Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:772

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
C/18/203591 / KG ZA 21-9
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Conservatoire maatregel
Eerste en enige aanleg
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Opheffing conservatoir beslag.

Summierlijke ondeugdelijkheid van de onderliggende vordering. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/203591 / KG ZA 21-9

Vonnis in kort geding van 2 maart 2021

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

hierna te noemen: [eisers],

advocaat: mr. S.R. de Jong te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. T. van Dijken te Groningen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties van 8 februari 2021;

  • -

    de producties 1 t/m 3 van [gedaagde] ;

  • -

    de nadere producties 4 t/m 6 van [gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling van 16 februari 2021;

  • -

    de pleitnota van de advocaat van [eisers] ;

  • -

    de pleitnota van de advocaat van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] en [gedaagde] zijn broers en zussen van elkaar. Zij zijn de zes kinderen van de heer [vader] (hierna: vader) en mevrouw [moeder] (hierna: moeder).

2.2.

Na het overlijden van vader op 25 januari 1995 hebben de kinderen ( [eisers] en [gedaagde] ) op grond van het testament van vader ieder één zesde deel van de nalatenschap geërfd. Moeder behield haar deel in de door het overlijden van vader ontbonden huwelijksgemeenschap en kreeg het recht van vruchtgebruik van het erfdeel van de kinderen gelegateerd.

2.3.

Tussen [gedaagde] en (de bewindvoerder van) moeder heeft sinds 1996 een pachtrelatie bestaan, in die zin dat [gedaagde] de pachter van de landerijen is en moeder was aan te merken als verpachtster en eigenaresse van alle landerijen.

2.4.

Moeder is op 16 april 2013 overleden. [eisers] en [gedaagde] zijn bij testament tot erfgenamen benoemd.

2.5.

Tussen [eisers] enerzijds en [gedaagde] anderzijds is een geschil ontstaan over de verdeling van de nalatenschap(pen), hetgeen tot een procedure bij deze rechtbank heeft geleid, bekend staand onder het zaak-/rolnummer C/18/145551 / HA ZA 14-2 (hierna: de procedure).

2.6.

Een van de onderdelen van de te verdelen gemeenschap betrof de verdeling van de landerijen. Hierover heeft de rechtbank in genoemde procedure bij tussenvonnis van 2 januari 2019 en in het eindvonnis van 9 september 2020 geoordeeld. Beide partijen hebben zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de landerijen, in beginsel, aan [gedaagde] konden worden toegedeeld, maar zij verschilden van opvatting over de in aanmerking te nemen waarde van de landerijen.

2.7.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 2 januari 2019 onder meer overwogen:

3.11.

[eisers] betwist dat bij de waardering van de grond als peildatum 2007 moet worden aangehouden omdat de grond in dat jaar door erflaatster aan [gedaagde] is verkocht. Moeder had in 2007 al een indicatie voor dementie en was niet handelingsbekwaam. [eisers] betwisten het bestaan van de gestelde koopovereenkomst.

(…)

3.14.

[gedaagde] is bereid de percelen over te nemen tegen de waarde ervan in verpachte staat onder aftrek van zijn erfdeel. Medio 2007 is tussen erflaatster en [gedaagde] mondelinge overeenstemming over de verkoop van de percelen bereikt. Erflaatster was bevoegd tot verkoop over te gaan. (…) Indien de percelen aan [gedaagde] worden verkocht dient om die reden aansluiting te worden gezocht bij de waarde ervan in 2007.

(…)

3.20.

Partijen zijn het erover eens dat het voor verkoop van de percelen aan [gedaagde] (ofwel aan een veilige verpachter) noodzakelijk is dat de grond (48 hectare) in verpachte staat wordt getaxeerd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat bij verkoop aansluiting moet worden gezocht bij de waarde van de percelen in 2007 omdat in dat jaar een mondelinge koopovereenkomst betreffende de percelen tussen hem en erflaatster tot stand zou zijn gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet dat uit het bestaan van een dergelijke koopovereenkomst bij de verkoop aan [gedaagde] (of aan derden) thans aansluiting moet worden gezocht bij de waarde van de percelen in 2007

(…)

3.22.

