Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2022:2344

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-07-2022
Datum publicatie
15-07-2022
Zaaknummer
LEE 21/3542
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Het beleid van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, dat voor het toekennen van shockschade vereist is dat het slachtoffer onverwachts met het misdrijf is geconfronteerd, is onredelijk. Het werpt een extra drempel op voor het verkrijgen van een schadevergoeding uit het fonds, terwijl de wetgever met het wetsvoorstel 32 363 de mogelijkheden om een uitkering voor shockschade te verkrijgen, heeft willen uitbreiden. In dit verband wordt ook gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958. Er is hier geen sprake van een buitenwettelijk begunstigend beleid, maar van een beleid dat de wettelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van een vergoeding voor geleden shockschade heeft willen beperken.

Wetsverwijzingen
Wet schadefonds geweldsmisdrijven 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/3542


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2022 in de zaak tussen


[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. Spoelstra),

en

het Schadefonds Geweldsmisdrijven (het Schadefonds), verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag die hij had ingediend bij het Schadefonds.

Het Schadefonds heeft die aanvraag met het besluit van 7 april 2021 afgewezen. Met het besluit op bezwaar (het bestreden besluit) van 1 oktober 2021 is het Schadefonds bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn echtgenote en zijn gemachtigde. Het Schadefonds is, zoals voorafgaand aan de zitting is meegedeeld, niet verschenen.

Feiten

1.1

Op 30 december 2019 is de zoon van eiser, [naam zoon], aan de gevolgen van een steekincident overleden.

1.2

Bij besluit van 4 mei 2020 heeft het Schadefonds eiser een bedrag uitgekeerd van

€ 5.000,- zijnde een eenmalige tegemoetkoming voor de affectieschade.

1.3

In de vonnissen van de strafrechter van 11 juni 2020 in de zaken van de daders van het misdrijf dat tot het overlijden van [naam zoon] heeft geleid, heeft de rechtbank de vorderingen van de ouders van [naam zoon] tot vergoeding van affectieschade toegewezen tot een bedrag van € 20.000,- elk. Beide daders zijn hoofdelijke aansprakelijk gesteld voor deze schade. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de moeder van [naam zoon] tot vergoeding van shockschade toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-. De rechtbank heeft deze vergoeding niet toegekend aan eiser en de broer van [naam zoon], omdat het de rechtbank niet helemaal duidelijk was of in hun gevallen was voldaan aan het confrontatievereiste. Tegen deze vonnissen is geen hoger beroep ingesteld.

1.4

Op 31 juli 2020 heeft eiser het Schadefonds verzocht hem een bedrag van € 7.500,- toe te kennen in verband met geleden shockschade. Bij de aanvraag heeft eiser een brief overgelegd van de psycholoog [psycholoog] van 26 juni 2020. Uit deze brief blijkt dat bij eiser sprake is van een posttraumatische stressstoornis die het gevolg is van de omstandigheid dat eiser persoonlijk getuige is geweest van de dreigende dood van zijn zoon. Daarnaast heeft eiser een foto overgelegd van de situatie kort na het neersteken van [naam zoon], waarop te zien is dat hij bij [naam zoon] is.

1.5

Bij het primaire besluit heeft het Schadefonds de gevraagde uitkering niet toegekend. Het Schadefonds stelt zich, onder verwijzing naar zijn beleid, op het standpunt dat er bij eiser geen sprake was van een directe en dus onverwachte confrontatie met de gevolgen van het geweldsmisdrijf. Tegen dit besluit eiser bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

2.1

Het Schadefonds heeft in deze zaak gewezen op artikel 3, eerste lid, onder c, van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven (WSG). Uit dat artikel volgt dat aan nabestaanden en naasten van een persoon die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf is overleden of ernstig en blijvend letsel heeft, als bedoeld in artikel 107, eerste lid, onder b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, uitkering kan worden gedaan uit het Schadefonds.

2.2

Op basis van dat artikel van de WSG heeft het Schadefonds beleid geformuleerd. In dat beleid staat dat het Schadefonds ook tegemoetkomingen toekent voor psychisch letsel dat iemand oploopt door getuige te zijn van een geweldsmisdrijf of direct geconfronteerd te zijn met de gevolgen van een geweldsmisdrijf. Als iemand een geweldsmisdrijf heeft waargenomen of een slachtoffer onverwachts op de plaats delict heeft aangetroffen, wordt zo’n ‘waarnemer’ aangemerkt als een slachtoffer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WSG. Om als waarnemer, zijnde een persoon die shockschade heeft geleden, in aanmerking te kunnen komen voor een tegemoetkoming moet sprake zijn van ernstig psychisch letsel in de zin van de WSG als gevolg van het misdrijf. Hiervoor is een diagnose nodig, welke is gesteld door een behandelaar die voor het stellen van deze diagnose een BIG-registratie, NIP-dienstmerk met Basisaantekening Psychodiagnostiek (BAPD) of NVO-registratie met Basisaantekening Diagnostiek (BAD) heeft.

