Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2022:2236

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-06-2022
Datum publicatie
01-07-2022
Zaaknummer
182778 en 184207
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling machtiging uithuisplaatsing. Moeder werkt al drie jaar niet mee aan contact tussen minderjarige en vader en is recent zonder toestemming van de vader verhuisd. Recent eenmalig omgangsmoment verliep niet goed, zorgelijke signalen die beeld van ouderverstoting bevestigen. Moeder is niet bereid tot terugverhuizen en zegt ook recent afspraken met de GI af. Hulpverlening komt niet van de grond. Zorgen over psychische gesteldheid van de moeder. Uithuisplaatsing bij de met gezag belaste vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Leeuwarden

Zaaknummer: C/17/182778 / FJ RK 22-195 en C/17/184207 / JE RK 22/355

Datum uitspraak: 10 juni 2022

Beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaken van

Raad voor de Kinderbescherming Leeuwarden,

verzoeker in de zaak C/17/182778 / FJ RK 22-195,

hierna te noemen: de RvdK,

gevestigd te Leeuwarden,

en

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

verzoeker in de zaak C/17/184207 / JE RK 22/355,

hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),

gevestigd te Leeuwarden,

betreffende

[naam] , geboren op [datum] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden in beide zaken aan:

[naam] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[naam] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.L. van Onna, te Franeker,

De kinderrechter merkt de GI aan als belanghebbende in de zaak C/17/182778 / FJ RK 22-195.

1 Het procesverloop

C/17/182778 / FJ RK 22-195

1.1.

Bij beschikking van 4 maart 2022, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 4 augustus 2022 en de beslissing voor het overige aangehouden.

1.2.

Na 4 maart 2022 heeft de kinderrechter kennisgenomen van de brief van de GI, ingekomen bij de griffie op 3 juni 2022.

C/17/184207 / JE RK 22/355

1.3.

Op 1 juni 2022 is een verzoekschrift met bijlagen van de GI ingekomen bij de griffie.

1.4.

Op 10 juni 2022 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig behandeld. Verschenen zijn:

- de moeder;

- de vader, bijgestaan door mr. A.L. van Onna;

- [naam] , namens de RvdK;

- [naam] en [naam] , namens de GI.

1.5.

De kinderrechter heeft de RvdK in de zaak over de machtiging tot uithuisplaatsing (C/17/184207 / JE RK 22/355) op grond van artikel 810 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitgenodigd om de kinderrechter van advies te voorzien.

2 De feiten

2.1.

[de minderjarige] woont bij de moeder.

2.2.

In het proces verbaal mondelinge uitspraak van 4 maart 2022 (C/17/175220 / FA RK 20/1134) is bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk zijn belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag. Daarnaast heeft de rechtbank de beschikking van 16 december 2020 gewijzigd, in die zin dat als voorlopige omgang geldt dat de omgang tussen [de minderjarige] en de vader via Humanitas plaatsvindt. De rechtbank heeft bepaald dat de moeder een dwangsom van € 50,- per dag zal verbeuren indien zij in gebreke blijft om uitvoering te geven aan de afspraken over de omgang die met Humanitas zijn gemaakt, met een maximum van € 500,-. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

2.3

De moeder is samen met [de minderjarige] kort na 4 maart 2022 zonder toestemming van de vader vanuit [woonplaats 1] verhuisd naar [woonplaats 2] . Bij vonnis in kort geding van 20 april 2022 is de moeder door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om voor 9 mei 2022 samen met [de minderjarige] terug te verhuizen naar [woonplaats 1] of naar een woning in een straal van 10 kilometer van die plaats. De moeder heeft hieraan geen gehoor gegeven. In haar e-mail van 18 mei 2022 schrijft de moeder dat ze niet van plan is om te verhuizen.

2.3.

Na 4 maart 2022 heeft er op 21 april 2022 contact plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en de vader, de daaropvolgende contactmomenten zijn door de moeder afgezegd.

3 Het verzoek van de RvdK over de ondertoezichtstelling

3.1.