De rechtbank volgt het standpunt van [eisers] dat er geen rechtsgrond aanwezig is om de door [gedaagde] gestelde op zijn kosten uitgevoerde kavelverbeteringswerkzaamheden bij de verdeling te betrekken. Ingevolge artikel 7:350 lid 3 BW kan daarvan slechts sprake zijn indien voorafgaand en onder opgave van kosten schriftelijk mededeling aan de verpachter is gedaan en deze zich tegen de voorgenomen verbetering niet heeft verzet, ofwel daartoe machtiging is verleend door de rechter. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] ten aanzien van de verbeteringen vooraf schriftelijk mededeling aan de verpachter heeft gedaan met opgave van kosten noch dat om een machtiging aan de rechter is verzocht. De rechtbank passeert derhalve het verweer van [gedaagde] dat door hem gedane investeringen ten behoeve van de percelen bij de verdeling dienen te worden betrokken.

3.23.

Geen van partijen heeft de rechtbank aanknopingspunten gegeven om zelf tot een waardebepaling te komen bij toedeling van de percelen aan [gedaagde] . Dat maakt deskundige voorlichting noodzakelijk ter beantwoording van de vraag naar de waarde van de percelen in verpachte staat. (…)

De rechtbank heeft in het tussenvonnis een drietal deskundigen benoemd, aan wie onder meer de vraag is voorgelegd wat de economische waarde in verpachte staat van de landerijen is.

2.8.

De deskundigen hebben in hun definitieve rapport de marktwaarde van de landerijen in verpachte staat voor peildatum 23 april 2019 (datum opname percelen) vastgesteld op

€ 2.560.000,-.

2.9.

De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 9 september 2020 de bevindingen van de deskundigen overgenomen en tot de hare gemaakt. De door [gedaagde] geuite bezwaren tegen het deskundigenrapport zijn daarbij verworpen. In dit verband heeft de rechtbank onder meer overwogen:

Peildatum

4.6.13.

Naar het oordeel van de rechtbank dient - in lijn met vaste jurisprudentie - als peildatum in beginsel aansluiting te worden gezocht bij het moment van de feitelijke verdeling.

4.6.14.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 2 januari 2019 reeds overwogen en beslist dat zij geen gronden aanwezig acht om de door [gedaagde] bepleite peildatum van februari 2007 te hanteren. De rechtbank verwerpt het (subsidiaire) verweer van [gedaagde] dat op grond van de redelijkheid en billijkheid aansluiting moet worden gezocht bij peildata 1 november 2013, 3 december 2014 dan wel 27 juli 2016. [gedaagde] heeft geen zwaarwegende feiten en of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van voormeld uitgangspunt.

4.6.15.

De rechtbank volgt [eisers] in het standpunt dat als peildatum in beginsel het moment waarop de verdeling door de rechtbank wordt vastgesteld heeft te gelden. Indien de percelen aan [gedaagde] worden toegedeeld, ligt het voor wat betreft de vaststelling van de verdere verdeling en de waardering van de percelen in de rede aansluiting te zoeken bij de meest recente taxatie waarbij de deskundige de datum van opname van de percelen - 23 april 2019 - hebben aangehouden.

(…)

Kavelverbeteringswerkzaamheden

4.6.21.

[gedaagde] voert aan dat op zijn kosten verrichte kavelverbeteringswerkzaamheden tot een waardevermeerdering van de percelen hebben geleid. Die waarde dient te worden gecorrigeerd, althans [gedaagde] dient hiervoor te worden gecompenseerd.

4.6.22.

De rechtbank handhaaft hetgeen zij ter zake bij het tussenvonnis van 2 januari 2019 onder rechtsoverweging 3.22. heeft beslist.

In r.o. 4.15. van het eindvonnis heeft de rechtbank over de verdeling van de landerijen het volgende bepaald:

4.15.

