Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:774

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
18/146156-19 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

ontneming hennepkwekerij

hoort bij ECLI:NL:RBNNE:2021:773

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/146156-19

beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 11 maart 2021 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder

bekende feitelijke woon- of verblijfplaats.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 11 januari 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 63.587,84 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/146156-19 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 25 februari 2021. Tegen de niet verschenen veroordeelde is verstek verleend.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans-De Boer.

Standpunten

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het bewezen verklaarde tot een bedrag van

€ 63.587,84. De officier van justitie heeft dat bedrag gebaseerd op de inhoud van het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 8 mei 2019, waarbij wordt uitgegaan van twee oogsten.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d.

2 oktober 2019, opgenomen op pagina 8 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019263410 d.d. 3 oktober 2019, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op het adres [adres] te Usquert werd op 24 april 2019 binnengetreden. Op de eerste verdieping in de ruimte aan de achterzijde van de woning, vanaf de trap gezien rechts achterin, was een compleet ingerichte kweekruimte met planten aanwezig. In totaal stonden er 182 hennepplanten. Op de eerste verdieping in de ruimte aan de voorzijde van de woning, vanaf de trap gezien links achterin, was een compleet ingerichte kweekruimte met planten aanwezig. In totaal stonden er 125 hennepplanten.

Ik, verbalisant, constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren. Ik, verbalisant, constateerde, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen. De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 april 2019, opgenomen op pagina 225 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Er waren 2 kweekruimtes. Ik was de eigenaar en ik heb de plantage ingericht.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 februari 2019, opgenomen op pagina 47 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 30 november 2018 reed ik, verbalisant, samen met een collega over parkeerplaats de Uilesprong te Sint Nicolaasga. Aldaar troffen wij een hoeveelheid hennepafval aan. Wij zagen dat men getracht had, om deze hennepafval te verbranden. Tussen het verbrande afval vonden wij, drie goederen waar mogelijke DNA op zou kunnen zitten. Dit betrof een kleine fles mineraalwater van het merk Jumbo, een blikje Coca Cola en een klein flesje van het merk Coca Cola. Wij hebben de hierboven vermelde goederen vervolgens voor een DNA onderzoek overgedragen aan de Forensische Opsporing. (…) Ik zag dat het DNA afkomstig van het blikje Cola Cola behoorde tot: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende [adres] , te Usquert.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 2 oktober 2019, opgenomen op pagina 8 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Aanleiding onderzoek

Op dinsdag 5 maart 2019 omstreeks 15:00 uur stelde ik naar aanleiding van

- een melding in het BVH, d.d. 20 februari 2019, door een collega werd een hoeveelheid

hennepafval aangetroffen wat deels was verbrand aan de Krimwei te Jutrijp. Tussen het

aangetroffen afval werd een brief aangetroffen met als geadresseerde: [verdachte] , [adres] Usquert;

een onderzoek in op de tussenwoning gelegen in een blok woningen om vast te stellen of

deze informatie kon worden bevestigd. Hierbij bleek dat op het adres [adres]

te Usquert volgens het GBA staat ingeschreven: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] .

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 11 maart 2021 in de zaak met parketnummer 18/146156-19 veroordeeld onder andere ter zake het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 8 mei 2019 en gaat daarbij uit van twee oogsten.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. In november 2018 is op een parkeerplaats in Sint Nicolaasga hennepafval aangetroffen. Op een blikje dat tussen dit afval lag, werd DNA van veroordeelde aangetroffen. In februari 2019 werd hennepafval aangetroffen in Jutrijp. Tussen dit hennepafval werd een brief geadresseerd aan veroordeelde aangetroffen. Het is aannemelijk dat dit afval deels afkomstig is van een eerdere oogst uit de kweekruimten. De periode tussen de twee vondsten van hennepafval is ook voldoende voor een volgende oogst.

Uit voormeld rapport van 8 mei 2019 volgt dat de opbrengst aan hennep per plant in kweekruimte 1 minimaal 27,7 gram bedraagt, waardoor de totale bruto opbrengst aan hennep per oogst 5,0414 kilogram (182 planten x 27,7 gram) bedraagt. Omdat de daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep niet kon worden vastgesteld, bedraagt de opbrengst volgens het

rapport van Functioneel Parket Afpakken minimaal € 4.070,- per kilogram.

De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 5,0414 kilogram x € 4.070,- =

€ 20.518,50.

De opbrengst aan hennep per plant in kweekruimte 2 bedraagt minimaal 28,6 gram, waardoor de totale bruto opbrengst aan hennep per oogst 3,575 kilogram (125 planten x 28,6 gram) bedraagt. De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van Functioneel Parket Afpakken bedraagt dit minimaal € 4.070,- per

kilogram.

De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 3,575 kilogram x € 4.070,- =

€ 14.550,25.

Deze opbrengsten moet worden verminderd met de door veroordeelde gemaakte standaard kosten, te weten afschrijvingskosten, hennepstekken, de variabele kosten en de kosten van de knippers. Veroordeelde betrok de elektriciteit op illegale wijze en door Enexis werd

hiervan aangifte gedaan. Omdat veroordeelde de door Enexis in rekening gebrachte kosten op het moment van sluiten van dit rapport niet had voldaan, werden geen kosten voor elektriciteit op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht.

De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken

hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van Functioneel Parket Afpakken (FPA)

als volgt:

Kweekruimte 1

Afschrijvingskosten : € 150,- (Tabel pag. 3 rapport van FPA 1-11-2010)

Hennepstekken : € 693,42 (€ 3,81 per stek/plant)

Variabele kosten : € 706,16 (€ 3,88 per stek/plant)

Elektriciteitskosten : € 0,00 (Bedrag per oogst/ruimte)

Kosten knippers : € 364,00 (€ 2,00 per stek/plant)

Huisvestingskosten : € 0,00 (Bedrag per oogst/ruimte)

Totaal aan kosten : € 1.913,58

Kweekruimte 2

Afschrijvingskosten : € 150,- (Tabel pag. 3 rapport van FPA 1-11-2010)

Hennepstekken : € 476,25 (€ 3,81 per stek/plant)

Variabele kosten : € 485,- (€ 3,88 per stek/plant)

Elektriciteitskosten : € 0,00 (Bedrag per oogst/ruimte)

Kosten knippers : € 250,- (€ 2,- per stek/plant)

Huisvestingskosten : € 0,- (Bedrag per oogst/ruimte)

Totaal aan kosten : € 1.361,25

Dit levert de volgende berekening op

Kweekruimte 1

Bruto opbrengst 2 oogst(en) x € 20.518,50 € 4.1037,-

Totale kosten 2 oogst(en) x € 1.913,58 € -/- 3.827,16

Kweekruimte 2

Bruto opbrengst 2 oogst(en) x € 14.550,25 € 29.100,50

Totale kosten 2 oogst(en) x € 1.361,25 € -/- 2.722,50

---------------------------------------------------------------------------------------------------

Voordeel € 63.587,84

De rechtbank is van oordeel dat de in de strafzaak toegekende vordering van de benadeelde partij hiervan dient te worden afgetrokken.

Vordering [benadeelde partij] € -/- 4.952,08

---------------------------------------------------------------------------------------------------

Totaal € 58.635,76

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 58.635,76 voordeel heeft genoten.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 58.635,76.

Legt [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 58.635,76 (zegge: achtenvijftigduizend zeshonderd vijfendertig euro en zesenzeventig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. J. Edgar, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 maart 2021.

Mr. J. Edgar is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.