Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:737

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 281
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of verweerder beschikt over een nieuw, navordering rechtvaardigend feit. Subsidiair is in geschil of verweerder terecht en tot de juiste hoogte de door eiser verschuldigde rente over de geldverstrekkingen door de BV als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang heeft aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een nieuw, navordering rechtvaardigend feit. Aan de vraag of de rente over de geldverstrekkingen als inkomen uit aanmerkelijk belang kan worden aangemerkt komt de rechtbank niet toe, omdat eiser berust in het beroep van verweerder op interne compensatie. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-03-2021
V-N Vandaag 2021/682
FutD 2021-0930
NTFR 2021/1037
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/281

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats B] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft over het jaar 2015 met dagtekening 10 november 2018 aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.078 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 60.159. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 1.557 aan belastingrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Rechtbank Gelderland heeft het beroep per brief van 31 januari 2020 op verzoek naar de rechtbank Noord-Nederland verwezen op grond van artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand verweerder] . Ter zitting is deze zaak gezamenlijk behandeld met de zaak van [X BV] met nummer LEE 20/280.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen de zaak bij wijze van een compromis op te lossen. Ter zitting is met partijen afgestemd dat als er geen overeenstemming is bereikt, de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak zal doen.

De rechtbank heeft op 29 januari 2021 bericht ontvangen dat er geen compromis is bereikt. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek per brief van 1 februari 2021 gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is geboren op 4 april 1947 en woonde tot medio 2007 aan de [straatnaam] te [plaats C] .

1.2.

In de periode van 1 mei 2002 tot 30 april 2011 dreef eiser samen met zijn broer en diens schoonvader in maatschapsverband (hierna: de maatschap) een landbouwonderneming. Tot 2006 was dat een melkveehouderij. In 2006 heeft de maatschap het melkquotum verkocht. Daarna bestonden de activiteiten van de maatschap uit de verhuur van de boerderij en de landerijen, die in eigendom waren van de maatschap.

1.3.

Eiser heeft op 23 juli 2007 [X BV] (hierna: de BV) opgericht. Eiser houdt sinds de oprichting alle aandelen in de BV. Het aandelenkapitaal van de BV bestond ten tijde van de oprichting uit 1.800 aandelen met een nominale waarde van € 100 per stuk. Eiser heeft aan zijn stortingsplicht voldaan door zijn belang in de maatschap – fiscaal geruisloos – in te brengen in de BV. Eiser heeft aldus bij oprichting ook € 1.986.008 als agio op de aandelen gestort.

1.4.

De BV heeft geen eigen bankrekeningen. Haar betalingen liepen via de bankrekening van eiser.

1.5.

Eiser is in 2007 naar [land Y] vertrokken om daar een melkveehouderij te beginnen in de vorm van een eenmanszaak. Hij heeft ten behoeve van deze onderneming voor een bedrag van € 450.000 onroerende zaken gekocht in [land Y] .

1.6.

Eiser heeft de aankoop van de onroerende zaken (zie 1.5.) betaald met geld van de bankrekening die op zijn naam stond, maar waarvan het saldo toekwam aan de BV (zie 1.4.). Die bankrekening is ook gebruikt door eiser om onder meer vee en inventaris te kopen voor zijn [land Y] onderneming. De BV heeft aldus gedurende de periode van de opstart van de onderneming van eiser in [land Y] geld verstrekt aan eiser. Voor deze geldverstrekkingen door de BV aan eiser (hierna gezamenlijk aangeduid als: geldverstrekking 1) is geen overeenkomst van geldlening opgesteld. Volgens de jaarrekeningen van de BV werd op deze geldverstrekking een rente berekend van 4 procent. Het verloop van geldverstrekking 1 in de jaarrekeningen van de BV was als volgt:

Datum

Saldo

Mutatie

1 mei 2010

€ 677.266

+rente

€ 18.146

1 mei 2011

€ 695.412

+rente

€ 27.816

1 mei 2012

€ 723.228

+rente

€ 28.929

1 mei 2013

€ 752.157

+ rente

€ 30.083

30 april 2014

€ 782.240

1.7.

Op 24 maart 2011 heeft de BV al haar onroerende zaken in Nederland, met uitzondering van een perceel grond, verkocht aan een derde voor een bedrag van € 1.850.000. De overnemer heeft een deel van de koopprijs voldaan en is een deel, € 650.000, schuldig gebleven. Met het direct ontvangen deel van de koopprijs heeft de BV een lening bij de bank afgelost en de transactiekosten van de verkoop voldaan. Het resterende bedrag van € 203.262 is overgeboekt naar een bankrekening op naam de maatschap.

1.8.