De rechtbank zal de wijze van verdeling als volgt bepalen:

- [gedaagde] krijgt een termijn van 4 maanden na dagtekening van het vonnis de gelegenheid toedeling/koop van het landbouwareaal, als omschreven onder rechtsoverweging 3.1. onder a, c, d, g, h, i, j, k en n, tegen de door de deskundigen vastgestelde waarde van € 2.560.000,00 aan hem te bewerkstelligen. Indien [gedaagde] er niet in slaagt om binnen die termijn de aandelen in het landbouw areaal over te nemen, dienen partijen volledige medewerking te verlenen aan verkoop van de percelen aan een veilige verpachter, voor ten minste € 2.304.000,00, welke opbrengst in de verdeling moet worden betrokken.

2.10.

[gedaagde] heeft bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank. De procedure in hoger beroep loopt op dit moment nog.

2.11.

Ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank hebben partijen bij notariële akte van 4 januari 2021 de gemeenschap verdeeld. Hierbij zijn de landerijen aan [gedaagde] overgedragen tegen betaling van een bedrag van € 2.560.000,00. Dit bedrag staat op de kwaliteitsrekening van de notaris, mr. [naam] te Groningen. Aan het slot van deze notariële akte is ter zake kwijting, décharge en afstanddoening het volgende bepaald:

KWIJTING EN DÉCHARGE

Ieder van de deelgenoten heeft het hem/haar ter zake van bovengenoemde verdeling ontvangen, zodat zij elkaar bij deze over en weer, volledige kwijting en décharge verlenen uitsluitend voor wat betreft het in deze akte verdeelde.

AFSTANDDOENING

Partijen doen afstand van ieder recht om ontbinding wegens niet nakoming of vernietiging van de bij deze akte plaatsgevonden hebbende verdeling en levering te vorderen.

2.12.

Bij verzoekschrift van 4 januari 2021 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van [eisers] onder de notaris op alle gelden van [eisers] die de notaris onder zich heeft en/of zal verkrijgen of verschuldigd zal worden, met het verzoek begroting van zijn vordering op een bedrag van € 1.890.00,00. [gedaagde] heeft daartoe in het verzoekschrift, kort gezegd, aangevoerd dat hij in het kader van de toedeling een te hoge prijs voor de landerijen heeft betaald, omdat de rechtbank in haar vonnis van een onjuiste peildatum is uitgegaan. Meer in het bijzonder heeft [gedaagde] hiertoe in het verzoekschrift gesteld:

Onjuiste peildatum

7. De rechtbank is bij de vaststelling van de waarde van de landerijen naar het oordeel van [gedaagde] van een verkeerde peildatum uitgegaan. Daardoor is de waarde van de landerijen veel te hoog vastgesteld. De rechtbank is uitgegaan van peildatum 23 april 2019. De rechtbank heeft daaraan ten grondslag gelegd dat voor de peildatum in beginsel aansluiting dient te worden gezocht bij het moment van feitelijke verdeling. De redelijkheid en billijkheid kunnen echter maken dat men bij een andere peildatum dient aan te sluiten. Daarvoor zijn de omstandigheden van het geval van belang. In dit geval zijn er diverse omstandigheden die maken dat men bij een andere peildatum dient aan te sluiten.

8. Vanaf het moment dat [gedaagde] de percelen pachtte, was het voor alle partijen duidelijk dat de landerijen aan hem zouden worden toebedeeld wanneer vader en moeder zouden komen te overlijden. Partijen hadden al in 2007 overeenstemming bereikt over de toedeling van de percelen aan [gedaagde] . Dat blijkt mede uit een brief van moeder waarin zij schrijft: "Ik zou het graag zien dat [gedaagde] die zolang de boerderij heeft gehad ook de boerderij kan krijgen en dat niet met ruzie gepaard gaat." (productie 1: briefje moeder). Op verzoek van moeder is vervolgens een taxatie van de landerijen gemaakt door de heer [naam] in het voorjaar/zomer van 2007 met als peildatum 1 januari 2007.

