Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:983

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
167063
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming inschrijving basisschool

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: C/17/167063 / FA RK 19-606

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 10 maart 2021

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. S.M. Wolfert, kantoorhoudende te Leek,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. M.R. Rauwerda, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1 Procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft bij beschikking van 9 oktober 2019, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, een voorlopige zorgregeling bepaald en een definitieve beslissing genomen op het verzoek tot vaststelling kinderalimentatie. De rechtbank heeft de zaak voor het overige aangehouden in afwachting van het traject bij het Kenniscentrum Kind en Echtscheiding (KKE).

1.2.

Op 25 november 2020 heeft mr. Wolfert zich in plaats van mr. W.J.A. van Es in deze procedure gesteld voor de vrouw.

1.3.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- een brief van 5 november 2020 van de vrouw, met als bijlage de afsluitingsbrief van het KKE van 22 oktober 2020;

- het aanvullend verzoek van de man, binnengekomen op 2 februari 2021;

- het aanvullend verzoek van de vrouw, binnengekomen op 15 februari 2021.

1.4.

De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 18 februari 2021. Partijen en hun advocaten zijn hierbij aanwezig geweest.

2 Aanvullende verzoeken

2.1.

De man heeft verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat aan hem vervangende toestemming wordt verleend om [het kind] in te schrijven op de basisschool [A] te [plaats A] en dat deze toestemming in de plaats treedt van de toestemming van de vrouw.

2.2.

De vrouw heeft verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:

- dat er een co-ouderschapsregeling komt te gelden waarbij [het kind] de ene week bij de vrouw is en de andere week bij de man, waarbij het wisselmoment op de maandag is en waarbij de ene ouder [het kind] naar school brengt en de andere ouder [het kind] uit school haalt;

- dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend om [het kind] in te schrijven op de basisschool [B] in [plaats B] , althans te bepalen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3 Beoordeling

3.1.

Partijen hebben bij het KKE overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Zij hebben afgesproken dat vanaf het moment dat [het kind] naar school gaat er een co-ouderschapsregeling geldt van week op week af, waarbij het wisselmoment op maandag zal zijn. De ene ouder brengt [het kind] dan naar school en de andere ouder haalt hem uit school. Het aanvullende verzoek van de vrouw zal daarom op dit punt kunnen worden toegewezen.

3.2.

Het lukt partijen niet om tot een gezamenlijke beslissing te komen over de school voor [het kind] . Bij het KKE hebben partijen afgesproken om op dit punt een beslissing van de rechtbank te vragen.

3.3.

Beide partijen hebben hun standpunt ten aanzien van de schoolkeuze aan de rechtbank voorgelegd. De vrouw geeft de voorkeur aan een school met een christelijke signatuur, dicht bij haar in de buurt. De man geeft de voorkeur aan de openbare en kleinere school in [plaats A] .

3.4.

Nu het partijen niet lukt om overeenstemming te bereiken zal de rechtbank hierover een knoop doorhakken.

De rechtbank zal een afweging maken en zal daarbij kijken naar wat in het belang van [het kind] de doorslag moet geven.

3.5.

[B] is een christelijke school, die volgens de website en schoolgids, die de rechtbank met instemming van de vrouw bekeken heeft, de christelijke beginselen hoog in het vaandel heeft. De vrouw wil graag de normen en waarden van het christelijk onderwijs aan [het kind] meegeven. Zij heeft zelf vroeger ook op een christelijke basisschool gezeten. De man maakt bezwaar tegen het christelijk onderwijs, omdat hij geen geloofsovertuiging heeft en partijen [het kind] tot nu toe niet christelijk hebben opgevoed; [het kind] heeft ook niet de christelijke kinderopvang bezocht. De man hecht ook aan normen en waarden en ziet het voordeel van een openbare basisschool in het feit dat daar aandacht zal zijn voor verschillende levensbeschouwingen.

Verder vindt de vrouw het belangrijk dat [het kind] dichtbij huis naar school gaat. Volgens haar komt hij dan sneller in contact met buurtkinderen, waarmee hij na school kan spelen. [het kind] gaat nu naar een kinderdagverblijf in [plaats B] en kent de kinderen daar al, en daarvan zullen ook kinderen naar [B] gaan. Ook vindt de vrouw het belangrijk dat [het kind] vanuit haar huis lopend in plaats van met de auto naar school kan gaan en dat zij, voor het geval er iets is, snel op school kan zijn. Als [het kind] naar [A] zou gaan, zal hij altijd met de auto moeten worden gebracht, aldus de vrouw.

De man heeft hiertegen ingebracht dat [het kind] weliswaar de eerste tijd door hem met de auto naar [plaats A] gebracht zal worden, maar dat [het kind] op den duur zelfstandig naar school kan fietsen en dan bij vriendjes kan blijven spelen. Op de school in [plaats A] zitten veel kinderen uit de omgeving, die ook wel samen naar school fietsen.

