Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:885

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
8930791 ER VERZ 20-106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De legitieme portie wordt op grond van de redelijkheid en billijkheid in afwijking van het uitgangspunt berekend aan de hand van de waarde van het vermogen aan het einde van de vereffening. De kantonrechter is van oordeel dat het onverkort vasthouden aan de letter van artikel 4:6 BW in samenhang met artikel 4:65 BW in dit geval tot het onaanvaardbare, onevenwichtige resultaat zou leiden dat de erfgenamen/legitimarissen het nakijken hebben en de legatarissen wel een deel van hun legaat ontvangen.

Het is de bedoeling van de wetgever met de legitieme portie een gedeelte van de waarde van het vermogen van erflater voor de legitimaris veilig te stellen. Daarom heeft een legitieme aanspraak voorrang op een legaat. Op de datum van overlijden was niet inzichtelijk wat de omvang van de nalatenschap was. Wel was de inschatting dat de nalatenschap negatief zou zijn. Het is alleen aan de inspanningen van de vereffenaars en de bemoeienissen van de voornaamste schuldeiser te danken dat na enkele jaren de nalatenschap positief is geworden. Was het anders gelopen en waren de vereffenaars bijvoorbeeld direct overgegaan tot liquidatie van de onderneming, dan had de legataris ook niets gehad. Het argument dat een legitimaris geen bemoeienis heeft met de nalatenschap en dat een waardestijging of daling hem niet aangaat, gaat in deze situatie niet op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 8930791 \ ER VERZ 20-106

beschikking van de kantonrechter van 2 maart 2021

in de zaak van

[opposant] ,

wonende te [woonplaats] ,
opposant,
hierna te noemen: [opposant] ,
gemachtigde: mr. G. Raaben,

tegen

1 mr AJ van Bekkum,

notaris te Assen,

2. [legataris 1],
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. P. van Boven,

beiden in hun hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap
[erflater] ,
geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] ,
overleden op [datum] 2016 in de gemeente [gemeente] ,

laatst wonende te [gemeente] [plaats] aan de [adres] .

1 Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de slotuitdelingslijst en de rekening en verantwoording van 29 oktober 2020, gepubliceerd op 17 november 2020 in de Staatscourant
- het verzetschrift van 16 december 2020 met bijlagen
- het verweerschrift van 25 januari 2021 met bijlagen
- de mondelinge behandeling gehouden op 2 februari 2021 waar [opposant] is verschenen, bijgestaan door mr. Raaben en waar mr. Van Bekkum en [legataris 1] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Boven. Van deze behandeling heeft de griffier aantekeningen gehouden.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

Waar gaat het om in deze zaak?
2.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de bezwaren die [opposant] heeft tegen de door de vereffenaren opgestelde uitdelingslijst terecht zijn en of de uitdelingslijst vernietigd moet worden dan wel in stand kan blijven. Het grootste bezwaar van [opposant] is gericht tegen de legitieme portie.

Wat is de achtergrond van deze zaak?
2.2. De volgende feiten zijn hier van belang:
a. Erflater heeft in zijn testament zijn twee zoons tot erfgenamen benoemd onder bezwaar van acht legaten. Hij heeft zijn ondernemingsvermogen gelegateerd aan [legataris 1] en de heer [legataris 2] met uitzondering van het vermogen dat gaat over de vennootschap waarin de pensioenvoorziening is opgebouwd en het vermogen dat betrekking heeft op het Landgoed "De Dodshoorn". Dit vermogen zag erflater als privévermogen dat moet toekomen aan zijn erfgenamen. Daarnaast heeft hij aan zes personen en twee stichtingen geldbedragen gelegateerd. [opposant] is één van die legatarissen.

b. De nalatenschap is door de twee zoons van erflater beneficiair aanvaard omdat het vermoeden bestond dat deze negatief was. Zo stond de onderneming onder bijzonder beheer bij de Rabobank. Vanwege de beneficiaire aanvaarding moest de nalatenschap worden vereffend. Daarvoor zijn bij beschikking van 10 maart 2017 mr. Van Bekkum en mevrouw [legataris 1] als vereffenaars benoemd. De erfgenamen hebben zich beroepen op hun legitieme portie.

