Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2022:1991

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-04-2022
Datum publicatie
16-06-2022
Zaaknummer
C/17/178111 / HA RK 21/18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vrouw is in de uitoefening van haar werkzaamheden slachtoffer geworden van mishandeling, als gevolg waarvan zij letsel heeft opgelopen. Er is sprake van secundaire victimisatie in verband met onrechtmatige schadeafwikkeling door de verzekeraar waarvoor de verzekerde werkgever aansprakelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0384
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rekestnummer: C/17/178111 / HA RK 21-18

Beschikking van 20 april 2022

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

hierna te noemen: [A] ,

advocaat mr. S. Baggerman te Apeldoorn,

tegen

de stichting

STICHTING DE BIJZONDERE ONDERNEMING,

gevestigd te Drachten,

verweerster,

hierna te noemen: SBDO,

advocaat mr. S.E. Phoelich-Pontier te 's-Gravenhage.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 7 april 2021;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 september 2021, en een aanvullende productie, ingekomen ter griffie op 13 september 2021;

  • -

    de op 16 september 2021 geplande mondelinge behandeling is op verzoek van [A] uitgesteld en vervolgens gehouden op 14 februari 2022, waarbij de advocaat van [A] het standpunt van haar cliënte heeft toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

2 De feiten

2.1.

[A] heeft in haar verzoekschrift uitvoerig de tussen partijen gevoerde correspondentie beschreven en deze (als één productie) in het geding gebracht. SDBO/NN heeft in het verweerschrift een aanvulling op deze feiten gegeven.

De rechtbank zal hierna een samenvatting geven van de feiten die in deze zaak van belang worden geacht.

2.2.

Op 17 april 2015 is [A] in de uitoefening van haar werkzaamheden voor SBDO het slachtoffer geworden van een mishandeling. Zij is mishandeld door een patiënt van SDBO, een complex autistische man. Als gevolg van deze mishandeling heeft [A] letsel opgelopen.

2.3.

De belangen van [A] zijn in eerste instantie behartigd door mr. P. Jagersma van Wolthers Jagersma Letselschade Advocaten (hierna te noemen mr. Jagersma).

2.4.

Mr. Jagersma heeft bij brief van 12 november 2015 SDBO aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de [A] overkomen mishandeling. Bij brief van 1 december 2015 aan SDBO heeft mr. Jagersma aangeven dat het niet goed met [A] ging en dat [A] gebaat was bij een spoedige reactie van de verzekeringsmaatschappij.

2.5.

Nationale Nederlanden (hierna te noemen NN) heeft als aansprakelijkheidsverzekeraar van SDBO bij brief van 2 december 2015 aan [A] meegedeeld dat zij de schademelding in behandeling neemt. NN heeft er daarbij op gewezen dat zij de Gedragscode Behandeling Letselschade onderschrijft. NN heeft een expert ingeschakeld om de toedracht van het ongeval te onderzoeken.

2.6.

Op 22 februari 2016 heeft een gezamenlijk bezoek aan [A] plaatsgevonden, waarbij namens NN aanwezig was mevrouw [F] , schaderegelaar bij CED. Eveneens op 22 februari 2016 heeft NN - zonder erkenning van aansprakelijkheid - een voorschot van € 5.000,00 aan [A] overgemaakt.

2.7.

Bij e-mail van 21 april 2016 heeft NN aan mr. Jagersma meegedeeld:

Zoals telefonisch besproken vandaag bevestigen wij hierbij dat wij aansprakelijkheid kunnen erkennen.

Inmiddels hebben wij het medische advies van onze medische adviseur mogen ontvangen. Bijgaand doen wij u dit advies toekomen, naar de inhoud waarvan wij u kortheidshalve verwijzen.

De medisch adviseur geeft in het advies aan dat een lopende letselschadezaak niet positief zal werken op het herstel van uw cliënte. Wellicht dat afwikkeling van dit dossier in dit stadium wenselijk is. Kunt u ons informeren hoe uw cliënte hierin staat?

Graag ontvangen wij uw schadestaat en een eventuele regelingsvoorstel.

