Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:815

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
18/213008-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 337 gram cocaïne vanuit Aruba. Daarnaast heeft verdachte samen met anderen een hoeveelheid cocaïne aanwezig gehad.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. In strafmatigende zin heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop en de gezondheidstoestand van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/213008-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 maart 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 maart 2021.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. Bruinsma, advocaat te Lemmer. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.H.G. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 26 oktober 2018 tot en met 16 november 2018 te Norg, gemeente Noordenveld, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 337 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer (nog) onbekend gebleven perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 26 oktober 2018 tot en met 16 november 2018, te Norg, in de gemeente Noordenveld, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben/heeft gebracht, ongeveer 337 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 26 oktober 2018 tot en met 16 november 2019, te Norg, in de gemeente Noordenveld, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door (met bovenomschreven feit als doel):

- contact te leggen/maken met personen op Aruba, althans in het buitenland, en/of

- één of meer afspraken te maken met en/of tussen één of meer van bovengenoemde verdachte(n) en/of andere personen, en/of

- aan verdachte [medeverdachte 2] te vragen/verzoeken een of meer geldbedragen over te maken naar een bankrekening/persoon (op Aruba) (ter betaling van bovengenoemde cocaïne), en/of

- aan verdachte [medeverdachte 1] te vragen/verzoeken om een pakketje met bovengenoemde cocaïne (tezamen) in ontvangst te nemen, en/of

- zich op 16 november 2018 naar de woning aan de [adres] te Norg te begeven en/of hierbij verdachte [medeverdachte 2] mee te nemen, ten behoeve van de ontvangst van het pakketje met bovengenoemde cocaïne;

2.

hij op of omstreeks 16 november 2018 te Norg, gemeente Noordenveld tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 337 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair en 2. De officier van justitie heeft met betrekking tot feit 1 primair gesteld dat de pleegperiode dient te worden gewijzigd in 26 oktober 2018 tot 16 november 2018, omdat feit 2 moet worden gezien als een gevolgdelict.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten onder 1 en 2 ten laste gelegd. Mocht de rechtbank ten aanzien van feit 1 wel tot een bewezenverklaring komen, dan is de rol van verdachte volgens hem niet groter geweest dan die van de beide medeverdachten en is er sprake van medeplichtigheid. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet in zijn eigen woning was en het pakketje niet heeft aangenomen. Hij heeft het pakketje niet in handen gehad en heeft er om die reden geen beschikking over gehad. Hij heeft de inhoud zelfs niet kunnen verifiëren, omdat de politie meteen binnenviel nadat medeverdachte [medeverdachte 1] het pakketje had aangenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 2 maart 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 16 november 2018 was ik omstreeks 8.30 uur, samen met [medeverdachte 2] , in de woning van [medeverdachte 1] in Norg aan de [adres] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal 13 november 2018, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018299256 van 15 mei 2019, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Tijdens een op 9 november 2018 ingestelde reguliere Douane controle werd door medewerkers van de Douane een postzending aangetroffen waarin onder andere een hoeveelheid vermoedelijke cocaïne werd bevonden. Voormelde zending is ten behoeve van nader onderzoek overgedragen aan het CargoHarc-team te Schiphol. De zending bestond uit een enveloppe voorzien van pakketnummer EE000426500AW.
Als verzender stond op de zending vermeld: [naam] , [adres] ,
Aruba. Als ontvanger stond op de zending vermeld: [naam] , [adres] , Nederland.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 90 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Datum: 9 november 2018
Omstandigheden: Pakket met cocaïne is in beslag genomen door de douane van Schiphol.
Goednummer: PL0100-2018299256-1072837
Object: Verdovende mid (cocaïne)
Totale hoeveelheid: 0,337 kg.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal NFiDENT 14 november 2018, opgenomen op pagina 87 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 14 november 2018 werd door mij een onderzoek verricht aan een partij vermoedelijk verdovende middelen. Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende verricht, bevonden en waargenomen.
Goednummer: PL0100-2018299256-1072837
Omschrijving : Plastic sealbag met wit poeder
Netto gewicht (opgegeven): 337,76 gram
SIN Monster : AAMD7040NL

5. Een op pagina 89 van voornoemd dossier opgenomen deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2018.11.14.173, van 15 november 2018 opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als haar verklaring:

Kenmerk: AAMD7040NL

Omschrijving FO: 337,76 gram poeder, wit

Conclusie: bevat cocaïne

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen pseudokoop van 16 november 2018, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 16 november 2018 kreeg ik de opdracht om te gaan naar de [adres] te Norg. Daar zou [medeverdachte 1] woonachtig zijn. Naar zijn adres was een postpakket onderweg waar drugs in bleek te zitten. Het postpakket was afkomstig uit Aruba en bestemd voor een persoon genaamd [naam] , [adres] te Norg. Op voorhand had ik een foto gezien van [medeverdachte 1] wie staat ingeschreven op bovenstaand adres. Ik ben omstreeks 09:00 uur naar het adres [adres] te Norg gegaan om een postpakket van DHL te bezorgen. Hierbij droeg ik een opvallende DHL jas en pet en ik reed in een voertuig met reclame van DHL aan de voorzijde en zijkanten van het voertuig. Op het moment dat ik aan kwam rijden en de auto parkeerde zag ik dat de voordeur van de [adres] te Norg werd geopend. Ik zag dat er een man naar buiten kwam en ik herkende de man van de foto die ik had gezien. Ik zag dat het [medeverdachte 1] betrof. Ik liep naar de man toe en vroeg of hij [naam] heette omdat ik een postpakket voor hem had. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen dat hij [naam] heette. Hierop heb ik gevraagd of hij wilde tekenen voor ontvangst van het pakket. Ik hoorde hem zeggen dat dit goed was en ondertekende het formulier. Ik overhandigde het postpakket en zag dat [medeverdachte 1] het pakket aanpakte en direct weer de woning in liep.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 15 mei 2019, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 16 november 2018 werd de telefoon van verdachte [medeverdachte 1] in beslag genomen. Uit het onderzoek bleek dat in de telefoon het simkaartje zat met telefoonnummer [telefoonnummer] .
Op 16 november 2018 werd tevens de telefoon van verdachte [verdachte] in beslag genomen. Uit het onderzoek bleek dat in de telefoon het simkaartje zat met telefoonnummer [telefoonnummer] .
Op 15-11-2018 om 13:22:12 uur is er een WhatsApp gesprek tussen verdachte [medeverdachte 1] met telefoonnummer [telefoonnummer] en verdachte [verdachte] met telefoonnummer [telefoonnummer] .
In dit gesprek stuurt verdachte [medeverdachte 1] een foto waarin een nummer staat.
Zie onderstaande afbeelding.

(opmerking rechtbank: te zien is een afbeelding met de tekst "Amigo chek to mi e Numbers EE000426500AW please")
Bovenstaand nummer betreft het track en Trace nummer van het postpakket welke bezorgd zou worden op het adres [adres] te Norg.
Verdachte [medeverdachte 1] stuurt op 15-11-2018 om 14:30:42 een berichtje naar verdachte [verdachte] waarop een foto staat van een hand geschreven van briefje dat het morgen bezorgd wordt.
Op 15-11-2018 om 14:30:49 uur schrijft verdachte [medeverdachte 1] :
Morgen heb ik hem.
Zie je dat
Op 15-11-2018 om 15:59:54 uur schrijft verdachte [medeverdachte 1] :
Morgen kan je bij me zijn half negen in de morgen
Is zeker
Was gisteravond
Maar was er niet
Nu morgenvroeg
Kom maar half negen egt
Ja kan dat
Op 15-11-2018 om 16:01:44 uur schrijft verdachte [verdachte] :
Komt goed
Ik kom bij jou
Niet praten
Op 15-11-2018 om 16:01:50 uur schrijft verdachte [medeverdachte 1] :
Is goed
Zie je morgen
Op 15-11-2018 om 21:18:33 uur schrijft verdachte [verdachte] :
He
Moek alleen komen of?
Op 15-11-2018 om 21:19:02 uur schrijft verdachte [medeverdachte 1] :
Neem [naam] maar mee mag wel
Geen probleem
Als je half negen kan komen bij me is het wel goed

Uit bovenstaand gesprek is op te maken dat verdachte [medeverdachte 1] een pakketje verwachtte op het adres [adres] te Norg. Verdachte [medeverdachte 1] heeft over dit pakketje contact met verdachte [verdachte] . Men spreekt af om de volgende morgen samen te zijn op het adres [adres] te Norg alwaar het pakketje bezorgd zou gaan worden. Men spreekt ook tevens af dat [naam] ook moet komen. Met [naam] wordt waarschijnlijk bedoeld [medeverdachte 2] . In de woning was tijdens de aanhouding van verdachte [medeverdachte 1] en verdachte [verdachte] ook [medeverdachte 2] aanwezig. [medeverdachte 2] werd ook aangehouden.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van

16 november 2018, opgenomen op pagina 184 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 2] :

V: Vanmorgen ben je naar Norg gegaan. Met wie?
A: [verdachte] appte me om half acht of ik mee kon. We gingen naar [medeverdachte 1] .
V: Hoe laat waren jullie daar?
A: Ik denk dat het een uur of negen was.
V: En toen [verdachte] en jij bij [medeverdachte 1] waren, wat was er toen gebeurd?
A: Het was ineens boem-boem en toen was de politie er.

