Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2022:2385

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-07-2022
Datum publicatie
13-07-2022
Zaaknummer
LEE 22/1778
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het project bestaat uit de aanleg van een woonwijk op de noordelijke vloeivelden, een compensatiegebied op de zuidwestelijke vloeivelden, een compensatiegebied aan de oostkant van de polder de Oude Held en compensatie voor de weidevogels die worden verdreven uit het compensatiegebied de Oude Held.

Ten behoeve van het project heeft verweerder in het primaire besluit ontheffingen verleend op grond van de Wet natuurbescherming ten behoeve van de geoorde fuut, water- en meer vleermuis en weidevogels, waaronder de grutto. In het herstelbesluit, dat bij het bestreden besluit in stand is gelaten, heeft verweerder overwogen dat de ontheffing ten behoeve van de geoorde fuut niet is vereist.

De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak overwogen dat verweerder ten onrechte een ontheffing heeft geweigerd voor de geoorde fuut terwijl die ontheffing wel nodig was en dat er onvoldoende zekerheid is dat de compensatie voor de grutto zal werken in een mate dat de instandhouding van de grutto niet verslechtert. Dit heeft tevens gevolgen voor de ontheffing voor de meervleermuis en de watervleermuis. Nu niet op voorhand zeker is dat compensatiegebied 2 gerealiseerd kan worden, is tevens onzeker of de compensatie van het verlies aan foerageergebied in het plangebied voldoende gecompenseerd kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 22/1778


uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Natuur en Milieufederatie Groningen,

Collctief Groningen West

Het Groninger Landschap

Vleermuiswerkgroep Groningen

IVN Groningen-Haren

KNNV Groningen

Avifauna Groningen, verzoeksters

(gemachtigde: E. de Waal),

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen (verweerder)

(gemachtigde: mr. E.E. de Jong).

Als derde-partijen nemen aan de zaken deel: De gemeente Groningen en het college van burgemeester en wethouders van Groningen (B&W)

(gemachtigde: mr. R. Snel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeksters tegen het besluit van het college tot het deels verlenen en het deels weigeren van een ontheffing op grond van de Wet Natuurbescherming (Wnb) ten behoeve van het realiseren van de woonwijk de Suikerzijde en de aanleg van een natuurcompensatiegebied in leefgebied van weidevogels.

1.2

Het college van gedeputeerde staten van Groningen heeft met het besluit van 14 september 2021 ontheffingen verleend, voor zover van belang, voor de geoorde fuut, de meervleermuis en de watervleermuis en een aantal weidevogels waaronder de grutto. Bij besluit van 21 december 2021 heeft verweerder een zogenaamd artikel 6:19 besluit genomen (het herstelbesluit). Daarbij is de ontheffing geweigerd voor de geoorde fuut omdat deze ontheffing naar het oordeel van verweerder niet nodig was. Met het bestreden besluit van 13 april 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen op de bezwaren van verzoeksters besloten en het herstelbesluit in stand gelaten. Tegen dit besluit is beroep alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

1.3

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen voor verzoeksters E. de Waal, [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Voor verweerder zijn verschenen E. E. de Jong, [naam 5] en [naam 6]. Voor derde partijen zijn verschenen [naam 7], [naam 8], [naam 9] en gemachtigde mr. R. Snel.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek tegen de verleende ontheffingen aan de hand van de argumenten die verzoeksters hebben aangevoerd, de gronden.

3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wettelijke regels en beleidsregels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1

Het project bestaat uit de aanleg van een woonwijk op de noordelijke vloeivelden, een compensatiegebied op de zuidwestelijke vloeivelden, een compensatiegebied aan de oostkant van de polder de Oude Held en compensatie voor de weidevogels die worden verdreven uit het compensatiegebied de Oude Held.

Het project is de samenbindende factor. De ontheffingen staan in beginsel op zichzelf met uitzondering van de ontheffing voor compensatiegebied 2, waarin de ontheffingen voor de vleermuizen zijn gekoppeld aan de ontheffingen voor de weidevogels (de een kan niet zonder de ander, de ander is het gevolg van de een).

In het bestreden besluit is een integrale beoordeling gegeven van de gevolgen van het project voor de beschermde soorten en is, indien en voor zover naar het oordeel van verweerder nodig, ontheffing verleend voor de negatieve gevolgen van het project voor de betrokken soorten.

4.2

De eerste vraag is of verweerder de gevolgen van het project voor de beschermde soorten naar het oordeel van de voorzieningenrechter goed heeft beoordeeld en het besluit in rechte stand zal houden.

Het doel van natuurbescherming is dat schade aan beschermde soorten wordt voorkomen. Dat betekent dat met een hoge mate van waarschijnlijkheid moet worden aangetoond dat er ofwel geen schade aan de beschermde soorten zal worden toegebracht ofwel dat wanneer die schade onvermijdelijk is door het project en door het project wordt gerechtvaardigd, die schade dusdanig wordt gecompenseerd dat de schade teniet wordt gedaan. Nu schade aan soorten in beginsel niet gemakkelijk omkeerbaar is, betekent dit dat de lat voor verweerder vrij hoog ligt.

In het plangebied, de noordelijke vloeivelden, zijn vier soorten gesignaleerd die bescherming genieten, namelijk de meervleermuis, de watervleermuis, de poelkikker en de geoorde fuut. Het besluit is voor zover het de poelkikker betreft niet geschil en wordt hier verder buiten beschouwing gelaten. De bezwaren van verzoeksters richten zich slechts tegen de drie overgebleven soorten.

Geoorde fuut

5. In het herstelbesluit, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de ontheffing ten behoeve van de geoorde fuut geweigerd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren (3.1, tweede lid, Wnb) omdat uit de aan de aanvraag ten grondslag liggende stukken blijkt dat buiten het broedseizoen van vogels wordt gewerkt. De geoorde fuut is dan niet aanwezig. Een jaarronde bescherming is voorts niet noodzakelijk omdat de geoorde fuut niet jaarlijks op hetzelfde nest terugkeert en niet afhankelijk is van het broedgebied, hij is opportunistisch in de broedplaatskeuze. Verweerder heeft hiervoor verwezen naar het rapport van Altenburg &Wymenga (A&W) van 18 januari 2021 (3315). Verder is er geen sprake van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden waaruit volgt dat toch een jaarronde bescherming van nesten noodzakelijk is; uit de jongste monitoringsgegevens blijkt dat het gebied van de vloeivelden voor de geoorde fuut minder belangrijk is dan werd gedacht, nu in het compensatiegebied 1 evenveel vogelbroedparen aanwezig zijn als op de noordelijke vloeivelden.

