Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2022:2931

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-08-2022
Datum publicatie
19-08-2022
Zaaknummer
LEE 19/3941 en LEE 21/1139
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Lasten onder dwangsom opgelegd opdat voldaan wordt aan de herplantplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 19/3491

LEE 21/1139

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 augustus 2022 in de zaken tussen

R. de Groote, te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.T. van Daatselaar)

en

Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Drenth).

Procesverloop

In het besluit van 24 januari 2019 (primair besluit 1), deels gewijzigd bij besluiten van 20 februari 2019 en 12 maart 2019, heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.

In de uitspraak van 20 maart 2019 (LEE 19/631) heeft de voorzieningenrechter de verzochte voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit 1 geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

In het besluit van 27 augustus 2019 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd als LEE 19/3491.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In het besluit van 31 januari 2020 (invorderingsbesluit 1) heeft verweerder verbeurde dwangsommen van € 210.800,- ingevorderd.

In het besluit van 4 september 2020 (primair besluit 2) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.

In het besluit van 4 februari 2021 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd als LEE 21/1139.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In het besluit van 17 juni 2021 (invorderingsbesluit 2) heeft verweerder verbeurde dwangsommen van € 213.200,- ingevorderd.

De rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door A. Dreijer en R.J.A. Altena. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Bij brief van 4 augustus 2021 heeft verweerder nadere informatie verschaft. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hierop te reageren en niet te kennen gegeven een nieuwe behandeling ter zitting te wensen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De procedures hebben betrekking op de kadastrale percelen S382 (Kremboong), oppervlakte 441 are, en S354 (Oostermaat), oppervlakte 613 are, te Beilen, hierna aan te duiden als de percelen.

1.1.

Op 1 december 1993 heeft [initialen] [derde] (hierna: [derde] ) voor onder meer de percelen een aanvraag Bosuitbreidingsregeling blijvend bos plantseizoen 1993-1994 ingediend. Bij beslissing van 24 december 1993 heeft de Directeur landbouw, natuur en openluchtrecreatie in Drenthe de aanvraag goedgekeurd.

1.2.

Op 18 maart 2014 heeft een toezichthouder geconstateerd dat op de percelen een velling van houtopstanden heeft plaatsgevonden zonder dat meldingen van de vellingen op de in artikel 2 van de Boswet voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn hebben plaatsgevonden.

1.3.

Per 15 april 2014 heeft [derde] de percelen overgedragen aan eiser.

1.4.

Bij brieven van 26 juni 2014 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, in dezen rechtsvoorganger van verweerder, aan eiser medegedeeld dat hij op grond van artikel 3 van de Boswet de percelen uiterlijk vóór 1 mei 2017 dient te herplanten. Op 1 november 2017 heeft de toezichthouder geconstateerd dat geen herbeplanting heeft plaatsgevonden.

1.5.

Bij brieven, beide gedateerd 14 november 2017, heeft verweerder eiser verzocht vóór 1 april 2018 aan de herplantverplichting te voldoen. Op 3 juli 2018 heeft de toezichthouder geconstateerd dat geen herbeplanting heeft plaatsgevonden.

1.6.

Bij uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8528, heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [derde] veroordeeld voor het vellen van houtopstanden zonder voorafgaande tijdige kennisgeving zoals bedoeld in artikel 2 van de Boswet. Dit betrof andere percelen dan [derde] aan eiser heeft overgedragen.

1.7.

In het primaire besluit 1 heeft verweerder lasten onder dwangsom betreffende beide percelen opgelegd wegens overtreding van artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens verweerder is dit artikel op grond van artikel 9.9 van de Wnb ook van toepassing op een herbeplantingsplicht die is ontstaan op grond van artikel 3, eerste lid, van de Boswet. Bij besluit van 20 februari 2019 is de begunstigingstermijn verlengd. Bij besluit van 12 maart 2019 is de dwangsom voor perceel S354 verlaagd.

