Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:790

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
8692511 CV EXPL 20-5514
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beroep op non-conformiteit paardenzadel. Klachttermijn van artikel 7:23 lid 1 Bw verstreken. Vordering tot ontbinding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rolnummer: 8692511 CV EXPL 20-5514

vonnis van de kantonrechter van 2 maart 2021

inzake

[eiser] ,

wonende te [adres] ,

eiser,

gemachtigde R. Kremer, Anker Rechtshulp B.V. te Groningen,

tegen

[gedaagde] , handelende onder de naam Zadelmakerij [gedaagde] ,

wonende te [adres] ,

gedaagde,

in persoon procederende.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 Procesgang

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 27 juli 2020,

- de conclusie van antwoord d.d. 17 augustus 2020 met producties,

- de conclusie van repliek d.d. 20 oktober 2020 met producties,

- de conclusie van dupliek d.d. 16 november 2020 met producties,

- de akte van uitlating producties d.d. 1 december 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De kantonrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten die tussen partijen vaststaan, omdat zij enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of niet voldoende zijn betwist.

2.2.

[gedaagde] heeft een eenmansbedrijf geëxploiteerd dat was gespecialiseerd in (onder meer) het vervaardigen van op maat gemaakte zadels ten behoeve van de ruitersport.

2.3.

[eiser] is eigenaar van het paard [naam] , welke merrie door zijn dochter ( [naam] ) is gebruikt voor de dressuursport.

2.4.

Op of omstreeks 24 augustus 2018 heeft [gedaagde] een voor [naam] op maat gemaakt zadel verkocht en geleverd aan [eiser] voor een bedrag van € 2.635,00. De koopprijs is voldaan middels de inruil van een zadel, waarvan de waarde door partijen op een bedrag van € 950,00 is bepaald en door betaling van de resterende koopsom van € 1.685,00.

2.5.

Als onderdeel van de koopovereenkomst heeft [gedaagde] op 1 november 2018 een nacontrole verricht, waarbij het met schapenwol gevulde zadel is bijgevuld.

2.6.

Op 1 maart 2019, 20 mei 2019 en 24 juli 2019 heeft [gedaagde] het zadel op verzoek van de dochter van [eiser] gecontroleerd omdat zij de indruk had dat het zadel kantelde.

2.7.

Op 20 februari 2020 heeft [gedaagde] vastgesteld dat het zadel krap begon te zitten.

2.8.

In opdracht van [eiser] heeft zadelmakerij [naam 2] op 14 april 2020 onderzoek naar het zadel verricht. In het door [naam 2] opgemaakte rapport is het volgende geschreven:

“(…) Wij hebben geconstateerd dat het zadel van uitstekende kwaliteit en maakwijze is.

Echter, de pasvorm pas[t] totaal niet bij het bedoelde paard. (…)”

2.9.

Bij e-mail van 22 april 2020 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven:

“(…) Ik heb het zadel 24-8-2018 bij jullie afgeleverd. Inmiddels is het 22-4-2020 en in de tussentijd is bij [naam] cushing geconstateerd. [naam] is hierdoor veranderd in gewicht/bespiering etc. waardoor ik met enige regelmaat bij jullie ben geweest om aanpassingen aan het zadel te verrichten.,

Om jullie ter wille te staan heb ik een naar mijn inziens zeer redelijk aanbod gedaan van € 1385, indien het zadel nog in goede staat verkeerd(!). Dit aanbod staat tot vrijdag 24 april 17.00u. (…)”

2.10.

Op 28 april 2020 heeft [eiser] aan [gedaagde] een e-mail gezonden met als onderwerp ‘Ontbinden Koopovereenkomst. In de e-mail staat het volgende geschreven:

Op 24 augustus 2018 heb ik een maatzadel gekocht ad 2635 euro zoals omschreven op de factuur. Na diverse correcties aan het zadel heeft dit tot op heden niet het gewenste resultaat opgebracht.

Op 14 april jl. is door de zadelmaker van [naam 2] geconstateerd dat de pasvorm totaal niet bij het paard past. Vandaag kwam de zadelmaakster van [naam 3] tot dezelfde constatering.

