Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2022:224

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2022
Datum publicatie
02-02-2022
Zaaknummer
18/072230-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling lerares wegens ontucht met minderjarige leerlingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 249
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Assen

parketnummer 18/072230-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 februari 2022 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats], wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 januari 2022. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Kuipers, advocaat te Duivendrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij, op een of meer tijdstippen, - als docent van [naam organisatie] (organisatie voor speciaal onderwijs, speciaal basis onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs) locatie [locatie] te Assen - in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 1 september 2019 te Assen ontucht heeft gepleegd met de aan haar zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2002, door meermalen, althans eenmaal,

  • -

    zich over, rond en/of in haar (verdachte's) vagina te laten aanraken en/of strelen en/of zich te latenvingeren door die [slachtoffer 1] en/of

  • -

    de penis van die [slachtoffer 1] in haar (verdachte's) mond te nemen en/of (vervolgens) die[slachtoffer 1] te pijpen en/of

  • -

    de penis van die [slachtoffer 1] in haar (verdachte's) vagina te (laten) brengen en/of (vervolgens) zich vaginaal te laten penetreren door die [slachtoffer 1]; ( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2.

zij, op een of meer tijdstippen, - als docent van [naam organisatie] (organisatie voor speciaal onderwijs, speciaal basis onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs) locatie [locatie] te Assen - in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 9 januari 2020 te Assen ontucht heeft gepleegd met de aan haar zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2004, door meermalen, althans eenmaal,

  • -

    één of meerdere foto's van haar (verdachte's) geheel of gedeeltelijk ontblote billen, borsten en/oflichaam naar die [slachtoffer 2] te sturen en/of

  • -

    zich over, rond en/of in haar (verdachte's) vagina te laten aanraken en/of strelen en/of zich te latenvingeren door die [slachtoffer 2] en/of

  • -

    de penis van die [slachtoffer 2] in haar (verdachte's) mond te nemen en/of (vervolgens) die[slachtoffer 2] te pijpen en/of

  • -

    de penis van die [slachtoffer 2] in haar (verdachte's) vagina te (laten) brengen en/of (vervolgens) zich vaginaal te laten penetreren door die [slachtoffer 2]; ( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor beide ten laste gelegde feiten, inclusief de ten laste gelegde geslachtsgemeenschap nu hij geen reden ziet om te twijfelen aan de verklaringen die zich in het dossier bevinden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte zowel ten aanzien van feit 1 als ten aanzien van feit 2 moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde geslachtsgemeenschap. Voor het overige heeft de raadsman geen bewijsverweren gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, in beide gevallen met uitzondering van de onder het laatste gedachtestreepje ten laste gelegde geslachtsgemeenschap.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat er zich geen enkel concreet bewijsmiddel in het dossier bevindt waaruit blijkt dat er sprake is geweest van geslachtsgemeenschap tussen verdachte en [slachtoffer 1], anders dan dat dit beweerd werd in een roddel die rondging op school. Hierbij overweegt de rechtbank dat het verdachte is geweest die haar seksuele contacten met [slachtoffer 1] aan de orde heeft gesteld en zij ontkent geslachtsgemeenschap te hebben gehad met [slachtoffer 1]. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het laatste gedachtestreepje.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat het enige bewijs van de ten laste gelegde geslachtsgemeenschap de verklaring van [slachtoffer 2] is. Dat [slachtoffer 2] zulks verklaart betekent echter niet zonder meer dat dit ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, temeer wanneer die verklaring in het licht wordt bezien van de stellige en volhardende ontkennende verklaring van verdachte, die ten aanzien van de andere onderdelen van de tenlastelegging bij de politie – waar zij zich op eigen initiatief heeft gemeld – direct openheid van zaken heeft gegeven. De verklaring van [slachtoffer 2] wordt – als aangegeven – op dat punt bovendien door geen enkel ander bewijsmiddel ondersteund nu hij zelf de bron is van de in het dossier aanwezige de-audituverklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden dat er geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 2] en zal verdachte ook ten aanzien van feit 2 vrijspreken van het laatste gedachtestreepje.

Voor het overige acht de rechtbank feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte (het bewezenverklaarde deel van) deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2022;

  2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 januari 2020,opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL01002020009601 dossier STEUR d.d. 9 maart 2020, inhoudend de relateringen van verbalisant [verbalisant 1];

  3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 januari 2020,opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2];

  4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 februari 2020,opgenomen op pagina 239 van voornoemd dossier, inhoudend de relateringen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3];

  5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 januari 2020,opgenomen op pagina 249 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 1];

  6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 januari 2020,opgenomen op pagina 267 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 2].