2. In het bestreden besluit 1 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is de begunstigingstermijn aangepast. Dit leidde ertoe dat aan eiser is gelast over te gaan tot herplant van de percelen, op straffe van het verbeuren van dwangsommen per 1 december 2019 van € 45.300,- (perceel S382) en van € 60.100,- (perceel S354) en het vervolgens verbeuren van dwangsommen per 15 december 2019 van € 45.300,- (perceel S382) en van € 60.100,- (perceel S354).

2.1.

Op 4 december 2019 en op 17 december 2019 heeft de toezichthouder van verweerder geconstateerd dat geen herplant had plaatsgevonden en dat de percelen nog steeds in gebruik waren als grasland. Bij het invorderingsbesluit 2 heeft verweerder dwangsommen van in totaal € 210.800,- ingevorderd.

3. Bij brief van 3 april 2020 heeft verweerder aan eiser het voornemen bekend gemaakt een tweede last onder dwangsom op te leggen. Eiser heeft hierop zijn zienswijze gegeven. Op 20 augustus 2020 heeft een toezichthouder van verweerder geconstateerd dat geen herplant had plaatsgevonden en dat de percelen nog steeds in gebruik waren als grasland en begraasd werden door schapen.

3.1.

Bij primair besluit 2 is een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 4.3 van de Wnb. Deze last houdt in dat aan eiser is gelast over te gaan tot uitvoering van de wettelijke verplichting tot herbeplanting op een bosbouwkundige wijze van de percelen, op straffe van het verbeuren van dwangsommen per 1 april 2021 van € 90.600,- (perceel S382) en van € 122.600,- (perceel S354) en het vervolgens verbeuren van dwangsommen per 15 april 2021 van € 90.600,- (perceel S382) en van € 122.600,- (perceel S354).

4. Het primaire besluit 2 is door verweerder in het bestreden besluit 2 gehandhaafd en het bezwaar is ongegrond verklaard.

4.1.

Op 9 april 2021 heeft de toezichthouder van verweerder geconstateerd dat geen herplant heeft plaatsgevonden en dat de percelen nog steeds in gebruik waren als grasland en begraasd werden door schapen. Bij invorderingsbesluit 2 heeft verweerder verbeurde dwangsommen van in totaal € 213.200,- ingevorderd.

Relevante regelgeving

5. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Overleggen machtiging

6. Bij brief van 27 november 2019 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht binnen een week een schriftelijke machtiging toe te sturen. Zoals verweerder terecht opmerkt, heeft de gemachtigde niet eerder dan op 23 januari 2020 aan dit verzoek voldaan. De rechtbank ziet echter geen aanleiding aan dit verzuim achteraf gevolgen te verbinden.

Omvang van het geschil

7. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat de beroepsgronden, genummerd 1.10 tot en met 1.27 in het beroepschrift, niet over eiser gaan. Deze behoeven volgens hem in deze procedures dus geen beoordeling. Verder zijn de gronden met betrekking tot artikel 6 van het EVRM (punten 3.1 tot en met 3.14 van het beroepschrift) ter zitting ingetrokken.

Verjaring

8. Ter zitting is aan de orde gesteld of verweerder aanmaningen heeft verstuurd en de verjaring van de invorderingsbevoegdheid is gestuit. In dat kader heeft verweerder toegezegd om nadere informatie te verschaffen.

8.1.

Bij brief van 13 juli 2021 heeft verweerder een beantwoording, met bijlagen, aan de rechtbank toegezonden. Verweerder stelt dat de aanmaningen op correcte wijze zijn verstuurd en dat de verjaringen tijdig zijn gestuit, zodat de invordering van de verbeurde dwangsommen niet is verjaard.

8.2.

De rechtbank stelt vast dat wat betreft invorderingsbesluit 1 op 14 februari 2020 en 27 december 2020 aanmaningen zijn verzonden. De verjaring van de invorderingsbevoegdheid is daarmee tijdig gestuit. Door eisers is niet bestreden dat de aanmaningen juist zijn geadresseerd en zijn verzonden.

8.3.

