Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:950

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
18/301687-20 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De vordering van het Openbaar Ministerie is gebaseerd op artikel 36e, derde lid Wetboek van Strafrecht. Dit houdt in dat voordeel kan worden ontnomen indien aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het feit waarvoor hij is veroordeeld, dan wel uit andere strafbare feiten. Enige relatie tussen de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en het voordeel is niet vereist.

De omstandigheid dat verdachte in de onderliggende strafzaak met parketnummer 18/301687-20 is vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen heeft geen gevolgen voor onderhavige ontnemingsvordering nu deze is gebaseerd op een kasopstelling en de methode van kasopstelling zich richt op de bestedingen die vanuit het voordeel zijn gedaan en niet op de bron van het voordeel, te weten de gepleegde strafbare feiten.

In de ontnemingsprocedure wordt voorts de bewijslast op redelijke en billijke wijze verdeeld tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde. Het is aan de veroordeelde concreet en gemotiveerd, en zo nodig door bescheiden gestaafd, tegenover de door het Openbaar Ministerie gepresenteerde en op wettige bewijsmiddelen gebaseerde berekeningen, aannemelijk te doen worden dat de door het Openbaar Ministerie aannemelijk gemaakte berekening niet juist is. Een enkele bewering is daartoe niet voldoende. Dat de veroordeelde zich begeeft in kringen waar het voeren van een financiële administratie niet gewoon is, komt voor rekening van de veroordeelde en niet voor het Openbaar Ministerie.

Blijkens het proces-verbaal Witwassen van 21 januari 2021 is ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik gemaakt van de methode van de eenvoudige kasopstelling. Daaruit volgt een negatief verschil tussen de uitgaven van de veroordeelde en zijn legale inkomsten.

De rechtbank is met de officier van justitie eens dat de veroordeelde onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat hij over legale inkomsten heeft kunnen beschikken die het totale verschil rechtvaardigen. De op geen enkele wijze nader onderbouwde stelling dat hij inkomsten had uit handel is daartoe niet voldoende.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat door de veroordeelde kennelijk andere onbekend gebleven strafbare feiten zijn begaan, die de bron zijn waarmee de uitgaven zijn gefinancierd.

Zie ook: ECLI:NL:RBNNE:2021:945.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/301687-20

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 23 maart 2021 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

wonende aan [straatnaam] te [woonplaats],

thans gedetineerd in de [instelling] te Leeuwarden,

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 11 februari 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 16.336,- ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/301687-20 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van de strafzaak tegen verdachte, waaronder het in het dossier opgenomen proces-verbaal witwassen, tevens inhoudende een berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie, mr. M. Scharenborg en de verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. A.P.M.A. Laeyendecker, advocaat te Oss, zijn gehoord ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2021.

De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaken onder parketnummers 18/301687-20, 18/070073-20, 96/181994-20 en 18/278956-20. Op 23 maart 2021 heeft de rechtbank vonnis gewezen in de strafzaken. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn vordering het volgende aangevoerd.

Verdachte blijkt meermalen in contact te kunnen worden gebracht met gestolen goederen. Op 30 oktober 2020 is verdachte aangehouden voor diefstal omdat hij een gestolen aanhangwagen bij zijn huis had staan en op 7 november 2020 bood verdachte een gestolen buitenboordmotor te koop aan op Marktplaats. Daarnaast zijn bij verdachte harddrugs aangetroffen. De politie heeft voorts vele mutaties/antecedenten op naam van verdachte met betrekking tot (vermoedens van) vermogensdelicten. Bij een eerdere aanhouding viel het de politie op dat er dure merkkleding in de woning aanwezig was evenals luxe consumptie goederen zoals (onder meer) een grote Amerikaanse koelkast, een jacuzzi en olijf- en palmbomen. Bovendien had verdachte op dat moment een 200 eurobiljet in zijn broekzak. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij een soort van handelsonderneming heeft waarbij hij buitenboordmotoren en rubberboten verkoopt: "ik heb een goede zomer gehad, door corona heb ik veel kunnen verkopen. Ik verkocht op een dag zo vier rubberboten. Dit geld heb ik geïnvesteerd in sloepjes." Verdachte heeft voorts verklaard dat hij geen administratie bijhoudt van de verkopen en dat hij niet is ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel maar dat hij dit wel van plan is. Verdachte verkoopt onder naam van zijn vrouw goederen op Marktplaats. Verdachte heeft verklaard dat hij van de handel niet rond kan komen, hij kan net rondkomen van de uitkering van zijn vrouw. Zij hebben samen drie kinderen. Zijn partner ontvangt een uitkering van ongeveer 1.200 euro netto per maand.