c. De onderneming Terra Beheer B.V. is in delen verkocht, in overleg met de Rabobank als belangrijkste schuldeiser. De onderneming is door een deskundige gewaardeerd en door een tweede deskundige is de waardering beoordeeld.

d. Op 29 oktober 2020 zijn de rekening en verantwoording en uitdelingslijst gedeponeerd en op 17 november 2020 zijn beiden in de Staatscourant gepubliceerd. Aan [opposant] is in het testament een legaat van € 246.568,44 toegekend. Volgens de uitdelingslijst krijgt zij (naar rato) € 25.882,87. Ook de andere legatarissen krijgen een deel naar rato van hun legaat.

e. De vereffening is bijna afgerond en daarom heeft de vereffenaar een rekening en verantwoording en een slotuitdelingslijst opgesteld en gepubliceerd.


Wat zijn de bezwaren van [opposant] ?

2.3.

[opposant] is het niet eens met de uitdelingslijst en zij heeft daarom (tijdig) verzet aangetekend. Zij heeft ter zitting de volgende bezwaren naar voren gebracht:
1. de berekening van legitimaire aanspraak.

Volgens [opposant] zijn de vereffenaars bij de berekening van de legitimaire aanspraak van een onjuiste peildatum uitgegaan. Zij hebben de legitieme porties berekend naar de stand van de boedel op 29 oktober 2020 maar op grond van artikel 4:65 BW in samenhang met artikel 4:6 BW hadden ze uit moeten gaan van de datum van overlijden. Omdat de nalatenschap op dat moment negatief was, had de legitieme portie op nihil gesteld moeten worden. [opposant] stelt dat in de jurisprudentie het uitgangspunt dat de legitieme portie wordt gefixeerd op de overlijdensdatum, wordt onderschreven. De omvang van de legitieme portie wordt volgens haar niet beïnvloed door waardevermeerderingen van de nalatenschap. Voor toepassing van de redelijkheid en billijkheid is geen plaats, omdat het systeem nu eenmaal zo werkt.
2. de uitkering van de levensverzekering.

Als het al zo is dat de legitieme portie aan de hand van het actuele saldo moet worden berekend, dan meent [opposant] dat de uitkering van € 102.788,156 die de erfgenamen op 1 december 2016 hebben ontvangen, hierop in mindering moet strekken op grond van artikel 4:71 BW. [opposant] kan niet met elkaar rijmen dat de erfgenamen enerzijds als begunstigden staan vermeld maar dat anderzijds wordt gezegd dat sprake is van een natuurlijke verbintenis. Volgens [opposant] was de relatie met de beide zoons helemaal niet goed en was erflater zelfs van plan hen te onterven en daarom heeft zij vraagtekens bij de gang van zaken.

3. berekening legaat ondernemingsvermogen:
[opposant] kan zich niet vinden in de berekening van het legaat ondernemingsvermogen en daarmee niet in het saldo van de nalatenschap dat uitgangspunt is voor de vermindering van de legaten in contanten. Volgens haar is onjuist dat enerzijds het legaat ondernemingsvermogen is gewaardeerd op € 125.000,00 terwijl volgens de uitdelingslijst de totale waarde van de legaten is berekend op € 2.715.000,00 uitgaande van een ondernemingsvermogen van € 1.990.000,00. Volgens [opposant] is de totale waarde van de legaten € 725.000,00 vermeerderd met € 125.000,00 samen € 850.000,00.

4. uitkering van het legaat ondernemingsvermogen.
[opposant] stelt dat het vreemd is dat [legataris 1] en [legataris 2] enerzijds het legaat al hebben ontvangen, maar zij anderzijds toch weer op de uitdelingslijst zijn vermeld.

