Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:993

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
9050154\CV EXPL 21-1158
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Art 3:37 lid 3 BW jo 7:611 BW

Opzegging heeft werknemer niet bereikt.

Te stelen eisen aan werkgever op grond van 7:611 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 9050154 \ CV EXPL 21-1158

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 5 Rv d.d. 24 maart 2021

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. J. Veninga,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.G.A. Luinstra.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- producties aan de zijde van [gedaagde]

- de nadere producties van de zijde van [eiser]

- de mondelinge behandeling

- pleitaantekeningen van mr. Veninga

- pleitaantekeningen van mr. Luinstra.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.1.

[eiser] is in 2011 bij [gedaagde] in dienst getreden. Hij werkte als beveiliger en beheerder voor verschillende (prostitutie)panden die [gedaagde] exploiteerde in [woonplaats] , waaronder het pand [adres] te [woonplaats] . Op enig moment heeft [eiser] [gedaagde] te kennen gegeven dat hij ( [eiser] ) [adres] als zijn postadres ging gebruiken. [eiser] had uit hoofde van zijn functie toegang tot alle panden van [gedaagde] .

2.2.

[gedaagde] heeft begin 2020 om haar moverende redenen besloten om de exploitatie in oktober 2020 te staken. Door de coronacrisis is de uitvoering hiervan versneld. [gedaagde] heeft in verband hiermee op 20 mei 2020 aan [eiser] een aanbod gedaan om de arbeidsovereenkomst te beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst. [eiser] is daar niet op ingegaan.

2.4.

[gedaagde] heeft vervolgens op 26 juni 2020 bij het UWV een aanvraag om toestemming voor het ontslag (hierna te noemen: ontslagvergunning) van [eiser] ingediend. Het UWV heeft [eiser] bij brief van 16 juli 2020, verzonden naar het adres [adres] te [woonplaats] , aangeschreven en op de hoogte gesteld van het verzoek van [gedaagde] . [eiser] heeft geen verweer gevoerd tegen deze aanvraag. Bij beslissing van 18 augustus 2020 heeft het UWV de ontslagvergunning verleend, waarbij is bepaald dat [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met [eiser] tot en met 15 september 2020 kon opzeggen.

2.5.

Bij brief van 19 augustus 2020, aangetekend en per gewone post verzonden naar het adres [adres] [woonplaats] , heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd per 1 oktober 2020. [gedaagde] heeft de loonbetaling ingaande 1 oktober 2020 gestaakt.

2.6.

De aangetekende opzeggingsbrief is door [eiser] niet in ontvangst genomen en op 7 september 2020 aan het kantoor van de gemachtigde van [gedaagde] geretourneerd.

2.7.

Medio januari 2021 heeft [eiser] in het eveneens aan [gedaagde] toebehorende pand [adres] te [woonplaats] een stapel voor hem bestemde poststukken, gericht aan [adres] , aangetroffen, waaronder de post van het UWV betreffende de aanvraag voor de ontslagvergunning.

De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 10.000,-, te vermeerderen met de

maximale wettelijke verhoging op grond van art. 7:625 BW (tot 19 februari 2021:

€ 3.720,-), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de te onderscheiden data van opeisbaarheid, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.058,75, aan [eiser] binnen vier dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans tot betaling van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te bepalen wettelijke

verhoging, te bepalen wettelijke rente, te bepalen buitengerechtelijke incassokosten binnen

een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn;

II. [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het ten deze te wijzen

vonnis salarisspecificaties ziende op voornoemde betaling(en) aan [eiser] te verstrekken

op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft met

een maximum van € 5.000,-, althans een zodanige dwangsom en maximum als de kantonrechter in goede justitie juist acht;

III. [gedaagde] te veroordelen om het loon van € 2.000,- per maand te blijven voldoen vanaf de

dag van de dagvaarding, althans de dag van het vonnis, tot het moment waarop de

arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, althans tot betaling van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag vanaf/tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum/einddatum;

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij de vordering omdat hij al vanaf begin oktober 2020 zonder inkomen zit en in financiële moeilijkheden komt. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang van [eiser] betwist en in verband hiermee aangevoerd dat [eiser] pas vijf maanden na de laatste loonbetaling, 30 september 2020, de vordering heeft ingesteld. De kantonrechter is hieromtrent van oordeel dat de omstandigheid dat [eiser] vrij lang heeft gewacht met het instellen van de vordering het aannemen van spoedeisend belang niet in de weg staat. Door [gedaagde] is niet weersproken dat [eiser] al geruime tijd zonder inkomen zit en de gestelde dreigende financiële moeilijkheden zijn daarmee voldoende aannemelijk. Dat [eiser] mogelijk een WW uitkering zou (hebben) kunnen aanvragen doet aan het voorgaande niet af, omdat niet is gebleken dat dit [eiser] op de korte termijn (voldoende) soelaas zal bieden.