Het bijbehorende advies van de medisch adviseur van NN luidt (voor zover van belang):

BESCHOUWING

Er lijken inderdaad meer zaken te spelen dan alleen het ongeval. De vraag is waarom de bedrijfsarts na één bezoek al heeft aangegeven dat het "wel weer op twee jaar ziektewet zou uitdraaien".

Verder vraag ik mij af waarom na een fysieke mishandeling het is gekomen tot een arbeidsconflict.

Het UWV mag dan hebben gesteld dat betrokkene voldoende meewerkt aan haar re-integratie, maar haar herstelgedrag lijkt minder adequaat te zijn. Ik begrijp dat zij geen mediation wilde en ik begrijp dat zij EMDR heeft afgewezen.

Er lijkt dus meer te spelen in de zin van een spanningsvolle situatie thuis, een zoon die veel aandacht vergt, de echtscheiding etcetera.

Betrokkene geeft rugklachten aan, echter de afwijkingen aan de rug zijn pre-existent en niet ongevalsgerelateerd. Er is sprake van degeneratieve afwijkingen en er is sprake van een scoliose alsmede de neiging tot vergroeiing van de onderste lendenwervel, alle zaken die niets hebben te maken met het ongeval.

Een lopende letselschadezaak zal uiteraard niet positief werken op het herstel van betrokkene. Mocht echter een afwikkeling niet mogelijk zijn, dan zullen wij toch uitgebreid moeten worden geïnformeerd over de medische voorgeschiedenis van betrokkene, gezien de niet-ongevalsgerelateerde zaken, gezien het wat merkwaardige beloop na het ongeval en gezien de onverklaarde klachten. Ik heb voor dit moment geen therapeutische suggesties.

2.8.

Bij e-mail van 21 juni 2016 heeft mr. Jagersma aan NN aangegeven dat het niet goed ging met [A] , dat er naast lichamelijke klachten sprake was van heftige psychische problematiek en dat het advies van de medisch adviseur van NN helemaal niet goed gevallen was bij [A] . Mr. Jagersma heeft bij NN aangedrongen op inschakeling van een arbeidsdeskundige, waarbij hij mevrouw Pelgröm van bureau Radar heeft voorgesteld.

2.9.

Op 20 juli 2016 heeft mr. Jagersma een schadeopstelling aan NN toegezonden. Vervolgens zijn partijen overeengekomen dat mr. Jagersma medische informatie zou aanleveren.

2.10.

Op 14 september 2016 heeft mr. Jagersma een conceptbrief voor mevrouw Pelgröm aan NN toegestuurd en op 4 oktober 2016 heeft mr. Jagersma aan NN bericht:

Omdat er in de zaak van mevrouw [A] toch wat moest gebeuren en wij al overeenstemming hadden bereikt over de inschakeling van mevrouw Pelgröm, heb ik mijn conceptbrief met bijlagen alvast aan haar aangeboden.

2.11.

In de rapportage van 12 oktober 2016 heeft mevrouw B.E.G.J.M. Pelgröm van Arbeidsdeskundig Bureau Radar B.V. het volgende Plan van Aanpak geformuleerd:

Om de kans op een succesvolle re-integratie te verhogen, adviseer ik het volgende:

- Een kennismakingsgesprek bij DBC te Zwolle, hiervoor is een afspraak gemaakt op dinsdag 18 oktober 2016.

- De uitkomsten hiervan dienen te worden afgewacht waarna in overleg met u en betrokkene verdere vervolgstappen kunnen worden gezet richting DBC te Zwolle en verdere re-integratieafspraken kunnen worden gemaakt.

- Afstemming met het UWV, wanneer nodig.

2.12.

[A] heeft op kosten van NN het traject bij Pelgröm en een multidisciplinair traject bij DBC gevolgd. Voor (de start van) een HBO-studie heeft [A] een lening afgesloten bij DUO.

2.13.

In maart 2017 heeft mr. Y.P.J. Drost van Drost Letselschade (hierna te noemen mr. Drost) op verzoek van [A] de dossierbehandeling overgenomen van mr. Jagersma.

2.14.

