Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2022:3018

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2022
Datum publicatie
22-08-2022
Zaaknummer
LEE 21/3599
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CRTV. De zaak gaat over de hoogte van de toegekende transitievergoeding en de vraag welke rekenregels van toepassing zijn. Voor beantwoording van die vraag is het overgangsrecht van de artikelen XII en XIII, tweede lid, van de Wab van belang. Uit die laatste bepaling volgt dwingend dat de compensatie wordt berekend aan de hand van de nieuwe rekenregels, als de procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst na 1 januari 2020 is gestart. In het geval van eiseres is de procedure tot beëindiging van het dienstverband met de werknemer gestart op 5 oktober 2020 en dat is na 1 januari 2020. De wettekst van het overgangsrecht laat op dit punt geen ruimte voor een andere uitleg of toepassing. Dat is anders indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, die slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 14 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1643). In wat eiseres aanvoert, zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het Uwv bij de berekening van de compensatie van de transitievergoeding had moeten afwijken van artikel XIII, tweede lid, van de Wab. De rechtbank begrijpt dat de nieuwe berekeningsmethode die geldt vanaf 1 januari 2020 voor de vaststelling van de compensatie financieel nadelig is voor eiseres, maar vindt dat onvoldoende voor het buiten toepassing laten van artikel XIII, tweede lid, van de Wab. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/3599


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2022 in de zaak tussen


[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: S. de Rie),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

(gemachtigde: A.B. Froentjes).

Inleiding

1. A. [naam werknemer] (de werknemer) was werkzaam bij [naam bedrijf] en na een overname is hij met ingang van 11 augustus 2016 bij eiseres in dienst getreden. Op 22 september 2016 is de werknemer uitgevallen door ziekte. Na twee jaar ziekte heeft het Uwv hem met ingang van 20 september 2018 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 43,86%.

1.1.

Met het besluit van 22 januari 2020 heeft het Uwv die WGA-uitkering na een herbeoordeling niet gewijzigd. Het Uwv heeft met een voornemen aan eiseres bericht dat de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer zal worden vastgesteld op 67,72% en dat hij per 22 januari 2020 ongewijzigd recht houdt op een loongerelateerde WGA-uitkering.

1.2.

Met het besluit van 26 november 2020 heeft het Uwv aan eiseres toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met de werknemer op te zeggen. Eiseres en de werknemer hebben op 22 december 2020 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is

overeengekomen dat het dienstverband per 22 december 2020 eindigt vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. Eiseres heeft aan de werknemer een transitievergoeding betaald van

€ 76.717,- bruto.

1.3.

Eiseres heeft bij het Uwv een aanvraag ingediend voor compensatie van de betaalde transitievergoeding. Met het besluit van 27 augustus 2021 heeft het Uwv aan eiseres een compensatie van € 44.906,38 toegekend.

1.4.

Met het bestreden besluit van 8 oktober 2021 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de vaststelling van de hoogte van de transitievergoeding gebleven.

1.5.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.6.

De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben

De Rie (HR manager van eiseres) en Froentjes deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv de hoogte van het compensatiebedrag op juiste gronden heeft vastgesteld op € 44.906,38. Het gaat er om of het Uwv daarbij terecht is uitgegaan van de rekenregels die gelden vanaf 1 januari 2020. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wettelijke regels en het overgangsrecht van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

De rekenregels

3. Eiseres voert aan dat het Uwv bij de berekening van de compensatie met toepassing van de per 1 januari 2020 geldende rekenregels voorbijgaat aan de praktijksituatie. Zij stelt hiertoe dat alle procedures zijn doorlopen om toereikend onderbouwd over te kunnen gaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. Zij wijst erop dat de herbeoordeling door het Uwv niet direct kon plaatsvinden omdat het een jaar heeft geduurd voordat de nodige stukken beschikbaar waren. Verder stelt eiseres dat de juristen niet met zekerheid durfden te zeggen of zij volledig gecompenseerd zou gaan worden voor de aan de werknemer te betalen transitievergoeding. Daarom is gekozen voor het doorlopen van de formele procedures. Eiseres vindt dat het Uwv bij de berekening van de hoogte van de compensatie de ‘oude’ rekenregels van vóór 1 januari 2020 had moeten toepassen.

4. Het Uwv stelt dat uit artikel XII van de Wab volgt dat het tijdstip van schriftelijke overeenstemming bepalend is voor de vraag welke rekenregels moeten worden toegepast. Dat is in dit geval 22 december 2020. Volgens het Uwv is voor het kunnen beëindigen van een dienstverband met een werknemer die langdurig ziek is, het afwachten van een herbeoordeling niet noodzakelijk. Eiseres is op 22 januari 2020 op de hoogte gesteld van de beslissing over de herbeoordeling. Dit kan volgens het Uwv geen reden geweest zijn waarom niet in 2019 overeenstemming kon worden bereikt over de beëindiging van het dienstverband.

