vruchten afwerpen wanneer verdachte lange termijn keuzes gaat maken. Of de behandeling zal slagen heeft verdachte zelf in de hand.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op hetgeen verder in de rapportages van de reclassering vermeld staat en op de toelichting ter terechtzitting van de deskundige L. Bos.

Deskundige Bos heeft ter terechtzitting desgevraagd aangegeven dat het ongeveer een week duurt om elektronisch toezicht te regelen. Evenals de psycholoog is hij van mening dat begeleiding van het FACT-team passend is. Bos heeft benadrukt dat het belangrijk is dat in de tussenliggende periode, wanneer verdachte nog niet terecht kan bij een instelling voor begeleid wonen, er goed toezicht wordt gehouden op verdachte en dat hij in die periode te allen tijde huisvesting moet hebben, ook omdat alleen dan een locatiegebod mogelijk is.

Toerekeningsvatbaarheid

Voor de beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid heeft de rechtbank zich laten adviseren door een psycholoog en een psychiater. Beide deskundigen zijn opgeroepen om ter zitting van 1 september 2022 te verschijnen. De psycholoog is ter zitting verschenen en heeft haar rapporten nader toegelicht en de vragen van de rechtbank beantwoord. De psychiater is, hoewel daartoe deugdelijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen om zijn rapport nader toe te lichten. De vragen die naar aanleiding van de inhoud van het rapport van de psychiater bij de rechtbank zijn gerezen, zijn daarmee onbeantwoord gebleven. De rechtbank zal daarom bij haar beoordeling vooral waarde kunnen hechten aan het rapport van de psycholoog en de daarop ter zitting gegeven toelichting.

Bij de beoordeling van de vraag of en in welke mate de feiten kunnen worden toegerekend, wordt een zwaar gewicht toegekend aan de adviezen daaromtrent van de forensisch gedragskundigen. De beoordeling betreft echter een juridisch oordeel, waartoe de rechtbank komt na weging van de door de deskundigen gegeven adviezen en de onderbouwing daarvan.

De deskundigen hebben geadviseerd de feiten volledig aan verdachte toe te rekenen. De bij verdachte aanwezig antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft doorgewerkt in de gepleegde feiten, maar niet in die mate dat hij zijn wil niet in vrijheid kon bepalen, aldus de psycholoog. Zij heeft ter zitting haar schriftelijke advies bevestigd en aangegeven dat het voor verdachte mogelijk was om de keuze te maken de strafbare gedragingen na te laten.

Gelet op de in de rapportages geschetste achtergronden van verdachte, komt de rechtbank echter tot het oordeel dat de feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De psycholoog komt in het aanvullend rapport tot de conclusie dat bij verdachte naast een antisociale persoonlijkheidsstoornis, sprake is van psychopathie. Onder andere ontbreekt het hem aan berouw, emotionele diepgang en empathie. Hij is impulsief en onverantwoordelijk. Verdachte komt daarnaast ook in het aanvullend onderzoek van de psycholoog naar voren als functionerend op een laagbegaafd intellectueel niveau.

Hoewel in de jeugd van verdachte meermalen ADHD is vastgesteld, geeft de psycholoog aan dat in dit onderzoek onvoldoende aanwijzingen zijn om dit vast te stellen. Het onderzoek hiernaar lijkt echter mede onder invloed van de opstelling van verdachte gemankeerd te zijn geweest.

De psycholoog geeft aan dat het recidiverisico hoog is en dat dat lijkt te zijn gevormd door de antisociale persoonlijkheidsstoornis van verdachte en het gebrek aan een adequaat functionerend geweten.

De rechtbank gaat uit van de vastgestelde antisociale persoonlijkheidsstoornis en psychopathie en van de doorwerking hiervan in de gepleegde delicten. Daarbij betrekt de rechtbank de intellectuele capaciteiten van verdachte, waarbij sprake is van een disharmonisch scoreprofiel en waarbij verdachte significant lager scoorde op logisch redeneren. Tevens betrekt de rechtbank daarbij de adviezen waaruit blijkt dat het recidiverisico vanuit de persoonlijkheidsstoornis kan worden verklaard.

Dit alles bezien in samenhang moet naar het oordeel van de rechtbank leiden tot de conclusie dat de mate en complexiteit van de problematiek van verdachte ertoe heeft geleid dat bij hem sprake is geweest van een verminderd inzicht en verminderde mogelijkheden om zijn wil en handelen te bepalen. Dit rechtvaardigt de hieraan in juridische zin te verbinden conclusie van een verminderde toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend en zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging.