Ten aanzien van het schuldig gebleven deel van de koopprijs heeft de BV een lening verstrekt aan de overnemer van € 650.000. De overnemer heeft deze lening op 2 september 2011 volledig afgelost. De overnemer heeft het bedrag van de aflossing overgemaakt naar een bankrekening op naam van eiser en zijn broer. Op dezelfde dag is het bedrag overgeboekt naar een spaarrekening op naam van eiser. Het bedrag op deze spaarrekening is in de periode 2 september 2011 tot en met 31 december 2013 nagenoeg geheel opgenomen door eiser. Eiser heeft het geld gebruikt voor de aankoop van een recreatiewoning in Nederland van € 89.000 en voor het overige voor zijn onderneming in [land Y] . Het saldo op deze spaarrekening bedroeg op 31 december 2013 € 6.593,43. In het door eiser opgestelde mutatie-overzicht van deze geldverstrekking is over de periode september 2011 tot en met 2015 het volgende opgenomen:

02-09-2011

650.000,00

storting wegens aflossing lening [overnemer]

(uit verkoopopbrengst onroerende zaken in 2011)

af:

-443.488,14

diverse opnamen, niet bekend

begin

206.511,86

dit isnu het oudst beschikbare saldo op te vragen bij de bank

15-10-2012

-10.000,00

22-10-2012

-17.603,36

30-10-2012

-11.000,00

22-11-2012

-17.500,00

03-12-2012

-18.000,00

10-12-2012

81.745,00

overboeking ivm aankoop

14-12-2012

-89.000,00

aankoop recreatiewoning [plaats A]

19-12-2012

-15.000,00

27-12-2012

-12.000,00

ultimo 2012

98.153,50

mutatie 108.358,36 afname

01-01-2013

9.689,93

rente

02-01-2013

6.000,00

16-01-2013

-250,00

18-01-2013

-15.000,00

22-01-2013

-5.500,00

29-01-2013

-10.000,00

15-02-2013

-10.000,00

27-02-2013

-7.500,00

06-03-2013

-5.000,00

18-03-2013

-15.000,00

03-04-2013

-7.500,00

09-04-2013

-5.000,00

18-04-2013

-10.000,00

30-08-2013

-4.500,00

ultimo 2013

6.593,43

mutatie 91.560,07 afname

01-01-2014

405,43

rente

ultimo 2014

6.998,86

mutatie 405,43 toename

01-01-2015

77,41

rente

03-02-2015

-2.699,00

10-02-2015

-1.000,00

10-02-2015

-227,90

20-02-2015

-100,00

20-02-2015

-100,00

20-02-2015

-500,00

09-03-2015

-2,000,00

12-05-2015

18.500,00

??

11-06-2015

270.000,00

verkoopopbrengst [land Y] ?

28-07-2015

-25.000,00

waarborgsom huis [plaats B]

03-08-2015

-230.907,76

aankoop huis [plaats B]

09-12-2015

-2.800,00

23-12-2015

-1.000,00

29-12-2015

-3.000,00

ultimo 2015

26.241,61

mutatie 19.242,75 toename

1.9.

De BV heeft de onder 1.8. genoemde geldverstrekking(en) door de BV aan eiser (hierna: geldverstrekking 2) in haar jaarrekening opgenomen onder vorderingen en maatschappijen waarin wordt deelgenomen, met nadere aanduiding “[eiser]”. Voor geldverstrekking 2 is geen overeenkomst van geldlening opgemaakt. Volgens de jaarrekeningen van de BV werd op deze geldverstrekking een rente berekend van 4 procent. Het verloop van geldverstrekking 2 in de jaarrekeningen van [X BV] was als volgt:

Datum

Saldo

Mutatie

1 mei 2011

0

2 sept 2011 +transactie derde

€ 650.000

+rente

€ 17.300

1 mei 2012

€ 667.300

+rente

€ 26.700

1 mei 2013

€ 694.000

+rente

€ 27.760

30 april 2014

€ 721.760

1.10.

Op 24 december 2007 hebben eiser en de BV een rekening-courantovereenkomst ondertekend met ingangsdatum 1 augustus 2007 (hierna: rekening-courant) Volgens de overeenkomst mag het openstaande saldo maximaal € 100.000 bedragen en wordt een rente van 4% per jaar in rekening gebracht over het gemiddelde saldo. Op 30 april 2014 had de BV een rekening-courantschuld aan eiser van € 108.921.

1.11.

In de periode 1 januari 2010 tot 1 mei 2014 heeft [X BV] geen formele dividenduitkeringen gedaan.

1.12.

In 2014 heeft eiser de roerende zaken van zijn onderneming in [land Y] verkocht en de onderneming gestaakt.

1.13.

In augustus 2014 is eiser naar Nederland teruggekeerd.

1.14.

In 2015 heeft eiser de onroerende zaken van zijn onderneming in [land Y] verkocht. Een deel van de opbrengst van de verkoop van deze onroerende zaken is door eiser gebruikt voor de aanschaf van een woning in [plaats B] in augustus 2015 voor een bedrag van € 255.000.