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

zij op meer tijdstippen - als docent van [naam organisatie] (organisatie voor speciaal onderwijs, speciaal basis onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs) locatie [locatie] te Assen - in de periode van 1 september 2018 tot en met 1 september 2019 te Assen ontucht heeft gepleegd met de aan haar opleiding toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2002, door meermalen,

  • -

    zich over, rond en in haar (verdachte's) vagina te laten aanraken en zich te laten vingeren door die[slachtoffer 1] en

  • -

    de penis van die [slachtoffer 1] in haar (verdachte's) mond te nemen en vervolgens die [slachtoffer1] te pijpen.

2.

zij op meer tijdstippen - als docent van [naam organisatie] (organisatie voor speciaal onderwijs, speciaal basis onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs) locatie [locatie] te Assen - in de periode van 1 september 2019 tot en met 9 januari 2020 te Assen ontucht heeft gepleegd met de aan haar opleiding toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2004, door meermalen,

  • -

    meerdere foto's van haar (verdachte's) geheel of gedeeltelijk ontblote billen en borsten naar die[slachtoffer 2] te sturen en

  • -

    zich over, rond en in haar (verdachte's) vagina te laten aanraken en zich te laten vingeren door die[slachtoffer 2] en

  • -

    de penis van die [slachtoffer 2] in haar (verdachte's) mond te nemen en vervolgens die [slachtoffer2] te pijpen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:

  1. ontucht plegen met een aan haar opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalengepleegd

  2. ontucht plegen met een aan haar opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalengepleegd

Deze feiten strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en 2 wordt veroordeeld tot:

  • -

    een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    een taakstraf voor de duur van 100 duren, te vervangen door 50 dagen hechtenis;

  • -

    een beroepsverbod inhoudende dat zij het beroep van docent niet mag uitoefenen voor een periodevan 5 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het Pro Justitia rapport d.d. 7 oktober 2020 opgemaakt door psycholoog R.W. Blaauw en de rapporten van Reclassering Nederland d.d. 15 februari 2021 en 25 november 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met twee minderjarige leerlingen van de school voor speciaal onderwijs waar zij werkzaam was als docente. In een periode van 16 maanden hebben met beide jongens – naar eigen zeggen – twee á drie keer seksuele handelingen plaatsgevonden. Verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten tussen de 28 en 30 jaar oud en de twee leerlingen waren 15 en 16 jaar oud. Hoewel de seksuele handelingen met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden en er geen aangifte is gedaan door de leerlingen, is een seksuele relatie tussen een docent en een leerling – gelet op het grote leeftijdsverschil en de afhankelijkheidsrelatie van de leerling ten opzichte van de docent – strijdig met de sociaal ethische norm. Voorts kan een seksuele relatie schadelijk zijn voor de emotionele en seksuele ontwikkeling van de leerling. Verdachte had als volwassene en in het bijzonder als professioneel docent meer terughoudendheid in het contact met de leerlingen moeten betrachten en zich moeten onthouden van seksueel contact met de leerlingen. Door te handelen zoals zij heeft gedaan, heeft verdachte het in haar als docent gestelde vertrouwen, waaronder ook het vertrouwen van de ouders van de leerlingen, geschonden. De rechtbank rekent het verdachte voorts aan dat zij gedurende voornoemde 16 maanden er op geen enkel moment zelfstandig voor heeft gekozen om te stoppen met haar handelingen en daar verantwoordelijkheid voor te nemen. Aan het grensoverschrijdende contact is slechts een einde gekomen doordat de leiding van de school melding van de situatie heeft gemaakt bij de politie.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat, hoewel de aard en de ernst van de feiten dat in beginsel rechtvaardigen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in het onderhavige geval niet op zijn plaats is. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten dat haar leven sinds korte tijd weer meer stabiliteit kent (waar verdachte zich intensief voor heeft ingespannen) en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ontwrichtende gevolgen voor verdachtes 3 maanden en 6 jaar oude dochters zou hebben. Voorts is gebleken dat de strafvervolging, die twee jaar heeft geduurd, reeds ingrijpende gevolgen voor verdachte heeft gehad op verschillende gebieden. Verdachtes huwelijk is als gevolg van de media aandacht voor de zaak gestrand, zij is haar werk verloren en heeft thans grote moeite met het vinden van werk, nu zij reeds als verdachte niet in aanmerking komt voor een verklaring omtrent het gedrag. De rechtbank kan zich daarom vinden in een voorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met een onvoorwaardelijke taakstraf, zoals voorgesteld door de officier van justitie. Nu de rechtbank anders dan de officier van justitie de geslachtsgemeenschap niet bewezen acht, zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 8 maanden in plaats van 12 maanden. Voorts zal de rechtbank, gelet op het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten, daaraan een proeftijd van 2 in plaats van 3 jaren verbinden. Daarnaast zal de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uren opleggen. Nu – gelet op onderhavige veroordeling – niet te verwachten is dat verdachte in de nabije toekomst werkzaam zal zijn in het onderwijs, ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde in het gevorderde beroepsverbod.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 februari 2022.

Mr. C. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.