Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2022:1110

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-03-2022
Datum publicatie
22-04-2022
Zaaknummer
9624917 AR VERZ 22-2
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

geen ontbinding op e-grond/g-grond/i-grond vanwege schending alcohol/drugsbeleid en/of anti-intimidatiebeleid en/of Covid-beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0451
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer.: 9624917 AR VERZ 22-2

Beschikking van de kantonrechter van 9 maart 2022

in de zaak van:

[A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. R.A.J. Nieuwmans,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. S.O. Voogt.

Partijen zullen hierna [A] en [B] worden genoemd

1 De procedure

1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 10 januari 2022;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 januari 2022;

  • -

    de nagekomen producties 28 tot en met 39 aan de zijde van [A] ;

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 7 februari 2022;

  • -

    de pleitaantekeningen van beide partijen.

2 De feiten

2.1.

[B] , geboren op [geboorteplaats] , is sinds 1 februari 2013 in dienst bij [A] . De functie van [B] is thans Engineer 1 Tug, aan boord van sleepboot [sleepboot X] (hierna ook: het schip), met een salaris van laatstelijk € 5.885,00 bruto per maand inclusief vakantiebijslag, exclusief overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de [A] Offshore cao (hierna: de cao) en de Personeelsgids [A] (hierna: de personeelsgids).

2.2.

[A] behoort tot [C] Groep (hierna: [C] ). Het hoofdkantoor van [C] is gevestigd in [vestigingsplaats] . Van daaruit worden diensten zoals engineering, planning, logistiek, project management, uitvoering van projecten en HR ondersteuning geleverd. [C] is een internationaal georiënteerd bedrijf gespecialiseerd in het transporteren, installeren en verwijderen van offshore constructies in de olie- en gasindustrie. Voor de uitvoering van projecten wordt gebruik gemaakt van onder meer kraanschepen en sleepboten. [sleepboot X] is een van de sleepboten.

2.3.

[B] is als Engineer 1 Tug verantwoordelijk voor alle mechanische onderdelen van [sleepboot X] en coördineert en bewaakt de voortgang van het werk en de kwaliteit van de teamoutput. [B] is tevens aangesteld als mentor voor stagiaires aan boord. De leidinggevenden van [B] zijn de heren [D] (hierna: [D] ) en [E] (hierna: [E] ), beiden Chief Engineer.

2.4.

In artikel 8.10 van de personeelsgids wordt het volgende vermeld:

"artikel 8.10.1 Verbod Alcohol & Drugs

"Het is verboden zich onder invloed van Alcohol en/of Drugs aan boord te bevinden en/of enigerlei vorm van Alcohol en/of Drugs aan boord te brengen, in bezit te hebben, te houden, te nuttigen of anderszins voorhanden te hebben behoudens ingevolge uitdrukkelijk en vooraf toestemming van de Captain of door hem aangewezenen."

En voorts is in artikel 8.10.6 ten aanzien van de sancties het volgende bepaald:

"(…) De werkgever is bevoegd de werknemer die een voorschrift als bedoeld in artikel 9.9.1 (lees: 8.10.1) overtreedt, ontslag (al dan niet op staande voet) te geven. Of de werkgever daartoe zal overgaan is afhankelijk van de ernst van de overtreding en/of de frequentie waarmee deze zich heeft voorgedaan, alsmede van de overige omstandigheden van het geval.".

In artikel 8.10 van de personeelsgids wordt ook verwezen naar de van toepassing zijnde Werkinstructie WI 02.05.07, waarin het drugs en alcohol beleid van [C] als volgt is uitgewerkt (vertaald van het Engels in het Nederlands):

"3. (…)

[C] verbiedt zijn personeel en alle anderen op wie deze Werkinstructie van toepassing is, zoals gedefinieerd in paragraaf 1, het volgende:

A. Verboden middelen (alcohol en drugs) of apparatuur voor het vervaardigen van verboden middelen te gebruiken, er onder invloed van te zijn (zelfs bij aanvang van de werkzaamheden), te bezitten, te verkopen, te vervaardigen, te distribueren, te verbergen of te vervoeren op andere eigendommen van [C] , haar opdrachtgever of haar partners (schepen, kantoren, werven in eigendom of beheer).

(…)

Elke persoon op wie de bepalingen van deze werkinstructie van toepassing zijn, zal, afhankelijk van de omstandigheden en contractuele verplichtingen

  • -

    Verwijderd worden van taken die rechtstreeks van invloed zijn op de veiligheid van de werkzaamheden; of

  • -

    Van de werkplek verwijderd worden, hetgeen, naar goeddunken van de kapitein, verwijdering van het vaartuig kan inhouden.

(…)

Iedere overtreding van de bepalingen van deze werkinstructie met betrekking tot illegaal gebruik, bezit, distributie of verkoop van een Verboden Stof door een persoon die betrokken is bij de werkzaamheden van [C] zal leiden tot de onmiddellijke verwijdering van deze persoon van het werk.

7.2.4.

Ontslag

(…)

 Iedere overtreding van het bepaalde in artikel 3 sub A van deze Werkinstructie door een medewerker van [C] leidt tot ontslag op staande voet van die medewerker."

2.5.

Binnen [C] wordt gebruik gemaakt van een zogenaamde Management of Change (MOC) procedure. Deze procedure houdt in dat namens de kapitein(s) een schriftelijk verzoek wordt gedaan door de General Manager Operations van [C] , de heer [F] , aan de CEO en de Director Operations op het hoofdkantoor van [C] in [vestigingsplaats] . De CEO of de Director Operations dient het verzoek vervolgens te ondertekenen. De MOC procedure wordt gevolgd bij speciale evenementen, zoals bijvoorbeeld Kerst en Oud en Nieuw vieringen aan boord.

2.6.