V: Wist je ook waar het om ging?
A: […] Vanwege het geld overmaken naar Aruba dacht ik aan coke. Dat het om coke ging.
V: Wat heeft [verdachte] te maken met drugs?
A: Hij snuift veel. Hij gebruikt dagelijks, ook als ik bij hem ben.
V: Wist jij van de drugs?
A: Gedeeltelijk. Ik weet dat hij met drugshandeltjes bezig is.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van

16 november 2018, opgenomen op pagina 188 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 2] :

V: Wie heeft de contacten gelegd met Aruba?
A: [verdachte] . Dat is [verdachte] .
V: Waarom heb je geld overgemaakt? Was dit op verzoek van [verdachte] ?
A: Ja. Ik heb de eerste storting 2 à 3 weken geleden gedaan en de tweede keer was een week geleden, de eerste keer ging als volgt: Ik kwam bij hem thuis. Hij vroeg mij of ik iets voor hem wilde overmaken. Ik zou hier 50 euro voor krijgen. Ik kreeg de beide keren 1000 Euro van [verdachte] . Ik kreeg een papiertje met een nummer mee. Als je het geld stort krijg je een nummer van de storting en dan kan een ander met dat nummer het geld ergens in de wereld zijn. Ik kreeg in de winkel een WhatsApp van [verdachte] met de gegevens waar het geld op gestort moest worden. Ik moest het sturen naar Aruba, Oranjestad en de naam van de persoon.
V: Wie heeft geregeld dat het pakketje bij [medeverdachte 1] werd afgeleverd?
A: Ik denk hij.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van

16 november 2018, opgenomen op pagina 147 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 1] :

Het pakketje werd bezorgd door DHL. Ik was gewoon thuis, aan de [adres] te Norg. De bezorger zei een naam en mijn adres, ik zei ja. Toen heb ik het aangepakt. Ik heb het binnen neergelegd. Mijn neef [verdachte] en [medeverdachte 2] waren bij mij in huis. Mijn neef had gezegd 'er komt een pakketje bij jou'. Ik moest even tekenen en klaar. Dat heb ik gedaan. Mijn neef heeft mij telefonisch verteld dat er een pakketje kwam.
V: Op welk telefoonnummer belde hij jou?
A: [telefoonnummer] .
V: Hoe staat hij in jouw telefoon?
A: [verdachte] .
V: Je hebt het binnen neergelegd op de salontafel... en toen?
A: Ik leg het pakketje neer, ik zeg 'hier alsjeblieft'. Dat zei ik tegen [naam] .
V: Wanneer hoorde jij voor het eerst van [naam] dat er een pakketje zou komen?
A: Ik hoorde dat deze week. Gisteren zag ik een pakketje in de brievenbus. Ik zei dat ze vandaag tussen 9 en 10 uur zouden komen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank de feiten 1 primair en 2 bewezen. Op basis van de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] acht de rechtbank bewezen dat het verdachte is geweest die ongeveer 337 gram cocaïne heeft geïmporteerd vanuit Aruba. [medeverdachte 2] heeft in opdracht van verdachte twee keer geld overgemaakt en [medeverdachte 1] heeft op verzoek van verdachte het pakketje uit Aruba in ontvangst genomen. Omtrent de aflevering van het pakketje op het adres van [medeverdachte 1] is een dag eerder telefonisch contact geweest tussen verdachte en [medeverdachte 1] . In de WhatsApp-gesprekken van 15 november 2018 wordt afgesproken dat verdachte om half negen de volgende dag bij [medeverdachte 1] zal zijn, samen met [medeverdachte 2] . Verdachte heeft verklaard dat hij op 16 november 2018 rond half negen in de woning van [medeverdachte 1] was. Verdachte en [medeverdachte 2] zijn beiden in de woning van [medeverdachte 1] aanwezig, als het pakketje op 16 november 2018 om negen uur wordt bezorgd. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de verklaring ter terechtzitting van verdachte dat hij de WhatsApp-gesprekken van 15 november 2018 niet heeft gevoerd en dat op 16 november 2018 slechts op visite was bij [medeverdachte 1] , niet geloofwaardig.

Uit het dossier blijkt dat het pakketje dat op 16 november 2018 in Norg is bezorgd, grotendeels uit koffiecreamer bestond en dus geen 337 gram cocaïne bevatte.1 De rechtbank zal daarom bewezen verklaren dat verdachte en zijn medeverdachten op 16 november 2018 een hoeveelheid cocaïne aanwezig hebben gehad.