2.3

Eiser is van mening dat het beleid van het Schadefonds als het gaat om het toekennen van een vergoeding voor shockschade, onredelijk is. Hij onderstreept zijn standpunt door te wijzen op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958). In dit arrest heeft de HR herhaald dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt. De HR heeft dit aangeduid als een ‘secundair slachtoffer’. Daarnaast heeft de HR overwogen dat de omstandigheid dat de benadeelde partij pas op een later moment (bijvoorbeeld in het mortuarium) met de gevolgen van het strafbare feit is geconfronteerd, niet afdoet aan de aanspraak op shockschade. In het geval zoals beschreven in die uitspraak waren de confrontaties ‘niet onverhoeds’ en ‘niet onvermijdbaar’. Uit dit arrest blijkt volgens eiser expliciet dat de HR als het gaat om de toekenning van shockschade, niet de eis stelt dat sprake dient te zijn van een onverhoedse dan wel onvermijdbare confrontatie. Dit maakt het beleid van het Schadefonds, waarin de eis van ‘onverwachts’ is opgenomen, des te vreemder en niet billijk.

2.4

Eiser verwijst verder naar de wetsgeschiedenis bij het wetsvoorstel dat tot doel had om de categorieën van personen die een beroep kunnen doen op het Schadefonds uit te breiden (wetsvoorstel 32 363). Uit die wetsgeschiedenis leidt eiser af dat de persoon die civielrechtelijk als slachtoffer met shockschade is aangemerkt, valt onder de definitie van artikel 3, eerste lid, van de WSG. Een aanpassing van de WSG op dit punt was daarom niet nodig. Het uitgangspunt van het Schadefonds dat een waarnemer pas slachtoffer in de zin van artikel 3 van de WSG kan zijn als hij het slachtoffer onverwachts op de plaats delict heeft aangetroffen, vindt eiser daarom een onjuist uitgangspunt. Als de wetgever vindt dat slachtoffers van shockschade onder het bereik van het Schadefonds vallen, dan is het volgens eiser aan het Schadefonds om uit te leggen waarom bepaalde slachtoffers van shockschade dan toch worden uitgesloten. Onduidelijk is ook waarop de extra eis van onverwachtheid die het Schadefonds in het beleid heeft opgenomen is gebaseerd. Eiser wijst tot slot op artikel 12, tweede lid, van de Richtlijn 2004/80/EG (de Richtlijn). In dat artikel staat dat alle lidstaten ervoor zorgen dat hun nationale wetgeving voorziet in een schadeloosstelling voor slachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldsmisdrijven, die een billijke en passende schadeloosstelling van slachtoffers garandeert.

2.5

De rechtbank kan eiser volgen in zijn betoog over de in het beleid van het Schadefonds opgenomen voorwaarde dat, om in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering in verband met shockschade, er bij de waarnemer (onder andere) sprake dient te zijn van onverwachtheid. Het betoog dat eiser heeft gehouden in het beroepschrift en op de zitting, acht de rechtbank concludent. Uit de jurisprudentie en wetsvoorstel nr. 32 636 volgt dat slachtoffers van shockschade onder de WSG vallen. Het Schadefonds heeft vervolgens in zijn beleid een extra eis opgenomen, waardoor het voor deze slachtoffers moeilijker wordt om in aanmerking te komen voor een uitkering uit het Schadefonds. De rechtbank volgt het Schadefonds niet in zijn stelling dat het beleid dat op dit punt wordt gevoerd een buitenwettelijk begunstigend beleid is. Zij is van oordeel dat het Schadefonds in het beleid juist een extra drempel heeft opgeworpen voor het verkrijgen van een uitkering in verband met shockschade. Een beleidsregel die een wettelijke mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een vergoeding van shockschade beperkt en niet in lijn is met artikel 12 van de Richtlijn, kan haar het oordeel van de rechtbank de toets van een redelijke beleidsbepaling niet doorstaan. Zij is van oordeel dat het bestreden besluit daarom niet in stand kan blijven. Deze beroepsgrond slaagt dan ook.

2.6

Nu de rechtbank het beleid in strijd met de redelijkheid acht, zal zij geen overwegingen meer wijden aan de andere door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

3.1

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Zij ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat haar niet bekend is op welke wijze de schadevergoeding precies wordt vastgesteld. De rechtbank stuurt daarom de zaak terug naar het Schadefonds en draagt hem op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3.2

De rechtbank veroordeelt het Schadefonds in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2022.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.