[C] heeft een anti-harassment policy (hierna: anti-intimidatie beleid) waarin is opgenomen dat niet-naleving van het beleid reden voor disciplinaire maatregelen kan zijn. In het beleid is de volgende omschrijving van intimidatie gegeven (vertaald van het Engels in het Nederlands):

"Intimidatie is een vorm van discriminatie en heeft tot doel of gevolg dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast. Het creëert een intimiderende, vijandige, vernederende of kwetsende omgeving.

Intimidatie omvat elk ongepast en ongewenst gedrag dat, al dan niet opzettelijk, gevoelens van onbehagen, schaamte of ongemak bij de ontvanger veroorzaakt."

In het anti-intimidatie beleid worden onder meer de volgende voorbeelden genoemd:

"- U noemt herhaaldelijk iemand bij een vernederende bijnaam waardoor hij/zij zich vernederd voelt.

- U en een groep collega's pesten regelmatig een andere collega en maken onbeleefde gebaren naar hem."

2.7.

[C] hanteert een werkinstructie voor disciplinaire maatregelen in het geval van gedrag waarbij regels worden overtreden: de "Disciplinary Action WI.02.04.01". De correctieve acties die in de werkinstructie worden beschreven variëren van een mondelinge waarschuwing naar een schriftelijke waarschuwing, coaching, training en ontslag. Over ontslag is voorts het volgende bepaald:

"If the action by the individual was an intended, willful misconduct or where the individual puts himself or others at risk, immediate dismissal may follow. If not certain an independent investigation may be undertaken, meanwhile the person involved must be prevented to execute his job."

Tevens is in de werkinstructie bepaald dat bij schending van het drugs en alcohol beleid de sancties die zijn bepaald in werkinstructie WI.02.05.07 prevaleren boven die van de onderhavige werkinstructie.

2.8.

Sinds de zomer van 2021 ligt [sleepboot X] - vanwege de Corona-situatie - in Nederland en ligt het schip afwisselend afgemeerd in het Calandkanaal bij Rozenburg en het Merwedekanaal. In de periode van 1 september tot en met 12 november 2021 heeft het schip gedeeltelijk stand-by gelegen in de Merwehaven. Ook zijn in deze periode onderhouds- en andere werkzaamheden verricht. Tijdens voornoemde periode gold in het kader van het COVID-19 management beleid van [C] COVID niveau II. Omstreeks 13 november 2021 werd dit COVID niveau III.

2.9.

Bij e-mail van 29 oktober 2021 heeft de kapitein van [sleepboot X] , de heer [G] (hierna: [G] ) aan [C] bericht dat stagiair [H] (hierna: [H] ) met wie hij inmiddels diverse gesprekken had gevoerd het niet naar zijn zin had, zich op niet zijn plek voelde op [sleepboot X] en voor de Kerst van boord wilde. [G] schrijft verder:

"Ik moet opmerken dat het niet aan ons ligt, hij ambieert een plekje bij de HAL en dan is dit natuurlijk iets heel anders. Ik ben er wel van overtuigd dat iemand die de HAL ambieert en door plaatsgebrek dan akkoord gaat met een plek op een sleepboot, nooit op zijn plek zal zijn. Dat is m.i. altijd gedoemd te mislukken. Ik denk dan ook dat het geen zin heeft om te proberen hem binnenboord te houden. (…)".

2.10.

Op 9 november 2021 heeft 's ochtends een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen HR Business Partner van (het hoofkantoor van) [C] en [H] . In het door [C] naar aanleiding daarvan opgestelde verslag staat het volgende vermeld:

" [H] gaf aan dat het vanaf het begin voor hem lastig was om in de groep te komen.

  1. Gesprekken werden 'afgekapt' voor zijn gevoel, wanneer hij een gesprek wilde aanknopen.

  2. Op gegeven moment toen [sleepboot X] aan kade was aangemeerd (Caland Kanaal?). Werd er aan boord bier gedronken. [H] heeft dit afgewezen/gaf aan dat hij geen bier hoefde omdat hij voor zijn stage ook een Alcohol policy had getekend.

  3. Kleine pesterijtjes en opmerkingen hebben misschien bijgedragen dat [H] zich niet erg openstelde om opgenomen te worden in de groep a/b. ('Stagiairs halen normaalgesproken bier'/'Koffie inschenken behoort ook tot de taak van stagiairs'. 'O je drinkt geen bier? Je bent zeker een 'spion' voor kantoor [vestigingsplaats] ?).

  4. Captain [G] kwam aan boord. Was ook aanwezig toen [H] 's ouders [sleepboot X] bezochten en heeft ook met hen gesproken. Er waren toen afspraken gemaakt dat [H] samen met [G] zou werken om in de groep opgenomen te worden omdat [H] zich wat afzonderde/niet opgenomen voelde in de groep.

  5. [H] gaf aan zich ook te richten op opname in de groep. Echter bij werkzaamheden op de brug werd gezegd "We hebben jou niets te leren, ga anders maar naar de Engine Room.".

2.11.

Op 12 november 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [C] (in de personen van [I] , General Manager Legal & Insurance en [J] , Director Operations & Equipment) en [H] . In het naar aanleiding daarvan door [C] opgestelde gespreksverslag staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

"(…)

[H] is begonnen onder [K] . Situatie was redelijk goed, zeker met kapitein [K] . Echter toen men in het Calandkanaal lag kwam er ineens bier op tafel (alcoholhoudend, en niet zoals beweert door de kapiteins alcoholvrij). Bier wordt buiten geconsumeerd als het goed weer is of in de ECR-ruimte als men in Vlissingen ligt (bang om gezien te worden). (Post meeting notie: bier wordt door de mannen zelf gehaald of door AH gebracht).