Op 27 juli 2017 stond een bezoek aan [A] gepland, maar door een administratieve fout van NN was mevrouw [F] daarbij niet aanwezig. NN en mevrouw [F] hebben [A] hiervoor hun excuses aangeboden. Mevrouw Pelgröm was wel aanwezig. De rapportage van mevrouw Pelgröm van 27 juli 2017 vermeldt onder meer:

Op basis van mijn bevindingen en de huidige ontwikkelingen valt het mij op dat betrokkene steeds verder lijkt terug te vallen in haar ervaren klachten en beperkingen. Zij maakt op mij een kwetsbare indruk en lijkt 'het vechten moe', omdat haar de energie hiervoor lijkt te ontbreken. Ik vind dit jammer, te meer, omdat betrokkene aan het begin van dit jaar juist bezig was om kleine stappen voorwaarts te nemen.

Kijkend naar de nabije toekomst lijkt met mij zaak dat betrokkene de tijd/ruimte krijgt (ook financieel) om haar ervaren vermoeidheid en gebrek aan energie kwijt te raken. Hierbij is het belangrijk dat zij zich gesteund voelt door haar omgeving. De gesprekken met de psycholoog zullen van belang zijn voor haar herstel.

2.15.

Op 31 augustus 2017 heeft [A] een (17 pagina tellende) directieklacht bij NN ingediend, waarbij zij stelt nogmaals slachtoffer te zijn, maar nu van NN omdat NN niet actief meewerkt aan haar herstel, en dat de houding van NN veel stress bij haar veroorzaakt.

2.16.

Bij brief van 18 september 2017 heeft NN op deze klacht gereageerd en aangegeven dat de intentie van NN is om de letselschade van [A] goed af te wikkelen, met de mededeling van ze een letselschade expert hebben ingeschakeld die samen met de behandelaar van NN een bezoek aan [A] gaat brengen.

2.17.

Op 12 oktober 2017 heeft een gezamenlijk bezoek aan [A] plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren [A] , haar stiefvader, mr. Dorst (en zijn secretaresse), de heer [B] van NN, mevrouw [F] van NN en mevrouw Pelgröm. De door mevrouw [F] opgemaakte rapportage vermeldt de volgende concrete afspraken:

 Er volgt een aanvullend voorschot van € 17.500,00, dit, geheel Sans Prejudice.

 Patiënten journaal van vijf jaar voor ongeval zal worden opgevraagd door de belangenbehartiger.

 aanvullende informatie UWV, cardioloog, DBC, intake psycholoog.

 Jaaropgaven 2013 tot 2016, uitkeringsspecificaties over 2017 tot heden.

 Aanvullende schadestaat via belangenbehartiger.

 Van de Arbeidsdeskundige volgt ook een verslag met tevens de informatie over de studie die zij gaat volgen en de lening die daarvoor kon worden afgesloten.

 Een concept van dit rapport werd aan de belangenbehartiger en aan de schadebehandelaar gelijktijdig verstuurd. De belangenbehartiger kan eventuele op/of aanmerkingen rechtstreeks aan de schadebehandelaar toesturen.

2.18.

In februari 2018 heeft mr. E. Tuynman van Slot Letselschade (hierna te noemen Tuynman) op verzoek van [A] de dossierbehandeling overgenomen van mr. Drost.

2.19.

Vervolgens heeft er een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen mr. Tuynman en de heer [B] van NN. Bij e-mail van 6 juni 2018 heeft de heer [C] (hierna te noemen [C] ) van NN aan mr. Tuynman laten weten dat hij de dossierbehandeling had overgenomen.

2.20.

Bij brief van 28 juni 2018 heeft mr. Tuynman NN onder meer verzocht om in te stemmen met de eerder besproken psychiatrische expertise en bij e-mail van 9 juli 2018 heeft mr. Tuynman een bijgewerkte schadestaat toegezonden en verzocht om betaling van een voorschot van € 50.000,00 en om een reactie voor wat betreft de psychiatrische expertise.

2.21.

Op 7 augustus 2018 heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen [C] en mr. Tuynman. [C] heeft in dat gesprek aangegeven dat het voor NN niet vaststond dat de klachten van [A] in relatie staan tot het haar overkomen ongeval en dat wat hem betrof het op 12 oktober 2017 afgesproken traject heroverwogen moest worden.

2.22.