5. De rechtbank overweegt het volgende. Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 7:673e van het Burgerlijk Wetboek en het overgangsrecht van de artikelen XII en XIII, tweede lid, van de Wab. Dit laatste artikel regelt dat, wanneer het einde van de wachttijd van 104 weken vóór 1 januari 2020 ligt, maar de procedure tot beëindiging van het dienstverband op of ná 1 januari 2020 start, de compensatie van de transitievergoeding wordt berekend volgens de nieuwe regels.

5.1.

In de brief van minister Koolmees van 13 december 2019 is onder het kopje “Hoge Raad beslissing van 8 november 2019 inzake beëindiging slapende dienstverbanden” het volgende opgemerkt:

Vervolgens is de vraag welke implicaties de uitspraak van de Hoge Raad heeft voor het overgangsrecht van de Wet arbeidsmarkt in balans. Met ingang van 1 januari 2020 wijzigt de opbouw van de transitievergoeding. Het overgangsrecht bepaalt dat wanneer het einde van de 104 weken ziekte vóór 1 januari 2020 ligt, maar de procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst na 1 januari 2020 start, de compensatie wordt berekend volgens de nieuwe berekening. Om in aanmerking te komen voor een compensatie volgens de oude berekening, dient de werkgever de procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst dus voor 1 januari 2020 te starten. In geval van beëindiging met wederzijds goedvinden, dient de werkgever voor 1 januari 2020 met de werknemer tot overeenstemming te zijn gekomen. De daadwerkelijke beëindigingsdatum kan dan overigens wel na 1 januari 2020 liggen (artikel XIII, tweede lid, van de Wab).” (Kamerstukken 2019-2020, 34 699, nr. 8.).

6. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure tot beëindiging van het dienstverband met de werknemer is gestart op 5 oktober 2020. Deze datum ligt na 1 januari 2020. Dit betekent dat het Uwv gehouden was om op grond van artikel XIII, tweede lid, van de Wab de compensatie te berekenen met toepassing van de rekenregels die gelden vanaf 1 januari 2020. De rechtbank wijst er daarbij op dat uit die bepaling dwingend volgt dat de compensatie wordt berekend aan de hand van de nieuwe rekenregels, als de procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst na 1 januari 2020 is gestart. De wettekst van het overgangsrecht laat op dit punt geen ruimte voor een andere uitleg of toepassing. Dat wil zeggen dat het Uwv niet zomaar van die bepaling mag afwijken. Dit kan echter anders zijn, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet – in dit geval artikel XIII, tweede lid, van de Wab – leidt. Dit is het geval indien niet‑verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. Dit volgt uit bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1643.

6.1.

Op de zitting heeft de rechtbank aan eiseres gevraagd om aan te geven welke bijzondere omstandigheden er in haar geval aan de orde zijn. Eiseres heeft daarop verklaard dat zij halverwege december 2019 een verzoek bij het Uwv heeft gedaan om een herbeoordeling van de belastbaarheid van de ex-werknemer en de eventuele duurzaamheid van diens arbeidsongeschiktheid. Zij heeft in dat verband verteld dat de arbodienst heeft gezegd dat de werknemer mentale klachten had, dat zijn prognose nog onduidelijk was en ook dat het de vraag was of bij hem sprake was van duurzaamheid. Daarbij heeft eiseres uitgelegd dat de herbeoordeling door het Uwv op zich heeft laten wachten omdat het een jaar heeft geduurd voordat alle stukken beschikbaar waren. Nadat de herbeoordeling door het Uwv was afgerond, is in oktober 2020 gestart met de procedure om te kunnen komen tot beëindiging van het dienstverband met de werknemer.

6.2.

In wat eiseres op de zitting naar voren heeft gebracht zijn naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het Uwv bij de berekening van de compensatie van de transitievergoeding had moeten afwijken van artikel XIII, tweede lid, van de Wab. Het is de rechtbank, ook op de zitting, duidelijk geworden dat eiseres zich financieel benadeeld voelt door de berekening van de compensatie door het Uwv met toepassing van de nieuwe rekenregels die gelden na 1 januari 2020. De rechtbank begrijpt dat eiseres, zoals zij op de zitting heeft toegelicht, de procedures zorgvuldig wilde doorlopen alvorens over te kunnen gaan tot beëindiging van het dienstverband met de werknemer en dat daarbij de lange duur van de herbeoordeling een rol heeft gespeeld. Het Uwv heeft hierin echter terecht geen aanleiding gezien om in afwijking van artikel XIII, tweede lid, van de Wab, de compensatie te berekenen aan de hand van de vóór 1 januari 2020 geldende rekenregels. De rechtbank betrekt hierbij dat het Uwv op de zitting onweersproken heeft gezegd dat via de vakbond het verzoek is gedaan om met wederzijds goedvinden het dienstverband met de werknemer te beëindigen en dat eiseres niet op dat verzoek is ingegaan. Het Uwv doelt hiermee op de brief van de procesjurist van de FNV van 10 oktober 2019. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiseres onder druk is gezet om vóór