De RvdK handhaaft haar verzoek om [de minderjarige] onder toezicht te stellen tot 4 maart 2023. Volgens de RvdK zijn de zorgen en ontwikkelingsbedreigingen onverminderd aanwezig. De RvdK is daarom van mening dat de regievoering van de gezinsvoogd in het gedwongen kader aangewezen blijft.

4 Het verzoek van de GI over de uithuisplaatsing

4.1.

De GI verzoekt een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende aangevoerd.

4.2.

De GI heeft vanaf de start van de ondertoezichtstelling intensief ingezet op het tot stand brengen van de omgang tussen [de minderjarige] en zijn vader. Daarnaast zijn de ouders aangemeld voor systeemgesprekken bij Wolfert in Context. De moeder blijft echter volharden in haar weigering om mee te werken aan de hulpverlening en de omgang. Uit de e-mail van de moeder van 23 mei 2022 blijkt dat de moeder niet instemt met de aanmelding bij Wolfert in Context voor systeemgesprekken en dat zij niet aanwezig zal zijn bij het intakegesprek. Er is slechts één omgangsmoment tussen [de minderjarige] en de vader van de grond gekomen, op 21 april 2022, waarvan een verslag is opgesteld en in geding gebracht is. De gezinsvoogd heeft dit omgangsmoment begeleid, omdat Humanitas de omgang niet langer kon begeleiden vanwege de complexiteit van de zaak. De GI heeft tijdens het omgangsmoment geconstateerd dat de moeder [de minderjarige] blootstelt aan zeer belastende uitspraken en negatieve beeldvorming over de vader. De negatieve effecten hiervan zijn duidelijk zichtbaar bij [de minderjarige] . Zo doet [de minderjarige] zijn handen over zijn oren als zijn vader met hem probeert te praten en stimuleert de moeder [de minderjarige] niet om naar zijn vader toe te lopen. De school van [de minderjarige] heeft ook gesignaleerd dat de moeder alles met [de minderjarige] deelt. Volgens de school is [de minderjarige] sinds de meivakantie (2022) sneller emotioneel en geeft hij aan niet naar zijn vader toe te willen.

4.3.

Na het omgangsmoment op 21 april 2022 heeft er geen omgang meer plaatsgevonden, omdat de moeder de andere geplande omgangsmomenten heeft afgezegd. Het omgangsmoment van 12 mei 2022 ging niet door, omdat [de minderjarige] volgens de moeder ziek was. Op 19 mei 2022 heeft de moeder de omgang tussen [de minderjarige] en de vader wederom afgezegd, omdat de moeder teveel stress ervoer en hoofdpijn had. Daarnaast moest [de minderjarige] nog uitzieken volgens de moeder. Ook heeft de moeder het evaluatiegesprek op 20 mei 2022 afgezegd. Het voorstel van de GI om het gesprek dan via beeldbellen te laten plaatsvinden, heeft de moeder eveneens geweigerd.

4.4.

Tijdens het omgangsmoment op 21 april 2022 heeft [de minderjarige] gezegd dat het de schuld van zijn vader is dat hij niet in [woonplaats 2] op school mag blijven. De GI kan er niet omheen dat [de minderjarige] deze informatie van zijn moeder gehoord moet hebben en dat [de minderjarige] negatief belast wordt door zijn moeder.

4.5.

Volgens de GI is er sprake van een emotioneel onveilige situatie. In de huidige leeftijdsfase van [de minderjarige] zijn de vorming van het zelfbeeld en de identificatie met de ouders belangrijke ontwikkelingstaken. Op dit moment kan [de minderjarige] deze ontwikkelingstaken niet op een gezonde en veilige manier vormgeven, door de houding van de moeder en de missende rol van de vader in zijn leven. De GI ziet geen mogelijkheden meer om de situatie met ambulante hulpverlening te verbeteren, omdat de moeder de samenwerking niet aangaat en zich niet inzet om de adviezen op te volgen. Een uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader is volgens de GI noodzakelijk.

5 Het standpunt van de belanghebbenden

Het standpunt van de vader

5.1.