Op 25 september 2018 heeft mr. Tuynman namens [A] wederom een directieklacht ingediend betreffende:

1. de trage handelwijze van Nationale Nederlanden, waarbij zelfs in het geheel niet gereageerd wordt op mijn brieven, telefoontjes en e-mails. Aan terugbelverzoeken wordt geen gehoor gegeven;

2. Het mogelijk niet -willen- nakomen van gemaakte afspraken (in dit geval de afgesproken expertises) door de nieuwe behandelaar van dit dossier binnen Nationale Nederlanden. De betrouwbaarheid van Nationale Nederlanden is in het geding wanneer bij iedere nieuwe behandelaar eerder gemaakte afspraken kunnen worden genegeerd;

3. Het ondanks heraald verzoek niet betaalbaar stellen van een aanvullend voorschot terwijl evident is dat cliënte na de afspraak in oktober door NN niet zomaar financieel aan haar lot kan worden overgelaten.

2.23.

Naar aanleiding van de directieklacht heeft mevrouw [D] van NN op 4 oktober 2018 telefonisch contact gehad met mr. Tuynman en ze heeft dit gesprek vervolgens schriftelijk bevestigd. Haar e-mail van 4 oktober 2018 luidt (voor zover van belang):

Knelpunten in het dossier

- Vertraging in de behandeling: helaas heb ook ik moeten constateren dat er niet adequaat en voortvarend wordt gereageerd op uw berichten. Dit betreur ik ten zeerste. Helaas hebben wij op dit moment door personeelsverloop op onze afdeling te maken met een behoorlijke werkvoorraad. Wij proberen er alles aan te doen om dit binnen redelijke proporties te houden. In al onze dossiers streven wij naar een adequate en voortvarende behandeling. Soms lukt dit niet altijd. Onze excuses hiervoor.

- Nakomen van gemaakte afspraken: tijdens een gezamenlijk bezoek op 12 oktober 2017 is de afspraak gemaakt om het medisch dossier te completeren waarna op korte termijn onafhankelijke expertises opgestart kunnen worden. Dit staat zwart op wit in het gespreksverslag van de nabespreking. Hieraan valt mijns inziens niet te tornen.

- betaling voorschot: u heeft diverse malen om een aanvullend voorschot gevraagd. Waarom hier niet op is gereageerd weet ik niet. Mogelijk dat het ontvangen van de afgesproken schadestaat en financiële onderbouwing (eveneens tijdens het gezamenlijk bezoek op 12 oktober 2017) afgewacht werd. Deze is op 9 juli door u toegezonden. De behandelaar zal de schadestaat en het voorschotverzoek beoordelen. Inherent hieraan zullen ook uw buitengerechtelijke kosten meegenomen worden.

2.24.

Bij e-mail van 11 oktober 2018 heeft NN nog nader op de klacht gereageerd. Daarbij heeft ze het advies van haar medisch adviseur aan mr. Tuynman toegezonden met daarbij de opmerking dat het zeer de vraag was of een medisch expertisetraject zinvol was, omdat nog geen sprake was van een medische eindtoestand. NN heeft daarbij betaling van een voorschot van € 10.000,00 toegezegd, waarmee het totaal aan betaalde voorschotten op € 68.500,00 kwam.

2.25.

In oktober/november 2018 heeft een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen [D] en mr. Tuynman, onder andere over de voorgestelde psychiatrische expertise.

2.26.

Op 20 februari 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de nieuwe dossierbehandelaar bij NN, mevrouw [E] , en mr. Tuynman. Partijen hebben daarbij onder meer besproken dat de aanvraag psychiatrische expertise niet zou worden ingetrokken en dat NN na ontvangst van enkele (financiële) stukken een regelingsvoorstel aan [A] zou doen.

2.27.

Mr. Tuynman heeft bij brief van 11 april 2019 diverse aanvullende stukken aan NN toegestuurd, waarbij zij onder meer aan NN heeft meegedeeld:

Reeds herhaalde malen heb ik u aangegeven wat de wens van cliënte is. Zij wil, na een periode van rust/herstel van liefst nog een half jaar vanaf heden, dolgraag met hulp van de arbeidsdeskundige mevrouw Pelgrom aan de slag met haar feitelijke re-integratie. (…..)

Het gaat cliënte er niet om zoveel mogelijk geld te krijgen.

Wel verlangt zij dat NN haar in staat stelt om weer in een zodanige positie te komen dat zij weer financieel stressvrij naar de toekomst kan kijken.