4.2.

De kern van de stellingname van [eiser] is dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst bij brief van 19 augustus 2020 hem niet, althans niet tijdig, heeft bereikt en dat de ontslagmededeling daardoor op grond van het bepaalde in artikel 3:37 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) geen werking heeft gehad. Er heeft volgens [eiser] daarom geen

- rechtsgeldig en effectief - ontslag plaatsgevonden, zodat de arbeidsovereenkomst onverminderd voortduurt en [gedaagde] gehouden is om het loon, ook na 1 oktober 2020, door te betalen.

4.3.

[gedaagde] heeft niet weersproken dat [eiser] de aangetekend verzonden opzegging niet daadwerkelijk heeft ontvangen, maar zij heeft tegen de stellingname van [eiser] ingebracht dat uit artikel 3:37 lid 3 BW ook niet volgt dat de ontvanger de verklaring daadwerkelijk moet ontvangen. Voldoende is dat de verklaring naar een adres is gezonden waarvan de verzender mocht aannemen dat de geadresseerde daar kon worden bereikt en dat de verklaring daar ook daadwerkelijk is aangekomen. [eiser] wist volgens [gedaagde] dat het pand [adres] , het postadres, gesloten was, dat dit pand bovendien geen vanaf de straat toegankelijke brievenbus heeft en dat de post voor [adres] altijd al op [adres] werd afgegeven als de deur van [adres] gesloten was. Daar werd de post van [adres] op stapeltjes op de trap gelegd. Dat gold voor iedereen die [adres] als postadres had. Het bevreemdt [gedaagde] dat [eiser] pas in januari 2021 bij de [adres] is binnengelopen. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij onder de zich hier voordoende omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat de opzegging [eiser] had bereikt. Zij wijst er op dat zij de opzeggingsbrief zowel per aangetekende als per gewone post heeft verzonden.

4.4.

De kantonrechter oordeelt hieromtrent als volgt. Vast staat dat [eiser] met medeweten van [gedaagde] een postadres heeft gekozen op een adres waar hij niet woonachtig is. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het pand [adres] inderdaad geen brievenbus heeft die te allen tijde vanaf de openbare weg toegankelijk is voor een postbezorger. Er kan slechts post worden gedeponeerd in een bus die aan de binnenkant van een buitendeur in de zijsteeg hangt, op het moment dat deze deur open is of kan. Ter zitting hebben partijen verder bevestigd dat in de tijd dat het pand [adres] voor activiteiten werd benut, de betreffende deur regelmatig open stond, alsmede dat er dan post in de betreffende bus werd gedeponeerd. Verder is gebleken dat het pand [adres] sinds ongeveer maart 2020 is gesloten, zodat daar sindsdien feitelijk geen post meer kan worden bezorgd. Dit laatste tenzij de deur toevalligerwijze open zou hebben gestaan op het moment dat de postbode langskwam, maar daarvan is niet gebleken. [gedaagde] heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat de postbezorgers de voor [adres] bestemde post, indien die niet op [adres] kan worden bezorgd, afgeven op [adres] . Het feit dat voor [eiser] bestemde post daar later door hem is aangetroffen wijst, mede gelet op de onmogelijkheid om sinds maart 2020 op [adres] te bezorgen, ook in deze richting.

4.5.

Volgens artikel 3:37 lid 3 BW, waarnaar beide partijen hebben verwezen, moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nochtans heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.

4.6.

In het arrest van 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, heeft de Hoge Raad met betrekking tot artikel 3:37 lid 3 BW overwogen: "Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen."

4.7.