9. Daarnaast geldt dat [gedaagde] al die tijd de landerijen heeft onderhouden en diverse kavelverbeteringswerkzaamheden heeft uitgevoerd, waaronder het aanleggen van drainage. Als gevolg daarvan zijn de landerijen flink in waarde gestegen. Ook dit maakt het volstrekt onredelijk om aan te sluiten bij peildatum 25 april 2019. In dat geval wordt met de kavelverbeteringswerkzaamheden namelijk geenszins rekening gehouden. Dit terwijl [gedaagde] de kosten die hij in dat kader heeft moeten maken uit eigen zak heeft betaald (afgezien van een klein deel dat met subsidies gecompenseerd werd).

10. Nu de rechtbank van een onjuiste peildatum is uitgegaan, zijn de waarde van de landerijen te hoog vastgesteld.

(…)

Begroting van de vordering

17. Voor de waardevaststelling van de landerijen had de rechtbank uit moeten gaan van peildatum januari 2007 (zie randnummers 7 t/m 10). De waarde van de landerijen voor die betreffende peildatum is door dhr. [naam] vastgesteld in zijn rapport (productie 2: rapport [naam]). Voor de verkoop dient te worden uitgegaan van de waarde in verpachte staat, nu de landerijen immers door [gedaagde] werden gepacht.

18. De vordering van [gedaagde] bedraagt het verschil tussen de waarde van de landerijen bij peildatum 25 april 2019 à € 2.560.000,- en de waarde van de landerijen bij peildatum februari 2007 à

€ 682.400,-, zijnde € 1.877.600,-. Van dat bedrag dient vervolgens 1/6 deel te worden afgetrokken, nu [gedaagde] als deelgenoot zelf ook gerechtigd is tot 1/6 deel van de opbrengst van de landerijen. Daarmee wordt de vordering van [gedaagde] op [eisers] € 1.564.666,67. Dit is dus het bedrag dat [gedaagde] teveel aan [eisers] heeft moeten betalen, indien het hof [gedaagde] in zijn redenering volgt. Op grond van het vorenstaande kan de vordering worden begroot op een som van € 1.879.366,67 (€ 1.564.666,67 + € 300.000*30% + € 700.000 * 20% + € 564.666,67 * 15%). [gedaagde] wenst beslag te leggen voor een bedrag van (afgerond) € 1.879.000,-.

2.13.

De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 4 januari 2021 het verzochte beslagverlof verleend.

2.14.

Op 5 januari 2021 heeft de deurwaarder namens [gedaagde] ter verzekering van verhaal van bovengenoemde vordering conservatoir beslag gelegd onder de notaris op diens bankrekening voor alle gelden die de notaris ten behoeve van [eisers] onder zich heeft en/of zal verkrijgen of verschuldigd zal worden.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de door [gedaagde] ten laste van [eisers] gelegde (derden)beslagen opheft, althans [gedaagde] veroordeelt tot het verlenen van onmiddellijke medewerking aan het opheffen van het derdenbeslag onder notaris [naam] , althans subsidiair de vordering van [gedaagde] zoals vermeld in het beslagverlof opnieuw begroot en deze daarbij verlaagt tot nihil, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag;

II. [gedaagde] verbiedt om in verband met de in dit geding gepretendeerde vorderingen nadere maatregelen tot bewaring van zijn recht te nemen;

III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eisers]

- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten.

3.3.

[eisers] legt, samengevat weergegeven, het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.

3.3.1.

Ten eerste is het door [gedaagde] ingeroepen recht volgens [eisers] ondeugdelijk. De rechtbank heeft in de bodemprocedure over de peildatum en de genoemde kavelverbeteringswerkzaamheden gemotiveerd beslist dat er geen reden is om de door [gedaagde] bepleite peildatum van februari 2007 te hanteren en om de kavelverbeteringswerkzaamheden niet bij de verdeling te betrekken. In het beslagrekest heeft [gedaagde] geen nieuwe of andere argumenten aangevoerd die rechtvaardigen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid van de door de rechtbank gehanteerde peildatum moet worden afgeweken. Overigens heeft er ook nooit overeenstemming tussen moeder en [gedaagde] bestaan over de verkoop van de landerijen. Moeder was in 2007 al handelingsonbekwaam. Moeder kon bovendien niet zelf over de landerijen beschikken, nu [eisers] vanaf het overlijden van vader mede gerechtigd waren tot diens aandeel in de gemeenschap. Ten slotte komt aan [gedaagde] geen vergoedingsrecht toe voor de gestelde kavelverbeteringswerkzaamheden.

