Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:773

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
18/146156-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 120 uren wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/146156-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 maart 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder

bekende feitelijke woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

25 februari 2021. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans-De Boer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 april 2019 te Usquert, gemeente Het Hogeland,

opzettelijk heeft geteeld en/of

bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid

van (in totaal) ongeveer 307 hennepplanten, althans een

groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 24 april

2019 te Usquert, gemeente Het Hogeland

een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak en/of verbreking

3.

hij op of omstreeks 24 april 2019 te Usquert, gemeente Het Hogeland

een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te

weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp

dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig

op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt

was, namelijk een nabootsing van een pistool, welke door vorm en

afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen,

voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d.

2 oktober 2019, opgenomen op pagina 8 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019263410 d.d. 3 oktober 2019, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op het adres [adres] te Usquert werd op 24 april 2019 binnengetreden. Op de eerste verdieping in de ruimte aan de achterzijde van de woning, vanaf de trap gezien rechts achterin, was een compleet ingerichte kweekruimte met planten aanwezig. In totaal stonden er 182 hennepplanten. Op de eerste verdieping in de ruimte aan de voorzijde van de woning, vanaf de trap gezien links achterin, was een compleet ingerichte kweekruimte met planten aanwezig. In totaal stonden er 125 hennepplanten.

Ik, verbalisant, constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren. Ik, verbalisant, constateerde, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen. De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 april 2019, opgenomen op pagina 225 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Er waren 2 kweekruimtes. Ik was de eigenaar en ik heb de plantage ingericht.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 april 2019, opgenomen op pagina 281 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van

[naam] :

Ik ben in mijn hoedanigheid van medewerker Beheersen Netverlies bij netwerkbedrijf [benadeelde partij] , gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 24 april 2019 werd een hennepkwekerij met diefstal energie aangetroffen in het pand op het adres [adres] te Usquert. Uit onze administratie blijkt dat [verdachte] in elk geval op het moment van binnentreden op 24 april 2019 contractant was op genoemd perceel. De fraude-inspecteur heeft een nader onderzoek ingesteld naar de in het pand aanwezige installaties. Uit onderzoek bleek dat er een illegale aansluiting na de hoofdbeveiliging was gemaakt in de

hoofdaansluitkast. Er was een illegale elektriciteitskabel aangelegd die buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de elektrische installatie in het betreffende pand en voorzag de aangesloten installatie van elektriciteit. Om deze aftakking te kunnen realiseren is het noodzakelijk geweest dat het door [benadeelde partij] Netbeheer verzegelde deksel van de hoofdaansluitkast gedemonteerd is of is geweest. De door [benadeelde partij] Netbeheer aangebrachte zegels zijn dus verwijderd, vervangen en of gemanipuleerd. Hiervoor heeft [benadeelde partij] Netbeheer geen toestemming verleend.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 april 2019, opgenomen op pagina 225 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

De stroom werd afgetapt in de meterkast. De stroomvoorziening werd aangesloten in november toen ik de eerste keer begon.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

1. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 25 april 2019, opgenomen op pagina 101 e.v. van voornoemd dossier:

Beslagene

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1989

Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland

Volgnummer 1

Goednummer : PL0100-2019056866-1131011

Object : Airsoftwapen

Merk/ type : S&W M4013

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 augustus 2019, opgenomen op pagina 248 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 24 april 2019 werden meerdere personen aangehouden op heterdaad als verdachte van het vervaardigen van softdrugs in de woning [adres] te Usquert. Ik zag rechts naast de televisie een op een echt gelijkend vuurwapen liggen. Het balletjespistool is voor afdreiging geschikt en niet van een echt vuurwapen te onderscheiden, strafbaar gesteld onder artikel 55 lid 1 juncto artikel 13 lid 1 juncto artikel 2 lid 1 sub 7 WWM (voorhanden hebben van een categorie I sub 7 wapen, voor afdreiging geschikt en niet van echt te onderscheiden).

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 april 2019, opgenomen op pagina 225 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Het plastic zwart, beebeepistooltje is van mij.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 april 2019 te Usquert opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres] een hoeveelheid van 307 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 1 september 2018 tot en met 24 april 2019 te Usquert een hoeveelheid elektriciteit dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3.

hij op 24 april 2019 te Usquert een wapen van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp

dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

2. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie meegenomen dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten in twee ingerichte ruimtes in zijn woning. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het gebruik van softdrugs kan leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaat het gebruik van (en de handel in) drugs vaak gepaard met andere vormen van (gewelds- en vermogens-) criminaliteit. Om de kwekerij van stroom te voorzien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit door middel van verbreking. Daarmee heeft verdachte de energiemaatschappij benadeeld.

Tot slot heeft verdachte in zijn woning een niet van echt te onderscheiden balletjespistool voorhanden gehad. Dit kan tot zeer gevaarzettende situaties leiden en een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn justitiële documentatie van 9 maart 2020 waaruit volgt dat hij niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.

De reclassering heeft geen advies omtrent verdachte uitgebracht.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gelet op de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht bij dergelijke feiten, waar voor een hennepkwekerij met 100 tot 500 planten een taakstraf van 120 uur en 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk passend wordt geacht. Alles afwegende acht de rechtbank deze straf passend en geboden.

Benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.952,08 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 april 2019.

De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13 en 55 Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Ten aanzien van 18/146156-19, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.952,08 (zegge: vierduizend negenhonderd tweeënvijftig euro en acht eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. J. Edgar, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 maart 2021.

Mr. J. Edgar is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.