Volgens verweerder is er evenmin sprake van overtreding van artikel 3.1, vierde lid Wnb (opzettelijke verstoring) ten aanzien van de geoorde fuut. Daaraan heeft verweerder – samengevat – ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden in de herfst en winter worden uitgevoerd, dan is de geoorde fuut niet aanwezig. Een eventuele verstoring is voorts niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding; daarvoor is van belang dat in het rapport van A&W van 14 december 2021 (21-137) is geconcludeerd dat compensatiegebied 1 functioneel is als foerageergebied voor geoorde futen en in potentie geschikt is als broedgebied. Op grond van monitoring is de conclusie dat de leefomstandigheden voor geoorde futen in cg1 vergelijkbaar zijn aan die van deelgebied Suikerunie Noord of beter. Verder blijkt uit rapport 3315 van 18 jan 2021 van A&W dat de geoorde fuut matig verstoringsgevoelig is.

5.1

Verzoeksters hebben gesteld dat het standpunt van verweerder, dat geen sprake meer is van overtredingen met betrekking tot de geoorde fuut, niet in overeenstemming is met het rapport van A&W van 18 januari 2021 (3315), dat ook aan het primaire besluit ten grondslag heeft gelegen. In dat rapport is geconcludeerd dat sprake is van verlies van essentieel broedgebied terwijl er onvoldoende ander geschikt broedgebied in de omgeving beschikbaar is. Als de vloeivelden verdwijnen als broedgebied, verdwijnt mogelijk 8-10 % van de totale broedpopulatie in Nederland en 20% van het aantal in de regio. Op basis van die conclusies heeft verweerder in het primaire besluit geconcludeerd dat jaarronde bescherming van de nesten en het broedgebied en compensatie noodzakelijk was. Deze conclusies zijn nog altijd actueel. Het feit dat de geoorde fuut niet jaarlijks in dit gebied broedt, doet daar niet aan af nu hij dat ook in andere gebieden niet doet. Compensatiegebied 1 is nog niet geschikt als broedgebied, nu de geoorde fuut er wel komt maar nog niet heeft gebroed. Ten gevolge van de ingreep kan de gunstige staat van instandhouding in gevaar komen, zowel regionaal als landelijk nu de geoorde fuut de afgelopen 12 jaar zowel landelijk als in Europa een sterk dalende trend vertoont. Derhalve is jaarronde bescherming noodzakelijk

5.2

In het primaire besluit heeft verweerder overwogen dat ten behoeve van het project ontheffing moet worden verleend van het verbod tot het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van verstoren van nesten, rustplaatsen of eieren (3.1, tweede lid, Wnb) ten behoeve van de geoorde fuut, omdat sprake is van verlies van geschikt broedhabitat dat van essentieel belang is voor de regionale populatie. Daarnaast heeft de ingreep negatieve effecten op individuen van de soort. Door het aanleggen van compensatiegebieden zal het project niet leiden tot negatieve effecten op de staat van instandhouding van de soort. Aan zijn oordeel heeft verweerder een aantal rapporten ten grondslag gelegd, waaronder het rapport van Bureau Waardenburg van 1 februari 2019 en het rapport van Altenburg en Wymenga van 18 januari 2021.

In zijn rapport constateert Waardenburg (p.18) de aanwezigheid van de geoorde fuut in het bezinkingsbekken (de waswatervijver) in het uiterste zuidoosten van het plangebied (het gebied dat wordt bestreken door het bestemmingsplan).

Waardenburg constateert verder (p 19) dat de geoorde fuut aanwezig is op de overige niet drooggevallen vloeivelden in het (westen van het) plangebied.

Waardenburg constateert voorts (p.34) dat de geoorde fuut ook in het plangebied en de zuidelijke vloeivelden broedt: “Met name de broedpopulatie van Geoorde fuut is zeer hoog te noemen, ook voor Nederlandse begrippen.”

Waardenburg constateert (p.42): “Door bebouwing van deelgebied 3 -, dit betreft het westelijke deel van het plangebied - gaat het gebied verloren als nest-, rust en slaapplaats voor de geoorde fuut. De deelgebieden 1, 2, 5 en 6 hebben geen waarde voor de geoorde fuut. Deelgebied 4 – dit betreffen de zuidelijke vloeivelden ten zuiden van de spoorlijn en ten zuiden van het plangebied - in beperkte mate. Wanneer deelgebied 3 behouden blijft en de rust in het gebied (ook in de toekomst) gewaarborgd wordt blijft het gebied beschikbaar als broedbiotoop en leefgebied voor de geoorde fuut.”

Een paar regels verder:

“In deelgebied 4 zijn dan ook niet of nauwelijks geoorde futen gezien.”

Op dezelfde pagina constateert Waardenburg:

“De Staat van Instandhouding van de geoorde fuut als broedvogel in Nederland is gunstig (Sovon 2018(i)). Door voorgenomen ingreep gaat echter een op dit moment belangrijk broedbiotoop en leefgebied voor de geoorde fuut verloren. In de omgeving van het plangebied komt de soort ook in grote aantallen voor in o.a. de Onlanden en het Zuidlaardermeergebied. Hoeveel dieren hier daadwerkelijk broeden is onbekend. In het Leekstermeergebied zijn de aantallen klein. Het is echter op basis van dit onderzoek niet uit te sluiten dat als deelgebied 3 verloren gaat dit een nadelig effect zal hebben op de lokale populatie geoorde futen in Drenthe en Groningen.”

en:

“Vernielen of beschadigen nest-, rust en slaapplaatsen (Wnb art. 3.1.2)

De nesten van de geoorde fuut zijn niet jaarrond beschermd. Door de werkzaamheden plaats te laten vinden buiten de broedperiode kan overtreding voor het vernielen of beschadigen van nest-, rust en slaapplaatsen worden voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van maart tot en met juli.