[H] weigerde daaraan mee te doen en werd toen ineens spion van [vestigingsplaats] genoemd. Daarna nam het isolement toe, zeker toen kapitein [G] aan boord kwam. Een dictator volgens [H] die van niemand tegenspraak duldt (en wat ook niemand durft). Verhaal van zijn ouders aan boord werd nogmaals bevestigd. Ook [L] (kok) blijft hem maar kleineren en werd door niemand gecorrigeerd. [E] (Chief Engineer) gaf hem de meeste support.

(…)

Nederlanders gingen regelmatig naar het café Stadshaven brouwerij als men bij Accesworld in Merwehaven lagen.

[H] mocht de dag na zijn ouders waren geweest niet meer op de brug komen van [G] .

Toen duidelijk werd dat [H] voortijdig van boord af zou gaan, is hij door [B] (engineer 1) erop aangesproken dat hij niets over de alcohol mocht zeggen tegen iemand van [C] HQ.

(…)".

2.12.

Vervolgens heeft [C] Hoffmann Bedrijfsrecherche, afdeling Fraude & Integriteitsonderzoeken (hierna: Hoffmann) ingeschakeld om een onderzoek te doen (hierna: het onderzoek) omdat mogelijk sprake zou zijn van overtreding van het beleid van [C] op drie terreinen, te weten dat van Harassment, Alcohol & Drugs en COVID-19 Management.

2.13.

Op 24 november 2021 is een studieovereenkomst afgesloten tussen [C] en [B] voor de studie "Advanced Engineering Tools for Shipx". Als motivering achter de studieovereenkomst is door de leidinggevende vermeld: "High Potential Engineer".

2.14.

Eind november/ begin december 2021 heeft Hoffmann het door [C] gevraagde onderzoek verricht door de betrokken bemanningsleden van [sleepboot X] te horen op vrijwillige basis.

2.15.

Op 25 november 2021 heeft in dit verband een gesprek tussen Hoffmann en [H] plaatsgevonden. In het naar aanleiding daarvan door Hoffmann opgestelde en door [H] voor goedkeuring getekende gespreksverslag staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"(…) Toen werd er al tegen mij gezegd dat er geen foto's gemaakt mochten worden omdat het niet naar buiten mocht komen dat er werd gedronken. Wie dat zei? [B] zei dat op het moment dat ik mijn telefoon vasthad. Er werden grapjes gemaakt dat ik een spion van [C] was. Dat vond ik een beetje flauw.

(…)".

2.16.

Op 30 november 2021 heeft een gesprek tussen Hoffmann en [M] , stagiair op [sleepboot X] plaatsgevonden. In het naar aanleiding daarvan door Hoffmann opgestelde en door [M] voor goedkeuring getekende gespreksverslag staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"(…) Er is meermaals bij de koffie aan boord gesproken over dat we allemaal zouden moeten zeggen dat we 0.0 aan boord drinken. Er is aan mij gevraagd: 'Wat ga jij voor ons doen?'. Er werd ook tegen mij gezegd dat ik niets te verliezen heb, ja dan ga je wel nadenken. Wie dat tegen mij heeft gezegd? Dat is [B] geweest. Hij stelde mij dus de vraag wat ik voor hen ging doen. Het is nogal wat, helemaal doordat je zo intensief met elkaar samen werkt, woont en leeft. Dit zijn daarnaast ook de mensen die mijn stage moeten beoordelen en aftekenen. Het voelde niet alsof ik veel keuzevrijheid had (…)".

2.17.

Op 3 december 2021 heeft een gesprek tussen Hoffmann en de direct leidinggevende van [B] , [E] , plaatsgevonden. In het naar aanleiding daarvan door Hoffmann opgestelde en door [E] ter goedkeuring ondertekende gespreksverslag is - voor zover thans van belang - vermeld dat [H] niets meer zei tijdens de koffie, dat hij stil was en erg teleurgesteld was dat er niet gereisd kon worden. Verder merkte [E] op dat [H] veel met zijn telefoon bezig was en zich distantieerde van de groep en dat toen de kapitein [H] verzocht of hij zijn telefoon in de hut wilde leggen, de kapitein een grote mond van hem kreeg. Ten aanzien van het alcoholgebruik heeft [E] , voor zover thans van belang, verklaard dat het aanleggen bij de stadshaven brouwerij te Rotterdam een kat een worst voorhouden is, wat je een week of twee vol kunt houden, dat er geen werk was althans dat er niet voor een klant werd gewerkt, dat het alcoholgebruik zich alleen afspeelde in de periode dat de boot in de Merwede lag en dat met zijn allen is besloten om bier te gaan drinken waarbij sprake was van verantwoord en gecontroleerd drinken zonder excessen. [E] verklaarde verder dat men in die tijd nog de wal op mocht, dat eind november 2021 de COVID regels van [C] zijn aangescherpt en niemand vanaf dat moment meer de wal op mocht en dat er toestemming was van de kapiteins om te drinken terwijl in de personeelsgids ook is aangegeven dat je aan boord mag drinken met toestemming van de kapitein en voorts:

"(…) U zegt dat u heeft vernomen dat drank werd opgeslagen in een afgesloten ruimte en door de kapitein werd verdeeld. Het klopt dat, als er te veel was, dat er dan drank werd opgeslagen in de Store (…) Ja, in de ROV-store. De kapitein beheerde de sleutel en de drank. Het klopt dat er op 12 november 2021 drank is weggespoeld wat er op dat moment nog over was, zoals u vraagt. We hebben dat toen maar gedaan in afwachting van wat er komen gaat.

De drank uit de store mocht je pakken als je dat vroeg aan de kapiteins. Hij ging dan mee om het te pakken. Daarna kreeg je een tikkie of rekende je cash af met de kapiteins (…)"

2.18.