Wanneer u op dit moment een financieel voorstel wilt doen dat aan die wens van cliënte voldoet, staat u dat uiteraard vrij.

2.28.

Mr. Tuynman heeft bij e-mail van 18 juni 2019 NN verzocht om een reactie en bij e-mail van 24 juni 2019 heeft zij aan NN bericht:

Tijdens de bespreking bij u op kantoor van 20 februari jl. heeft u aangegeven de zaak namens NN verder op vlotte wijze te willen behandelen.

U leek bovendien vastbesloten om een regelingsvoorstel te willen doen. De lange stilte na mijn brief van 11 april jl. getuigt daar niet van.

2.29.

Mevrouw [E] van NN heeft bij e-mail van 3 juli 2019 aan mr. Tuynman bericht:

Dank voor uw brief met bijlagen van 11-04-2019. U geeft aan dat uw cliënte na een periode van rust van een half jaar aan de slag wil met haar re-integratie. Wij begrijpen dan ook dat uw cliënte op dit moment (nog) niet openstaat voor een mogelijke regeling.

We verzoeken u om ons medio september opnieuw te informeren.

2.30.

De psychiatrische expertise door psychiater Korzec heeft plaatsgevonden op

1 november 2019.

2.31.

Na ontvangst van het concept-rapport van psychiater Korzec heeft de medisch adviseur van NN een advies uitgebracht, waarbij hij nog een drietal vragen aan Korzec heeft geformuleerd. Deze vragen zijn niet beantwoord omdat [A] daar bezwaar tegen had.

2.32.

Het definitieve rapport van Korzec is uitgebracht op 6 april 2020. Volgens Korzec bestaat er een causale relatie tussen het ongeval en de posttraumatische stressstoornis.

2.33.

Mr. Tuynman heeft bij e-mail van 19 maart 2020 meegedeeld dat [A] geen prijs stelt op een door NN voorgesteld bezoek omdat zij geen vertrouwen meer heeft in de intenties van NN.

2.34.

In april 2020 heeft mr. S. Baggerman van Ruesink & Baggerman Letselschade Advocaten (hierna te noemen mr. Baggerman) op verzoek van [A] de dossierbehandeling overgenomen van mr. Tuynman.

2.35.

Bij brief van 12 mei 2020 heeft mr. Baggerman een aanvullend voorschot van

€ 50.000,00 verzocht. Daarnaast heeft hij aanvullende deskundigenonderzoeken door een verzekeringsarts, een arbeidsdeskundige en een rekenbureau voorgesteld. Tot slot heeft mr. Baggerman NN aansprakelijk gesteld voor de wijze van dossierbehandeling door NN, waardoor er sprake is van een toename van de klachten van [A] . Wegens secundaire victimisatie heeft mr. Baggerman namens [A] aanspraak gemaakt op € 50.000,00 aan (extra) smartengeld.

2.36.

Verdere correspondentie tussen mr. Baggerman en mevrouw [E] van NN in de periode van mei 2020 tot en met december 2020, waarbij NN zich op het standpunt stelde dat de rugklachten van [A] niet het gevolg zijn van het ongeval en waarbij NN betwistte dat er sprake is van secundaire victimisatie, heeft niet tot een oplossing geleid. NN heeft in augustus 2020 nog mediation voorgesteld. [A] wilde hier haar medewerking aan verlenen onder een aantal voorwaarden, waaronder een aanvullend voorschot van € 50.000,00. NN is hier niet mee akkoord gegaan.

2.37.

NN heeft in totaal € 83.500,00 aan voorschotten aan [A] betaald.

3 Het verzoek

3.1.

[A] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w Rv:

A) te bepalen dat sprake is van secundaire victimisatie in verband met onrechtmatige schadeafwikkeling door Nationale Nederlanden waarvoor SDBO aansprakelijk is;

B) te bepalen dat [A] aanspraak kan maken op schadevergoeding in verband met deze onrechtmatige schadeafwikkeling;

C) te bepalen dat SDBO dan wel Nationale Nederlanden uit hoofde van deze onrechtmatige schadeafwikkeling een voorschot van € 10.000,00 aan [A] dient over te maken binnen 10 dagen na de te wijzen beschikking door de rechtbank, dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag;

D) op grond van artikel 1019aa Rv de kosten van deze procedure te begroten op

€ 8.264,00 en SDBO dan wel Nationale Nederlanden te bevelen het bedrag dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag binnen 10 dagen na de te wijzen beschikking te vergoeden door overmaking aan de advocaat van [A] .