Het aandeel van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft erin bestaan dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest voor verdachte door geldbedragen voor hem over te maken naar een persoon op Aruba ten behoeve van de aankoop van bovengenoemde cocaïne. Het aandeel van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft erin bestaan dat hij met verdachte afspraken heeft gemaakt omtrent de aflevering van het pakketje op het adres van medeverdachte [medeverdachte 1] en dat medeverdachte [medeverdachte 1] het pakketje in ontvangst heeft genomen. De rechtbank acht het aandeel van de medeverdachten onvoldoende om een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten vast te stellen, zodat de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het onderdeel van feit 1, dat hij het ten laste gelegde met een of meer anderen heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 26 oktober 2018 tot 16 november 2018 in Nederland opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 337 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 16 november 2018 te Norg, gemeente Noordenveld, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden. Bij het bepalen van de straf heeft de officier van justitie onder meer rekening gehouden met de richtlijnen van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) en het tijdsverloop.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een (grotendeels) voorwaardelijke straf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf niet passend is en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Verdachte is begin november 2018 aangehouden en heeft een paar dagen op het politiebureau vastgezeten. Vervolgens heeft het heel lang geduurd voordat verdachte is gedagvaard, terwijl het geen omvangrijk of ingewikkeld onderzoek betreft. Daarnaast heeft verdachte sinds kort een, op zijn handicaps, aangepaste woning en hij zal deze kwijtraken als hij de gevangenis in moet. De reclassering schat in dat de kans op recidive zal toenemen bij een onvoorwaardelijke straf. Verdachte is volgens de raadsman eerlijk geweest over het gebruik van (soft)drugs. Hij gebruikt hennep als pijnbestrijder en zo nu en dan speed.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering (Leger des Heils) van 16 december 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 337 gram cocaïne vanuit Aruba. Daardoor heeft hij het internationale verkeer van verdovende middelen bevorderd. Daarnaast heeft verdachte samen met anderen een hoeveelheid cocaïne aanwezig gehad.

Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, niet in de laatste plaats vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Het oriëntatiepunt van het LOVS dat ziet op de bestraffing van de invoer van 337 gram cocaïne is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie tot zes maanden. De rechtbank neemt deze straf als uitgangspunt.

Uit het rapport van 16 december 2020 blijkt dat de reclassering, gelet op de ontkennende proceshouding van verdachte, geen weloverwogen inschatting heeft kunnen maken van mogelijke verbanden tussen verdachte, zijn leefsituatie en de tenlastelegging. Voorts kan de reclassering niet het recidiverisico inschatten. De reclassering ziet wel risico's in de huidige leefomstandigheden van verdachte en zijn middelengebruik. Verdachte is ernstig ziek, heeft relationele problemen en schulden. De reclassering adviseert de oplegging van de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en ambulante begeleiding. De ambulante begeleiding zorgt ervoor dat verdachte ondersteuning krijgt bij het op orde brengen van praktische zaken zoals zijn financiële situatie. Een ambulante behandeling wordt geadviseerd om meer zicht te krijgen op het middelengebruik en delictgedrag van verdachte, zodat hij in de toekomst passende copingsvaardigheden ontwikkelt om problemen aan te pakken. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is zich aan de geadviseerde voorwaarden te houden. De rechtbank acht die voorwaarden nodig om de kans op herhaling te verkleinen.

In strafmatigende zin weegt de rechtbank, zwaarder dan de officier van justitie, mee dat het om feiten gaat die langere tijd geleden zijn gepleegd. Tevens ziet de rechtbank in de verslechterende gezondheidstoestand van verdachte aanleiding om grotere betekenis toe te kennen aan het waarschuwen van verdachte voor een volgende dreigende detentie. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte zijn aangepaste woning, die hij sinds kort heeft, zal verliezen bij een langdurige gevangenisstraf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd van 10 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. De daaraan te verbinden proeftijd zal 3 jaren zijn. Het importeren van cocaïne pleegt lucratief te zijn. De rechtbank wil verdachte weerhouden van recidive. Aan het voorwaardelijke deel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen veertien dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering van de Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN) op het adres Overcingellaan 19 te Assen en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat behandelen door de VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. dat de veroordeelde meewerkt aan ambulante begeleiding door de VNN of een

soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, onder andere om overzicht te krijgen op zijn financiële situatie.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. L.W. Janssen en

mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 maart 2021.

Mr. Van der Veen en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 proces-verbaal verdovende middelen, pagina 84 e.v. van het dossier