Invorderingsbesluit 2 is genomen na 1 april 2021 zodat het gewijzigde artikel 5:35, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) daarop van toepassing is. De verjaringstermijn wordt op grond van die bepaling verlengd tot onherroepelijk op het beroep (of hoger beroep) is beslist. Van verjaring van de invorderingsbevoegdheid is daarom geen sprake.

Lasten onder dwangsom: overtreding

9. In geschil is allereerst of sprake is van een overtreding van artikel 4.3, eerste lid, van de Wnb. Eiser betoogt dat er weliswaar een herplantplicht rust op de percelen, maar dat hij van die herplantplicht is vrijgesteld. Hij stelt verder dat sprake was van een tijdelijk bos. Verweerder spreekt dit tegen.

9.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser ten aanzien van beide bestreden besluiten dezelfde gronden heeft aangevoerd, zodat deze hierna gezamenlijk worden besproken.

9.2.

De rechtbank overweegt dat eiser een formulier ‘vrijstelling melding en vrijstelling van de herplantplicht’ heeft overgelegd. Niet gebleken is echter dat de algemeen directeur van Staatsbosbeheer een mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 3 van de Beschikking vrijstelling meldings- en herplantplicht. Verweerder heeft toegelicht dat uitvoerig onderzoek is verricht in de archieven of een dergelijke mededeling is gedaan, maar dat een dergelijke mededeling niet is gevonden. Ook in de inmiddels gedigitaliseerde kaarten is een dergelijke vrijstelling niet teruggevonden. Dit is door eiser niet gemotiveerd bestreden. Dat betekent dat eiser naar het oordeel van de rechtbank niet is vrijgesteld van de herplantplicht. Daarbij kan in het midden blijven of de overgelegde melding al dan niet juist is.

9.3.

De rechtbank stelt vast dat [derde] een aanvraag heeft ingediend voor subsidie op grond van de Stimuleringsregeling bosuitbreiding op landbouwgronden (Stimuleringsregeling). De goedkeuringsbeslissing van 24 december 1993 vermeldt dat een inkomenscompensatie wordt toegekend voor blijvend bos.

9.4.

Uit de Stimuleringsregeling en de toelichting daarop blijkt dat slechts sprake is van tijdelijk bos, als voorafgaand aan de aanleg van het bos een vrijstelling overeenkomstig de Boswet is verleend. Blijvend bos wordt gedefinieerd als bos waarvoor voorafgaand aan de aanleg geen vrijstelling is verleend. Aangezien een inkomenscompensatie voor blijvend bos is aangevraagd en verleend, geldt voor eiser naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen vrijstelling van de verplichting tot herbeplanting op grond van de Stimuleringsregeling. Dat betoog slaagt niet. De niet onderbouwde stelling dat eiser het verkeerde aanvraagformulier zou hebben gebruikt voor blijvend bos en niet voor tijdelijk bos, leidt niet tot een ander oordeel.

9.5.

De stelling van eiser dat de bomensoort populieren erop duidt dat sprake is van een tijdelijk bos, leidt gelet op voormelde definitie van tijdelijk bos in de Stimuleringsregeling, evenmin tot een ander oordeel. Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat sprake is van populieren en dat deze zijn vrijgesteld van de herplantplicht, slaagt dat betoog ook niet, nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van de gevallen als bedoeld in artikel 4.1, onder f en h, van de Wnb.

9.6.

De rechtbank concludeert dat eiser niet heeft voldaan aan de herplantplicht en hij van die herplantplicht niet is vrijgesteld. Dat betekent dat sprake is van een overtreding van artikel 4.3, eerste lid, van de Wnb. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

Afzien van handhavend optreden

10. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien1.

10.1.

Niet in geschil is dat geen sprake is van concreet zicht op legalisering. Verweerder heeft in het verweerschrift nog opgemerkt dat de Provinciale Omgevingsverordening provincie Drenthe vanaf 1 januari 2017 de mogelijkheid biedt voor het indienen van een aanvraag om een ontheffing herbeplanting op andere grond dan het perceel waar de velling heeft plaatsgevonden. De aanvraag moet uiterlijk twee jaar na de velling ingediend worden. In de brief van 14 november 2017 heeft verweerder eiser nog gewezen op de mogelijkheid een verzoek tot compensatie (herplant elders) in te dienen. Eiser heeft geen aanvraag ingediend.