In de onderhavige situatie was [gedaagde] ermee bekend dat de post op [adres] in de regel niet kon worden bezorgd en dat deze post op [adres] werd afgegeven. Daarom kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden geoordeeld dat [gedaagde] er redelijkerwijze van uit mocht gaan dat de voor [eiser] bestemde, aan [adres] geadresseerde post, hem zou bereiken en dat de opzeggingsbrief op het adres [adres] zou aankomen.

In dit geval is het aangetekende exemplaar van de opzeggingsbrief op 7 september 2020 door Post NL aan de gemachtigde van [gedaagde] terugbezorgd, zodat [gedaagde] wist dat [eiser] deze brief niet in ontvangst had genomen. Voorts is ter zitting gebleken dat de bestuurder van [gedaagde] kort nadien heeft vastgesteld dat Post NL op [adres] een briefje had achtergelaten met de mededeling waar dit poststuk kon worden afgehaald, dat daar ook de per gewone post verzonden opzeggingsbrief (ongeopend) lag, alsmede dat deze bestuurder al eerder had geconstateerd dat er in het pand [adres] (ongeopende) poststukken lagen (volgens de enveloppe onder meer afkomstig van het UWV) die bestemd waren voor [eiser] . Aldus was [gedaagde] er van op de hoogte dat niet alleen de brieven van het UWV aan [eiser] betreffende de lopende ontslagaanvraag nog ongeopend in het pand [adres] lagen, maar dat [eiser] ook de opzeggingsbrief zelf nog niet onder ogen kon hebben gehad.

4.8.

Voor wat betreft de vraag of [gedaagde] er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de opzegging [eiser] had bereikt is in het onderhavige geval tevens het volgende van belang. Tussen partijen is sprake van een werkgever-werknemer relatie. Volgens artikel 7:611 BW zijn de werkgever en de werknemer verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen. De toepassing van artikel 3:37 lid 3 BW kan, gelet op het bepaalde in artikel 7:611 BW, naar het oordeel van de kantonrechter niet los worden gezien van de verhouding waarin partijen tot elkaar stonden. Voor het zich hier voordoende geval brengt de verplichting uit artikel 7:611 BW voor [gedaagde] mee dat zij, gezien de hiervoor geschetste gang van zaken rond de opzeggingsbrief, zich op 7 september 2020 (de datum dat de aangetekende brief retour kwam bij (de gemachtigde van) [gedaagde] ), had behoren te realiseren dat de opzegging [eiser] niet had bereikt en had zij derhalve het nodige moeten ondernemen om alsnog te bewerkstelligen dat de opzegging hem ook daadwerkelijk zou bereiken. Gelet op de looptijd van de ontslagvergunning was dat ook nog mogelijk. De kantonrechter betrekt daarbij dat de opzegging van een arbeidsovereenkomst een zodanig verstrekkend gevolg heeft voor een werknemer dat deze extra inspanning van [gedaagde] als werkgever had mogen worden verwacht. Daarbij komt dat ook niet is gebleken dat [eiser] zich bewust aan de ontvangst van de opzegging heeft onttrokken. Het is zelfs aannemelijk dat [eiser] er niet eens bekend mee was dat [gedaagde] een ontslagvergunning had verkregen, nu alle van het UWV afkomstige aan hem gerichte post betreffende de ontslagaanvraag nog ongeopend op [adres] lag, een feit waar [gedaagde] van op de hoogte was ten tijde van de verzending van de opzeggingsbrief.

4.9.

Dat [eiser] het gesloten adres [adres] als postadres heeft opgegeven en, aldus [gedaagde] , niet (tijdig) op [adres] is wezen kijken naar post voor hem, maakt het voorgaande onder de beschreven omstandigheden niet anders. [eiser] heeft dit overigens ter zitting betwist en verklaard dat hij wel degelijk eerder op [adres] is geweest, juist omdat hij [gedaagde] wilde aanspreken over het uitblijven van salaris, maar dat hij daar toen niemand heeft getroffen en er ook geen post voor hem op de trap lag. Pas toen hij begin 2021 het kantoor van Siberius binnen in gegaan trof hij daar aan hem geadresseerde post aan.

4.10.

