Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:995

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
C/18/204163 / FA RK 21-463
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging. Taak GI wanneer hulpverlening niet meer wordt gericht op hereniging van kinderen met moeder. Samenhang tussen de tijdelijke kinderbeschermingsmaatregelen van OTS en MUHP en gezagsbeëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/204163 / FA RK 21-463

datum uitspraak: 25 maart 2021

beschikking over de beëindiging van het ouderlijk gezag in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord-Nederland, locatie Groningen,

die hierna ''de Raad'' wordt genoemd,

die betrekking heeft op

[minderjarige 1] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2004 te [geboorteplaats] ,

en die hierna " [minderjarige 1] " wordt genoemd,

en

[minderjarige 2] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2012 te [geboorteplaats] ,

en die hierna '' [minderjarige 2] " wordt genoemd.

Als belanghebbenden worden aangewezen:

[de moeder] ,

die woont in [woonplaats] ,

en die hierna "de moeder" wordt genoemd,

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen,

die gevestigd is in Groningen,

en die hierna "de GI" wordt genoemd.

Als informant wordt aangewezen:

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

die is gevestigd in Leeuwarden,

en die hierna “het Regiecentrum” wordt genoemd.

Het procesverloop

Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 17 februari 2021. Daarin verzoekt de Raad om het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen en het Regiecentrum tot voogd over hen te benoemen.

Op 25 maart 2021 is dat verzoek mondeling behandeld. De rechter heeft toen gesproken met [naam 1] , die de Raad vertegenwoordigt, [naam 2] en [naam 3] , die de GI vertegenwoordigen en [naam 4] , die het Regiecentrum vertegenwoordigt.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige 1] gesproken.

Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.

De feiten

De rechter kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren uit een relatie tussen hun ouders. Hun vader, [naam vader] , heeft beide kinderen erkend. De ouders hebben echter niet geregeld dat zij samen het gezag over hun kinderen uitoefenen.

Bij beschikking van 18 juni 2020 zijn beide kinderen onder toezicht gesteld van de GI en is aan de GI een machtiging tot hun uithuisplaatsing verleend. Beide maatregelen zijn gegeven tot 12 juli 2021.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] woonden samen met hun inmiddels meerderjarige broer [naam 5] , bij de moeder totdat zij uit huis werden geplaatst.

De moeder kampt met psychiatrische en verslavingsproblematiek. Zij is bij de hulpverlening bekend met een psychotisch toestandsbeeld. Zij is in het afgelopen jaar meerdere malen (gedwongen) opgenomen in een psychiatrische kliniek en haar problematiek bracht met zich dat zij niet meer in staat werd geacht om zelf voor haar kinderen te zorgen. Dit heeft geleid tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van haar kinderen.

Vanaf de uithuisplaatsing verblijft [naam 5] vanwege zijn verstandelijke beperking, in de leefgroep van de instelling [naam instelling] . Van 29 juni 2019 tot 30 december 2020 hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het netwerkpleeggezin bij hun halfzus (vz.) gewoond. Op 30 december 2020 zijn zij overgeplaatst naar het huidige, perspectief biedende, pleeggezin.

In het afgelopen jaar is gebleken dat de problematiek van de moeder deels kan worden verklaard en in ieder geval samenhangt met middelengebruik. De moeder gebruikt al een tiental jaren methadon en zij gebruikt daarnaast cannabis. De moeder, die meent dat zij inmiddels niets meer gebruikt, heeft in september 2020 de psychiatrische kliniek verlaten zonder dat zij was uitbehandeld en is sindsdien niet stabiel. Dat laatste blijkt uit een politiemelding en de kortdurende opname(s) die nodig waren, voor zover bekend voor het laatst in oktober 2020. De moeder wacht op een klinische opname in een detox-kliniek.

Ook van de vader is bekend dat hij (langdurig) middelen gebruikt, hoewel hij zelf meent alleen nog methadon te gebruiken.

De GI is tot de slotsom gekomen dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt en niet bij de vader kan komen te liggen. De GI heeft daarom de Raad verzocht te onderzoeken of een gezagsbeëindigende maatregel nodig is, om de plaatsing van beide kinderen in het huidige perspectief biedende pleeggezin te borgen.

De Raad heeft dat onderzoek verricht en een onderzoeksrapport samengesteld op 12 februari 2021. Op grond van zijn onderzoeksbevindingen heeft de Raad de rechtbank verzocht om het gezag van de moeder te beëindigen en de het Regiecentrum tot voogd over de kinderen te benoemen.

Het Regiecentrum is bereid om voogd over beide kinderen te worden.

De beoordeling

Wat vindt de Raad dat de rechter moet beslissen?

De Raad vindt dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. De Raad voert hiertoe aan, samengevat weergegeven, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de moeder niet in staat is om binnen een voor de kinderen en hun ontwikkeling aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.