3.3.2.

Ten tweede weegt het belang van [gedaagde] bij zekerheid niet op tegen de belangen van [eisers] bij opheffing van het onderhavige beslag. [eisers] lijdt schade door het beslag, nu hij een negatieve rente van 0,5% moet betalen over het bedrag dat in depot staat. Wanneer hij de beschikking over deze gelden krijgt, kan hij die herbeleggen tegen een positief rendement en aanwenden voor het aflossen van rentedragende schulden. Bij handhaving van het beslag moet [eisers] deze schadeposten in de toekomst in nieuwe procedures op [gedaagde] zien te verhalen. Bovendien heeft [gedaagde] in de notariële akte ingestemd met kwijting en afstanddoening van het recht op hoger beroep, zodat hij geen belang heeft bij zijn hoger beroep en niets meer van [eisers] heeft te vorderen. Verder wordt de uitvoering van de lang slepende verdelingskwestie met dit beslag ernstig gefrustreerd.

3.3.3.

Ten derde is sprake van een vexatoir beslag. [gedaagde] heeft geen belang bij het beslag, omdat [eisers] voldoende verhaal voor de gestelde vordering biedt. Hoe dan ook is de omvang van het beslag onredelijk, omdat het beslag voor een te hoog bedrag is gelegd; de onderliggende berekening van [gedaagde] is onjuist. In dat geval moet de hoogte van de gestelde vordering worden herbegroot, aldus [eisers]

3.4.

Het verweer van [gedaagde] komt, samengevat weergegeven, op het volgende neer.

3.4.1.

De vordering waarvoor het beslag is gelegd betreft een deugdelijke vordering. De rechtbank heeft namelijk een verkeerde peildatum gehanteerd, waardoor de waarde van de landerijen ten behoeve van de overdracht veel te hoog is vastgesteld en [gedaagde] derhalve een vordering tot terugbetaling jegens [eisers] heeft. Volgens [gedaagde] zijn er omstandigheden aanwezig om af te wijken van de hoofdregel dat de datum verdeling als peildatum moet worden gehanteerd voor de waarde van de landerijen. In dat geval zal de waarde van de landerijen aanzienlijk lager uitkomen. De waardering van de landerijen dient volgens [gedaagde] primair plaats te vinden per 1 januari 2007 op grond van de destijds door [gedaagde] met moeder gesloten koopovereenkomst, althans op grond van de redelijkheid en billijkheid omdat het destijds de wens van moeder was dat [gedaagde] de landerijen zou verkrijgen. Moeder was ook bevoegd om over vaders deel van de landerijen te beschikken, nu zij in vaders testament het recht had gekregen de goederen van de nalatenschap toe te scheiden tegen een nader vast te stellen vergoeding van de waarde. Moeder wilde in 2007 van dit recht gebruik maken en heeft de heer [naam] ingeschakeld om de landerijen ten behoeve van overdracht aan [gedaagde] te taxeren. Anders dan [eisers] stelt, was moeder destijds niet handelingsonbekwaam. Subsidiair zal [gedaagde] in hoger beroep naar voren brengen dat voor de waardering van vaders aandeel in de landerijen als peildatum moet worden gehanteerd de datum van overlijden van vader,

27 januari 1995, en voor het aandeel van moeder de datum van haar overlijden, 16 april 2013.

3.4.2.