Waardenburg constateert (p. 43) ten aanzien van opzettelijk verstoring (Wnb art. 3.1.4)

“De werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van de in het plangebied aanwezige vogels. Wanneer de werkzaamheden in het winterhalfjaar worden uitgevoerd, wanneer de geoorde futen zich in Zeeland bevinden, dan is er geen sprake van directe opzettelijke verstoring. Een overtreding van verbodsbepalingen is niet direct aan de orde. Desondanks wordt geadviseerd contact op te nemen met het bevoegd gezag om nadere vervolgstappen te bepalen. De reden hiervoor is, dat op basis van dit onderzoek niet uit te sluiten is wanneer deelgebied 3 verloren gaat dit een nadelig effect zal hebben op de lokale populatie, en daarmee de lokale Staat van Instandhouding van de geoorde futen in Drenthe en Groningen. Op de landelijke Staat van Instandhouding van de soort heeft dit naar alle waarschijnlijkheid geen effect (Wnb art. 3.1.5).”

Tot slot:

“Als gevolg van de geplande ingreep zal leefgebied van de geoorde fuut worden aangetast. Gelet op de aard van de ingreep, het verdwijnen van de vloeivelden, en de huidige omvang van de populatie geoorde futen in het gebied wordt geadviseerd contact op te nemen met het bevoegd gezag om nadere vervolgstappen te bepalen.”

Samengevat concludeert Waardenburg derhalve dat de geoorde fuut voorkomt en broedt in het plangebied, maar ook voorkomt in de zuidelijke vloeivelden. Hij maakt daarbij geen onderscheid in welk gedeelte van de zuidelijke vloeivelden dat is. Op basis daarvan adviseert hij aanvrager om contact op te nemen met het bevoegd gezag om vervolgstappen te bepalen. Dat heeft geleid tot het rapport van A&W) van januari 2021 (3315).

Doelstelling van het rapport is:

“De gemeente Groningen heeft Altenburg & Wymenga opdracht verleend om onderzoek uit te voeren met de volgende doelstellingen:

( a) bepaal of de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt en een ontheffing Wnb nodig is;

( b) geef met een goede onderbouwing aan of en zo ja waar uitwijkmogelijkheden in de omgeving aanwezig zijn;

( c) formuleer randvoorwaarden voor een alternatieve broedlocatie indien compensatie aan de orde is.”

A&W constateren over de aanwezigheid en het broeden van de geoorde fuut het volgende:

“De losse waarnemingen uit de jaren 2010-2019 zijn niet geschikt om het aantal broedparen betrouwbaar vast te kunnen stellen. De waarnemingen geven echter wel aan dat in verschillende jaren waarschijnlijk enkele tientallen paren (maximaal 30 – 45) hebben gebroed. Het is duidelijk dat het vrijwel steeds om de noordelijke vloeivelden gaat. Mogelijk hebben in 2001 en 2015 ook enkele paren gebroed in de zuidelijke vloeivelden. Gaan wij uit van piekjaren met 30-45 broedgevallen, dan betreft het 8-10% van het totaal in Nederland (periode 2012 – 2018) en 15-25% (ca 20%) van het totaal in regio Groningen-noord Drenthe.”

Over de staat van instandhouding zegt A&W het volgende:

“In het Natura 2000-profiel is opgenomen dat op nationaal niveau wordt gestreefd naar de aanwezigheid als broedvogel in alle zes regio's in Nederland en naar ten minste 20 sleutelpopulaties, met minimaal 20 paren per sleutelpopulatie. Een kanttekening is dat de aantallen sterk kunnen wisselen, samenhangend met lokaal en tijdelijk gunstige of juist ongunstige omstandigheden in broedgebieden. Er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden of alternatieve broedgebieden nodig. De effecten van het verlies van de voormalige vloeivelden worden daarom afgemeten aan de populatieomvang en de aan kwaliteit van het populatienetwerk.”

Over de effecten van de demping van de noordelijke vloeivelden zegt A&W het volgende:

“Het broedbestand van de voormalige vloeivelden van de Suiker Unie neemt, op basis van de situatie in de jaren 2012-2018, 8-10 % in van de nationale populatie en ca 20 % van de populatie in de regio Groningen-noord Drenthe. Het broedbestand in de voormalige vloeivelden is na 2008 niet geïnventariseerd. Losse waarnemingen en de telling in 2018 wijzen er op dat in ‘piek-jaren’ tussen 2012 en 2018 enkele tientallen paren (30-45) hebben gebroed. Als herinrichting van het terrein met vloeivelden leidt tot een verlies van het totale aantal broedparen in deze omvang binnen de regio en in Nederland, dan wordt het effect beoordeeld als een aantasting van de gunstige staat van instandhouding.”

En over de mogelijkheid om uit te wijken naar andere gebieden in de buurt:

“De beschikbare informatie over Geoorde futen in de regio Groningen–noord-Drenthe wijst erop dat ook hier de aanwezigheid van geschikt broedgebied beperkend is en dat er geen ‘vacante’ gebieden zijn. In het Woldmeer worden jaarlijks in het voorjaar Geoorde futen gezien die niet tot broeden komen en blijkbaar hier en in de omgeving geen geschikt broedgebied vinden. In het Zuidlaardermeergebied varieert het aantal broedparen al naar gelang de omstandigheden, waarin de waterstand een grote rol speelt. In de Onlanden hebben Geoorde futen zich recentelijk gevestigd in ondiepe plassen waar de situatie nu gunstig is, maar dat kan in korte tijd veranderen. Geoorde futen spelen zo snel in op veranderingen in het aanbod aan geschikt broedgebied, dat het aantal broedvogels in de regio waarschijnlijk de draagkracht van de regio weerspiegelt.”