Toepassing van het volwassenstrafrecht

Ten tijde van een deel van de feiten die bewezen zijn verklaard onder de parketnummers 18/23608021, 18/195429-21 en 18/262668-21 was verdachte 17 jaar. Ten tijde van de gepleegde feiten onder de parketnummers 18/270212-21 en 18/227996-21 was verdachte 18 jaar. Ter zitting van 24 maart 2022 heeft de rechtbank de dagvaardingen gevoegd, zodat beoordeling van de zaak conform het jeugdrecht het uitgangspunt is. Artikel 77b van het wetboek van strafrecht voorziet echter in de mogelijkheid het sanctierecht voor volwassenen toe te passen, mits aan tenminste één van de daar genoemde criteria is voldaan.

Door de reclassering is blijkens haar rapport van 22 maart 2022 onderzoek gedaan naar de vraag of het jeugd- dan wel het volwassenstrafrecht moet worden toegepast. Na weging van de relevante factoren is gekomen tot een advies voor toepassing van het volwassenenstrafrecht. De reclassering ziet - onder meer gelet op het zelfbepalende gedrag van verdachte - onvoldoende mogelijkheden voor een pedagogische insteek en acht toepassing van het jeugdstrafrecht daarom niet aan de orde.

De psycholoog en psychiater hebben eveneens geadviseerd tot toepassing van het volwassenstrafrecht.

De rechtbank zal de adviezen van de deskundigen op dit punt volgen. De rechtbank acht het jeugdstrafrecht niet toereikend en zal aan artikel 77b van het Wetboek van strafrecht toepassing geven en de artikelen 77g tot en met 77gg van dat wetboek buiten toepassing laten. De rechtbank vindt hiertoe gronden in de ernst van het bewezenverklaarde feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten geldt dat het uitgangspunt is dat deze feiten bestraft moeten worden met een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. De rechtbank zal bij het bepalen van de duur echter rekening houden met de jonge leeftijd van verdachte alsook met haar oordeel dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Alles overwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor duur van 36 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Gelet op de duur van het voorarrest betekent deze strafoplegging dat verdachte binnenkort vrij zal komen en de kans krijgt om zijn leven te beteren. Het voorwaardelijk deel van de vrijheidsstraf dient tevens als waarschuwing aan verdachte, om te voorkomen dat hij opnieuw strafbare feiten pleegt. Ook zullen aan dit voorwaardelijk strafdeel, ter voorkoming van recidive bijzondere voorwaarden worden gesteld om het toezicht op en begeleiding van verdachte te waarborgen.

Locatiegebod en elektronische monitoring

De rechtbank acht het aangewezen om een (tijdelijk) locatiegebod met elektronische controle als bijzondere voorwaarde op te leggen ter overbrugging van het moment waarop verdachte in vrijheid wordt gesteld tot het moment waarop verdachte terecht kan in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Op deze locatiegeboden zal elektronisch toezicht kunnen worden uitgeoefend, voor de duur van maximaal vier maanden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de aard en de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten, de problematiek van de verdachte die verband houdt met zijn delictgedrag, ook in groepsverband en het recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank de op te leggen bijzondere voorwaarden en het op te leggen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 48, 49, 57, 63, 77b, 310, 311, 312, 326, 350, 416, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen van de 3 en 11 Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

onder parketnummer 18/270212-21

  1. [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 394,89 ter zake van materiële schade en € 1.500,- tervergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

  2. [benadeelde partij 2] , tot een bedrag van € 1002,11 ter vergoeding van materiële schade en

€ 2.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

3. [ [benadeelde partij 3] , tot een bedrag van € 720,56 ter vergoeding van materiële schade en €1.500,-ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

onder parketnummer 18/195429-21

4. [ [benadeelde partij 6] tot een bedrag van € 740,-- ter vergoeding van materiële schade,vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

onder parketnummer 18/236080-21

5. [ [benadeelde partij 4] tot een bedrag van € 13.000,-- ter vergoeding van materiële schade,vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Daarnaast wordt in het schadeformulier een bedrag van € 7.000,-- genoemd als immateriële schade. Dit bedrag wordt niet vermeld onder punt 4E van het verzoek tot schadevergoeding.