Door en namens de vader is naar voren gebracht dat hij instemt met de verzoeken van de RvdK en de GI. De vader heeft in een andere procedure (C/17/175220 / FA RK 20/1134) verzocht het hoofdverblijf bij hem te bepalen. De vader maakt zich ernstig zorgen over [de minderjarige] en hij benadrukt de urgentie om snel te handelen. Hij ziet in dat met een machtiging tot uithuisplaatsing mogelijk sneller kan worden gehandeld, wat maakt dat hij kan instemmen met toewijzing van het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing en aanhouding van zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen. De moeder werkt nog steeds onvoldoende mee aan de omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Daarnaast is de moeder zonder medeweten, laat staan toestemming, van de vader naar [woonplaats 2] verhuisd. De vader heeft daarop een kort geding aangespannen en de voorzieningenrechter heeft bepaald dat de moeder terug moet verhuizen naar [woonplaats 1] of naar een woning in een straal van tien kilometer van [woonplaats 1] . Dit heeft de moeder niet gedaan. De moeder had [de minderjarige] meegenomen naar de kort geding zitting van 11 april 2021. Zij stond niet open voor enig contact tussen [de minderjarige] en de vader. Zij mochten elkaar niet eens groeten in de hal. Uit dit voorbeeld blijkt volgens de vader dat de moeder onbelast contact tussen de vader en [de minderjarige] onmogelijk maakt.

Het standpunt van de moeder

5.2.

De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij het niet eens is met de verzoeken. Zij stelt dat zij er niets aan kon doen dat de omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de vader niet zijn doorgegaan. [de minderjarige] was ziek en de moeder kampte zelf met veel stress, doordat de voorzieningenrechter heeft bepaald dat ze terug moest verhuizen. De moeder vindt dat eerst de situatie omtrent de verhuizing moet worden opgelost, voordat de omgang weer kan worden opgestart. De moeder begrijpt niet waarom zij moet terugverhuizen, aangezien zij de vader wel degelijk op de hoogte heeft gesteld van de verhuizing en hij daar pas later een probleem van maakte. De moeder betwist dat zij tegen [de minderjarige] heeft gezegd dat het de schuld van de vader is dat zij terug moeten verhuizen en hij van de school in [woonplaats 2] af moet. De moeder stelt voor dat naar [de minderjarige] zijn mening wordt geluisterd en dat aan de hand daarvan wordt bepaald wat er moet gebeuren. Volgens de moeder wil [de minderjarige] niet terug verhuizen naar [woonplaats 1] en wil hij geen contact met zijn vader. De moeder stelt dat [de minderjarige] geen contact met de vader wil, omdat hij vroeger is geslagen door zijn vader en de vader te luid praat tegen [de minderjarige] , waardoor hij bang wordt. De moeder is van mening dat de GI haar niet had mogen aanmelden voor Wolfert in Context. Ze heeft nu teveel aan haar hoofd en is van mening dat het aan haarzelf is of ze zich hiervoor wil aanmelden.

6 Advies van de RvdK over de uithuisplaatsing

6.1.

De RvdK heeft ter zitting naar voren gebracht dat in de beschikking van 4 maart 2022 duidelijk aan de moeder is meegegeven dat zij moest meewerken en dat er iets moest gaan gebeuren. De moeder wist wat de consequenties zouden kunnen zijn als zij dat niet deed. Toch is de omgang en de hulpverlening onvoldoende van de grond gekomen. De afgelopen jaren vormt het telkens niet doorgaan van de omgang en het niet meewerken aan hulpverlening de rode draad. De RvdK kan dan ook achter het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling staan. Wanneer het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] wordt toegewezen, is het volgens de RvdK belangrijk dat de omgang tussen [de minderjarige] en zijn moeder zo snel mogelijk van de grond komt.

7 De beoordeling

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling

7.1.

Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat ook het resterende deel van het verzoek van de RvdK over de ondertoezichtstelling moet worden toegewezen. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt.

7.2.