Ik verzoek u het volledige aankoopbedrag ad 2635 euro binnen 7 dagen terug te storten door overmaking op rekeningnummer (…).

Als u op mijn aanbod niet ingaat, dan zal ik mijn Rechtsbijstandsverzekeraar vragen en procedure tegen u op te starten met als inzet Ontbinding van de Koopovereenkomst en vergoedingen van alle geleden schade.”

2.11.

In opdracht van [eiser] heeft [naam] werkzaam voor [naam 3] , onderzoek naar het zadel verricht. In het op 5 mei 2020 opgemaakte rapport heeft zij het volgende geschreven:

Het zadel [gedaagde] (…) ligt niet correct op het hierboven genoemde paard. (...)

Het zadel [gedaagde] is geleverd met rechte, korte kussens. Deze lengte van de kussens zijn geschikt voor de rug van de desbetreffende merrie [naam] . Het zadel ligt alleen niet in balans en brugt in het midden.”

2.12.

Bij e-mail van 13 mei 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] geschreven:

Namens cliënt verzoek – en voor zover nodig sommeer – ik u het aankoopbedrag ad € 2.635,00 binnen zeven dagen na heden terug te betalen op (...).

Indien u niet tot terugbetaling overgaat, zult u zonder nadere aankondiging in rechte worden betrokken. (…).”

2.13.

Bij e-mail van 18 mei 2020 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven niet akkoord te gaan met zijn verzoek tot terugbetaling van het aankoopbedrag.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. primair voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen partijen per 28 april 2020, dan 13 mei 2020 is ontbonden;

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van:

a. € 2.635,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 mei 2020 tot en met de dag der algehele voldoening; althans een vanaf een nader te bepalen datum;

b. de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 354,75;

c. de kosten van het geding, inclusief salaris gemachtigde.

2. subsidiair de tussen partijen gesloten overeenkomst te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 2.635,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 mei 2020 tot en met de dag der algehele voldoening;

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van:

a. € 2.635,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 mei 2020 tot en met de dag der algehele voldoening; althans een vanaf een nader te bepalen datum;

b. de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 354,75;

c. de kosten van het geding, inclusief salaris gemachtigde.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat het van [gedaagde] gekochte maatzadel niet op het paard past en derhalve niet beantwoordt aan de koopovereenkomst en de verwachtingen die [eiser] daaraan mocht ontlenen. [eiser] heeft direct na levering over het zadel geklaagd en aangegeven dat het te ver naar voren lag. Bij e-mail van 28 april 2020, althans bij e-mail van 13 mei 2020 is de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en betwist dat het zadel op het moment van levering - op of omstreeks 24 augustus 2018 - niet aan de overeenkomst beantwoordde. Dat het zadel thans niet langer geschikt is voor [naam] is een gevolg van lichamelijke veranderingen die het paard heeft ondergaan.

Indien er op het moment van levering sprake is geweest van enig gebrek - hetgeen wordt betwist - dan heeft [eiser] daarover niet tijdig geklaagd. Pas op 21 maart 2020 heeft de dochter van [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat het zadel niet geschikt zou zijn voor het paard. Het recht op ontbinding is derhalve komen te vervallen. Uit de tekst van de e-mails van 28 april 2020 en 13 mei 2020 volgt niet dat [eiser] daarmee heeft beoogd de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Bovendien was zij daartoe niet gerechtigd omdat nakoming - zo al sprake zou zijn van enige tekortkoming - nog mogelijk was en [gedaagde] niet in verzuim verkeerde. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of het zadel dat [gedaagde] op of omstreeks 24 augustus 2018 aan [eiser] heeft verkocht en geleverd aan de overeenkomst beantwoordt.

4.2.

Onder verwijzing naar rapporten van [naam 2] en [naam 3] stelt [eiser] dat het zadel niet goed aansluit en daarmee ongeschikt is voor zijn paard. [eiser] stelt dat hij direct na levering en in gebruik name van het zadel over de tekortkoming heeft geklaagd en hij gerechtigd was om tot ontbinding van de koopovereenkomst over te gaan.

4.3.