[gedaagde] heeft in de notariële akte van 4 januari 2021 geen afstand gedaan van zijn recht op hoger beroep. In deze akte is slechts uitvoering gegeven aan het vonnis in eerste aanleg en daarop zien de kwijting en de afstanddoening. Indien in hoger beroep een andere verdeling tot stand komt, komt daarmee de grondslag te ontvallen aan het in de akte bepaalde, inclusief de bepalingen over kwijting en afstanddoening.

3.4.3.

De afweging van de belangen van partijen bij handhaving respectievelijk opheffing van het beslag moet in het voordeel van [gedaagde] uitvallen. Uitgangspunt is dat [gedaagde] met het beslag verhaal voor zijn vordering kan verzekeren. Daaraan doet niet af dat [eisers] eventueel schade lijdt door het beslag. Indien het beslag achteraf onterecht zou blijken, is [gedaagde] aansprakelijk jegens [eisers] voor geleden schade. Daarmee zijn de belangen van [eisers] voldoende gewaarborgd, aldus [gedaagde] .

3.4.4.

Er is geen sprake van een vexatoir beslag. [gedaagde] betwist in dit verband dat [eisers] voldoende financiële middelen heeft om volledig verhaal voor zijn vordering te bieden. In het verleden heeft [gedaagde] al eens met een dergelijke situatie te maken gehad tegenover [eisers] Indien [eisers] voldoende financiële middelen heeft, dan had het op zijn weg gelegen om dit behoorlijk te onderbouwen, althans om [gedaagde] vervangende zekerheid aan te bieden. De omvang van het beslag is in dit geval niet onredelijk of (deels) vexatoir, aldus [gedaagde] .

4 De beoordeling

Waar gaat het in dit kort geding over?

4.1.

In geschil is of het door [gedaagde] ten laste van [eisers] op 5 januari 2021 gelegde beslag op de verkoopopbrengst van de landerijen op de kwaliteitsrekening van de notaris moet worden opgeheven en of er aanleiding bestaat om aan [gedaagde] een beslagverbod op te leggen voor de door hem gestelde vordering op [eisers]

Opheffing conservatoir beslag - juridisch kader

4.2.

Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv wordt een conservatoir beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Het ligt daarbij op de weg degene die opheffing vordert, om met inachtneming van de beperkingen van de procedure in kort geding aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van de beslagen om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. De omstandigheid dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd in eerste aanleg is afgewezen althans ondeugdelijk is bevonden, rechtvaardigt niet zonder meer het oordeel dat de gestelde vordering ondeugdelijk is indien tegen het vonnis een rechtsmiddel is ingesteld. Ook in een dergelijk geval moetende wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.1 De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden meegewogen. Van de rechter kan overigens niet gevergd worden dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis aangewende rechtsmiddel.2

4.3.

Gelet op het vorenstaande moet [eisers] in dit kort geding aannemelijk maken dat de gepretendeerde vordering van [gedaagde] op [eisers] ondeugdelijk is. Vervolgens dient de voorzieningenrechter aan de hand van een beoordeling van hetgeen door partijen is aangevoerd te beoordelen of het beslag al dan niet moet worden opgeheven, waarbij de belangen van beide partijen moeten worden afgewogen.

De vordering van [gedaagde] moet als summierlijk ondeugdelijk worden beschouwd

4.4.

De vordering van [gedaagde] waarvoor het beslag is gelegd betreft, naar de voorzieningenrechter begrijpt, een vordering uit onverschuldigde betaling. [gedaagde] stelt zich immers op het standpunt dat de rechtbank een onjuiste peildatum voor de verdeling van de landerijen heeft gehanteerd, met als gevolg een te hoog vastgestelde waarde van de landerijen, die [gedaagde] ter uitvoering van het vonnis van 9 september 2020 aan [eisers] heeft moeten betalen. Het zijns inziens teveel betaalde vordert [gedaagde] terug van [eisers]

4.5.

Uitgangspunt bij de verdeling van een gemeenschap is dat de waardering van de op het tijdstip van de verdeling tot de gemeenschap behorende goederen moet geschieden naar hun waarde op dat ogenblik, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden.3

4.6.