Inleiding

In het onderzoek onder de naam Stitch (aangevers [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] ) zijn dertien verdachten in wisselende samenstellingen betrokken geweest bij 3 berovingen. Van de dertien verdachten zijn er slechts twee alleen bij het feit van 6 oktober 2021 betrokken geweest (poging tot beroving). Dat betekent dat in de zaken van de overige elf verdachten, vorderingen benadeelde partij zijn ingediend, al naar gelang de feiten die op hun dagvaarding staan.

De rechtbank zal de vorderingen benadeelde partij in alle zaken in het onderzoek Stitch waarin deze zijn ingediend op gelijke wijze beoordelen, zodat ten aanzien van de civiele vorderingen wordt gekomen tot dezelfde uitspraak in alle zaken waarin tot een bewezenverklaring wordt gekomen van het feit waarop de vordering betrekking heeft.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de hiervoor onder 1, 2, 3 en 4 genoemde verzoeken tot schadevergoeding toewijsbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Met betrekking tot de gevorderde schade door [benadeelde partij 4] acht de officier van justitie een bedrag van € 12.865,60 toewijsbaar omdat verdachte daar mede voor verantwoordelijk is.

De gestelde immateriële schade wordt door de officier van justitie als niet gevorderd beschouwd nu dit bedrag niet terugkomt in de slotberekening.

Standpunt van de verdediging

De raadsman acht de vordering van [benadeelde partij 6] niet toewijsbaar omdat verdachte van dat feit moet worden vrijgesproken.

Voor de overige gevorderde schadevergoedingen refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte is bereid een schadevergoeding te voldoen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële en immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/270212-21 feit 1 primair bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 september 2021.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/270212-21 feit 2 primair bewezen verklaarde.

Materiële schade

De navolgende kosten, tot een totaal bedrag van € 741,96, komen naar het oordeel van de rechtbank voor vergoeding in aanmerking:

  • -

    weggenomen contant geld (€ 5,00);

  • -

    vervanging sloten (€ 149,60);

  • -

    nieuwe huissleutels (€ 28,65);

  • -

    jas (€ 49,99);

  • -

    eigen risico zorgverzekering (€ 385,-)

  • -

    de reiskosten: afspraken/bezoek ziekenhuis Zwolle (€ 81,08), huisarts (€ 13,88), praktijkondersteuner GGZ (€ 10,42), EMDR therapie (€ 9,52) en CT-scan (€ 4,42); - parkeerkosten ziekenhuis (€ 4,40).

De overige kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

De rechtbank overweegt hierbij dat de gevorderde verplaatste schade, na betwisting, onvoldoende is onderbouwd. De overige gevorderde reiskosten zijn geen rechtstreekse materiële schade. De rechtbank verwijst in verband naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:10689). Hieruit volgt dat gevorderde reiskosten die zien op de gesprekken met de officier van justitie geen rechtstreekse materiële schade zijn en dat daarnaast niet toewijsbaar zijn de kosten voor het bijwonen van de zittingen, nu de slachtoffers zich hebben laten vertegenwoordigen door Slachtofferhulp Nederland.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is aangetoond dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel (een bloedneus) opgelopen en heeft ten gevolge van de beroving psychisch leed bekomen. Gevoelens van angst, onzekerheid, schrik, machteloosheid vallen echter niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, ter vergoeding van immateriële schade. Daarnaast zijn de posttraumatische cognitieve klachten (ernstige psychiatrische schade) ten gevolge van de beroving onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt.

De rechtbank acht de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,00 voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal dit bedrag ter vergoeding toewijzen. Het overige deel van de immateriële schade zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal bepalen dat het toe te wijzen bedrag aan (materiële en immateriële) schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2021.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/270212-21 feit 3 primair bewezen verklaarde.

Materiële schade

De navolgende kosten, tot een totaal bedrag van € 549,20, komen naar het oordeel van de rechtbank voor vergoeding in aanmerking:

  • -

    bril (€ 257,30);

  • -

    paracetamol (€ 2,38);

  • -

    telefoonhoesje (€ 5,00);

  • -

    kosten nieuwe betaalpas (€ 3,95);

  • -

    reiskosten (€ 8,17);

  • -

    tegemoetkoming verlofuren (€ 272,40).