5. de waardering van de aandelen A.
[opposant] stelt dat de waardering van het niet tot het legaat behorende ondernemingsvermogen, bestaande uit het landgoed en het pensioenvermogen, onjuist, dan wel onduidelijk is. Het landgoed is gewaardeerd op € 481.488 en de kunstverzameling op € 26.709. [opposant] vraagt zich af waarom dit bedrag niet op de uitdelingslijst staat en hoe het kan dat in de stukken ook staat dat de waarde van de kunst ruim € 200.000,00 zou bedragen. Volgens [opposant] is de opbrengst daarmee hoger dan de € 410.838,00 die is vermeld.
heeft in haar verzoekschrift verder gesteld dat het verloop van de vereffening niet duidelijk en inzichtelijk is gemaakt, zodat de rekening en verantwoording niet juist is.

Wat is het standpunt van de vereffenaars?
2.4. De vereffenaars menen dat de uitdelingslijst op een goede manier tot stand is gekomen en dat de bezwaren van [opposant] geen wijziging van de uitdelingslijst rechtvaardigen. Zij hebben de bezwaren van [opposant] als volgt tegengesproken:
1. de berekening van legitimaire aanspraak.

De vereffenaars menen primair dat de huidige waarde van de nalatenschap al lag besloten in de omvang en de samenstelling van de boedel op de datum van het overlijden. Op dat moment is ingeschat dat de nalatenschap negatief was, maar door een zorgvuldige afwikkeling is de latent aanwezige waarde zichtbaar geworden.
Voor zover dit anders zou zijn, menen zij dat uit de wetsgeschiedenis en de redelijkheid en billijkheid volgt dat de voorrangspositie van het kind prevaleert boven een legaat. Zij verwijzen naar een artikel van prof. mr. T.J. Mellema-Kranenburg. Het zou volgens hen in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid om aan een kind van de erflater niets uit te keren, terwijl de legataris wel een bedrag ontvangt.

2. de uitkering van de levensverzekering.

De in 2016 aan de erfgenamen overgemaakte bedragen kwamen niet uit de nalatenschap maar zijn afkomstig van de levensverzekering waarvan de erfgenamen begunstigde waren, aldus de vereffenaars. Daarmee is sprake van een zelfstandig recht. De vereffenaars hebben geconcludeerd dat dit de legitieme portie niet raakt. Ter zitting hebben de vereffenaars een toelichting overgelegd over hun keuze om de uitkering bij de berekening van de legitieme portie buiten beschouwing te laten.

3. berekening legaat ondernemingsvermogen:
De vereffenaars hebben toegelicht dat de aandelen zijn gewaardeerd op € 125.000,00 en dat de overige aandelen € 410.000,00 hebben opgeleverd. Naar het oordeel van de vereffenaar was er daarom op de peildatum sprake van een waarde van € 535.000,00. De vereffenaars hebben uitgelegd dat de waarde van het legaat in relatie staat ten opzichte van het bedrijf en dat het niet gaat om de waardering van het bedrijf zelf. Op basis van de toen aanwezige kennis is de waarde van het legaat op € 125.000,00 geschat. De vereffenaars verwijzen naar het bij bijlage 2 gevoegde staatje.

4. uitkering van het legaat ondernemingsvermogen.
De waardering is geschat op € 125.000,00 maar daarbij is een clausule over meer/minder-waarde opgenomen. Uiteindelijk is de waardering hoger uit gekomen en hebben zij recht op nog een gedeeltelijk uitkering van het legaat.
5. de waardering van de aandelen A.

De vereffenaars voeren aan dat sprake is van een misverstand. Er zijn namelijk twee kunstverzamelingsobjecten. Een deel zit in de onderneming en vertegenwoordigde een waarde van € 26.000,00. De andere verzameling behoort tot het privévermogen, net als de auto's op het moment van overlijden aanwezig, en deze is gewaardeerd op ongeveer € 200.000,00. In overleg met een deskundige is besloten om de omvangrijke collecte niet ineens op de markt te brengen.
De vereffenaars zijn bereid om een nadere uitleg en onderbouwing te geven over de keuzes die zij hebben gemaakt bij de afwikkeling van deze omvangrijke nalatenschap.

2.5.