Terwijl de vrouw het voordeel ziet van een grotere school, die in een multifunctioneel gebouw is gevestigd met een logopedist en BSO onder één dak en waar meer kinderen zijn en dus meer keus in vriendjes, ook met verschillende etniciteiten, geeft de man de voorkeur aan een kleinere school, waar meer individuele aandacht aan [het kind] gegeven kan worden. De man vond dat zij als ouders warm verwelkomd werden op [A] en dat er aandacht was voor het feit dat de ouders gescheiden zijn. Verder kan in [A] ook logopedie onder schooltijd worden gegeven en waarborgt het feit dat de school deel uitmaakt van een overkoepelende stichting waar veel scholen bij aangesloten zijn de kwaliteit.

3.6.

De rechtbank is van oordeel, dat het door de vrouw aangedragen belang van normen en waarden die [het kind] meekrijgt op een christelijke school, niet doorslaggevend is, nu volgens de man op de openbare school hier ook aandacht voor is en vanuit verschillende levensbeschouwingen. Beide scholen voldoen daarom aan deze wens.

De rechtbank onderschrijft het belang dat de vrouw aanvoert van een school dichtbij huis, maar de nabijheid van [B] ziet slechts op de tijd dat [het kind] bij haar is. [A] ligt op drie kilometer van de woning van de man, waardoor het niet altijd nodig is dat [het kind] in de tijd dat hij bij de man is, met de auto wordt gebracht omdat hij ook door de man op de fiets kan worden gebracht en [het kind] op den duur zelf naar school zal kunnen fietsen, eventueel met schoolgenootjes.

Logopedie kan op beide scholen onder hetzelfde dak worden gegeven.

Bij afweging van deze belangen ziet de rechtbank daarom geen doorslaggevend voordeel voor één van beide scholen, zij het dat de rechtbank het voorstelbaar vindt dat de man bezwaar heeft tegen een christelijke school. Nu de vrouw destijds, toen partijen nog samen waren, wel kon instemmen met de openbare school in [plaats A] , gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw geen onoverkomelijk bezwaar heeft tegen een openbare school.

3.7.

Voor wat betreft de BSO overweegt de rechtbank dat ‘alles onder één dak’ een voordeel kan zijn, maar tegelijk ook een nadeel, omdat het kind dan niet uit de drukte van de schoolomgeving wordt gehaald en rust dan misschien niet altijd gegeven kan worden. Een kind kan hierop verschillend reageren, maar daarover is niets gesteld. De man heeft gezegd dat hij zeker de eerste tijd geen gebruik zal maken van de BSO en als zijn huidige partner na de bevalling weer aan het werk gaat, hooguit één dag per week. De vrouw maakt slechts één dag per week gebruik van de BSO. Ook dit aspect acht de rechtbank daarom niet van doorslaggevend belang.

3.8.

Wat de rechtbank wel doorslaggevend vindt, is het verschil in omvang van beide scholen. Uit de stukken van het KKE blijkt dat [het kind] een gevoelig kind is, dat sterk reageert op spanningen tussen zijn ouders. Zo voelde hij direct aan dat het verschil van mening over de basisschoolkeuze als ‘een donkere wolk’ boven de ouders bleef hangen en reageerde daarop door niet meer met de man mee te willen als die hem bij de vrouw kwam halen. De scheiding van zijn ouders en de veranderde gezinssituaties zijn heftig voor hem. [A] is een kleine dorpsschool, waar hij waarschijnlijk hiervoor meer persoonlijke aandacht zal krijgen dan op de veel grotere school [B] De rechtbank acht aannemelijk dat hier meer aan zijn behoefte aan geborgenheid en veiligheid tegemoet zal worden gekomen.

3.9.

De vrouw heeft in haar aanvullend verzoekschrift opgenomen dat wanneer [het kind] in de ene plaats naar school gaat, hij in de andere plaats op een sport zou kunnen gaan. Op deze manier komt [het kind] in zowel [plaats B] als [woonplaats man] in contact met andere kinderen. Dit is misschien een goed idee en kan ook worden gedaan als [het kind] de school in [plaats A] bezoekt.

3.10.

De rechtbank ziet in bovenstaande afwegingen aanleiding om de man vervangende toestemming te verlenen om [het kind] in te schrijven op de OBS [A] .

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat er een co-ouderschapsregeling geldt, in die zin dat [het kind] geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , de ene week bij de vrouw is en de andere week bij de man, waarbij het wisselmoment op de maandag is en waarbij op die dag de ene ouder [het kind] naar school brengt en de andere ouder [het kind] uit school haalt;

4.2.

verleent aan de man vervangende toestemming, die de toestemming van de vrouw vervangt, om [het kind] in te schrijven op de basisschool [A] te [plaats A] ;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. M. van der Hoeven, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 10 maart 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.

fn: 31