De overige kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

De rechtbank overweegt hierbij dat de door de politie inbeslaggenomen jas en portemonnee niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu verdachte deze terug kan vragen. De overige gevorderde reiskosten zijn geen rechtstreekse materiële schade. De rechtbank verwijst naar de hiervoor genoemde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2020.

Immateriële schade

De door de benadeelde partij gestelde immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/270219-21 feit 3 primair bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen.

De rechtbank zal bepalen dat het toe te wijzen bedrag aan (materiële en immateriële) schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2021.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/195429-21 feit 3 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 januari 2021.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/236080-21 feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde.

De materiele schade, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, is daarmee toewijsbaar tot een bedrag van € 12.963,--.

Voor zover de benadeelde partij heeft bedoeld immateriële schadevergoeding te vorderen tot een bedrag van € 7.000 wijst de rechtbank de vordering in zoverre af omdat immateriële schade als gevolg van financieel gemis niet onder de regeling van artikel 361 Wetboek van Strafvordering valt.

De rechtbank zal bepalen dat het toe te wijzen bedrag aan materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2020.

hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten in het onderzoek Stitch samen met anderen heeft gepleegd en dat de verdachte en de medeverdachten naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Het toe te wijzen bedrag dient dan ook hoofdelijk te worden opgelegd.

schadevergoedingsmaatregel

Nu vast staat dat verdachte telkens aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal, met betrekking tot toegewezen vorderingen in het onderzoek Stitch, het bedrag van de schade naar rato verdelen over de verdachte en de medeverdachten, gelet op de leeftijd van verdachten.

Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

veroordeling in de kosten

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder parketnummer 18/195429-21 onder 2 ten laste gelegde nietig.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/262668-21 primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/270212-21 onder 1 tot en met 5 en

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/227996-21 onder 1 en 2 en

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/236080-21 onder 1, 2 en 3 en

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/195429-21 onder 1 subsidiair en 3 en

  • -

    in de zaak met parketnummer 18/262668-21 subsidiairten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot 24 maanden), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat veroordeelde zich meldt na uitnodiging bij de VNN Reclassering in Drenthe, op het door henaangegeven tijdstip en locatie. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt

  2. dat veroordeelde meewerkt aan ambulante behandeling en begeleiding door het (forensisch) FACTteam van de GGZ Drenthe of een soortgelijke zorgverlener. De behandeling/begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde werkt mee aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

  3. dat veroordeelde, zodra er een plek voor hem beschikbaar is, verblijft in een nader te bepaleninstelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

  4. dat veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met demedeverdachten, met wie verdachte de feiten in het onderzoek Stitch heeft gepleegd zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie heeft een signalerende functie bij dit verbod.

  5. dat veroordeelde de reclassering inzage geeft in zijn financiën en, indien door de reclasseringgeïndiceerd, meewerkt aan een budgetteringstraining.

  6. dat veroordeelde al het beeldmateriaal, chats en eventuele printscreens op zijngegevensdragers wist die te relateren zijn aan de serie berovingen ( [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] ), eenmalig te controleren door de politie (onder begeleiding van rechercheur [naam 9] of een door de officier van justitie aan het wijzen politieambtenaar).

  7. dat veroordeelde dagbesteding volgt. In periode voorafgaand aan zijn verblijf in een instelling voorbeschermd wonen of maatschappelijke opvang, werkt veroordeelde mee aan het volgen van dagbesteding bij zijn stiefvader Harms.

  8. dat veroordeelde voorafgaand aan zijn verblijf in een instelling voor beschermd wonen ofmaatschappelijke opvang (bijzondere voorwaard e 3), verblijft aan de [straatnaam] , [plaats] . Veroordeelde houdt zich gedurende deze periode aan locatiegeboden, inhoudende dat hij tussen het 18.00 uur ’s avonds en 7.00 uur ‘s ochtends en in de weekenden op dit adres verblijft. Gedurende werktijd is het veroordeelde toegestaan zich te begeven naar het adres alwaar veroordeelde dagbesteding volgt, bij de reclassering bekend (bijzondere voorwaarde 7).