De kantonrechter moet beoordelen of de bezwaren van [opposant] tegen de uitdelingslijst gegrond zijn. Daarbij moet de kantonrechter vaststellen of de uitdelingslijst juist is. Op grond van artikel 4:218, vijfde lid, vinden bij het verzet tegen de uitdelingslijst de in de Faillissementswet voorkomende voorschriften zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing. De kantonrechter zal de bezwaren van hierna per post bespreken.
2.6. Ter zitting hebben partijen verklaard dat het hen vooral gaat om een oordeel van de kantonrechter over de legitieme portie. Wat een nadere verantwoording en uitleg van de vereffening - in het bijzonder de waardering van de onderneming - betreft, hebben de vereffenaars toegezegd [opposant] buiten de rechtbank om te informeren en zo nodig stukken te zullen toesturen. Partijen hebben de kantonrechter daarom gevraagd om een tussenbeschikking. Naar aanleiding van de uitleg over de kunstvoorwerpen, handhaaft [opposant] het bezwaar onder 5 niet langer.


bezwaar 1: de legitieme portie
2.7. Niet in geschil is dat in beginsel op grond van artikel 4:6 BW in samenhang met artikel 4:65 BW de legitieme porties berekend moet worden over de waarde van de goederen van de nalatenschap op de het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater. Dit artikel geeft het tijdstip aan, maar biedt geen maatstaf voor de waardering van die waarde.

2.8.

Zowel een legitimaris als een legataris hebben een verbintenisrechtelijke aanspraak. Dat betekent dat op de verhouding tussen de legitimaris en de legataris als schuldeisers en de erfgenamen als schuldenaren artikel 6:2 BW van toepassing is. Op grond van deze bepaling zijn de erfgenamen (tevens legitimarissen) enerzijds en [opposant] als legataris anderzijds verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid en is een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Artikel 3:12 BW bepaalt dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken (zie Hof Arnhem-Leeuwarden 8 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9251).

2.9.

De kantonrechter is van oordeel dat de door de vereffenaars aangevoerde feiten en omstandigheden in dit geval rechtvaardigen dat de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ertoe leiden dat in afwijking van het uitgangspunt de waarde van de legitieme portie wordt berekend aan de hand van de waarde aan het einde van de vereffening. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang.

2.10.

De kantonrechter stelt voorop dat het de bedoeling van de wetgever is geweest met de legitieme portie een gedeelte van de waarde van het vermogen van erflater voor de legitimaris veilig te stellen. De wet geeft in artikel 4:7 BW een legitieme aanspraak dan ook voorrang op een legaat. Op de datum van overlijden was niet inzichtelijk wat de omvang van de nalatenschap was en wat bijvoorbeeld de waarde van de omvangrijke kunstcollectie zou zijn. Wel was de inschatting dat de nalatenschap negatief zou uitkomen. Het is alleen aan de inspanningen van de vereffenaars en de bemoeienissen van de voornaamste schuldeiser te danken dat na enkele jaren de nalatenschap positief is geworden. Was het anders gelopen en waren de vereffenaars bijvoorbeeld direct overgegaan tot liquidatie van de onderneming, dan had [opposant] als legataris ook niets gehad. De kantonrechter is van oordeel dat het onverkort vasthouden aan de letter van artikel 4:6 BW in samenhang met artikel 4:65 BW in dit geval tot het onaanvaardbare, onevenwichtige resultaat zou leiden dat de erfgenamen/legitimarissen het nakijken hebben en de legatarissen wel een deel van hun legaat ontvangen. Anders dan de in de hiervoor aangehaalde uitspraak van het Hof het geval was, zijn de erfgenamen/legitimarissen als erfgenamen betrokken gebleven bij de afwikkeling van de nalatenschap omdat zij als beneficiair aanvaard hebbende erfgenamen zich hebben beroepen op hun legitieme portie. In de hoedanigheid van erfgenamen hebben zij de rechtbank verzocht twee vereffenaars te benoemen. Het argument dat een legitimaris geen bemoeienis heeft met de nalatenschap en dat een waardestijging of daling hem niet aangaat, gaat in deze situatie dan ook niet op.

2.11.