Op 6 december 2021 heeft een gesprek tussen Hoffmann en [B] plaatsgevonden. In het naar aanleiding daarvan door Hoffmann opgestelde en door [B] ter goedkeuring getekende gespreksverslag is - voor zover thans van belang - het volgende vermeld:

"(…)

Er werd alcohol genuttigd aan boord, dat klopt. Wij hebben best wel een lange tijd in lock down gezeten aan boord. Er mocht geen familie aan boord etc. Op een gegeven moment kwamen wij in Covid level 2 terecht. Wij lagen in de Merwehaven en het werd wat vrijer. Besloten werd om na het werk wel eens een biertje te doen. Wij lagen bij de brouwerij en zagen de mensen op terras zitten. Wij hadden natuurlijk 0.0 bier aan boord maar dat is anders dan het echte bier. Wij namen dan weleens één of twee biertjes op een avond. De kapitein gaf toestemming daarvoor maar wij weten dat het discutabel is. Ik heb 1 keer op het terras gezeten bij de brouwerij, zoals u vraagt. Nee, niet vaker. (…)

Wij hebben wel alcohol mee aan boord genomen, zoals u vraagt. Hoe het bier aan boord kwam? Er waren mensen die naar de supermarkt gingen en namen dan een aantal biertjes mee. Ook zijn een aantal keren flesjes bier bij de brouwerij gekocht. Er kwam bier aan boord en om de beurt werd ervoor betaald. Het bier werd ook centraal opgeslagen. Wie het bier beheerde? Het stond achter slot en grendel. Wie de sleutel had? De Kapitein had de sleutel. Het bier werd opgeslagen in de ROV-ruimte. Hoe ik het bier betaalde? Een tikkie of contant. Je betaalde als het in beheer was van de kapitein en een andere keer aan de persoon die het bier gekocht had. Het kwam niet op een euro aan.

Op welke momenten er bier werd gedronken? Na het werk en voor het eten. Nee, nooit na het eten. (…)

Hoe lang wij aan boord bier drinken? Ik denk sinds een half jaar ongeveer. Vanaf het moment dat wij zonder de strenge maatregelen in de Merwehaven lagen. Nee, ik heb zelf nooit bier gekocht. Zoals ik al vertelde heb ik wel tikkies betaald. Aan wie ik tikkies heb betaald? Aan [E] , [L] en [G] .

(…)

Nee, er is nu geen drank meer aan boord. Wij hebben het bier weggespoeld. Wanneer? Toen de kapitein op kantoor was geweest. Het was het niet waard en toen hebben wij het bier weggespoeld. Of er ook andere drank, dan bier, aan boord is gedronken? Niet dat ik weet.

Wij weten dat bier drinken aan boord discutabel was. Het drinken gebeurde onder toezicht van elkaar. U vraagt of het discutabel was of dat bier dronken gewoon niet mocht? Wij hebben officieel getekend voor de regels van alcoholgebruik. Maar met toestemming van de kapitein mag dit wel. Of de kapitein toestemming heeft gegeven? Hij stond erbij en dronk ook bier. Dus ik neem aan dat hij ermee akkoord ging. Ik mag drinken als de kapitein daar toestemming voor geeft Nee, hij heeft niet woordelijk gezegd dat ik bier mocht drinken maar omdat hij er bij stond en bier dronk ging ik ervan uit dat dit mocht. Ik denk ook dat de kapitein mij wel eens een biertje heeft aangereikt.

(…)

Waarom wij geen alcohol mogen drinken aan boord? Bang voor excessen denk ik. Klopt, ik heb daar ook een eigen verantwoordelijkheid in. (…)

Het was niet de bedoeling dat van het bier foto's werden gemaakt en op social media werden gepost. Ik denk dat ik dit ook heb uitgesproken. Wanneer dit was? Wij hebben het dan over maanden geleden. Ik heb gezegd geen foto's nemen en niet op social media plaatsen. Ik heb niet, zoals u vraagt, gezegd dat de stagiaires niet over het bier mochten vertellen op kantoor. dat heb ik niet.

Iemand vroeg aan [H] 'Waarom drink je niet?'. Ik heb toen gekscherend gezegd: 'Je bent toch geen spion van de klant?'. Dat zei ik gekscherend. Daar is [H] later nog op teruggekomen dat hij die uitspraak heel vervelend vond. Ik heb toen nog mijn excuses daarvoor aangeboden. Ik heb later van de kapitein nog gehoord dat hij meerdere keren heeft gezegd dat hij mijn uitspraak vervelend vond.

(…)

U noemt mij dat ik tegen [M] zou hebben gezegd: 'Wat ga jij voor ons doen?', waardoor de heer [M] zich onder druk voelde gezet. Dat heb ik niet gezegd. Ik herken mij daar helemaal niet in. Wij zijn de tafel rondgegaan of iedereen ermee akkoord was. Waarmee? Dat wij zouden verklaren dat het 0.0 bier was en geen alcoholhoudend bier.(….)".

2.19.

Eveneens op 6 december 2021 heeft Hoffmann een gesprek gevoerd met [D] . In het naar aanleiding daarvan door Hoffmann opgestelde en door [D] voor akkoord getekende gespreksverslag staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"(…) U vraagt mij of ik bekend ben met de geldende gedragsregels en geldende Covid regels van [C] . Ja, dat ben ik. (…) Sinds 11 of 16 november 2021 zijn regels veranderd en mogen wij niet meer van boord.

(…)

Hoe vaak wij bier dronken? Alleen als wij aan de kade lagen. Als er 7 dagen in de week zitten, dronken wij 6 dagen een biertje. Wij dronken alleen voor het eten. Het waren dan 1 of 2 biertjes. Meer niet. Nee, wij dronken geen bier na het eten. (…)".

2.20.