1.15.

In de op 24 november 2016 opgemaakte jaarrekening 2013/2014 heeft de BV, blijkens de toelichting op de balans onder het kopje “vordering op onderneming in [land Y]” geldverstrekking 1 afgewaardeerd met € 782.240 en op balansdatum 30 april 2014 onder de post “overige vorderingen” opgenomen voor een waarde van nihil. Daarnaast heeft de BV, blijkens de toelichting op de balans onder het kopje “vorderingen op participanten en maatschappijen waarin wordt deelgenomen, [eiser]” op balansdatum 30 april 2014 het bedrag van haar vordering uit hoofde van geldverstrekking 2, € 721.760, gesaldeerd met de rekening-courantschuld van € 108.921, waarna een vordering tot een bedrag van € 612.839 resteert. Deze vordering heeft de BV afgewaardeerd met een bedrag van € 100.839, zodat op balansdatum 30 april 2014 op de balans nog een vordering op eiser van € 512.000 resteerde.

1.16.

Op 9 mei 2016 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2014 ingediend. In de aangifte is vermeld dat hij 180 aandelen de BV bezit. Eiser heeft ten aanzien van geldverstrekking 1, geldverstrekking 2 en de rekening-courantverhouding met de BV geen gegevens in zijn aangifte IB/PVV 2014 vermeld.

1.17.

Op 27 september 2016 heeft de BV haar aangifte vennootschapsbelasting voor het boekjaar 2014/2015 ingediend.

1.18.

Op 12 oktober 2016 heeft verweerder schriftelijk vragen gesteld over het inkomen uit vroegere dienstbetrekking en de premieplicht in de aangifte IB/PVV 2014. Op 1 december 2016 heeft verweerder vervolgens de aanslag IB/PVV 2014 overeenkomstig de aangifte vastgesteld.

1.19.

Op 13 maart 2017 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2015 ingediend. Met dagtekening 25 april 2017 heeft verweerder de aanslag IB/PVV 2015 overeenkomstig deze aangifte vastgesteld naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.078.

1.20.

Bij brief van 17 mei 2017 heeft verweerder vragen gesteld aan de BV over de aangifte vennootschapsbelasting 2014/2015.

1.21.

Met dagtekening 27 juli 2018 heeft verweerder aangekondigd voornemens te zijn een navorderingaanslag IB/PVV 2015 op te leggen naar onder meer een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 60.159. Dit bedrag betreft de door verweerder berekende verschuldigde rente op geldverstrekking 1 en geldverstrekking 2 in 2015, te weten 4 % van € 1.504.000.

1.22.

Eiser heeft op het voornemen gereageerd. Na correspondentie tussen partijen heeft verweerder de navorderingsaanslag uiteindelijk overeenkomstig de brief van 27 juli 2018 met dagtekening 10 november 2018 opgelegd.

Geschil en beoordeling

2. Het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of verweerder de navorderingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte heeft opgelegd. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of verweerder terecht een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 60.159 in aanmerking heeft genomen. Meer specifiek is primair in geschil of verweerder beschikt over een nieuw, navordering rechtvaardigend feit. Subsidiair is in geschil of verweerder terecht en tot de juiste hoogte de door eiser verschuldigde rente over de geldverstrekkingen door de BV als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang heeft aangemerkt.

3. Verweerder beantwoordt deze laatste twee vragen bevestigend en verweerder ontkennend. Indien de rechtbank ten aanzien van het subsidiaire geschilpunt het standpunt van eiser volgt, doet verweerder een beroep op interne compensatie.

Nieuw feit

4. Eiser stelt dat er geen sprake is van een nieuw, navordering rechtvaardigend feit, omdat het voordeel uit aanmerkelijk belang redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij verweerder. Eiser voert daartoe het volgende aan. In 2014 was er sprake van remigratie vanuit [land Y] . Vanwege deze bijzondere omstandigheid had verweerder de aangifte IB/PVV 2014 nader moeten onderzoeken, zeker omdat daarin een aanmerkelijk belang was aangegeven. Verweerder heeft over deze aangifte wel vragen gesteld, maar niet over het aanmerkelijk belang. Omdat verweerder de aangifte IB/PVV 2014 nader had moeten onderzoeken, is er volgens eiser vanwege dit ambtelijk verzuim geen sprake van een nieuw feit in 2015. Daarnaast had verweerder bij het beoordelen van de aangifte IB/PVV 2014 de op dat moment reeds ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2014/2015 moeten betrekken. Ook is sprake van een ambtelijk verzuim omdat verweerder geen nader onderzoek heeft gedaan naar de in de aangifte IB/PVV 2015 opgenomen eigen woning en een box 3 schuld van € 515.955, terwijl deze posten in de aangifte IB/PVV 2014 niet voor kwamen.