In de beschikking van 4 maart 2022 heeft de kinderrechter overwogen dat er op dat moment al twee en een half jaar geen omgang was tussen [de minderjarige] en zijn vader en dat de moeder daar in overwegende mate de oorzaak van is. Daarnaast is het beeld ontstaan dat de moeder hulpverlening afwijst of hiervoor niet openstaat. De kinderrechter heeft toen benadrukt dat het vijf voor twaalf is voor de vrouw om zich anders op te stellen en mee te werken aan de omgang en de hulpverlening.

7.3.

De kinderrechter constateert echter dat de zorgen over [de minderjarige] de afgelopen periode eerder zijn toegenomen dan afgenomen. Sinds de beschikking van 4 maart 2022 is er slechts één keer omgang geweest tussen de vader en [de minderjarige] . De inhoud van het verslag van dat omgangsmoment baart de kinderrechter grote zorgen. Uit het verslag blijkt dat de moeder belastende en negatieve uitspraken doet over de vader in het bijzijn van [de minderjarige] . De moeder betwist dat zij deze uitspraken heeft gedaan. De kinderrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verslaglegging van de gezinsvoogd, die nota bene zelf bij het omgangsmoment aanwezig was. Ongeacht of de moeder de betreffende uitspraken wel of niet heeft gedaan, acht de kinderrechter het beschreven gedrag van [de minderjarige] , zoals zijn handen over zijn oren doen als de vader praat, en de uitspraken van [de minderjarige] tijdens het omgangsmoment zeer zorgelijk. Het lijkt de kinderrechter niet aannemelijk dat [de minderjarige] zelf heeft bedacht dat het de schuld is van zijn vader dat hij terug moet verhuizen en van de school in [woonplaats 2] af moet. De moeder heeft het contact tussen [de minderjarige] en zijn vader op 21 april 2022 ook niet gestimuleerd. Uit de door de GI overgelegde e-mails van de moeder komt bovendien duidelijk het beeld naar voren dat de moeder de schuld voor het vonnis over de terugverhuizing bij de vader neerlegt. Dat past bij de uitlatingen van [de minderjarige] op 21 april 2022. De moeder lijkt niet in te zien dat [de minderjarige] meer meekrijgt dan zij denkt. Door dit soort negatieve beeldvorming maakt de moeder onbelast contact en het opbouwen van een band tussen [de minderjarige] en de vader vrijwel onmogelijk. De andere geplande omgangsmomenten zijn door de moeder afgezegd, omdat [de minderjarige] ziek was en/of de moeder teveel aan haar hoofd had of ook ziek was. Het kan uiteraard eens voorkomen dat een omgangsmoment niet door kan gaan als gevolg van ziekte. In dit geval komt de omgang tussen [de minderjarige] en zijn vader echter al drie jaar niet tot nauwelijks van de grond. Gelet daarop kunnen vraagtekens gezet worden bij de stelling dat [de minderjarige] die dag ziek was. De kinderrechter kan er niet omheen dat de overwegende mate van schuld dat omgang niet van de grond komt bij de moeder ligt. Het feit dat de moeder stelt dat zij teveel aan haar hoofd heeft en dat de omgang daarom niet kan worden opgestart totdat de verhuizingssituatie is opgelost, bevestigt de indruk van de kinderrechter dat de moeder het contact tussen [de minderjarige] en de vader niet als een prioriteit ziet. Verder kan afgevraagd worden hoe de psychische gesteldheid van de vrouw is en welke invloed die heeft op [de minderjarige] , als de vrouw stelt dat zij tot niets kan komen vanwege de stress die zij ervaart. De kinderrechter is van oordeel dat van de moeder verwacht moet en mag worden dat zij de terugverhuizing en de contactregeling los van elkaar beziet. Het gedrag en de houding van de moeder duiden op ouderverstoting.

7.4.