Of destijds een (rechtsgeldige) koopovereenkomst tussen moeder en [gedaagde] is gesloten, is in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [eisers] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt. [eisers] heeft voldoende toegelicht dat moeder in 2007 niet meer, althans onvoldoende in staat was haar wil te kunnen bepalen vanwege voortschrijdende dementie. De enkele omstandigheid dat de percelen in 2007 zijn getaxeerd, is onvoldoende om het bestaan van een koopovereenkomst aan te nemen, nog daargelaten dat [gedaagde] ook niet voor het voetlicht heeft gebracht onder welke voorwaarden de percelen aan hem in eigendom zouden worden overgedragen. De voorzieningenrechter voegt hier nog aan toe dat de omstandigheid dat het destijds in 2007 of nadien niet tot overdracht van de landerijen aan [gedaagde] (tegen een lagere prijs dan de huidige verkoopprijs) is gekomen, in beginsel in zijn risicosfeer ligt.

4.7.

De rechtbank heeft in haar vonnis(sen) genoemde hoofdregel dat de datum van feitelijke verdeling in beginsel de peildatum voor de waardering van te verdelen gemeenschapsgoederen is voorop gesteld. Vervolgens heeft de rechtbank gemotiveerd overwogen waarom er géén aanleiding bestaat om van de door [gedaagde] genoemde eerdere peildatum van februari 2007 uit te gaan. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet uit het enkele bestaan van een (eventuele) koopovereenkomst tussen moeder en [gedaagde] in 2007 bij de huidige verkoop aan [gedaagde] aansluiting moet worden gezocht bij de waarde van de percelen in 2007. [gedaagde] heeft in dit kort geding geen nieuwe argumenten aangevoerd die in afwijking van het oordeel van de rechtbank zouden rechtvaardigen dat de datum van het sluiten van de eventuele koopovereenkomst tussen moeder en [gedaagde] in 2007 betekenis zou moeten hebben voor de peildatum die voor de waardering van de landerijen moet worden gehanteerd. Het oordeel van de rechtbank op dit punt strekt daarmee tot uitgangspunt.

4.8.

Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat moeder destijds wilde dat de landerijen naar hem gingen, is dat geen omstandigheid die naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid van de door [gedaagde] bepleite peildatum van februari 2007 moet worden uitgegaan.

4.9.

Hetzelfde lot treft het argument van [gedaagde] dat hantering van een eerdere peildatum betekent dat de waarde van de door hem gestelde kavelverbeteringswerkzaamheden alsnog bij de waardering kunnen worden meegenomen. Ook hierover heeft de rechtbank gemotiveerd beslist, waarbij zij heeft geconcludeerd dat er géén rechtsgrond bestaat om de door [gedaagde] gestelde op zijn kosten uitgevoerde kavelverbeteringswerkzaamheden bij de verdeling te betrekken. Ook hier heeft [gedaagde] in dit kort geding geen nieuwe argumenten aangevoerd die een ander licht op deze kwestie werpen. Het oordeel van de rechtbank over de kavelverbeteringswerkzaamheden strekt derhalve ook hier tot uitgangspunt.

4.10.

Ten slotte heeft [gedaagde] in dit kort geding niet onderbouwd waarom in afwijking van de onder 4.5. genoemde hoofdregel van een peildatum per datum overlijden van vader respectievelijk moeder zou worden uitgegaan, een betoog dat hij stelt in hoger beroep alsnog (subsidiair) te gaan voeren.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] naar voorlopig oordeel geen vordering op [eisers] uit onverschuldigde betaling heeft vanwege een onjuist gekozen peildatum voor de waardering van de te verdelen landerijen, voor welke vordering het onderhavige beslag is gelegd. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] op [eisers]

Bij die stand van zaken kan in het midden worden gelaten of zoals [eisers] stelt en [gedaagde] betwist, [gedaagde] in de notariële akte van 4 januari 2021 al dan niet afstand van enig recht heeft gedaan.