Inmiddels heeft nader onderzoek nieuwe feiten aan het licht gebracht. Zo blijkt er naast een beschermingsbewind ook sprake te zijn geweest van wettelijke schuldsanering. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het gebruiken van een verborgen bankrekening. Maar ook de Wajong-uitkering en de belastingdienst kunnen redenen zijn om een deel van de inkomsten verborgen te houden. Een en ander duidt, aldus de officier van justitie, dat sprake is van gelden die zijn verkregen of zijn behouden uit criminele bron, zoals inkomsten uit de verkoop van gestolen goederen, inkomsten verkregen uit drugshandel, maar ook uit tegemoet­komingen en/of besparingen verkregen door belasting-, toeslagen- en/of schuldsaneringsfraude.

Verdachte is hierover meermalen gehoord door de politie, in raadkamer en ter terechtzitting van heden in de strafzaak. Zijn verklaringen komen er kort gezegd op neer dat hij het in de strafzaken ten laste gelegde met betrekking tot diefstal en heling ontkent, dat hij geld heeft verdiend met de handel en dat hij gelden heeft ontvangen uit een erfenis en van zijn schoonmoeder. Verdachte heeft zijn beweringen niet onderbouwd zodat geen aanvullend onderzoek naar een financieel alibi mogelijk was. Verdachte heeft wel een verklaring gegeven omtrent het startkapitaal voor zijn botenbedrijf. Hij zou dit geld via de bank hebben gekregen van zijn schoonmoeder. Die bankbetalingen zijn reeds in het berekende ontnemingsbedrag verwerkt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, omdat niet of onvoldoende aannemelijk is dat het bedrag dat het verschil vormt tussen de geschatte contante uitgaven en de gelden die beschikbaar waren voor het doen van uitgaven, van enig misdrijf of strafbare feiten afkomstig is. Zij heeft daartoe gesteld dat de veroordeelde legale inkomsten had uit verschillende bronnen zoals: handel, inkomsten uit uitkering (van partner) en schenkingen (van schoonmoeder).

De raadsvrouw heeft er op gewezen dat geen sprake is van aantoonbare onderliggende strafbare feiten. De omstandigheid dat verdachte in de schuldsanering heeft gezeten en in die periode schenkingen via zijn schoonmoeder heeft ontvangen is mogelijk strafbaar maar niet relevant voor onderhavige ontnemingsvordering en de onderliggende strafzaak. Ditzelfde geldt voor een eventuele vordering die de Belastingdienst zou hebben op verdachte. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de kasopstelling op zich duidelijk is maar uitgaat van een verkeerd uitgangspunt.

Het witwas en ontnemingsbedrag van 16.336,- is berekend aan de hand van de waarde van de aangetroffen drugs en goederen. Met betrekking tot de drugs heeft de verdediging opgemerkt dat het ging om een waarde van ongeveer 5.000 euro, dat aankopen van drugs in de regel niet per pin maar contant plaatsvinden en dat de herkomst van die contanten niet verborgen was gelet op de Wajong uitkering van de partner en de gelden van de schoonmoeder. Met betrekking tot de aangetroffen boten en buitenboordmotoren is de waarde geschat na vergelijking van vergelijkbare goederen op marktplaats. Daarbij is gekeken naar de vraagprijs en dat is niet reëel want de vraagprijs wordt meestal niet betaald. Verdachte noemt lagere aankoopbedragen dan de bedragen waar de politie vanuit gaat. Verder is niet in aanmerking genomen dat deze goederen ook zijn aangeschaft en dus geld hebben gekost. Verdachte handelde in goederen en kocht deze in op Marktplaats. Niet is vast komen te staan dat alle aangetroffen en in beslag genomen goederen van diefstal afkomstig zijn. De goederen zijn waarschijnlijk met contant geld betaald en dat is niet ongebruikelijk.

Met betrekking tot de overige aangetroffen goederen (bomen/jacuzzi/koelkast) heeft de verdediging opgemerkt dat niet is vast te stellen hoe lang deze al in het bezit van verdachte en zijn partner waren en of deze met verborgen gelden zijn aangeschaft; er zijn geen aankoopbewijzen en geen stukken waaruit een aankoopdatum blijkt. Met betrekking tot de aangetroffen merkkleding heeft verdachte verklaard dat het nep merken betreft; dit is verder niet onderzocht.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij vonnis van 23 maart 2021 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 maanden voor (onder meer) het meermalen plegen van diefstal, het meermalen plegen van heling en het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

De vordering van het Openbaar Ministerie is gebaseerd op artikel 36e, derde lid Wetboek van Strafrecht. Dit houdt in dat voordeel kan worden ontnomen indien aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het feit waarvoor hij is veroordeeld, dan wel uit andere strafbare feiten. Enige relatie tussen de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en het voordeel is niet vereist.

De omstandigheid dat verdachte in de onderliggende strafzaak met parketnummer 18/301687-20 is vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen heeft geen gevolgen voor onderhavige ontnemingsvordering nu deze is gebaseerd op een kasopstelling en de methode van kasopstelling zich richt op de bestedingen die vanuit het voordeel zijn gedaan en niet op de bron van het voordeel, te weten de gepleegde strafbare feiten.

In de ontnemingsprocedure wordt voorts de bewijslast op redelijke en billijke wijze verdeeld tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde. Het is aan de veroordeelde concreet en gemotiveerd, en zo nodig door bescheiden gestaafd, tegenover de door het Openbaar Ministerie gepresenteerde en op wettige bewijsmiddelen gebaseerde berekeningen, aannemelijk te doen worden dat de door het Openbaar Ministerie aannemelijk gemaakte berekening niet juist is. Een enkele bewering is daartoe niet voldoende. Dat de veroordeelde zich begeeft in kringen waar het voeren van een financiële administratie niet gewoon is, komt voor rekening van de veroordeelde en niet voor het Openbaar Ministerie.

Blijkens het proces-verbaal Witwassen van 21 januari 2021, opgemaakt door de officier van justitie mr. M. Scharenborg, is ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik gemaakt van de methode van de eenvoudige kasopstelling. Daaruit volgt een negatief verschil tussen de uitgaven van de veroordeelde en zijn legale inkomsten.

De rechtbank is met de officier van justitie eens dat de veroordeelde onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat hij over legale inkomsten heeft kunnen beschikken die het totale verschil rechtvaardigen. De op geen enkele wijze nader onderbouwde stelling dat hij inkomsten had uit handel is daartoe niet voldoende.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat door de veroordeelde kennelijk andere onbekend gebleven strafbare feiten zijn begaan, die de bron zijn waarmee de uitgaven zijn gefinancierd.

Gelet op hiervoor overwogene, komt de rechtbank tot navolgende berekening wederrechtelijk verkregen voordeel:

Bron 1: contanten

beginsaldo contanten €

contanten opgenomen - gestort € -95.732

eindsaldo contanten €

€ -95.732

Bron 2: NIBUD vergelijking

Nibud Kleding € 11.683

Nibud inboedel, huis en tuin € 11.969

Nibud huishoudelijk € 33.745

Nibud vrije tijd € 21.760

Nibud vervoer € 16.070

overige uitgaven € - 2.141 _______

€ 93.086

Bron 3: excessieve uitgaven

drugs € 4.858

boten/motoren beslag € 14.124 _______

€ 18.982

onverklaarbaar tekort aan contant aanwezig bedrag€ 16.336

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

1. de inhoud van het vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van heden, 23 maart 2021, inhoudende een bewezenverklaring en bewijsmotivering inzake het onder parketnummer 18/301687-20 onder 2, 3 en 4 tegen veroordeelde gewezen;

2. een dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020320232 van 21 januari 2021(zaaksdossier 7), onder meer inhoudende een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt door de officier van justitie mr. M. Scharenborg.

De rechtbank schat derhalve het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op

€ 16.336,-. Veroordeelde dient ter ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel dat bedrag aan de Staat te betalen.

De rechtbank zal daarbij de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 653 dagen bepalen. Zij heeft hierbij rekening gehouden met het bepaalde in artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering, waarbij een maatstaf van maximaal één dag voor elke volle € 25,- is neergelegd. De duur beloopt ten hoogste drie jaar.

Bij deze beslissing zijn in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat dient te betalen. Er zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 16.336,-

- legt veroordeelde voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 16.336,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 653 dagen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. H.G. Punt, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 maart 2021.

Mr. Klaassens en mr. Punt zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.