Het voorgaande leidt er toe dat het aannemelijk is dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat aan de opzegging door [gedaagde] van 19 augustus 2020 geen gevolgen kunnen worden toegekend, dat de arbeidsovereenkomst daarom nog in stand is en dat [eiser] op grond daarvan aanspraak kan maken op betaling van loon, ook na 1 oktober 2020. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van loon vanaf 1 oktober 2020. Dat er bij de veroordeling in kort geding tot betaling van een geldsom in voorkomende gevallen enige terughoudendheid wordt betracht, staat gelet op het voorgaande toewijzing in dit geval niet in de weg, temeer nu niet of onvoldoende is betwist dat [eiser] al sinds oktober 2020 zonder bron van inkomsten zit.

4.11.

Partijen twisten verder over de hoogte van het [eiser] toekomende loon. [eiser] stelt aanspraak te kunnen maken op netto € 2.000,00 per maand, waarbij volgens hem een deel via de bank en een deel contant werd voldaan. [gedaagde] heeft dit laatste betwist en met verwijzing naar overgelegde loonstroken gesteld dat er per vier weken € 1.919,48 bruto door haar werd betaald. De kantonrechter oordeelt hieromtrent dat [eiser] , bezien in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij netto € 2.000,00 per maand ontving. De in verband hiermee ter onderbouwing door hem overgelegde betalingen per bank dateren uit 2013 en zijn gezien hun ouderdom onvoldoende onderbouwing voor de gestelde loonaanspraak in 2020 en 2021.

4.12.

Mede gezien het feit dat hier sprake is van een voorlopige voorziening zal bij de toewijzing van de loonvordering worden uitgegaan van het door [gedaagde] gestelde loon van €1.919,48 bruto per vier weken, hetgeen neerkomt op € 2.079,44 bruto per maand. Gerekend vanaf 1 oktober 2020 tot en met 28 februari 2021 telt dit op tot een bedrag van € 10.397,20 bruto, welk bedrag zal worden toegewezen. De wettelijke rente over het achterstallige loon zal zoals is gevorderd worden toegewezen vanaf de onderscheiden data van opeisbaarheid, tot aan de dag der algehele voldoening, nu hiertegen geen (gemotiveerd) verweer is gevoerd.

Verder zal [gedaagde] worden veroordeeld om vanaf 1 maart 2021 € 1.919,48 bruto per vier weken te betalen, tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband.

4.13.

De gevorderde wettelijke verhoging over het achterstallige loon tot 1 maart 2021 zal, bij gebreke van (afdoende) betwisting, worden toegewezen, te berekenen conform de daartoe in artikel 7:625 BW bepaalde opbouw.

4.14.

[eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen tot ten hoogste het bedrag van de wettelijke staffel zoals vermeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, vastgesteld op

€ 879,00.

4.15.

Alle bedragen dienen zoals is gevorderd te worden voldaan binnen vier dagen na betekening van dit vonnis.

4.16.

[gedaagde] zal verder worden veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis salarisspecificaties aan [eiser] te verstrekken met betrekking tot de door haar te verrichten loonbetalingen, op straffe van een dwangsom. De kantonrechter ziet daarbij aanleiding om deze dwangsom te bepalen op € 50,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met tijdige verstrekking, met een maximum van € 1.000,00.

4.17.

[gedaagde] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op:

- explootkosten € 109,65

- griffierecht € 85,00

- salaris gemachtigde € 747,00

totaal € 941,65.

[gedaagde] zal verder worden veroordeeld in de nakosten, begroot op € 124,00.

Beslissing

De kantonrechter:

Rechtdoende in kort geding

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] binnen vier dagen na betekening van dit vonnis van een bedrag van bruto € 10.397,20 aan achterstallig salaris over de periode 1 oktober 2020 tot en met 28 februari 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de te onderscheiden termijnen tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging over het hiervoor onder 5.1 toegewezen bedrag aan achterstallig salaris, te berekenen conform de daartoe in artikel 7:625 BW bepaalde opbouw;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis salarisspecificaties aan [eiser] te verstrekken met betrekking tot het onder 5.1. toegewezen bedrag aan achterstallig salaris, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met tijdige verstrekking, met een maximum van € 1.000,00;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 maart 2021 aan [eiser] een bedrag van € 1.919,48 bruto per vier weken te betalen wegens salaris, tot aan het moment van rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband

5.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 879,00 vanwege buitengerechtelijke incassokosten;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op

€ 941,65;

5.7.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van nakosten, begroot op € 124,00.

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 324