Wat vindt de moeder van het verzoek?

De moeder, hoewel behoorlijk opgeroepen, bij de mondelinge behandeling niet verschenen. Op verzoek van de rechter is de moeder vervolgens vergeefs geprobeerd telefonisch te bereiken. De rechter had graag met de moeder over het verzoek gesproken. Hij vindt het zorgelijk dat de moeder, terwijl zo'n ingrijpende beslissing over haar kinderen wordt verzocht, niet is verschenen en ook niet bereikbaar blijkt. De rechter gaat onder deze omstandigheden uit van het standpunt van de moeder, zoals dat is verwoord in het onderzoeksrapport van de Raad. Uit dat onderzoeksrapport blijkt dat de moeder het niet eens is met het verzoek van de Raad. Zij vindt dat alle zorgen die de Raad uit niet kloppen, omdat het met de kinderen altijd goed ging bij haar. De moeder vindt dat zij altijd stabiel is geweest en dat zij goed voor haar kinderen heeft gezorgd.

Wat vindt [minderjarige 1] van het verzoek?

[minderjarige 1] heeft aan de rechter verteld dat zij graag bij de pleegouders wil blijven wonen en dat zij terug wil naar haar moeder. [minderjarige 1] heeft ook verteld dat ze het fijn zou vinden als ze regelmatig contact met haar beide ouders zou kunnen hebben. In de afgelopen weken is er wel een contactmoment geweest en er is ook een nieuw contactmoment gepland, maar [minderjarige 1] weet niet of er nu regelmatig contact mogelijk is.

Wat vindt de GI van het verzoek?

De GI ondersteunt het verzoek van de Raad en meent dat het perspectief niet meer bij de moeder ligt.

Wat vindt de rechter van het verzoek?

De rechter vindt dat de vraag of het gezag moet worden beëindigd in samenhang moet worden beschouwd met de vraag of een ondertoezichtstelling in combinatie met een uithuisplaatsing, nog wel geëigende kinderbeschermingsmaatregelen zijn. Die vraag ligt voor omdat de GI geen hulpverlening meer inzet die erop is gericht de kinderen met hun moeder herenigen.

De GI heeft om die reden terecht de Raad verzocht onderzoek te doen. Immers, wanneer het gezag niet wordt beëindigd, moet het beleid van de GI erop gericht zijn beide kinderen met hun moeder te herenigen. Dat beleid zet de GI inmiddels niet meer in, gelet op haar overtuiging dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt. Dat laatste is onverenigbaar met de aard en strekking van de tot zover genomen kinderbeschermingsmaatregelen. In de memorie van toelichting bij de wet van 26 april 1995 (Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 12) wordt over de relatie tussen de taak van de gezinsvoogdijwerker (die na wijziging van de jeugdwet in 2015 inmiddels "jeugdbeschermingswerker" wordt genoemd) en de ouder opgemerkt:

"In elk geval dienen de hulp en steun er op gericht te zijn de ouders zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen te laten behouden. Dit impliceert dat de gezinsvoogdij-instelling uithuisplaatsing zoveel mogelijk moet voorkomen en dat moet worden gezocht naar alternatieven die het gezinsverband in stand kunnen houden. Deze bepaling kan dienen als richtsnoer bij het opstellen van het hulpverleningsplan en een rol spelen bij de beoordeling door de rechter van verzoeken tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing of tot verlenging en opheffing van de ondertoezichtstelling."

Tegen deze achtergrond stelt de rechter daarom bij de beoordeling voorop, dat de wet in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) drie cumulatieve voorwaarden stelt voor een ondertoezichtstelling. Die voorwaarden komen samengevat weergegeven erop neer dat (i) een kind in zijn ontwikkeling ernstig moet worden bedreigd, (ii) de zorg die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen door de ouder(s) niet of niet in voldoende mate wordt geaccepteerd en (iii) de verwachting moet bestaan dat binnen een voor het kind en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn de ouders of de ouder die het gezag uitoefent, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zelf weer aankan. Wanneer aan één van deze voorwaarden niet wordt voldaan, is een (verlenging van de) ondertoezichtstelling niet mogelijk. Dan rest in de huidige wetssystematiek als het gaat om de mogelijkheid om een kinderbeschermingsmaatregel te nemen, alleen de mogelijkheid het gezag van een ouder te beëindigen op een van de daartoe in artikel 1:266 BW gegeven gronden.

Dat artikel geeft voor de beëindiging van het gezag twee gronden. De Raad grondt zijn verzoek op één van die gronden; artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW. Dat artikellid bepaalt, samengevat weergegeven, dat de rechter het gezag kan beëindigen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is binnen een voor de leeftijd en ontwikkeling van het kind aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Beëindiging van het gezag is in het algemeen niet nodig, als de ouder(s) die het gezag uitoefent duurzaam instemt met een woonperspectief dat elders ligt.