De conclusie van A&W is tenslotte (p 14):

“De conclusie is dat het verlies van de vloeivelden van de Suiker Unie de draagkracht voor de Geoorde fuut verkleint. Op basis van waarnemingen en tellingen in de jaren 2012 – 2018 gaat het om mogelijk 30-45 broedparen in piekjaren, 8-10 % van het totaal in Nederland en ca 20% van het aantal in de regio. Dit aandeel is zo groot dat wij dit verlies beoordelen als een aantasting van de huidige staat van instandhouding. De broedvogels kunnen uitwijken indien nieuw broedgebied beschikbaar komt. In dat geval wordt de huidige staat van instandhouding gehandhaafd.

In deze beoordeling speelt de ruimtelijke schaal geen rol. Verschillende soorten die in Nederland als broedvogel achteruit gaan overwinteren in Afrika en kunnen zich eenvoudig in een dag naar een ander deel van Nederland verplaatsen. Dit sorteert geen effect, omdat het aanbod aan geschikt broedgebied beperkend is. In de beoordeling is daarom het aanbod aan geschikt broedgebied bepalend.”

5.3

De voorzieningenrechter constateert dat verweerder in het primaire besluit terecht tot de conclusie is gekomen dat voor het project een ontheffing van de verboden van artikel 3:1 Wnb met betrekking tot de geoorde fuut noodzakelijk was.

Hangende is verweerder hierop teruggekomen en heeft een Herstelbesluit genomen dat door verweerder in het besluit op bezwaar geheel in stand is gelaten. Verweerder heeft daartoe een aantal ecologische argumenten aangevoerd. Ten aanzien van het mogelijk vernielen of beschadigen van nesten of rustplaatsen overweegt verweerder dat de werkzaamheden in de winter worden uitgevoerd terwijl de geoorde fuut niet aanwezig is, dat jaarronde bescherming niet nodig is omdat ze niet jaarlijks terugkeren op hetzelfde nest, ze niet afhankelijk zijn van het broedgebied omdat er sprake is van opportunistische broedplaatskeuze en omdat er geen sprake van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden waaruit volgt dat toch een jaarronde bescherming van nesten noodzakelijk is omdat uit de jongste monitoringsgegevens blijkt dat het gebied van de vloeivelden voor de geoorde fuut minder belangrijk is dan werd gedacht nu in het compensatiegebied 1 (in de zuidelijke vloeivelden) evenveel vogelbroedparen aanwezig zijn als op de noordelijke vloeivelden).

De voorzieningenrechter is niet op voorhand overtuigd van de juistheid van deze argumenten.

Zo is intussen gebleken dat derde partijen al snel, deze zomer, een aanvang willen maken met de werkzaamheden zoals het dempen van de wasvijver en de beluchtingsvijver (beide in het oostelijk gedeelte van het plangebied gelegen) zodat de geoorde fuut wellicht niet meer broedt (volgens Waardenburg loopt de broedtermijn tot en met juli), maar in ieder geval nog wel aanwezig is.

Voorts kan de voorzieningenrechter niet goed volgen dat uit het feit dat de geoorde fuut niet elk jaar op dezelfde plaats broedt, zou volgen dat ze niet afhankelijk zou zijn van het broedgebied. Immers door A&W is omstandig beargumenteerd dat dat wel het geval is.

Wat er ook zij van deze argumenten, ze zijn geen van allen onderbouwd met behulp van een nieuw deskundigenrapport.

Verweerder heeft voorts overwogen dat door de aanleg van het compensatiegebied 1 (het westen van de zuidelijke vloeivelden) uit de monitoringsrapportages zou blijken dat de noordelijke vloeivelden minder belangrijk zouden zijn. De voorzieningenrechter is ook ten aanzien van deze redenering niet op voorhand overtuigd van de juistheid daarvan. Gezien de opportunistische broedplaatskeuze van de geoorde fuut is het enkele feit dat op een bepaald jaar er in beide gebieden evenveel broedparen zijn, geen toereikend argument voor het feit dat de noordelijke vloeivelden niet zo belangrijk zouden zijn. Ook hier laat de voorzieningenrechter zwaar wegen dat de ecologische juistheid van dit argument, afgezien van de monitoringsgegevens, niet wordt ondersteund door een deskundige rapport waaruit blijkt dat de oorspronkelijke argumentatie van A&W onjuist zou zijn. Het monitoringsrapport van A&W van 14 december 2021 is daartoe ongeschikt omdat hierin (slechts) de functionaliteit van compensatiegebied 1 wordt beoordeeld. Deze beoordeling komt echter eerst aan de orde in het kader van de vraag of ontheffing kán worden verleend. De vraag, of sprake is van overtreding van artikel 3.1 tweede lid Wnb, welke verweerder ontkennend heeft beantwoord, gaat daaraan vooraf.

Tot slot hechten derde partijen en verweerder er aan dat ten tijde van het nemen van het Herstelbesluit compensatiegebied 1 reeds was aangelegd en operationeel. De voorzieningenrechter ziet echter niet op voorhand in dat een compensatiegebied dat ten tijde van het primaire besluit onderdeel uitmaakte van het project en benodigd was voor compensatie, gedurende de procedure opeens niet langer onderdeel is van het project en bedoeld voor compensatie maar een voldongen feit dat een ontheffing onnodig zou maken.

Nog los van het feit dat compensatiegebied 1 aanmerkelijk kleiner is dan de totale oppervlakte water in het plangebied, waardoor het de voorzieningenrechter onwaarschijnlijk voorkomt dat er op die wijze voor de geoorde fuut afdoende broedgebied beschikbaar is gekomen zodat de argumentatie van A&W geen opgeld meer zou doen, heeft de voorzieningenrechter ook voor deze argumentatie geen deskundigenrapport in het dossier aangetroffen waarin deze stellingen van verweerder en derde partijen worden onderschreven.