3.2.

[A] stelt dat er sprake is van secundaire victimisatie ten gevolge van een onrechtmatige schadeafwikkeling door NN, op grond waarvan zij aanspraak maakt op een extra bedrag aan smartengeld. [A] verwijst ter onderbouwing van haar verzoek naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10759). Volgens [A] verliep de schaderegeling uitermate stroperig, duurde een reactie van de zijde van NN vaak lang of bleef zelfs uit, toonde NN zich weinig coöperatief in het betalen van voorschotten en kwam zij gemaakte afspraken niet na. De onzekerheid en zorgen van [A] over haar (financiële) toekomst en de wijze van schaderegeling door NN zorgen bij [A] voor stress, spanningen en een toename van haar psychische klachten, aldus [A] . [A] heeft ter onderbouwing van haar verzoek een verklaring van haar psycholoog K. Altena van 8 februari 2021 overgelegd.

3.3.

De kosten van het deelgeschil heeft [A] begroot op 26 uur van € 260,00 per uur vermeerderd met 21% btw en het griffierecht van € 85,00, zijnde in totaal € 8.264,60.

4 Het verweer

4.1.

SDBO/NN concludeert tot afwijzing van het verzoek. SDBO/NN betwist dat er sprake is van secundaire victimisatie in verband met onrechtmatige schadeafwikkeling en dat [A] in dat kader aanspraak kan maken op een schadevergoeding. SDBO/NN voert daartoe aan (i) dat NN, vaak direct op eerste verzoek, adequaat voorschotten heeft verleend, (ii) dat zij aan redelijke verzoeken van [A] - zoals begeleiding door een arbeidsdeskundige, het mogen volgen van een multidisciplinair traject bij DBC en het vergoeden daarvan en het verzoek om haar enige tijd met rust te laten - voldaan, (iii) dat er geen sprake is geweest van een koerswijziging en (iv) het lange tijdsverloop van dit dossier niet (in overwegende mate) aan NN te wijten is. Volgens NN is de relatief lange looptijd in het dossier deels te wijten aan het feit dat [A] zonder voor NN kenbare reden tot drie keer toe van belangenbehartiger is gewisseld, dat NN langere tijd op medische informatie heeft moeten wachten en het feit dat [A] verschillende malen heeft aangegeven dat zij met rust gelaten wilde worden. De verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 december 2018 gaat volgens NN niet op.

5 De beoordeling

5.1.

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling.

Bij de beoordeling van het deelgeschil moet de rechtbank zich de vraag stellen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat deze opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Een deelgeschil waarvan te verwachten is dat de beantwoording daarvan te kostbaar is en veel tijd in beslag zal nemen, bijvoorbeeld omdat bewijsvoering nodig zal zijn, zal zich minder snel lenen voor een deelgeschilprocedure. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich niet voordoet. Van de zijde van SDBO/NN is ook niet betwist dat de zaak zich leent voor een deelgeschil.

5.2.

De vraag is of er sprake is van een onrechtmatige schadeafwikkeling door NN en of [A] hierdoor schade heeft opgelopen. De rechtbank is - onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 december 2018 - van oordeel dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt.

5.3.

Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie blijkt een weinig voortvarende aanpak van de letselschadezaak door NN. Hoewel de diverse belangenbehartigers van [A] steeds hebben aangegeven dat het helemaal niet goed ging met [A] , heeft dit niet tot gevolg gehad dat NN sneller en adequaat is gaan reageren op brieven en verzoeken aan de zijde van [A] . Dit terwijl de medisch adviseur van NN in april 2016 reeds onderkende dat een lopende letselschadezaak niet positief zou werken op het herstel van [A] . Daar komt bij dat de medisch adviseur in zijn advies heeft vermeld dat sprake was van diverse zaken die niet ongevalsgerelateerd waren. Volgens hem leek er meer te spelen in de zin van een spanningsvolle thuissituatie en rugklachten van [A] die pre-existent zouden zijn. Gelet op de door de belangenhartiger van [A] afgegeven signalen dat het niet goed ging met [A] , acht de rechtbank het niet onbegrijpelijk dat [A] zich door dit medisch advies niet serieus genomen voelde. Mevrouw [D] heeft in haar reactie op de directieklacht van september 2018 ook erkend dat er niet adequaat en voortvarend is gereageerd op de berichten van [A] . Daarnaast zijn er diverse dossierbehandelaars van NN bij de afhandeling van de schade betrokken geweest, hetgeen de afhandeling van de zaak ook geen goed heeft gedaan. Dat dit veroorzaakt werd door een tekort aan personeel, zoals door NN aangevoerd, komt voor haar rekening en risico. Van deze gang van zaken kan NN een verwijt worden gemaakt.

5.4.

NN voert als verweer aan dat zij de kosten van de arbeidsdeskundige heeft betaald en dat [A] op haar kosten het multidisciplinair traject bij DBC heeft gevolgd, maar als onbetwist staat vast dat het initiatief voor het inschakelen van mevrouw Pelgröm van de belangenbehartiger van [A] is gekomen en dat deze - omdat voortvarendheid geboden was - de conceptopdracht aan mevrouw Pelgröm heeft gestuurd voordat NN daarmee had ingestemd.

Bovendien heeft NN geen enkele financiële bijdrage geleverd aan de HBO-opleiding waarmee [A] in overleg met de arbeidsdeskundige is gestart. Ook hierin heeft NN dus niet gehandeld zoals van haar verwacht mocht worden, hetgeen haar verweten kan worden.

5.5.

Daarnaast heeft NN in 2018 de noodzaak van de uit te voeren psychiatrische expertise ter discussie gesteld en aangegeven dat het op 12 oktober 2017 afgesproken traject heroverwogen moest worden. Naar aanleiding van de door [A] ingediende directieklacht heeft mevrouw [D] op 4 oktober 2018 aangegeven dat deze op 12 oktober 2017 gemaakte afspraak diende te worden nagekomen en dat daaraan niet viel te tornen. Desondanks heeft NN op 11 oktober 2018 nogmaals de vraag opgeworpen of een medische expertise zinvol was. Pas op 2 november 2018 ging NN uiteindelijk met het opstarten van de psychiatrische expertise akkoord. Deze vertraging door de voorgenomen heroverweging terwijl partijen een jaar eerder reeds concrete afspraken hadden gemaakt, kan NN worden verweten.

5.6.

Tot het moment van de zitting verkeerde de zaak in een impasse. [A] heeft zich daarom genoodzaakt gezien om, naast het onderhavige verzoek, een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht in te dienen. In mei 2020 heeft mr. Baggerman reeds voorgesteld meerdere deskundigen te benoemen, maar ook daarover hadden partijen tot de indiening van voormeld verzoekschrift geen overeenstemming bereikt. Ook op dat punt heeft NN dus niet voortvarend gehandeld. Daarentegen heeft zij de causaliteit tussen het ongeval en de rugklachten van [A] ter discussie gesteld. Deze discussie had kunnen worden ondervangen door het tijdig inschakelen van een deskundige. Ook in deze treft NN naar het oordeel van de rechtbank een verwijt.

5.7.

Dat de wijze van schadeafwikkeling grote impact op [A] heeft, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken. De rechtbank verwijst daartoe naar de verklaring van de psycholoog Altena, die onder meer heeft verklaard:

Van meet af aan is het onmiskenbaar duidelijk dat cliënte ten gevolge van de mishandeling lijdt onder een Posttraumatische Stressstoornis.

De wijze waarop de door haar kenbaar gemaakte klachten vanwege deze stressstoornis tegemoet werden getreden door Nationale Nederlanden maakt het voor cliënte uiterst moeilijk haar klachten te presenteren. De vragen die de Nationale Nederlanden over het gebeuren stelde veronderstelden de werking van andere factoren dan de mishandeling. Dit deed de verwerking van het trauma geen goed. Integendeel, zij geraakte in een toestand waarin zij zich moest verdedigen tegen de suggestieve vragen van de Nationale Nederlanden; haar positie werd gekenmerkt door machteloosheid in relatie tot de mishandeling en in relatie tot de Nationale Nederlanden.