De moeder is het met een woonperspectief van haar kinderen dat elders ligt, uitdrukkelijk niet eens. Zij wil zelf voor haar kinderen kunnen zorgen.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt met zich dat de rechter moet beoordelen of de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog wel geëigende maatregelen zijn. Als dat niet (meer) het geval is, valt aan een beëindiging van het gezag van de moeder niet te ontkomen, omdat zij niet duurzaam instemt met een woonperspectief van haar kinderen buiten haar eigen gezin.

Bij de beoordeling stelt de rechter voorop dat de Raad - die de deskundige bij uitstek is als het gaat om het onderzoek naar het woonperspectief van een kind - onderzoek heeft verricht. De rechter stelt verder vast dat ten aanzien van de wijze waarop de Raad zijn onderzoek heeft gedaan en de conclusies die de Raad uit zijn onderzoek heeft getrokken, geen bezwaren zijn geuit. Er is daarom voor de rechter geen reden om het rapport van de Raad niet of slechts in verminderde mate in zijn beoordeling van het verzoek tot gezagsbeëindiging te betrekken.

Mede gelet op het onderzoeksrapport, stelt de rechter vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel hebben meegemaakt in hun levens. Zij zijn (bij voortduring) geconfronteerd met middelengebruik, psychiatrische problematiek, de ontwrichtende gevolgen daarvan in die zin dat hun moeder onvoorspelbaar is geweest, onvoldoende beschikbaar is geweest, en dat zij zijn blootgesteld aan spannende en enge situaties. Ten aanzien van [minderjarige 1] speelt in het bijzonder dat zij ook een belast verleden heeft, omdat zij slachtoffer is geworden van seksueel misbruik. Beide kinderen zijn verder belast met de uithuisplaatsing, de overplaatsing van het netwerkgezin naar een nieuw pleeggezin, de voortdurende onzekerheid over hun woonperspectief, het wegvallen van het contact met beide ouders en de voortdurende onduidelijkheid of dat contact kan worden hersteld en of hun ouders het kunnen opbrengen om met een zekere regelmaat dat contact te onderhouden.

Het zijn feiten en omstandigheden die met zich brengen dat beide kinderen, meer dan een gemiddeld kind, belang hebben bij een woonplek waar zij zich veilig voelen en waar zij worden opgevoed door voorspelbare, stabiele en sensitieve opvoeders. Alleen dan ontstaat de ruimte die beide kinderen nodig hebben om zich te kunnen richten op de eigen ontwikkeling.

Het huidige perspectief biedende pleeggezin komt tegemoet aan wat beide kinderen nodig hebben.

Het is daarom de vraag of de moeder nu of binnen afzienbare en daarom een voor beide kinderen en hun ontwikkeling aanvaardbare termijn, in de opvoedingsbehoeften van de kinderen kan voorzien.

Het onderzoeksrapport van de Raad is daarover duidelijk. Uit dat onderzoeksrapport blijkt dat het de moeder (maar ook de vader) niet lukt om afspraken na te komen en te handelen in het belang van de kinderen op een veelheid van gebieden. Daarbij komt dat de moeder kampt met forse en ontwrichtende persoonlijke en verslavingsproblematiek, waarvoor weliswaar effectieve hulp mogelijk is en die ook geboden is, maar die door haar tot zover onvoldoende is aanvaard. De moeder (en net zo goed de vader) hebben geen probleembesef en ontkennen alle zorgen en alle redenen die tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van hun kinderen hebben geleid. De moeder in het bijzonder heeft geen hulpvraag en het blijkt dat het niet mogelijk is voor de hulpverlening om met de ouders samen te werken.

Onder gelijkblijvende omstandigheden is het daarom niet mogelijk dat de moeder weer zelf voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan zorgen. Aanknopingspunten dat hierin binnen de hiervoor bedoelde aanvaardbare termijn een wijziging kan komen, ontbreken.

Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt met zich dat aan de wettelijke eisen voor de beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan. Het daarop gebaseerde verzoek van de Raad zal de rechter daarom toewijzen.

De beëindiging van het gezag van de moeder brengt met zich dat in het gezag over de kinderen moet worden voorzien. De rechter volgt ten aanzien van de voogdij het advies dat de Raad heeft gegeven. De rechter zal daarom het Regiecentrum, dat bereid is de voogdij op zich te nemen, tot voogd benoemen.

Een en ander brengt met zich dat de volgende beslissingen moeten worden genomen.


De beslissing


De rechter:

beëindigt het gezag van de moeder;

benoemt het Regiecentrum tot voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;

gelast de griffier in deze rechtbank om de beëindiging van het gezag en de benoeming van het Regiecentrum tot voogd in te schrijven in het gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden,

MP