Tevens heeft Hoffmann op 6 december 2021 met [G] gesproken. In het naar aanleiding daarvan door Hoffmann opgestelde en door [G] voor goedkeuring getekende verslag staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

" (…) U vraagt of het was toegestaan om een biertje te drinken aan wal. We zaten op level 2 van de Covidregels. Er stond niet in dat je niet van boord mocht. Dat was bij level 3 wel als regel opgenomen. Ik weet niet wie er verantwoordelijk is voor het aanpassen van Covid level 3 naar level 2. We hoefden van tevoren niet in quarantaine, zoals u vraagt We waren volledig te goeder trouw. Ik wist niet beter dan dat we van boord mochten. (…)

Ik wil het wel even benadrukken, het was na werktijd en voor het eten. Het was sociaal drankgebruik. (…)".

2.21.

Op 7 december heeft Hoffmann een gesprek gevoerd met de heer [K] , kapitein op [sleepboot X] (hierna: [K] ). In het naar aanleiding daarvan door Hoffmann opgestelde en door [K] voor goedkeuring getekende verslag staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"(…) Om de dag dronken we zo'n 2 biertjes per persoon per avond voor het eten. (…) Je haalt een paar doosjes bier op, maar het waren geen excessen. Iedereen is gewoon bij het eten om 18.30 en na de biertjes voor het eten is het ook gewoon klaar en gaat iedereen zijn eigen ding doen.

(...)

We zaten toen in COVID II, dan mocht je gewoon de wal op. (…)".

2.22.

Op 13 december 2021 heeft [C] aan [B] meegedeeld de arbeidsovereenkomst met hem te willen beëindigen naar aanleiding van het onderzoek door Hoffmann en hem met onmiddellijke ingang vrij te stellen van werk. Bij brief met dezelfde datum heeft [C] het voorgaande bevestigd en aangekondigd dat een beëindigingsovereenkomst zonder vergoeding aan [B] zou worden gestuurd en dat, indien [B] daaraan niet mee wilde werken, een ontbindingsverzoek, primair op grond van ernstig verwijtbaar handelen zou worden ingediend.

2.23.

Bij brief van 23 december 2021 heeft de gemachtigde van [B] - samengevat - afwijzend gereageerd op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de in het kader daarvan door [C] aangeboden vaststellingsovereenkomst.

2.24.

[C] heeft behalve jegens [B] ook een ontbindingsprocedure jegens een collega van [B] en twee kapiteins aangespannen. Negen bemanningsleden hebben een schriftelijke waarschuwing gekregen naar aanleiding van de bevindingen in het onderzoek van Hoffmann omtrent het alcoholgebruik.

2.25.

Bij brief van 16 januari 2022 heeft [E] het volgende, voor zover thans van belang, verklaard omtrent de arbeidsrelatie tussen hem als leidinggevende aan boord en [B] :

"(…) [B] naar behoren functioneert, zijn vakkennis zeer breed is en hij van grote waarde is voor [C] , door veel werk uit te voeren waar normaliter onderaannemers voor ingehuurd dienen te worden.

[B] is ook aangewezen als zijnde mentor voor stagiaires en kan als geen ander stagiaires de kneepjes van het machinist worden uitleggen. [B] heeft nog menig contact met oud stagiaires die hun school hebben afgerond en alreeds aan het werk zijn, al dan niet bij [C] .

(…)

Van een verstoorde arbeidsrelatie tussen mij en [B] is absoluut geen sprake. De werksfeer is altijd goed geweest en ik hoop hem spoedig weer aan boord te verwelkomen.".

2.26.

Bij brief van 14 januari 2022 heeft [D] - samengevat - verklaard dat hij geen enkele verstoring van de arbeidsrelatie met [B] ervaart, het niet eens is met de beschuldigingen aan het adres van [B] maar denkt dat deze voortkomen uit een verkeerde interpretatie door de stagiair en dat het ten goede van het bedrijf van [C] zou zijn om [B] zijn werkzaamheden voor [C] te laten voortzetten.

3 Het verzoek

3.1.

[A] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [B] te ontbinden op grond van - kort gezegd - ernstig verwijtbaar handelen (de e-grond) of een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). Als ontbinding op één van voormelde gronden niet wordt toegewezen, wordt verzocht om ontbinding op grond van een combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer gronden (de i-grond), die zodanig is dat van [A] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarnaast verzoekt [A] om te bepalen dat [B] wegens ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten geen recht heeft op een transitievergoeding, en om bij het bepalen van de einddatum primair geen rekening te houden met de opzegtermijn maar om per direct te ontbinden en subsidiair bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de proceduretijd. Tevens verzoekt [A] [B] te veroordelen in ¼ van de kosten van het onderzoek door Hoffmann, zijnde € 5.460,00 en in de proceskosten waaronder de werkelijk gemaakte juridische kosten van [A] van € 2.571,06 en voornoemde twee posten te vermeerderen met de wettelijke rente en eventuele executoriale kosten.

3.2.

[A] heeft daarbij - samengevat - het volgende naar voren gebracht. [B] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld en nagelaten doordat hij:

  1. een onveilige werksituatie voor een stagiair heeft laten ontstaan;

  2. ongewenste druk op een stagiair heeft uitgeoefend;

  3. structureel alcohol in strijd met de regels aan boord heeft genuttigd, gekocht en aan boord gebracht, dus heeft gestimuleerd;

  4. samen met bemanningsleden alcohol heeft genuttigd aan wal in strijd met de COVID-19 regels en de geest hiervan;

  5. het bewijs van alcohol aan boord heeft verdoezeld.

[A] onderbouwt haar stellingen met het onderzoek van Hoffmann en de in dat verband afgelegde verklaringen. Tevens stelt [A] zich op het standpunt dat sprake is van een ernstig en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding door de wijze waarop [B] zich heeft gedragen. Dit gedrag is onprofessioneel en oncollegiaal en in strijd met goed werknemerschap. [B] ziet ook niet in dat hij ernstig heeft verzaakt en van [A] kan redelijkerwijs niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, aldus [A] . Er is volgens [A] een volkomen onhoudbare situatie ontstaan, zodat de arbeidsovereenkomst in ieder geval op basis van de samengevoegde feiten en omstandigheden zou moeten worden ontbonden. De enige reden dat [A] geen ontslag op staande voet heeft gegeven is dat zij twijfelde of wel aan het onverwijldheidscriterium daarvan was voldaan, aldus [A] .