De voorzieningenrechter ziet voorts niet in dat er geen sprake zou zijn van een verstoring van de geoorde fuut nu de voorgenomen werkzaamheden deze zomer aanvangen en een relevant deel van het verblijfsgebied van de geoorde fuut, waar hij ook foerageert, wordt verwijderd. Op die wijze wordt hij uit zijn gebied verdrongen hetgeen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook een verstoring in de zin van artikel 3.1, vierde lid, Wnb oplevert terwijl, gelet op het rapport van A&W van 18 januari 2021, daardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt. Zoals hierboven reeds is overwogen kan de enkele omstandigheid dat inmiddels uit de monitoringsrapportage van A&W is gebleken dat compensatiegebied 1 functioneert als foerageergebied en potentieel geschikt is als broedgebied daaraan niet af doen. Nog los van het feit dat uit genoemd rapport niet kan worden afgeleid dat A&W de conclusie trekken dat met realisatie van compensatiegebied 1 geen sprake (meer) is van aantasting van de gunstige staat van instandhouding, is compensatiegebied 1 aanmerkelijk kleiner dan de omvang van de te compenseren vloeivelden in het plangebied.

De voorzieningenrechter komt daarom tot de conclusie dat verweerder in het Herstelbesluit en het bestreden besluit geen toereikende motivering heeft gegeven voor de zijn besluit dat voor de geoorde fuut geen ontheffingen nodig zijn op grond van artikel 3.1 Wnb. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom geen stand houden in de bodemprocedure.

De vleermuizen

6. Door verweerder is ontheffing verleend voor het verstoren van de watervleermuis en de meervleermuis en het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten (artikel 3.5, tweede en vierde lid, Wnb). Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de ontheffingen kunnen worden verleend omdat is voldaan aan de daaraan in artikel 3.8, vijfde lid, Wnb, gestelde voorwaarden. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing voor het voorliggende plan voor extra woningbouw met de daarbij behorende uitgangspunten qua kwantiteit en kwaliteit van de woningen. Onder verwijzing naar het Activiteitenplan en de notitie over locatiekeuze van 19 augustus 2021 is voldoende onderbouwd dat in de stad of aan de randen daarvan geen andere plaats te vinden is voor 5000 woningen en de geplande voorzieningen. Volgens vaste jurisprudentie hoeft daarbij voorts niet buiten de gemeentegrenzen te worden gezocht.

Verder is naar vaste rechtspraak de woningbouwopgave een dwingende reden van groot openbaar belang dat kan rechtvaardigen een ontheffing te verlenen.

Met de in acht te nemen compenserende en mitigerende maatregelen wordt er voorts op de lange termijn geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De aan te leggen twee compensatiegebieden worden aangelegd conform de daaraan in het rapport van Regelink van 3 februari 2020 gestelde ecologische eisen qua locatie en inrichting. Uit het monitoringsrapport van Regelink ‘Monitoring vleermuizen’ van 28 oktober 2021 blijkt dat compensatiegebied 1 aan die voorwaarden voldoet. Verder zal gedurende de looptijd van het project worden gemonitord.

Anders dan verzoeksters menen, bestaat er geen andere bevredigendere oplossing voor de aan te leggen compensatie. De in opdracht van verzoeksters verrichte tegenrapportage van Ecosensys met alternatieve locaties geven te veel onzekerheid ten aanzien van de slagingskansen voor vleermuizen. Zowel de functionaliteit als de bereikbaarheid van de alternatieve maatregelen zijn minder geborgd dan die in het ingediende plan. Daarbij is onduidelijk of de alternatieven in de praktijk uitvoerbaar zijn. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar het rapport van Regelink van 19 januari 2022.

6.1

Door verzoeksters is aangevoerd dat de ontheffing niet had mogen worden verleend omdat er een andere bevredigende oplossing bestaat voor de woningnood in Groningen en omdat van de beide gekozen compensatiegebieden, compensatiegebied 2 een onaanvaardbare aantasting van een groot aantal weidevogels met zich meebrengt. Daarbij voldoet het onderzoek naar de aan te leggen compensatiegebieden voor vleermuizen zowel in kwalitatief als in kwantitatief opzicht niet, voldoet compensatiegebied 2 niet aan de eisen van geschikt foerageergebied voor de vleermuizen en kan op andere wijze worden voorzien in het aanleggen van de benodigde compensatie voor de vleermuizen. Verzoeksters heeft daartoe gewezen op de contraexpertise van Ecosensys van 25 augustus 2021.

6.2

Ten aanzien van de woningnood overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder enerzijds gehouden is te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend en anderzijds een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft bij de beoordeling van de vraag of er geen andere bevredigende oplossing heeft. In dat verband ziet de voorzieningenrechter niet direct aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in dit opzicht niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Voor wat betreft de wijze waarop verweerder voornemens is de inbreuk op het foerageergebied van de beide vleermuissoorten te compenseren is de voorzieningenrechter niet gebleken dat die wijze van compenseren als zodanig ontoereikend zou zijn. Verweerder heeft daarbij ook een zekere beoordelingsruimte. De stelling van verzoeksters dat door een andere wijze van compenseren kan worden voorkomen dat compensatiegebied 2 moet worden aangelegd, ontbeert wellicht niet elke aannemelijkheid maar is mede gebaseerd op andere aannames ten aanzien van de aantallen vleermuizen die van deze fourageergebieden gebruik moeten maken. De voorzieningenrechter is er niet op voorhand van overtuigd op grond van wat daarover is aangevoerd dat het besluit van verweerder op dit punt onjuist zou zijn.

De voorzieningenrechter constateert ten aanzien van de verleende ontheffing voor de vleermuizen dat deze niet los kan worden gezien van de ontheffing voor een drietal soorten weidevogels in de polder de Oude Held en de weigering om een dergelijke ontheffing te verlenen voor een groot aantal andere soorten weide- en watervogels omdat deze niet nodig zou zijn. Indien deze ontheffingen ten behoeve van de aanleg van compensatiegebied 2 in de polder de Oude Held in rechte geen stand zouden kunnen houden, zullen de ontheffingen voor de twee soorten vleermuizen ook geen stand kunnen houden omdat dan de voorgenomen compensatie dan niet uitvoerbaar zal blijken. De vraag of de ontheffingen ten aanzien van de vleermuizen in rechte stand kunnen houden is daarom direct afhankelijk van de vraag of het bestreden besluit ten aanzien van de weide- en watervogels in de bodemprocedure in stand zal kunnen blijven.