10.2.

Dat de herplantplicht niet is ingeschreven in het Kadaster is naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien, nu verweerder daartoe niet gehouden is. Uit artikel 4.3, vijfde lid, van de Wnb volgt bovendien dat de verkopende partij de koper op de hoogte stelt van de verplichting tot herbeplanting en hij deze verplichting dient op te nemen in de akte van levering. Dat dit niet zou zijn gebeurd, en eiser te goeder trouw zou zijn geweest, is een geschilpunt tussen eiser en de voormalig eigenaar en dit heeft verweerder niet hoeven te betrekken bij zijn besluitvorming. Uit artikel 4.3 van de Wnb volgt rechtstreeks dat de herplantplicht rust op de rechthebbende, in dit geval eiser.

10.3.

De rechtbank begrijpt dat herplant voor eiser ingrijpend zal zijn omdat hij dan niet langer zijn bedrijfsactiviteiten op de percelen kan uitoefenen. Zonder de kap van de bomen was het echter in het geheel niet mogelijk geweest om met deze bedrijfsactiviteiten te beginnen op deze percelen. Omdat de bedrijfsuitoefening slechts mogelijk is gemaakt door de overtreding, heeft verweerder het belang van eiser bij voortzetting van deze activiteiten minder gewicht hoeven toe te kennen dan het algemeen belang bij handhaving.

Hoogte dwangsommen

11. Over de hoogte van de dwangsommen heeft verweerder in primair besluit 1 opgemerkt dat gekozen is voor een dwangsom van € 10.000,- per hectare omdat dit de maximale opbrengst is van het telen van een gewas (2 x € 5.000,- omdat er twee teelseizoenen zijn), zo lang niet voldaan wordt aan de herplantplicht. In primair besluit 2 heeft verweerder toegelicht dat voor verdubbeling van de dwangsom is gekozen omdat de eerste lasten niet voldoende prikkelend bleken te zijn om tot herplant over te gaan.

11.1.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bedragen niet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde effectieve werking van de dwangsommen. De rechtbank stelt vast dat eiser de toelichting die verweerder heeft gegeven over de hoogte van de dwangsommen niet betwist.

11.2.

Het betoog dat de dwangsommen in de tweede last onder dwangsom disproportioneel zijn, omdat de rechtbank zich nog niet heeft uitgelaten over het eerste dwangsombesluit slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet, nu dat voor de hoogte van de dwangsom niet van belang is. Niet bestreden wordt dat verweerder bevoegd was om de tweede last onder dwangsom op te leggen omdat eiser niet had voldaan aan de eerste last, en deze eerste last dus was uitgewerkt.

11.3.

De stelling dat de tweede last een punitief karakter heeft - voor zover dat voor de hoogte van de opgelegde dwangsommen al van belang zou zijn - slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Het is vaste rechtspraak dat een last onder dwangsom een herstelsanctie is en geen bestraffende sanctie.

11.4.

De beroepsgrond met betrekking tot de waardedaling is ter zitting ingetrokken.

Invorderingsbesluiten

12. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend gericht tegen de invorderingsbesluiten, zodat deze geen verdere bespreking behoeven.

Conclusie

13. Het voorgaande betekent dat de beroepen ongegrond zijn.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzitter, en mr. P.G. Wijtsma en mr. D. Pool, leden, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2022.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarbij u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit hoger beroep indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

Wet natuurbescherming

Artikel 4.1.

Het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf (…) heeft geen betrekking op:

f. uit populieren of wilgen bestaande:

1°.wegbeplantingen;

2°.beplantingen langs waterwegen, en

3°.eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;

h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij:

1°.ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

2°.bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en

3°.zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Artikel 4.3

1. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand.