De conclusie is dat de vereffenaars op goede gronden hebben besloten de legitieme portie te berekenen op een datum aan het einde van de vereffening. Het bezwaar tegen de uitdelingslijst op dit onderdeel is ongegrond en kan niet leiden tot vernietiging van de uitdelingslijst.

bezwaar 2: de uitkering levensverzekering

2.12.

Op grond van artikel 7:188, eerste lid, BW, is het uitgangspunt dat een aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering (een levensverzekering is een sommenverzekering) die is aanvaard, als een gift wordt aangemerkt, tenzij het aanwijzen is gebeurd ter nakoming van een verbintenis anders dan uit schenking (een natuurlijke verbintenis). Is sprake van een gift, dan moeten de uitkeringen betrokken worden bij de afwikkeling van de nalatenschap, ofwel doordat de begunstiging op grond van artikel 4:126 en 4:127 BW als quasi-legaat in mindering moeten worden gebracht ofwel omdat zij bij de berekening van de legitieme portie moeten worden betrokken. De rekening en verantwoording en de uitdelingslijst zullen dan dienovereenkomstig aangepast moeten worden. Blijkt dat sprake is van een natuurlijke verbintenis, dan kunnen de begunstigen buiten de nalatenschap worden gehouden en kunnen de rekening en verantwoording en de uitdelingslijst in stand blijven.

2.13.

De vereffenaars stellen zich op het standpunt dat de uitkering buiten de afwikkeling van de nalatenschap kan worden gehouden omdat volgens hen sprake is van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Uit de stellingen van [opposant] leidt de kantonrechter af dat zij daarentegen meent dat de uitkeringen als giften moeten worden aangemerkt die van de legitieme portie moet worden afgetrokken. Zij betwist daarmee het bestaan van een natuurlijke verbintenis. In dat verband is van belang dat volgens [opposant] de relatie tussen erflater en de beide zoons niet goed was. Ter zitting hebben de vereffenaars gesteld dat erflater de uitdrukkelijke bedoeling had om de uitkering ten gunste aan de zoons te laten komen. In de toelichting van [legataris 1] staat dat er een onderliggend schuldgevoel aan ten grondslag ligt ('naar alle waarschijnlijkheid'). Die enkele toelichting acht de kantonrechter vooralsnog onvoldoende. Andere stukken, zoals het testament, een bewijs dat de levensverzekering daadwerkelijk direct (en niet door bijv. indeplaatsstelling) ten gunste van de zoons zou komen of de polisvoorwaarden van de levensverzekering, hebben de vereffenaars niet overgelegd.

2.14.

In het licht van de stukken en de stellingen over en weer, gaat de kantonrechter uit van het uitgangspunt dat een uitkering levensverzekering in beginsel als gift moet worden beschouwd en dat het aan de vereffenaars is om nader te onderbouwen waarom dat niet zo is, maar dat er een natuurlijke verbintenis bestaat. De kantonrechter zal hen daartoe in de gelegenheid stellen binnen een termijn van twee weken na deze uitspraak.


bezwaar 3 en 4: rekening en verantwoording

2.15.

Ter zitting hebben partijen aangegeven dat de vereffenaars ter toelichting op de rekening en verantwoording stukken zullen overhandigen aan [opposant] . Ze hebben de kantonrechter daarom verzocht om een tussenbeslissing te geven over de legitieme portie. De kantonrechter zal partijen in de gelegenheid stellen om zich eveneens binnen twee weken na deze tussenbeschikking uit te laten over de voortzetting van de procedure.

2.16.

De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.

Beslissing 1


De kantonrechter:

-
stelt de vereffenaars in de gelegenheid zich uit te laten zoals in rechtsoverweging 2.14 en 2.15 vermeld,

- stelt partijen in de gelegenheid om zich binnen twee weken na heden uit te laten over de voortzetting van deze procedure,

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gegeven door de kantonrechter mr. A.S. Venema-Dietvorst en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

typ: 361/cd

coll:

1 Beschikking verzonden op: Tegen deze beschikking is binnen acht dagen beroep in cassatie mogelijk (artikel 187 Faillissementswet).