De grutto en de weidevogels

7. Door verweerder is ontheffing verleend van het in artikel 3.1, tweede lid, Wnb neergelegde verbod op het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of het wegnemen van nesten van vogels ten behoeve van de grutto, scholekster en kieviet voor de aanleg van compensatiegebied 2 in de polder de Oude Held.

Van het verbod op verstoring als bedoeld in artikel 3.1 vierde lid Wnb is volgens verweerder geen sprake, omdat de meeste soorten in staat zijn om in de omgeving voldoende geschikt leefgebied is te vinden. Voor zover al sprake is van verstoring zal deze niet leiden tot een wezenlijk effect op de staat van instandhouding, gezien de compenserende maatregelen die worden getroffen, zodat, in aanmerking genomen artikel 3.1 vijfde lid, Wnb, geen sprake is van een overtreding.

Aan de verleende ontheffing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een andere bevredigende oplossing voor het aanleggen van compensatie voor de vleermuizen. Verweerder heeft daartoe verwezen naar de rapporten van Regelink van 3 februari 2020 en 19 januari 2022.

Verder heeft verweerder hieraan ten grondslag gelegd dat sprake is van gerechtvaardigde belangen, waaronder het belang van de flora en fauna en het belang van de volksgezondheid

Verweerder heeft in het kader van het belang van de bescherming van flora en fauna aangegeven dat de ontheffing wordt verleend in het belang van de bescherming van de (gunstige) staat van instandhouding van de vleermuizen en daarmee ter bescherming van fauna. Omdat de compensatie voor vleermuizen aan meer beperkingen onderhevig is dan die van weidevogels heeft verweerder het belang van de vleermuizen laten prevaleren boven belang van de grutto, kieviet en scholekster. Indien de ontheffing niet zou worden verleend zou dit resulteren in een suboptimale compensatie voor vleermuizen.

Ten aanzien van het belang van de volksgezondheid heeft verweerder overwogen dat dit begrip moet worden gelezen in de ruime context van de milieudoelstellingen van de Europese Unie, nu het is ontleend aan artikel 9 van de Vogelrichtlijn, welke steunde op het toenmalige artikel 175, eerste lid, van het oprichtingsverdrag en strekte tot verwezenlijking van de doeleinden uit artikel 174. Verweerder wijst verder op titel XIV van het VWEU en op het Guidance document in het kader van Richtlijn 79/409/EEG. Volgens verweerder volstaat een abstracte relatie tussen woningbouw en volksgezondheid om het belang van volksgezondheid aan de ontheffing ten grondslag te leggen. Verweerder heeft daartoe verwezen naar uitspraken van de AbRS (ECLI:RVS:2012:BV9455 en ECLI:NL:RVS:2016:1227). Volgens verweerder is de aanwezigheid van voldoende betaalbare woningen in het belang van de volksgezondheid. Verweerder heeft daartoe onder meer verwezen naar het artikel “Woningnood & Volksgezondheid – een beknopt overzicht “ van J.O. Mierau van 14 december 2021. Hieruit blijkt dat de woningnood een bedreiging vormt voor mentale en fysieke gezondheid van inwoners.

Van een verslechtering op de (gunstige) staat van instandhouding van grutto, scholekster en kievit is geen sprake door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Conform het rapport van A&W van 31 augustus 2021 (21-274) wordt voor het verlies van de 13 ha broedgebied bij polder de Oude Held (maximaal) 62 ha (zwaar) weidevogelbeheer bij Leegkerk en Dorkwerd gerealiseerd.

Daarnaast worden maatregelen getroffen die kunnen bijdragen aan het behoud van het broedsucces bij polder de Oude Held. Nu meer hectares worden gecompenseerd dan voor de vogels ongeschikt worden gemaakt en de werkzaamheden zodanig gefaseerd worden dat er te allen tijde voldoende broedgebied voor weidevogels beschikbaar blijft (de aanleg van compensatiegebied twee voor vleermuizen mag op zijn vroegst aanvangen nadat gedurende één broedseizoen aanvullend weidevogelbeheer in de omgeving van Leegkerk heeft plaatsgevonden), is geborgd dat de plannen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de soorten.

7.1

Door verzoeksters is een groot aantal gronden aangevoerd tegen de ontheffing die verweerder heeft verleend voor de grutto, de kievit en de scholekster en tegen het oordeel dat een dergelijke ontheffing voor de overige weide- en watervogels niet nodig zou zijn. De voorzieningenrechter zal zich bij de beoordeling van deze gronden beperken tot de grutto omdat die soort het meest lijkt te zullen gaan lijden van de aanleg van het compensatiegebied in de polder de Oude Held. Verzoeksters hebben – onder meer – gesteld dat voor het aanleggen van compensatie voor de vleermuizen een andere bevredigende oplossing bestaat, dat geen sprake is van een gerechtvaardigd belang op grond waarvan de ontheffing kan worden verleend en dat de maatregelen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort om reden dat de compensatie niet goed is geregeld. Verzoeksters hebben daartoe kritische kanttekeningen gemaakt bij de door verweerder overgelegde deskundigenrapporten alsmede verwezen naar het rapport van Ecosensys van 25 augustus 2021.

7.2.1

Niet in geschil is dat een ontheffing als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, Wnb nodig is voor het omzetten van een deel van het broedgebied van de grutto in een waterpartij voor de watervleermuis en de meervleermuis.

In geschil is wel dat verzoeksters niet inzien dat hiervoor geen ontheffing zou hoeven te worden verleend van het verbod van artikel 3.1, vierde lid, Wnb, het opzettelijk verstoren van de grutto.

Ook de voorzieningenrechter is niet op voorhand overtuigd van het oordeel van verweerder dat voor het wegnemen van een groot deel van een leef- en broedgebied er geen sprake zou zijn van verstoring, al was het maar omdat de grutto op die wijze verdrongen wordt uit zijn leefgebied. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het betrokken deel van het weidegebied door de omzetting in water niet langer geschikt is als leefgebied voor de grutto.