(…)

5. Degene die de eigendom van grond, ten aanzien waarvan een plicht tot herbeplanting geldt op grond van het eerste of tweede lid, overdraagt, of een beperkt recht daarop vestigt of overdraagt, stelt de verkrijger op de hoogte van de plicht tot herbeplanting en neemt die plicht uitdrukkelijk op in de akte van levering.

Stimuleringsregeling bosuitbreiding op landbouwgronden

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

j. tijdelijk bos: bos waarvoor voorafgaand aan de aanleg een vrijstelling is verleend op grond van de Beschikking vrijstelling meldings- en herplantplicht;

k. blijvend bos: bos waarvoor voorafgaand aan de aanleg geen vrijstelling is verleend op grond van de Beschikking vrijstelling meldings- en herplantplicht.

Artikel 2

Ter bevordering van het bebossen van landbouwgronden kan de minister op aanvraag een bijdrage toekennen uit ‘s Rijks kas:

a. in de kosten van de aanleg van bos op landbouwgrond en

b. ter compensatie van inkomensverlies als gevolg van de in onderdeel a genoemde aanleg van bos op landbouwgrond.

Artikel 4

De bijdrage, bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel b, bedraagt:

a. voor landbouwbedrijfshoofden F1.1200,- per ha per jaar gedurende 15 jaar bij tijdelijk bos;

b. voor landbouwbedrijfshoofden F1.1500,- per ha per jaar gedurende 20 jaar bij blijvend bos;

(…).

Toelichting

(…)

Er is een plicht tot instandhouding van het bos. Tijdelijk bos dient minimaal gedurende 15 jaar in stand gehouden te worden. Hierna kan de grond weer de bestemming van landbouwgrond krijgen. Blijvend bos (bos waarvoor geen vrijstelling van de meldings- en herplantplicht is verkregen) dient blijvend en duurzaam in stand te worden gehouden. Dit houdt in dat geen handelingen verricht mogen worden, noch gedoogd of nagelaten, die beschadigingen tot gevolg hebben of die het bos belemmeren in de ontwikkeling.

Boswet

Artikel 2

1. Hij, die het voornemen heeft om tot vellen of doen vellen van houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, over te gaan, is verplicht van dat voornemen ten minste één maand doch niet langer dan één jaar tevoren door toezending van een formulier, dat als aangetekend stuk wordt verzonden, kennis te geven aan Onze Minister alsmede, zo hij niet de eigenaar is van de te ontbloten grond, ook aan deze laatste. Onze Minister stelt het model voor dit formulier vast. Onze Minister zendt onverwijld een bevestiging van de ontvangst van de kennisgeving.

2. De in het vorige lid bedoelde afzender is verplicht het formulier juist en volledig in te vullen en te ondertekenen.

3. Het is verboden te vellen of te doen vellen, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een voorafgaande tijdige kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan.

Artikel 6

1. Onze Minister kan bij regeling voor door hem daarbij aan te wijzen groepen van gevallen, al dan niet onder voorwaarden, vrijstelling van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 en 3 verlenen.

Beschikking vrijstelling meldings- en herplantplicht

Artikel 1

Deze beschikking verstaat onder:

'wet': Boswet (Stb. 1961, 256);

'directeur': Algemeen directeur van het Staatsbosbeheer.

Artikel 2

Voor bos dat na inwerkingtreding van deze beschikking is aangelegd, wordt vrijstelling van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet verleend indien:

(…)

- voldaan is aan het bepaalde in artikelen 3, eerste lid, van deze beschikking (…).

Artikel 3

l. Voordat tot aanleg van het bos wordt overgegaan, dient het tijdstip en de plaats van aanleg middels een formulier te worden aangemeld bij de directeur en dient de mededeling als bedoeld in het derde lid, te zijn ontvangen.

2. De directeur stelt het model-formulier voor de aanmelding vast. Het model-formulier voorziet onder meer in een kadastrale omschrijving van de percelen waar tot aanleg van het bos wordt overgegaan.

3. Binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het formulier doet de directeur mededeling omtrent de vrijstelling.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:32b

1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

2. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2705.