Als meest verstrekkende verweer voert [gedaagde] aan dat [eiser] niet tijdig over de kwaliteit van het zadel heeft geklaagd en hij zich reeds daarom niet op ontbinding van de koopovereenkomst heeft kunnen (althans kan) beroepen. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.

4.4.

Ingevolge artikel 7:23 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een koper geen beroep op non-conformiteit toe, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Deze bepaling beschermt de verkoper tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, door voor de koper een korte termijn voor te schrijven om over het niet beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst te klagen.

4.5.

Volgens vaste jurisprudentie kan de vraag of de koper binnen bekwame tijd als bedoel in artikel 7:23 lid 1 BW heeft gereclameerd over gebreken aan de afgeleverde zaak, niet in algemene zin worden beantwoord. De koper dient (a) ter beantwoording van de vraag of de hem afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek te verrichten en (b) binnen bekwame tijd nadat hij heeft ontdekt of bij een dergelijk onderzoek had behoren te ontdekken dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, hiervan kennis te geven aan de verkoper. In een geval als de onderhavige waarbij sprake is van consumentenkoop bepaalt artikel 7:23 lid 1 BW dat kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na ontdekking tijdig is.

4.6.

Waar [gedaagde] een op artikel 7:23 BW gebaseerd verweer voert, ligt het op de weg van [eiser] om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welk tijdstip hij heeft geklaagd (vgl. HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593).

4.7.

[eiser] stelt dat hij van meet af aan heeft geklaagd over het zadel en daarbij heeft verklaard dat het te ver naar voren lag. [gedaagde] heeft betwist dat terstond of kort na levering over het zadel is geklaagd en zij voert aan de [eiser] (althans zijn dochter) aanvankelijk juist zeer tevreden was over het zadel en zij pas in maart 2019 het signaal van [eiser] heeft ontvangen dat het zadel kantelde en het erg hoog boven het paard lag.

In het licht van deze gemotiveerde betwisting had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [eiser] gelegen nader en met relevante bescheiden te onderbouwen dat en op welk moment hij kort na in gebruik name over het zadel heeft geklaagd. Nu hij dit heeft nagelaten is die stelling onvoldoende onderbouwd zodat aan bewijslevering op dit punt niet wordt toegekomen.

4.8.

Het voorgaande leidt er toe dat er in rechte van moet worden uitgegaan dat [eiser] niet eerder dan 1 maart 2019 - zes maanden na levering - bij [gedaagde] heeft geklaagd over het zadel. De in artikel 7:23 lid 1 BW genoemde klachttermijn van twee maanden na ontdekking is derhalve niet in acht genomen.

4.9.

Vervolgens ligt te beoordeling voor of in het voorliggende geval een aanzienlijk langere klachttermijn van zes maanden acceptabel is. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval. [gedaagde] heeft gemotiveerd toegelicht dat sprake kan zijn geweest van gewichtsschommelingen van het paard en wijzigingen van de bouw die ertoe hebben kunnen leiden dat een aanvankelijk goed passend zadel naar verloop van tijd minder goed aansluit. Na 24 augustus 2018 heeft [eiser] ruim 6 maanden laten verstrijken alvorens hem vanaf de levering bekende klachten bij [gedaagde] onder de aandacht te brengen. [gedaagde] wordt door dit aanmerkelijke tijdsverloop bemoeilijkt in het doen van onderzoek naar de feiten die van belang zijn bij een beantwoording van de vraag of sprake was van non-conformiteit. De bewijspositie van [gedaagde] is daardoor verzwakt en zij lijdt daarom nadeel door het late tijdstip waarop [eiser] heeft geklaagd (vgl. Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR2013: BY4600).

4.10.

De kantonrechter volgt [gedaagde] derhalve in haar verweer dat niet binnen bekwame tijd is geklaagd. Het gevolg hiervan is dat [eiser] zich niet op ontbinding kan beroepen, hetgeen tot een afwijzing van de primaire en subsidiaire vordering moet leiden.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op nihil nu zij in persoon procedeert en niet is gebleken dat zij voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong en in het openbaar uitgesproken op

2 maart 2021.

rh/424