1 januari 2020 het “slapende” dienstverband te beëindigen onder betaling van een bedrag ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding aan de werknemer. Dit is de reden geweest waarom eiseres, zoals zij op de zitting heeft gezegd, de aan de werknemer betaalde transitievergoeding heeft berekend met toepassing van de oude rekenregels. Deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het Uwv de compensatie ook had moeten berekenen met toepassing van de tot 1 januari 2020 geldende oude rekenregels.

6.3.

De stelling van eiseres dat een zorgvuldige procedure moest worden doorlopen om toereikend onderbouwd over te kunnen gaan tot beëindiging van het dienstverband, zonder het risico te lopen om op termijn niet volledig gecompenseerd te worden voor de toepassing van de compensatieregeling, acht de rechtbank begrijpelijk, maar die stelling levert niet een bijzondere omstandigheid op als hiervoor onder 6 bedoeld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres, zoals het Uwv op de zitting heeft gezegd, eerder had kunnen vragen om te laten beoordelen of de werknemer binnen 26 weken na het einde van de wachttijd van twee jaar ziekte het eigen werk had kunnen hervatten. Dat geldt ook voor de beoordeling over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Daargelaten of voor het kunnen beëindigen van een dienstverband met een werknemer die langdurig ziek is, het vragen van een herbeoordeling noodzakelijk is, is niet gebleken dat het vragen om een herbeoordeling niet eerder mogelijk was. De rechtbank acht daarbij van belang dat het besluit tot toekenning van de WGA-uitkering aan de werknemer per 20 september 2018 is genomen op 16 augustus 2018.

6.4.

Dat eiseres, naar zij stelt, geen antwoord heeft gekregen van haar advocaten op haar vragen over de uitwerking van de wetgeving en het overgangsrecht in de Wab, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. De verwijzing van eiseres naar de brief van minister Koolmees van 13 december 2019, zoals weergegeven onder 5.1, maakt het niet anders. In die brief staat immers dat, om in aanmerking te komen voor een compensatie volgens de oude berekening, de werkgever de procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor 1 januari 2020 moet starten. Die situatie doet zich hier niet voor.

6.5.

Het betoog van eiseres dat de uitwerking van de sinds 1 januari 2020 geldende nieuwe rekenregels voor de berekening van de compensatie in haar geval onredelijk en onbillijk is, komt er op neer dat de in artikel XIII, tweede lid, van de Wab neergelegde berekening van de compensatie buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de nieuwe berekeningsmethode die geldt vanaf 1 januari 2020 voor de vaststelling van de compensatie financieel nadelig is voor eiseres, is dit onvoldoende voor het buiten toepassing laten van artikel XIII, tweede lid, van de Wab.

Conclusie en gevolgen

7. Op grond van wat hierboven is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat het Uwv de hoogte van de compensatie van de transitievergoeding terecht heeft vastgesteld op

€ 44.906,38. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2022.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

In artikel 7:673, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is, voor zover hier van belang, geregeld dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding betaalt indien de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd of op verzoek van de werkgever is ontbonden. In het tweede lid is vervolgens geregeld hoe de hoogte van deze transitievergoeding berekend moet worden.

In artikel XII van de Wet arbeidsmarkt in balans is bepaald in welke gevallen op de berekening van de hoogte van de transitievergoeding artikel 673, eerste, tweede, vierde en negende lid van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, van toepassing blijft.

In artikel XIII, eerste lid, van de Wet arbeidsmarkt in balans is bepaald dat in afwijking van artikel 673e, eerste lid, onderdeel a, aanhef, en onder 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de vergoeding, bedoeld in het eerste lid van dat artikel ook wordt verstrekt, indien de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, en de periode, bedoeld in artikel 670, eerste lid, onderdeel a, en lid 11, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek nog niet verstreken was.

In artikel XIII, tweede lid, van de Wet arbeidsmarkt in balans is bepaal dat, indien artikel 673, eerste, tweede, vierde en negende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidt na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, van toepassing is op de berekening van de hoogte van de transitievergoeding, dat artikel tevens van toepassing is op de berekening van de hoogte van de transitievergoeding die, voor aftrek van de kosten, bedoeld in artikel 673, lid 6, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, verschuldigd zou zijn bij het beëindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst op de dag na het verstrijken van het tijdvak, bedoeld in artikel 629, lid 1 of 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.