4 Het verweer

4.1.

[B] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Daartoe heeft hij - samengevat - het volgende aangevoerd.

4.2.

Er is geen sprake geweest van verwijtbaar handelen of nalaten van [B] zodanig dat van [A] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Zeker niet in het geval van [B] die altijd goed gefunctioneerd heeft en is aangemerkt als "high potential" en om die reden is uitgekozen op kosten van de werkgever een studie te volgen. De verwijten die [A] [B] maakt zijn onterecht, hetgeen onderbouwd wordt door onder meer schriftelijke verklaringen van vijf collega's, namelijk van zijn twee direct leidinggevenden ( [E] en [D] ) en de collega's [namen drie collega's] , alsmede door verklaringen van drie stagiaires die eerder op [sleepboot X] stage hebben gelopen: [namen drie stagiaires] . De verklaringen laten zien hoe groot de verontwaardiging is onder de bemanningsleden over de voorgenomen ontslagmaatregelen. Uit de bij Hoffmann afgelegde verklaringen blijkt met betrekking tot het alcoholgebruik dat er sprake was van matig alcoholgebruik dat de hele bemanning betrof en plaatsvond met goedkeuring, medeweten en actieve deelname van de twee kapiteins, terwijl de rol van [B] beperkt was en alcoholgebruik ook op de andere schepen plaatsvond zonder dat sancties werden toegepast. Met betrekking tot de stagiair [H] blijkt uit de verklaringen dat hij problemen had met de gehele bemanning, dat het probleem voornamelijk bij hemzelf lag, dat andere stagiaires het altijd prima naar hun zin hadden op [sleepboot X] en dat de rol van [B] ook hierin beperkt was. Een ontslag op de e-grond volgt bovendien niet uit het sanctiebeleid van [A] zoals dat in de regelgeving is vastgelegd. Van een duurzaam, structureel en onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding is geen sprake. Voor zover er al sprake is van een verstoring betreft deze alleen de relatie met het hoofdkantoor, waar [B] in de praktijk niets mee te maken heeft. De gestelde problemen zijn ongegrond en er is geen enkele moeite gedaan om de gestelde verstoorde verhoudingen te herstellen. Ook de i-grond is volgens [B] onterecht aangevoerd door [A] , nu er geen sprake is van het bijna geheel voldragen zijn van één van de andere gronden en de i-grond bovendien niet apart en overtuigend is onderbouwd door [A] . De verschuldigdheid van de kosten van Hoffmann en de advocaat van [A] wordt betwist.

4.3.

Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [B] om toekenning van de transitievergoeding van € 25.030,89, dan wel in geval van ontbinding op de i-grond een vergoeding van € 37.546,33, alsmede een billijke vergoeding van € 400.000,00 dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag. Tevens verzoekt [B] in dat geval om rekening te houden met de opzegtermijn van twee maanden en om [A] te veroordelen in de proceskosten, waaronder een vergoeding voor de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand ad € 7.531,30.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In artikel 7:669 lid 3 BW is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW).

5.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen redelijke grond voor ontbinding.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

Ernstig verwijtbaar handelen

5.4.

Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd en uit de in het geding gebrachte verklaringen in het kader van het onderzoek door Hoffmann kan naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam worden afgeleid dat er door de (voltallige Nederlandse) bemanning van [sleepboot X] één, maximaal twee biertjes gedronken werd na werktijd en vóór het eten, terwijl er op dat moment vanwege de COVID crisis niet voor een klant werd gewerkt en de boot aangemeerd lag in de haven in Rotterdam, hetgeen als zodanig ook niet is weersproken door [A] . Voorts stelt de kantonrechter op basis van de diverse verklaringen vast dat het alcoholgebruik plaatsvond met toestemming, medeweten en actieve deelname van de kapitein(s) van [sleepboot X] . Partijen twisten over de vraag of op andere schepen ook alcohol werd gedronken zonder dat dit gesanctioneerd werd door [A] . Wat daar ook van zij, [A] - die stelt een zero-tolerance beleid voor alcohol en drugs te voeren - heeft in ieder geval in voormelde omstandigheden op [sleepboot X] kennelijk geen aanleiding gezien om een ontslagprocedure jegens alle betrokken bemanningsleden van [sleepboot X] aan te spannen. Immers, vast staat dat negen bemanningsleden van [sleepboot X] enkel een schriftelijke waarschuwing hebben gekregen en - zoals [A] ter zitting heeft verklaard - gekort zijn op hun bonus.

5.5.