Ook de communicatie tussen de ouders is allesbehalve verbeterd. De moeder is zonder toestemming van de vader of vervangende toestemming van de rechtbank naar [woonplaats 2] verhuisd. De moeder gaat daarmee volledig voorbij aan de gelijkwaardige rol van de vader, die samen met de moeder sinds 4 maart 2022 het gezag over [de minderjarige] uitoefent. Vervolgens heeft zij het vonnis van de voorzieningenrechter waarin de voorzieningenrechter heeft bepaald dat ze terug moet verhuizen naast zich neergelegd. Niet is gebleken dat de moeder in actie is gekomen of haar best heeft gedaan om een terugverhuizing mogelijk te maken. Enkel aangeven dat dit niet lukt door de huidige woningmarkt, acht de kinderrechter volstrekt onvoldoende. Hiermee veronachtzaamt de moeder wederom de rechten van de vader en [de minderjarige] op contact met elkaar en doet zij aan eigenrichting. De voorzieningenrechter heeft immers overwogen dat de verhuizing van de vrouw het uitvoeren van een omgangsregeling alleen maar lastiger maakt. Ook dit gedrag van de moeder past in het beeld van ouderverstoting.

7.5.

Verder heeft de moeder de afgelopen periode onvoldoende medewerking verleend aan de hulpverlening, die juist een verbetering in de communicatie tussen partijen zou moeten opleveren. Zij stelt dat de GI haar niet had mogen aanmelden voor systeemgesprekken bij Wolfert in Context. De kinderrechter overweegt dat er niet voor niets een ondertoezichtstelling is uitgesproken. Dat betekent dat de GI regie voert in het gedwongen kader en dus de hulpverlening die zij noodzakelijk acht kan inzetten, ook als de ouders het daar niet mee eens zijn. De moeder heeft zich hiernaar te schikken. Door de weigerachtige houding van de moeder is er de afgelopen periode onvoldoende gebeurd en kon er onvoldoende gewerkt worden aan de ontwikkelingsbedreigingen.

7.6.

De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn:

- [de minderjarige] heeft langdurig geen contact gehad met zijn vader. Er is nog steeds geen structureel contact tussen hen door toedoen van de moeder;

- de ouders zijn niet in staat op constructieve wijze met elkaar te communiceren over [de minderjarige] ;

- de moeder doet belastende en negatieve uitspraken over de vader in het bijzijn van [de minderjarige] , waardoor het beeld dat [de minderjarige] over zijn vader heeft op negatieve wijze wordt beïnvloed;

- het ontbreken van zicht op de psychische gesteldheid van de moeder en haar beschikbaarheid voor [de minderjarige] .

7.7.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de kinderrechter dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal [de minderjarige] daarom onder toezicht stellen tot 4 maart 2023.

Ten aanzien van de uithuisplaatsing

7.8.

Op grond van artikel 1:265b BW kan de kinderrechter de GI machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De kinderrechter overweegt als volgt.

7.9.

De kinderrechter heeft in de beschikking van 4 maart 2022 overwogen dat het vijf voor twaalf. De afgelopen maanden heeft de moeder de kans gekregen om het tij te keren, maar die kans heeft zij volledig laten liggen. De situatie is niet verbeterd, ondanks de ondertoezichtstelling, dwangsommen en een vonnis in kort geding. Het ontbreken van onbelast contact van [de minderjarige] met zijn vader en het opgroeien in een situatie waarin een kind niet positief mag denken over zijn vader, acht de rechtbank zorgelijk en zeer ernstig.

7.10.

Gelet op de forse zorgen in combinatie met het feit dat de moeder onvoldoende medewerking verleent aan de omgang tussen de vader en [de minderjarige] en de noodzakelijk geachte hulpverlening, kan de kinderrechter niet anders dan de GI volgen in het standpunt dat er geen minder ingrijpende middelen meer zijn om de ontwikkelingsbedreigingen weg te nemen. Het is naar het oordeel van de kinderrechter voldoende komen vast te staan dat [de minderjarige] ernstig in zijn geestelijke gesteldheid wordt bedreigd door de houding van zijn moeder. Daar waar het op 4 maart 2022 vijf voor twaalf was, is het inmiddels spreekwoordelijk kwart over twaalf. De kinderrechter acht het in het in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst bij zijn vader met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling.

8 De beslissing

De kinderrechter:

8.1.

stelt [de minderjarige] onder toezicht van het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid tot 4 maart 2023;

8.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader met gezag tot 4 maart 2023;

8.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2022 door mr. G.J. Baken, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Dijk, als griffier. Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op17 juni 2022.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.