Bepaalt dat aan de onder 8 gestelde bijzonder voorwaarde elektronische monitoring wordt verbonden en bepaalt daarbij dat verdachte hieraan zijn medewerking dient te verlenen. De elektronische monitoring zal worden toegepast gedurende de periode waarin verdachte verblijft aan de [straatnaam] te [plaats] tot het moment waarop verdachte gaat verblijven in een instelling voor beschermd wonen (bijzondere voorwaarde 3), met een maximale duur van vier maanden.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen vaneen of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van hetWetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Ten aanzien van 18/270212-21, feit 1 primair:

Wijst de vorderingen van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [benadeelde partij 1] te betalen:

  • -

    het bedrag van € 1.894,89 (zegge: duizend achthonderdvierennegentig euro en negenentachtig eurocent);

  • -

    de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 september 2021 tot de dag van algehele voldoening;

  • -

    de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerleggingvan deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van € 378,97 (zegge: driehonderdachtenzeventig euro en zevenennegentig eurocent), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 29 september 2021. Dit bedrag - naar rato verdeeld onder verdachte en de medeverdachten - bestaat uit € 78,97 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 7 dagen worden toegepast.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit deel van het toegewezen bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte al dan niet samen met zijn mededaders - aan de benadeelde partij een bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/270212-21, feit 2 primair:

Wijst de vorderingen van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [benadeelde partij 2] te betalen:

  • -

    het bedrag van € 2.241,96 (zegge: tweeduizend tweehonderdeenenveertig euro en zesennegentig eurocent);

  • -

    de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 oktober 2021 tot de dag van algehele voldoening;

  • -

    de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerleggingvan deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij betreffende de overige materiële schade af.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel in de vordering betreffende de immateriële schade niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], te betalen een bedrag van € 280,24 (zegge: tweehonderdtachtig euro en vierentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2021. Dit bedrag

- naar rato verdeeld onder verdachte en de medeverdachten - bestaat uit € 92,74 aan materiëleschade en € 187,50 aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 5 dagen worden toegepast.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit deel van het toegewezen bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte al dan niet samen met zijn mededaders - aan de benadeelde partij een bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/270212-21, feit 3 primair

Wijst de vorderingen van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [benadeelde partij 3] te betalen:

  • -

    het bedrag van € 2.049,20 (zegge: tweeduizend negenenveertig euro en twintig eurocent);

  • -

    de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 oktober 2021 tot de dag van algehele voldoening;

  • -

    de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerleggingvan deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij betreffende de overige materiële schade af.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], te betalen een bedrag van € 292,73 (zegge: tweehonderdtweeënnegentig euro en driëenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2021. Dit bedrag naar rato verdeeld onder verdachte en de medeverdachten - bestaat uit € 78,45 aan materiële schade en € 214,28 aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 5 dagen worden toegepast.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit deel van het toegewezen bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte al dan niet samen met zijn mededaders - aan de benadeelde partij een bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/195429-21, feit 3

Wijst de vorderingen van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij 6] te betalen:

  • -

    het bedrag van € 740,- (zegge: zevenhonderdveertig euro);

  • -

    de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 januari 2021 tot de dag van algehele voldoening;

  • -

    de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerleggingvan deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [benadeelde partij 6], te betalen een bedrag van € 740,- (zegge: zevenhonderdveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2021 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat geheel uit materiële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 14 dagen worden toegepast.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van 18/236080-21, feit 2 en 3

Wijst de vorderingen van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij 4] te betalen:

  • -

    het bedrag van € 12.963,- (zegge: twaalfduizend negenhonderd drieënzestig euro);

  • -

    de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 november 2020 tot de dag van algehele voldoening;

  • -

    de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerleggingvan deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij betreffende de (mogelijk) gevorderde immateriële schade af.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [benadeelde partij 4], te betalen een bedrag van € 12.963,- (zegge: twaalfduizend negenhonderd drieënzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2020tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat geheel uit materiële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 99 dagen worden toegepast.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr.

R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. T.D. Pel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 september 2022.

Mrs. Eelsing en Depping en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

  1. Proces-verbaal bevindingen verbalisant, [nummer] op pagina 195 en 196 van het dossier

  2. Verklaring van verdachte op pagina 52 e.v. van het dossier

  3. In het dossier staat per abuis vermeld dat verdachte op 16 maart 2021 is gehoord dit moet 2 april 2021 zijn; het geplande verhoor op 16 maart 2021 kon geen doorgang vinden.

  4. verdachte [verdachte] was degene die Engels sprak volgens verklaringen van [medeverdachte 2] (pag. 642 e.v.), [medeverdachte 13] (pag. 829 e.v.) en [medeverdachte 14] (pag. 480 e.v.)