(…..)

De klachten veroorzaakt door toedoen van de letselschadezaak hebben het karakter van een in permanente staat van beschuldiging gesteld worden.

(…..)

Door toedoen van de letselschadezaak heeft zich een Sociale Fobie ontwikkeld bij cliënte. Dit is een in psychiatrie erkend ziektebeeld.

5.8.

Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de toestand van [A] genoegzaam blijkt uit het feit dat zij tijdens de mondelinge behandeling van het deelgeschil de zaal wenste te verlaten zodra Nationale Nederlanden aan het woord kwam, omdat zij vreesde voor paniekaanvallen. Wanneer ze zelf het woord nam, was ze hevig geëmotioneerd en in tranen. Ze heeft daarbij toegelicht hoe haar leven er op dit moment uitziet: ze durft nauwelijks naar buiten, ze is angstig en ze heeft paniekaanvallen en ze heeft weinig sociale contacten meer. Haar leven is, aldus [A] , volledig verwoest. Ze zou graag willen dat NN begrip heeft voor haar situatie zonder het te bagatelliseren. Ze zoekt erkenning, waardering en begrip, maar ontvangt dat niet van NN. NN werkt haar volgens [A] alleen maar tegen en ze heeft dan ook geen vertrouwen meer in NN.

5.9.

In het nadeel van [A] zou mee kunnen wegen dat zij diverse malen is gewisseld van belangenbehartiger, maar dat dit tot vertraging heeft geleid, is niet gebleken. Dat het verstrekken van medische gegevens aan NN pas na verloop van tijd is geschied, kan [A] mogelijk worden tegengeworpen, maar daar staat tegenover dat niet is gebleken dat van de zijde van NN meermalen tevergeefs is aangedrongen op het verstrekken van deze gegevens. In ieder geval weegt dit niet op tegen het verwijtbare handelen van NN.

5.10.

De rechtbank zal [A] dan ook een (voorschot op een) vergoeding toekennen. Gelet op alle omstandigheden van het geval zal de rechtbank deze naar redelijkheid en billijkheid begroten op € 5.000,00. De rechtbank overweegt daarbij dat in vergelijking met het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden sprake is van een minder langslepende afhandeling. Daarnaast heeft [A] weliswaar meermalen om voorschotten verzocht, maar dat laat onverlet dat het eerste voorschot reeds is betaald voordat de aansprakelijkheid was erkend, terwijl ook op latere momenten voorschotten zijn voldaan. Evenals in de zaak die speelde bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft NN, in de persoon van de heer [C] , aangestuurd op een andere koers.

5.11.

De kosten van het deelgeschil heeft [A] begroot op 26 uur van € 260,00 per uur vermeerderd met 21% btw en het griffierecht van € 85,00, zijnde in totaal € 8.264,60. Zij heeft dit ter zitting nader toegelicht, waarbij zij een specificatie van de uren heeft overgelegd (en waarbij is aangegeven dat het aantal uren zelfs 36 bedraagt). NN heeft als verweer aangevoerd dat zij het aantal in rekening gebrachte uren bovenmatig acht. De rechtbank is van oordeel dat NN hiermee de hoogte van de gevorderde proceskosten onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De kosten van het deelgeschil zullen dan ook worden begroot op het door [A] genoemde bedrag van € 8.264,60.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

bepaalt dat er sprake is van secundaire victimisatie in verband met onrechtmatige schadeafwikkeling door Nationale Nederlanden waarvoor SDBO aansprakelijk is;

6.2.

bepaalt dat [A] aanspraak kan maken op schadevergoeding in verband met deze onrechtmatige schadeafwikkeling;

6.3.

bepaalt dat SDBO/NN uit hoofde van deze onrechtmatige schadeafwikkeling een voorschot van € 5.000,00 aan [A] dient over te maken binnen 10 dagen na heden,

6.4.

bepaalt dat op grond van artikel 1019aa Rv de kosten van deze procedure worden begroot op € 8.264,00 en dat SDBO/NN dit bedrag binnen 10 dagen na heden dient te vergoeden door overmaking van dit bedrag aan de advocaat van [A] .

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2022.1

1C: 110