Dat de rol van [B] bij het alcoholgebruik prominent is geweest, althans groter was dan die van de andere bemanningsleden is niet voldoende gesteld of anderszins gebleken. De enkele - door [B] betwiste - niet onderbouwde stelling van [A] dat [B] het bier zou hebben gekocht en aan boord zou hebben gebracht, vindt geen steun in de overgelegde verklaringen. Voorts heeft [B] tegenover Hoffmann verklaard dat hij maar eenmaal op het terras van de bierbrouwerij aan de Merwehaven te Rotterdam heeft gezeten. Dat dit vaker dan eenmaal is gebeurd is niet gesteld of gebleken, nu dat in geen van de verklaringen naar voren komt. De conclusie dat [B] - evenals overigens de andere bemanningsleden - met voornoemde handelwijze in strijd met het COVID beleid van [A] heeft gehandeld, acht de kantonrechter niet gerechtvaardigd. Vast staat dat COVID niveau II gold op het moment van het terrasbezoek. Niet gesteld of gebleken is dat hierin - anders dan bij niveau III - een expliciet verbod om aan wal c.q. naar een terras te gaan is opgenomen. De enkele stelling van [A] dat een dergelijk verbod zou volgen uit de geest van het COVID beleid wordt niet gehonoreerd. Uit de in het geding gebrachte verklaringen blijkt dat de algehele gedachte onder de bemanning was dat het, gelet op het COVID niveau II, toegestaan was om van boord te gaan en een terras te bezoeken, hetgeen niet onbegrijpelijk wordt geacht, gelet op het onderscheid tussen niveau II en niveau III. Voor zover dit anders was had het op de weg van [A] als werkgever gelegen het verbod kenbaar en duidelijk te maken onder haar personeel, hetgeen zij heeft nagelaten. Het extra verwijt dat [B] ten aanzien van het alcoholgebruik door [A] wordt gemaakt inhoudende dat hij de alcohol heeft weggespoeld en daarmee bewijs heeft verdoezeld wordt niet doorslaggevend geacht. Daarbij is van belang dat niet gesteld of gebleken was dat dit op initiatief van (enkel) [B] gebeurde en dat hij de enige was die het bier wegspoelde. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de kwestie rond het alcoholgebruik alleen geen grond kan vormen voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [B] . Niet omdat het zero-tolerance beleid van [A] ter zake drugs en alcohol niet gerespecteerd dient te worden, maar vanwege de toepassing van dit beleid in de gegeven omstandigheden. Immers, er zou sprake zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel door [A] als zij [B] , die in dit opzicht geen prominentere rol heeft gespeeld en een vergelijkbare positie inneemt ten opzichte van de andere negen bemanningsleden, zou ontslaan terwijl de anderen voor dezelfde overtreding een schriftelijke waarschuwing en een korting op hun bonus krijgen. De enkele stelling van [A] dat er bij het bepalen van de gevolgen voor de diverse bemanningsleden van [sleepboot X] rekening is gehouden met de mate van groepsdruk kan haar zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet baten en maakt het voorgaande dan ook niet anders.

5.6.

[A] heeft gesteld dat de gevolgen voor [B] als mentor van stagiaires desalniettemin ernstiger dienen te zijn dan die voor de andere negen bemanningsleden, nu [B] - naast de alcoholkwestie - ook nog het intimidatie-beleid heeft geschonden, een onveilige werksituatie voor een stagiair heeft gecreëerd en ongewenste druk op twee stagiaires, te weten [H] en [M] heeft uitgeoefend.

5.7.

[A] heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat [B] [H] spion van de klant (of zelfs van Heerema) heeft genoemd en tegen [H] heeft gezegd dat hij geen foto's mocht nemen van het drankgebruik, hetgeen door [B] niet is weersproken. Uit de diverse verklaringen volgt dat [B] inderdaad een keer gevraagd heeft of [H] soms een spion van de klant was of wellicht - zoals [H] heeft verklaard en [B] heeft betwist - een spion van [C] was. Wat er ook zij van de exacte bewoordingen van [B] , op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd is voldoende aannemelijk dat voormelde opmerking enkel als grap was bedoeld, die kennelijk verkeerd viel bij [H] en door hem werd betiteld als 'een beetje flauw' en waarvoor [B] kort daarna zijn excuses heeft aangeboden. Daarmee is voormelde opmerking van [B] onvoldoende om te spreken van intimidatie of het creëren van een onveilige werksituatie. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiermee eerder sprake van een incident. Datzelfde geldt voor de enkele opmerking van [B] dat [H] - die op dat moment een telefoon in zijn handen had - geen foto's mocht nemen en op social media mocht plaatsen van het drankgebruik aan boord. Ook deze enkele opmerking is onvoldoende om vast te stellen dat er sprake is van intimidatie door [B] .

5.8.

Voorts heeft [A] ter onderbouwing van haar stelling aangevoerd dat [B] tegen [H] en [M] heeft gezegd dat ze niet aan het hoofdkantoor mochten vertellen dat er was gedronken, waarbij [M] van [B] moest liegen over het alcoholgebruik en door [B] onder druk werd gezet doordat hij hem vroeg wat hij voor de bemanning zou doen. [B] heeft deze stellingen betwist. Nu [B] betwist dat hij dergelijke uitlatingen c.q. dergelijk gedrag heeft vertoond en onder andere collega [naam collega] en stagiaires [namen stagiaires] hebben verklaard dat er op [sleepboot X] geen enkele druk op de stagiaires werd uitgeoefend, zijn de enkele verklaringen van [H] en [M] onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de gang van zaken is geweest zoals [A] stelt. En zelfs als [B] inderdaad de beweerdelijke uitlatingen heeft gedaan, dan is dat gedrag naar het oordeel van de kantonrechter laakbaar maar onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [B] heeft gehandeld in strijd met het intimidatie-beleid en een onveilige werksituatie voor stagiaires heeft gecreëerd.

5.9.

Voor zover [A] heeft bedoeld dat de reden dat [H] [sleepboot X] voortijdig heeft verlaten te wijten is aan [B] , wordt die stelling door de kantonrechter niet gehonoreerd. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht blijkt dat [H] zich bepaald niet prettig voelde aan boord van [sleepboot X] . Dat [B] vanwege zijn rol als mentor en de wijze waarop hij zich heeft gedragen tegenover [H] hiervoor verantwoordelijk moet worden gehouden, acht de kantonrechter echter niet gerechtvaardigd. Daartoe wordt van belang geacht het gemotiveerde verweer van [B] , inhoudende dat [H] problemen had met de hele bemanning en dat andere stagiaires het prima naar hun zin hadden op [sleepboot X] , hetgeen steun vindt in de in het geding gebrachte verklaringen van onder meer [H] zelf, [G] , [M] , [D] , [K] , [E] en [naam een van de stagiaires] . Bovendien komt uit de diverse verklaringen naar boven dat niet alleen [B] , maar de voltallige bemanning zich bezig houdt en verantwoordelijk voelt voor de begeleiding van stagiaires, hetgeen [B] ter zitting ook nog heeft toegelicht. Dat [B] [H] niet in bescherming heeft genomen terwijl hij dat als mentor wel had moeten doen - zoals [A] heeft gesteld - maakt, wat daar ook van zij, evenmin dat [B] verantwoordelijk moet worden gehouden voor het voortijdig verlaten van [sleepboot X] door [H] .