De voorzieningenrechter is echter in deze met derde partijen van oordeel dat dit niet op voorhand, afgezien van het feit dat er sprake zal zijn van een gegrond beroep, tot een andere uitkomst van het geschil zal leiden. Ook voor de verstoring is, net als voor het broedgebied, bepalend of de compensatiegebieden voor de grutto toereikend zullen zijn. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan dat aan een broedgebied hogere eisen zullen worden gesteld dan aan een verblijfsgebied zodat dit aspect geen invloed zal kunnen hebben op de materiele uitkomst van het geschil.

7.2.2

Voorts is in geschil de vraag of verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen andere bevredigende oplossing is zoals bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onder a, Wnb. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeksters uitgebreid hebben beargumenteerd dat er een andere wijze van compensatie voor de vleermuizen mogelijk is zonder dat hiervoor een deel van de polder de Oude Held onder water hoeft te worden gezet en daarmee het broedgebied van de grutto behoeft te worden aangetast. Ook binnen deze context is de voorzieningenrechter van oordeel dat hetgeen hiervoor door verzoeksters is aangevoerd niet op voorhand onaannemelijk is. Het is echter naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dusdanig krachtig met rapportages van onafhankelijke deskundigen onderbouwd dat het evident is dat deze wijze van compenseren afdoende zal zijn.

7.2.3

Voorts is in geschil of deze ontheffingen wel zijn verleend in het belang van de volksgezondheid. De voorzieningenrechter is daar niet op voorhand van overtuigd. Op zich kan een abstracte relatie tussen het te dienen belang en de volksgezondheid op grond van de jurisprudentie wel leiden tot het oordeel dat de ontheffingen worden verleend in het belang van de volksgezondheid. De mate van abstractie die daarbij toelaatbaar is hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. De voorzieningenrechter is er in de context van dit geschil niet op voorhand van overtuigd dat de aard en de mate van de gestelde woningnood in Groningen ook van dien aard is dat de gezondheid van de inwoners van Groningen zodanig wordt aangetast dat dit de conclusie rechtvaardigt dat de ontheffing noodzakelijkerwijs moet worden verleend in het belang van de volksgezondheid. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter behoort het uiteindelijke oordeel hierover door een meervoudige kamer in het bodemgeschil te worden beoordeeld.

Wel constateert de voorzieningenrechter dat verweerder tevens een beroep heeft gedaan op de bescherming van de flora en fauna. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat de bescherming van de watervleermuis en de meervleermuis geschiedt door de aanleg van compensatiegebied 2. In die zin is er sprake van bescherming van fauna. Of en zo ja in welke mate de ene beschermde soort mag worden aangetast ten behoeve van de andere beschermde soort is ook een vraag die de voorzieningenrechter overlaat aan de bodemrechter. De voorzieningenrechter concludeert op grond van het bovenstaande wel dat er in dit opzicht de nodige vraagtekens kunnen worden gezet bij het bestreden besluit.

7.2.4

Tot slot hebben verzoeksters grote problemen met de wijze waarop het teloorgaan van het broed- en verblijfgebied van de grutto wordt gecompenseerd. Uit artikel 3.3. vierde lid, onder c, Wnb volgt dat de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de grutto. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de onderbouwing van het besluit door verweerder en derde partijen en van de gronden die daar door verzoeksters tegen zijn ingediend en een en ander uitgebreid met partijen op zitting besproken. De voorzieningenrechter is op basis daarvan niet op voorhand tot de conclusie gekomen dat de door verweerder besloten wijze van compenseren voldoende garanties biedt voor de instandhouding van de grutto. De voorzieningenrechter hecht zwaar aan die garanties omdat de voorgenomen ingreep in het gebied de Oude Held niet eenvoudig ongedaan te maken is zodat er onomkeerbare gevolgen kunnen ontstaan voor de instandhouding van de grutto. De voorzieningenrechter onderkent voorts dat verweerder zich beroept op rapportages waaruit blijkt dat de voorgenomen compensatie door middel van weidepakketten zou kunnen werken en dat de gemeente eigenaar is van de meeste grond die daarbij betrokken is zodat hij het ook in zijn macht heeft om de naleving van deze pakketten af te dwingen. Tegelijkertijd zijn er door verzoeksters de nodige kritische kanttekeningen geplaatst die gebaseerd zijn op de honkvastheid van de grutto en de geringe afstanden waarbinnen hij genegen is een nieuwe broedplaats te zoeken. Voorts heeft de voorzieningenrechter kennis genomen van de door verweerder in het besluit opgenomen faseringen en monitoringsverplichtingen waarbij verweerder de mogelijkheid heeft om in te grijpen als de compensatie onvoldoende blijkt te werken. De voorzieningenrechter constateert echter dat het niet eenvoudig is gebleken om voor het verlies aan broedgebied van de grutto een passende compensatie te vinden. De voorzieningenrechter is ook niet gebleken dat er adequaat en toereikend back-up compensatieplan is dat zeker zal werken voor het geval de voorgenomen compensatie niet toereikend zal blijken te zijn. In die situatie zal echter het betrokken gedeelte van het broedgebied reeds verdwenen zijn zodat daar niet op kan worden teruggevallen.

Uit de in de procedure overgelegde stukken, waaronder het rapport van A&W van 31 augustus 2021 (21-274) als de rapporten ‘Aanvalsplan Grutto’ en ‘Grutto’s in de Oude Held’ blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter de grote betekenis van de polder de Oude Held voor de Grutto zowel landelijk als in Europees verband. Daarmee kan het aantasten van dit gebied naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook grote gevolgen hebben voor de Grutto zowel landelijk als in Europees verband. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan de compensatie zeer hoge eisen moeten worden gesteld ten aanzien van de onderbouwing dat het ook inderdaad werkt en er de nodige garanties moeten zijn dat de Grutto daadwerkelijk genegen is om uit te wijken naar de voorgenomen compensatiegebieden. Ook in dit opzicht is de voorzieningenrechter er niet op voorhand van overtuigd dat het besluit in zijn huidige vorm stand zal houden in het bodemgeschil.

8. Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder ten onrechte een ontheffing heeft geweigerd voor de geoorde fuut terwijl die ontheffing wel nodig was en dat er onvoldoende zekerheid is dat de compensatie voor de grutto zal werken in een mate dat de instandhouding van de grutto niet verslechtert. Dit heeft tevens gevolgen voor de ontheffing voor de meervleermuis en de watervleermuis. Nu niet op voorhand zeker is dat compensatiegebied 2 gerealiseerd kan worden, is tevens onzeker of de compensatie van het verlies aan foerageergebied in het plangebied voldoende gecompenseerd kan worden.

Belangenafweging

9.1

Uit het bovenstaande volgt dat de voorzieningenrechter niet op voorhand overtuigd is van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en daarom bevoegd is tot het treffen van een voorlopige maatregel. In het licht van het bovenstaande, het ontbreken van een ontheffing voor de geoorde fuut en de samenhang tussen de compensatie voor de vleermuizen en de compensatie voor de grutto, ligt schorsing van het bestreden besluit in zijn geheel het meest voor de hand.

9.2

Door derde partijen is bepleit dat het hen zal worden toegestaan om toch vast te beginnen met werkzaamheden voor de realisatie van het project. Die werkzaamheden bestaan deze zomer uit de demping van de wasvijver en de beluchtingsvijver en in het najaar uit de demping van het vloeiveld dat ten noorden van de beluchtingsvijver is gesitueerd. Nu deze werkzaamheden direct van invloed zullen zijn op het verblijfgebied van de geoorde fuut en er geen ontheffing is verleend, ziet de voorzieningenrechter geen mogelijkheden om aan deze wens tegemoet te komen. Nu er voorts geen rapportage beschikbaar is waaruit zou kunnen blijken dat deze voorgenomen werkzaamheden geen invloed zullen hebben op de geoorde fuut omdat compensatiegebied 1 intussen functioneel is, ziet de voorzieningenrechter hier ook onvoldoende aanknopingspunten om aan de wens van derde partijen tegemoet te komen.

9.3

De voorzieningenrechter begrijpt de zorgen van derde partijen en hun wens om vanuit de geconstateerde woningnood zo snel mogelijk tot de bouw van een groot aantal woningen te kunnen komen. De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek van verzoeksters aldus dat dit vooral gemotiveerd is vanuit de gedachte dat de vleermuizen op een kwalitatief betere manier gecompenseerd zouden kunnen en vanuit hun zorg over de vogels in de polder de Oude Held waarbij een belangrijke drijfveer is dat met de door verzoeksters voorgestane wijze van compenseren van de vleermuizen aantasting van de Oude Held niet nodig zou zijn.

9.4

Het komt de voorzieningenrechter voor dat deze door verzoeksters behartigde belangen maar in beperkte mate in de knel zouden komen als derde partijen nog deze zomer zou kunnen beginnen met de werkzaamheden in het oostelijk deel van het plangebied, bestaande uit de demping van de noordoostelijke 3 vloeivelden, waaronder de wasvijver en de beluchtingsvijver, indien aan de hand van een deskundigenrapportage duidelijk wordt dat de inbreuk op de geoorde fuut toereikend kan worden gecompenseerd dan wel is gecompenseerd in compensatiegebied 1 en dat met dat gebied ook het verlies aan foerageergebied in het oostelijk deel van het plangebied voor de vleermuizen toereikend kan worden dan wel is gecompenseerd. Daarmee zou maar in beperkte mate een voorschot worden genomen op het verdere verloop van de procedure over het bestreden besluit in zoverre het betrekking heeft op compensatiegebied 2. De voorzieningenrechter merkt daarbij voorts op dat voor zover verzoeksters daar andere ideeën over hebben compensatiegebied 1 intussen wel is gerealiseerd en daarom in hoge mate een voldongen feit is.

9.5

De voorzieningenrechter geeft partijen daarom in overweging om, op basis van een door verweerder nog in te dienen deskundigenrapport, in overleg te treden en te onderzoeken onder welke voorwaarden verzoeksters zouden kunnen instemmen met de door derde partijen voorgenomen werkzaamheden voor deze zomer. Derde partijen zouden, wanneer zij met verzoeksters tot overeenstemming komen, de voorzieningenrechter kunnen verzoeken om de schorsing geheel of gedeeltelijk op te heffen al naar gelang de mate van overeenstemming. Een en ander staat er overigens niet aan in de weg dat verzoeksters in een later stadium wederom een verzoek tot wijziging van de aldus ontstane een voorlopige voorziening kunnen doen indien voor die tijd de meervoudige kamer nog geen uitspraak heeft gedaan

9.6

Zoals reeds eerder in de uitspraak is overwogen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, gelet op de complexiteit van de zaak en het feit dat sprake is van deskundigenrapporten waartegen kritische kanttekeningen zijn aangevoerd, de behandeling van het beroep te verwijzen naar de meervoudige kamer. In dat verband zou het mogelijk kunnen zijn dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) wordt ingeschakeld teneinde als onafhankelijke deskundige te adviseren.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit, het herstelbesluit en het primaire besluit zijn geschorst tot zes weken na de uitspraak op het beroep door de meervoudige kamer.

11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeksters het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat geen sprake is van door een derde verleende professionele rechtsbijstand.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het primaire besluit van 14 september 2021, het herstelbesluit van 21 december 2021 en het bestreden besluit van 13 april 2022 tot zes weken na de uitspraak van de meervoudige kamer;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,- aan verzoeksters te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2022.

griffier

voorzieningenrechter

de voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

BIJLAGE

Regelgeving

Ingevolge artikel 3.1, tweede lid, Wnb is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Ingevolge artikel 3.1 vierde lid, Wnb, is het verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

Ingevolge artikel 3.1 vijfde lid, Wnb is het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, Wnb kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Ingevolge artikel 3.3, vierde lid, Wnb wordt een ontheffing of een vrijstelling uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

(...)

4°. ter bescherming van flora of fauna;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Artikel 3.5 van de Wnb bepaalt:

1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

(…)

4 . Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, Wnb, kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.

Artikel 3.8, vierde lid, Wnb, bepaalt:

1. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

(…)

3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Artikel 3.10 Wnb, bepaalt:

1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:

(…).

b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen,

2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:

a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde.