Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:935

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
AWB LEE - 19 _ 4308
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft in april 2017 een Ferrari geïmporteerd en ter zake daarvan op aangifte Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) betaald. Circa twee jaar later legt verweerder een naheffingsaanslag op.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht dan wel tot te een hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of voor de Wet bpm sprake is van een nieuwe of gebruikte auto, en op grond van welke CO2-uitstoot de bruto bpm berekend moet worden. Daarnaast is in geschil of verweerder terecht belastingrente in rekening heeft gebracht.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een gebruikte auto. Uit de het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2020 volgt volgens de rechtbank dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe of gebruikte auto in de zin van de Wet bpm enkel van belang is of de auto na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg in gebruik is geweest. Of sprake is van niet of nauwelijks op de weg gebruikt kan opgemaakt worden uit het aantal met de auto gereden kilometers. Van een auto met 510 kilometer op de teller kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat deze niet of nauwelijks op de weg is gebruikt.

De rechtbank oordeelt voorts dat voor de berekening van de bruto bpm uitgegaan moet worden van de CO2-uitstoot zoals volgt uit het typegoedkeuringsnummer en het certificaat van overeenstemming. Naar het oordeel van de rechtbank maakt eiser niet aannemelijk dat andere Ferrari's van hetzelfde type/uitvoering met een lagere CO2-uitstoot in Nederland geregistreerd zijn.

De rechtbank oordeelt tot slot dat verweerder terecht belastingrente in rekening heeft gebracht. Noch het zorgvuldigheidsbeginsel, noch het vertrouwensbeginsel, noch het evenredigheidsbeginsel nopen tot het achterwege laten van het berekenen van belastingrente.

Eisers verzoek om een immateriële schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure wijst de rechtbank af. De redelijke termijn van twee jaar is op het moment van de uitspraak nog niet verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-04-2021
V-N Vandaag 2021/811
FutD 2021-1113
FutD 2021-1112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/4308

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde van eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Breda, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 4 april 2019 een naheffingsaanslag Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd ten bedrage van € 41.572. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 2.119 aan belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 4.157 opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar van 4 november 2019 heeft verweerder de boete vernietigd. De naheffingsaanslag en beschikking belastingrente heeft verweerder ongewijzigd in stand gelaten.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 18 februari 2021. Omdat namens eiser niemand verschenen is, en de rechtbank niet de ontvangst van de uitnodiging voor de zitting kon bevestigen, is het onderzoek aangehouden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 19 maart 2021 via beeldverbinding. Namens eiser is gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. J.P.A. Steenvoorden.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Op 24 april 2017 heeft verweerder van eiser een aangifte bpm ontvangen ter zake van de registratie van een Ferrari F12 Berlinetta (hierna: de Ferrari). De aangifte bevat onder meer de volgende gegevens:

Merk:

Ferrari

Type:

F12 6.3 Berlinetta HELE

Cilinderinhoud:

6262 cc

Vermogen:

545 kW

CO2-uitstoot:

350 gr/km

Datum eerste toelating:

4 augustus 2016

Carrosserie:

Coupé

Voertuigidentificatienummer:

[VIN]

Historisch bruto bpm-bedrag:

€ 97.257

Te betalen bpm:

€ 70.025

1.2.

Bij de aangifte is als bijlage opgenomen een ingevuld formulier ‘Berekening bpm bij aangifte en melding bpm vanaf 1 januari 2017’. Eiser heeft daarin aangekruist te kiezen voor het berekenen van de vermindering van de bpm middels een taxatierapport. Eiser heeft de bpm vervolgens berekend op € 70.025, rekening houdend met een afschrijvingspercentage van 28%.

1.3.

Eiser heeft een taxatierapport laten opstellen door [naam taxateur] van [kantoor taxateur] . Het taxatierapport luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“8. Grondslag voor de waardebepaling:

(…)

Door geen waardig vergelijk te kunnen maken en het ontbreken van een “koerslijst / handelsinkoop waarde” van dit voertuig. Is door zijn leeftijd en exclusiviteit het redelijk wijs dat hier de restwaarde kan worden bepaald aan de hand het percentage van de afschrijvingspercentage 28%

Nieuwprijs in Nederland € 474.917,00 -/- 28% = 341.940,00 / 474.917 X € 97.257,00 = € 70.024,00

(…)

Er zijn geen 100% sluitende referentievoertuigen te vinden. Wel de hier bovenstaande voertuigen met een gemiddelde kilometerstand van ongeveer 25.000km. Daar is al goed uit af te leiden dat deze voertuigen met 25.000km al voor 50% in waarde zijn gezakt.

Voorts vermeldt het taxatierapport dat de tellerstand ten tijde van de taxatie op 13 april 2017, 474 kilometer bedroeg.

1.4.

De Ferrari is op 21 april 2017 door de RDW gekeurd.

1.5.

Bij e-mail van 26 april 2017, 15:04 uur, is eiser in opdracht van verweerder door Domeinen Roerende Zaken (hierna: Domeinen) opgeroepen om de Ferrari voor controle van de aangegeven waarde te tonen op de locatie van Domeinen te Hoogeveen.

1.6.

Eiser heeft de Ferrari op 2 mei 2017 getoond bij Domeinen. Het door Domeinen opgestelde ‘Onderzoek waardebepaling’ met dagtekening 19 mei 2017 bevat onder meer de volgende gegevens:

“2. Algemene voertuiggegevens:

(…)

Kilometerstand

i. Opgegeven kilometerstand

510 km

(…)

3b. Netto catalogusprijs

Netto catalogusprijs

€ 225.486

Waarde overige opties en accessoires

€ 74.200

Totaal netto catalogusprijs

€ 229.686

(…)

5c Bevindingen/opmerkingen t.a.v. de opgegeven waardevermindering

Vastgesteld door beoordelaar

De Co2 uitstoot is 380 gram volgens het RDW. Het betreft geen HELE uitvoering. De aangever heeft vermeld in de aangifte een Co2 van 350 gram en dat het wel een Hele uitvoering is. De aangever heeft hierdoor een historisch bruto bpm bedrag van € 97.257,- terwijl dit € 111.597,- moet zijn.

Bij 6a in de aangifte heeft de aangever voor het afschrijvingspercentage de nieuwprijs wel op € 474.917 staan. Dit bedrag is nagenoeg gelijk aan de nieuwwaarde van DRZ.

Er zijn geen koerslijsten beschikbaar die het juiste model aangeven. De aangever heeft in ATP een Hele uitvoering gekozen. Dit is ook het enige type wat beschikbaar is.

Voor de afschrijving is dus de nieuwaarde juist. Maar dit percentage wordt over het verkeerde historische bruto BPM bedrag berekend.

De auto heeft geen zichtbare schade zie overzichtsfoto’s.

Het voertuig is zo goed als nieuw en heeft een zeer lage kilometerstand.

Handelsinkoopwaarde referentievoertuig (incl OB) (4d)

€ 360.000,-

Gecorrigeerde schadecalculatie

DRZ (incl OB) (5b2)

€ 0,-

Handelsinkoopwaarde voertuig

(incl OB)

€ 360.000,-

(…)”

1.7.

Voor de Ferrari is kenteken [kenteken] afgegeven. De datum van de tenaamstelling in het kentekenregister is 4 mei 2017.

1.8.

Bij brief van 11 januari 2019 heeft verweerder eiser aangekondigd voornemens te zijn een naheffing bpm en een boete op te leggen. De aangekondigde naheffing bpm bedraagt € 41.572. De boete bedraagt € 4.157, zijnde 10% van het na te heffen bedrag.

1.9.

Met dagtekening 4 april 2019 heeft verweerder aan eiser de aangekondigde naheffingsaanslag en boete opgelegd. Verweerder heeft ter zake van de naheffingsaanslag bij beschikking € 2.119 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.10.

Bij uitspraak op bezwaar van 4 november 2019 heeft verweerder de boete vernietigd. De naheffingsaanslag en beschikking belastingrente heeft verweerder ongewijzigd in stand gelaten.

1.11.

Op het Italiaanse kentekenbewijs van de Ferrari staat bij onderdeel (k) eerst ‘OEZFF12EST01’ en daaronder vervolgens ‘e24*KS07/46*0077*01’ vermeld.

1.12.

Op het duplicaat van het voor de Ferrari door de fabrikant afgegeven certificaat van overeenstemming (hierna: cvo) staat bij onderdeel 49 vermeld dat de gemiddelde CO2uitstoot 380 gram/kilometer is.

Geschil

2. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht dan wel niet te hoog is vastgesteld. Meer specifiek gaat het om het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is sprake van een nieuw of gebruikt voertuig?

  2. Op basis van welke CO2-uitstoot moet de bruto bpm berekend worden?

3. Ook is in geschil of verweerder terecht belastingrente in rekening heeft gebracht.

4. Niet in geschil is:

  • -

    als sprake is van een gebruikt voertuig heeft eiser terecht de bpm berekend met toepassing van een afschrijving van 28%;

  • -

    als de bruto bpm op basis van een CO2-uitstoot van 350 gram/kilometer berekend moet worden bedraagt de bruto bpm € 97.257;

  • -

    als de bruto bpm op basis van een CO2-uitstoot van 380 gram/kilometer berekend moet worden bedraagt de bruto bpm € 111.597.

Beoordeling

Eerste vraag: Is sprake van een nieuw of gebruikt voertuig?

5. Eiser stelt dat sprake is van een gebruikt voortuig. Uit de kilometerstand ten tijde van de registratie, en het gegeven dat het om een exclusieve auto gaat, volgt reeds dat het voertuig niet als nieuw te beschouwen is. Ook uit het gegeven dat beide taxateurs tot forse afschrijvingen concluderen volgt dat geen sprake is van een nieuw voertuig. Uit jurisprudentie volgt voorts dat voor de berekening van de bpm rekening gehouden moet worden met de werkelijke waarde van het voertuig. Gelet op de taxaties kan verweerder daarom niet uitgaan van de nieuwwaarde. Tot slot wijst eiser erop dat hij altijd kan terugvallen op de tabelafschrijving welke in dit geval ook 28% bedraagt, aldus eiser.

6. Verweerder stelt dat sprake is van een nieuw voertuig. Volgens vaste rechtspraak moet onder een nieuw voertuig verstaan worden een voertuig dat na vervaardiging niet of nauwelijks is gebruikt. De grens ligt daarbij op 1.000 kilometer op de teller tenzij er sprake is van gebruikssporen.1 Nu de auto ten tijde van de registratie 9 maanden oud is, 510 kilometer op de teller heeft staan, en geen zichtbare schade heeft, moet deze als een nieuw voertuig beschouwd worden, aldus verweerder.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Voor gebruikte personenauto’s wordt op de voet van artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet bpm een vermindering toegepast op de bpm. Voor het antwoord op de vraag of deze vermindering kan worden toegepast, is beslissend in welke staat (nieuw of gebruikt) de auto verkeert op het tijdstip waarop het belastbare feit voor de bpm plaatsvindt. Dat is het tijdstip van de registratie van het motorrijtuig in het kentekenregister. Indien in geschil is of de auto op het moment van het belastbare feit in gebruikte staat verkeert, rusten de stelplicht en de bewijslast daarvan op de belanghebbende die zich op de vermindering van bpm beroept.2

8. In zijn arrest van 16 oktober 2020 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:3

2.4.2 Met een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet is bedoeld de personenauto die in het buitenland geregistreerd is geweest met het oog op toelating op de weg en die ook daadwerkelijk aldaar op de weg in gebruik is geweest. Daarom blijft de personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg is gebruikt, voor de toepassing van artikel 10, lid 1, van de Wet aangemerkt als een nieuwe personenauto. Dat een personenauto door de (ver)koper daadwerkelijk in het buitenland op de weg in gebruik is geweest, valt op te maken uit het aantal gereden kilometers van de auto. De omstandigheden dat een personenauto eerder in een andere lidstaat geregistreerd is geweest, dat sinds de vervaardiging van de auto zodanige tijd is verstreken dat de fabrieksgarantie is verlopen, dat het gaat om een verouderd model personenauto, of dat een personenauto voorafgaande aan de eerste ingebruikneming op de weg schade in welke vorm dan ook heeft opgelopen, kunnen noch op zichzelf, noch tezamen de conclusie rechtvaardigen dat die personenauto daadwerkelijk op de weg in gebruik is geweest. Die omstandigheden kunnen weliswaar voor een ongebruikte personenauto ten opzichte van de catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet een waardedaling betekenen, maar dat heeft geen invloed op de hoogte van de verschuldigde bpm, zo volgt uit artikel 9, lid 1, van de Wet.

9. Uit de hiervoor aangehaalde overweging volgt naar het oordeel van de rechtbank dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gebruikte of nieuwe personenauto in de zin van de Wet bpm enkel van belang is of de auto na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg in gebruik is geweest. Of sprake is van niet of nauwelijks op de weg gebruikt kan opgemaakt worden uit het aantal met de auto gereden kilometers. De rechtbank merkt daarbij op dat ‘nauwelijks’ in het spraakgebruik zeer dicht tegen ‘niet’ aanzit.

10. Tussen partijen staat vast dat de Ferrari ten tijde van het belastbaar feit ten minste 510 kilometer op de teller had staan (zie 1.6.). De rechtbank stelt voorop dat dan in ieder geval geen sprake is van een auto die niet op de weg in gebruik is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan van een auto die reeds 510 kilometer heeft gereden ook niet gezegd worden dat deze nauwelijks op de weg in gebruik is geweest. Gelet op het voorgaande moet de auto voor de bpm aangemerkt worden als een gebruikt voertuig.4

Tweede vraag: Op basis van welke CO2-uitstoot moet de bpm berekend worden?

11. Verweerder stelt dat de CO2-uitstoot een individueel kenmerk van de auto is. De CO2uitstoot is van verschillende factoren afhankelijk. De RDW heeft aangegeven dat de CO2-uitstoot 380 gram/kilometer is. Dat staat eveneens vermeld in de cvo (certificaat van overeenstemming). Verder stelt verweerder dat van de Ferrari F12 Berlinetta verschillende typen in Nederland zijn geregistreerd. Alle Ferrari F12 Berlinetta’s van het typegoedkeuringsnummer e24*KSO7/46*0077*01, waaronder eisers Ferrari, hebben als CO2-uitstoot 380 gram/kilometer geregistreerd staan.

12. Eiser stelt dat hij mag uitgaan van een CO2-uitstoot van 350 gram/kilometer, zoals vermeld op het buitenlandse (Italiaanse) kentekenbewijs.5 Volgens eiser is het gebruikelijk dat de RDW de CO2-uitstoot overneemt uit het buitenlandse kentekenbewijs.6 Om te voorkomen dat uitgegaan wordt van een te hoge CO2uitstoot, en daarmee een hogere heffing dan op concurrerende auto’s, moet uitgegaan worden van de CO2-uitstoot in het buitenlandse kentekenbewijs.7

13. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm luidde in 2017:

Voor de toepassing van artikel 9, dertiende lid, van de wet blijkt de omvang van de emissie van CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:

a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;

b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven: de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994;

c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring van de auto, waarbij de CO2-emissie is gemeten overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften;

d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de CO2-emissie van de auto blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.

14. In dit geval is zowel een typegoedkeuringsnummer als het cvo beschikbaar. Uit beide volgt dat de CO2-uitstoot 380 gram/kilometer is. Gelet op de hiervoor aangehaalde bepaling moet dan voor de berekening van de bpm uitgegaan worden van een CO2-uitstoot van 380 gram/kilometer.8

15. De rechtbank begrijpt eisers verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Den Haag van 22 december 2020 zo dat hij stelt dat – door de werkwijze van de RDW – in Nederland mogelijk identieke Ferrari’s F12 Berlinetta rondrijden waarover minder bpm is geheven omdat is uitgegaan van een CO2uitstoot van 350 gram/kilometer.

16. Naar het oordeel van de rechtbank is daar geen sprake van. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Ten eerste volgt uit de uitspraak waar eiser op wijst niet dat de RDW altijd uitgaat van het buitenlandse kentekenbewijs ter bepaling van de CO2uitstoot. Ten tweede volgt uit het door verweerder opgestelde overzicht dat alle in Nederland geregistreerde Ferrari’s F12 Berlinetta met het typegoedkeuringsnummer e24*KSO7/46*0077*01 geregistreerd zijn met een CO2-uitstoot van 380 gram/kilometer.9 De Ferrari’s F12 Berlinetta die geregistreerd zijn met een CO2-uitstoot van 350 gram/kilometer hebben allemaal een ander typegoedkeuringsnummer.

17. Eisers beroep op de conclusie van A-G IJzerman slaagt evenmin. In die zaak stond vast dat de CO2-uitstoot bepaald moest worden op de in artikel 6a, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling bpm voorgeschreven wijze. Nu voor eisers Ferrari zowel een typegoedkeuring als een cvo beschikbaar is, kan de CO2-uitstoot niet op basis van artikel 6a, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling bpm bepaald worden.

Conclusie ten aanzien van de bpm

18. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de naheffingsaanslag terecht doch naar een te hoog bedrag opgelegd. De rechtbank vermindert de nageheven bpm tot een te betalen bedrag aan belasting van € 10.324 (€ 111.897 -/- 28% afschrijving = € 80.349 -/- € 70.025 reeds aangegeven bpm = € 10.324).

Belastingrente

19. Eiser stelt dat ten onrechte belastingrente in rekening is gebracht. Eiser stelt dat het in rekening brengen van belastingrente in strijd is met het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel. Met het rapport van Domeinen (zie 1.6.) beschikte verweerder eind mei 2017 reeds over alle voor de naheffing benodigde gegevens. Er is zonder reden twee jaar gewacht met het opleggen van de naheffingsaanslag. Daarom moet de beschikking belastingrente vernietigd worden, aldus eiser.10

20. Verweerder stelt onder verwijzing naar artikel 30h van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening is gebracht.

Beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel

21. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn arrest van 28 maart 2001 heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:11

3.2. Voor het Hof was in geschil of terecht heffingsrente is berekend over de omzetbelasting welke belanghebbende verschuldigd is geworden in de jaren 1991 en 1992. Het Hof heeft geoordeeld dat vanwege onzorgvuldig handelen van de belastingdienst heffingsrente slechts mag worden berekend over de tot en met 30 juni 1992 verschuldigd geworden omzetbelasting.

3.3.

Bij de beoordeling van de tegen voormeld oordeel gerichte middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Bij de heffing van omzetbelasting ligt het initiatief bij de belastingplichtige. Hij dient uit eigen beweging de belasting op aangifte te voldoen, en door de belasting tijdig te voldoen kan hij voorkomen dat heffingsrente wordt verschuldigd. Slechts indien en voorzover voldoening uit eigen beweging om bij de belastingdienst gelegen redenen niet mogelijk is of door de belastingdienst niet wordt gewenst, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel mee dat geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht. Voorts kunnen onder omstandigheden ook het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel nopen tot het achterwege laten of beperken van de berekening van heffingsrente.

22. Nu de bpm eveneens een aangiftebelasting is, acht de rechtbank deze rechtsregel hier ook van toepassing. Omdat gesteld noch gebleken is dat verweerder de tijdige en volledige voldoening van de verschuldigde belasting heeft belemmerd, slaagt eisers beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel niet.

Beroep op het vertrouwensbeginsel

23. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Uit enkel het tijdsverloop tussen het door Domeinen opstellen van het rapport en het door verweerder opleggen van de naheffingsaanslag kan naar het oordeel van de rechtbank niet het vertrouwen ontleend worden dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen belastingrente in rekening zou worden gebracht.

24. Ten aanzien van eisers verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1993 overweegt de rechtbank dat de ten grondslag aan dat arrest liggende feiten niet vergelijkbaar zijn met de feiten in deze zaak. Het arrest gaat voorts over gewekt vertrouwen ten aanzien van het gebruik maken van de naheffingsbevoegdheid. Ook dat is wezenlijk wat anders dan het berekenen van belastingrente.

Beroep op het evenredigheidsbeginsel

25. Voor zover eiser heeft bedoeld zich eveneens te beroepen op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft geen beleidsvrijheid ten aanzien van de belastingrente zodat hij ook geen belangenafweging kan maken. De belastingrente volgt immers rechtstreeks uit de wet. Gelet daarop slaagt ook een eventueel beroep op het evenredigheidsbeginsel niet.12

26. Ten aanzien van eisers verwijzing naar de uitspraak van Rechtbank NoordNederland van 28 mei 2019 overweegt de rechtbank dat die zag op een andere situatie. In dat geval was door verweerder een naheffingsaanslag aangekondigd, maar liet de formalisering van die naheffingsaanslag circa tweeëneenhalf jaar op zich wachten. In eisers geval bedraagt het tijdsverloop tussen de aankondiging en het opleggen van de naheffingsaanslag circa drie maanden.

27. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen (zie 21. t/m 26.), slagen eisers beroepsgronden tegen de belastingrente niet.

Vermindering belastingrente

28. Omdat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de naheffingsaanslag volgt, en de met de beschikking belastingrente samenhangende naheffingsaanslag zal worden verminderd, zal de rechtbank de belastingrente dienovereenkomstig verminderen.

Conclusie

29. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar behoudens de beslissing over de kostenvergoeding. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 10.324. De rechtbank vermindert de belastingrente dienovereenkomstig.

30. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

31. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

Verzoek immateriële schadevergoeding

32. Eiser heeft voorts ter zitting verzocht om een immateriële schadevergoeding voor het geval de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg overschreden wordt.

33. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep.13

34. Verweerder heeft eisers bezwaar op 26 maart 2021 ontvangen. Er is tot op het moment van deze uitspraak nog geen twee jaar verstreken. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan van een kortere termijn uitgegaan zou moeten worden zijn gesteld noch gebleken. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om een immateriële schadevergoeding toe te wijzen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar behoudens de beslissing over de kostenvergoeding;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 10.324;

  • -

    vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174 aan eiser te vergoeden en

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier, op 25 maart 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

w.g. griffier w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden .

1 Verweerder wijst hierbij op Gerechtshof Amsterdam 15 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:89 en Gerechtshof Den Haag 12 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3711.

2 Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden 17 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9543.

3 Hoge Raad 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528.

4 Vergelijk Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden 17 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9543.

5 Eiser wijst hierbij op de conclusie van A-G IJzerman van 25 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:946.

6 Eiser wijst hierbij op rechtsoverweging 14 van Rechtbank Den Haag 22 december 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12941.

7 Eiser wijst hierbij op rechtsoverwegingen 4.4 t/m 4.6 van Gerechtshof ArnhemLeeuwarden 8 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10182.

8 Vergelijk Gerechtshof ’sHertogenbosch 6 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5166.

9 Bijlage 16 bij het verweerschrift.

10 Eiser wijst hierbij op Hoge Raad 10 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5258, Hoge Raad 28 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0764, en de uitspraak van Rechtbank NoordNederland van 28 mei 2019 in zaaknummer LEE 18/2928 (niet gepubliceerd).

11 Hoge Raad 28 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0764.

12 Vergelijk rechtsoverweging 5.7 van Gerechtshof Amsterdam 13 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4922.

13 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.