5.10.

Al met al is onvoldoende gebleken van schending van het intimidatie-beleid, het onder druk zetten van stagiaires en het creëren van een onveilige werksituatie voor stagiaires door [B] dan wel ander gedrag waarmee hij verwijtbaar heeft gehandeld. Weliswaar kan uit de verklaringen aan Hoffmann worden afgeleid dat aanvankelijk onder de bemanning is afgesproken dat men zou verklaren dat er enkel 0.0 bier werd genuttigd en dat [B] deze afspraak ook heeft onderschreven, maar dat [B] de stagiaires onder druk zou hebben gezet en zijn machtspositie zou hebben misbruikt om dat te verklaren is evenwel onvoldoende gesteld of gebleken.

5.11.

De slotsom is dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld, op grond waarvan sprake is van verwijtbaar handelen door [B] zodanig dat van [A] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De verzochte ontbinding op de e-grond wordt dan ook afgewezen.

Verstoorde arbeidsverhouding

5.12.

Dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding acht de kantonrechter evenmin aangetoond door [A] . Daartoe wordt van belang geacht het gemotiveerde verweer van [B] dat de gestelde verstoring enkel een verstoring met het hoofdkantoor in [vestigingsplaats] betreft, die er geenszins aan in de weg staat dat [B] zijn werkzaamheden op de boot verricht, hetgeen [A] niet (voldoende) heeft weersproken. [B] heeft onweersproken aangevoerd dat hij als bemanningslid van één van de schepen van [A] in de praktijk niets te maken heeft met het hoofdkantoor in [vestigingsplaats] , maar uitsluitend met de kapiteins op de boot en de bemanningsleden. Dat de verhouding met de bemanningsleden op [sleepboot X] verstoord zou zijn is niet voldoende gesteld of gebleken. Daartoe wordt onder meer van belang geacht het gemotiveerde verweer van [B] inhoudende hetgeen de direct leidinggevenden van [B] , [E] en [D] , hebben verklaard over de samenwerking met [B] en de verklaringen van de drie andere bemanningsleden daaromtrent. Dat - zoals [A] heeft aangevoerd - geen verklaringen van de overige acht bemanningsleden in het geding zijn gebracht doet hier niet aan af. Daarbij komt dat er geen enkele poging is ondernomen door [A] om de door haar gestelde verstoring op te lossen, bijvoorbeeld in de vorm van mediation. Het tegendeel is het geval. Zoals [B] ook heeft aangevoerd is het hoofdkantoor van [C] nimmer het gesprek met [B] aangegaan maar heeft hem onaangekondigd geconfronteerd met het onderzoek door Hoffmann, waarna hem direct een vaststellingsovereenkomst zonder vergoeding en zonder opzegtermijn werd aangeboden door [A] en vervolgens het verzoekschrift werd ingediend. De verzochte ontbinding op de g-grond wordt dan ook afgewezen.

i-grond

5.13.

Nu beide gronden naar het oordeel van de kantonrechter verre van vervuld zijn en [A] voor het overige niets naar voren heeft gebracht, is er geen aanleiding voor een toewijzing van de verzochte ontbinding op de i-grond.

5.14.

De conclusie is dat de de kantonrechter het verzoek van [A] zal afwijzen en de arbeidsovereenkomst dus niet zal ontbinden. Aan een beoordeling van de door [B] verzochte vergoedingen komt de kantonrechter niet toe, nu die zijn ingesteld voor het geval de ontbinding wordt uitgesproken.

5.15.

De verzochte door [B] te betalen vergoeding van de onderzoekskosten van Hoffmann ligt, gelet op het voorgaande, eveneens voor afwijzing gereed.

5.16.

De proceskosten komen voor rekening van [A] , omdat [A] in het ongelijk is gesteld. [B] heeft verzocht om een vergoeding voor de daadwerkelijk door de gemachtigde van [B] gemaakte kosten van € 7.531,30. Veroordeling in de werkelijke proceskosten is volgens vaste jurisprudentie alleen mogelijk in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een partij haar vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het voeren van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.

5.17.

De kantonrechter is van oordeel dat de door [B] aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn voor een veroordeling tot betaling van de werkelijke proceskosten. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat [A] op voorhand moest begrijpen dat haar vordering geen kans van slagen had. Dat [A] verzuimd heeft met [B] in gesprek te gaan en haar ontslagmaatregelen heeft voortgezet in weerwil van de brief van de gemachtigde van [B] van 23 december 2021 betekent immers niet dat zij daardoor in had moeten zien dat haar vordering kansloos was, nu het al dan niet gerechtvaardigd zijn van het ontslag van [B] juist het onderwerp van geschil is tussen partijen. De keuze van [A] voor de kantonrechter in Leeuwarden is wellicht inefficiënt maar maakt niet dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door [A] . Dat [A] [B] ten onrechte in rechte heeft betrokken, zoals [B] heeft betoogd, is aldus onvoldoende gebleken.

5.18.

Gelet op het voorgaande is voor een verplichting tot het vergoeden van de volledige proceskosten van [B] geen plaats. Dit betekent dat er geen aanleiding is om af te wijken van het geldende liquidatietarief. Het salaris van de gemachtigde van [B] zal worden vastgesteld op € 747,00.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de verzochte ontbinding af;

6.2.

veroordeelt [A] tot betaling van de proceskosten aan [B] , die de kantonrechter aan de kant van [B] tot en met vandaag vaststelt op € 747,00;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2022.

c: 426.