Belangenafweging

4.12.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [eisers] bij opheffing van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag. De rechtbank heeft in de hoofdzaak uitspraak gedaan, waarbij de door [gedaagde] c.s. bepleite afwijkende peildatum - waarop zijn nu voorliggende vordering is gegrond - gemotiveerd is verworpen. Dit is een belangrijke factor die in het voordeel van [eisers] spreekt. Daar komt bij dat [eisers] na een lang slepende bodemprocedure uiteindelijk de wijze van verdeling van de gemeenschap heeft vastgesteld en dat [eisers] in dit kader de beschikking zou krijgen over een zeer substantiële geldsom. Het onderhavige beslag verhindert dit in belangrijke mate. Opvallend is dat [gedaagde] op dezelfde dag waarop de notariële akte is gepasseerd, al verlof voor beslaglegging op de aan [eisers] toekomende gelden heeft gevraagd en daags erna ook heeft gelegd, kennelijk om uitbetaling van het aan [eisers] toekomende bedrag grotendeels te voorkomen. Voorshands kan dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders worden gezien dan als het frustreren van de uitvoering van de door de rechtbank bevolen verdeling. [gedaagde] kreeg zodoende wel de landerijen in handen, maar wilde tegenhouden dat [eisers] de volledige door de rechtbank vastgestelde tegenprestatie zou ontvangen.

[eisers] heeft daarnaast voldoende onderbouwd dat hij een negatieve rente over het in depot staande bedrag moeten betalen indien het beslag blijft liggen. Indien [eisers] de in depot staande gelden op korte termijn uitbetaald krijgt, kan hij deze gelden besteden en daar de (positieve) vruchten van plukken. Het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag om zijn gepretendeerde vordering hangende verdere procedures veilig te stellen en de omstandigheid dat [gedaagde] volgens vaste rechtspraak aansprakelijk is voor een (mogelijk) onrechtmatig gelegd beslag, wegen hier in onvoldoende mate tegenop.

4.13.

De voorzieningenrechter zal het beslag dat [gedaagde] voor de gestelde vordering ten laste van [eisers] op de kwaliteitsrekening van notaris [naam] heeft gelegd dan ook opheffen.

Beslagverbod

4.14.

[eisers] vordert daarnaast dat het [gedaagde] wordt verboden om voor dezelfde gepretendeerde vordering nogmaals beslag te leggen. De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen. Mede gelet op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter staat het [gedaagde] , in beginsel, vrij om nieuwe beslagrekesten in te dienen, waarbij elk rekest op de eigen merites moet worden beoordeeld. [eisers] heeft geen klemmende redenen aangevoerd om daarvan in dit geval af te wijken. Wel rust op [gedaagde] op grond van artikel 21 Rv de verplichting om in eventuele toekomstige beslagrekesten van dit kortgedingvonnis melding te maken.

Proceskosten

4.15.

In de bestaande familieband tussen partijen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om, zoals gebruikelijk, de proceskosten tussen partijen te compenseren. Tussen partijen lopen al vele jaren procedures over de verdeling van de nalatenschappen van hun ouders. De opstelling van [gedaagde] bij het leggen van het onderhavige conservatoire beslag moet, zoals hiervoor is overwogen, als het bewust frustreren van de uitvoering van de door de rechtbank bevolen verdeling worden beschouwd. De daaraan ten grondslag gelegde vordering is hiervoor summierlijk ondeugdelijk bevonden. [gedaagde] zal daarom als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.16.

De proceskosten aan de zijde van [eisers] worden vastgesteld als volgt:

- dagvaardingskosten € 103,83

- griffierecht € 309,00

- salaris advocaat € 1.016,00

--------------

€ 1.428,83

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

5.1.

heft op het door [gedaagde] ten laste van [eisers] op 5 januari 2021 gelegde conservatoire derdenbeslag op de kwaliteitsrekening van notaris [naam] te Groningen;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] vastgesteld op

€ 1.428,83;

5.3.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van den Noort en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

MP (614)

1 HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074 en HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599.

2 HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559.

3 HR 12 februari 1999, NJ 1999/551 en HR 22 september 2000, NJ 2000/643 en Asser/Perrick 3-V 2019/146.