5. Verweerder stelt dat er wel sprake is van een nieuw feit, dat hem redelijkerwijs niet bekend kon zijn. De aangifte IB/PVV 2014 ziet op een ander belastingjaar en verweerder was niet gehouden om nader onderzoek naar die aangifte te doen, omdat de niet onwaarschijnlijke kans bestond dat de gegevens in die aangifte juist waren. Verweerder stelt dat hij niet gehouden was om op basis van de aangifte vennootschapsbelasting 2014/2015 de aangifte IB/PVV 2014 te onderzoeken. Verweerder was pas op de hoogte van de vermeende winstuitdeling in 2015, nadat hij op 17 mei 2017 de aangifte vennootschapsbelasting 2014/2015 in behandeling nam. De aangifte IB/PVV 2015 maakte verder een verzorgde indruk en was ingediend door een professioneel gemachtigde, zodat er geen reden was om aan de juistheid van de aangifte te twijfelen.

6. De rechtbank overweegt dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, verweerder de te weinig geheven belasting kan navorderen. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat er sprake is van een nieuw feit, rust in eerste instantie op verweerder. Verweerder mag bij het vaststellen van een aanslagen uitgaan van de juistheid van de gegevens die eiser in de aangiften heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is verweerder in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangiften, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.1 Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangiften opgenomen gegevens juist zijn.2

7. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde verweerder aan de juistheid van enig in de aangifte IB/PVV 2014 opgenomen gegeven in redelijkheid niet te twijfelen. De aangifte IB/PVV 2014 ging weliswaar over remigratie en er werd een aanmerkelijk belang aangegeven, maar naar het oordeel van de rechtbank maakte dit nog niet dat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de in de aangifte opgenomen gegevens over dat aanmerkelijk belang juist waren, te meer nu de aangifte enkel de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang bevatte en de vorderingen over en weer tussen eiser en de BV niet in de aangifte waren opgenomen. De rechtbank overweegt verder dat verweerder bij het regelen van een aanslag IB/PVV in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens bevat met betrekking tot de heffing van IB/PVV van de desbetreffende belastingplichtige.3 Anders dan eiser meent, hoefde verweerder in beginsel dus niet de aangifte vennootschapsbelasting 2014/2015 te raadplegen bij zijn beoordeling van de aangifte IB/PVV 2014. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder bij de beoordeling van de aangifte IB/PVV 2014 dan ook niet tot nader onderzoek gehouden. Er is geen sprake van ambtelijk verzuim. Dit betekent dat de beoordeling van de aangifte IB/PVV 2014 door verweerder er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg staat dat er een nieuw, navordering rechtvaardigend feit kan zijn in 2015.

8. Het enkele feit dat eiser in zijn aangifte IB/PVV 2015 een eigen woning en een box 3 schuld van € 515.955 heeft vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende om te stellen dat niet de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de in die aangifte opgenomen gegevens juist zijn. Eiser had immers op 1 januari 2015 een eigen woning kunnen hebben en daarnaast een lening die als schuld in box 3 viel. Dat de gegevens over die eigen woning en de schuld niet overeenkwamen met gegevens die waren opgenomen in de aangifte IB/PVV 2014, betekent ook niet dat de gegevens in de aangifte IB/PVV 2015 per definitie onjuist zouden moeten zijn. Het nalaten van het instellen van een onderzoek naar de aangifte IB/PVV 2015 kan dan ook niet als een ambtelijk verzuim worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een nieuw, navordering rechtvaardigend feit.

Winstuitdeling en interne compensatie

9. Eiser voert subsidiair aan dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door eiser verschuldigde rente over geldverstrekking 1 en geldverstrekking 2 een winstuitdeling vormt en dat verweerder daarmee niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Eiser voert aan dat zijn schuld aan de BV in 2015 slechts € 512.000 bedroeg waardoor de rente hoogstens 4% van € 512.000, te weten € 20.480, bedraagt en dat de winstuitdeling niet hoger kan zijn dan dat bedrag. Voorts stelt eiser dat de rente zoals gebruikelijk werd bijgeschreven op de schuld en dat nergens uit blijkt dat de BV haar aandeelhouder bewust heeft bevoordeeld. Eisers gemachtigde heeft ten slotte in zijn pleitnota verklaard dat indien de rechtbank uiteindelijk toekomt aan toepassing aan het beroep van verweerder op interne compensatie hij dit standpunt niet langer betwist.

10. Verweerder voert primair aan dat de door eiser verschuldigde rente van € 60.159 aan de BV als regulier voordeel als inkomen uit aanmerkelijk belang belast dient te worden. Verweerder stelt dat sprake is van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang als de vennootschap haar aandeelhouder als zodanig heeft willen bevoordelen en de aandeelhouder zich tevens van die bevoordeling bewust is geweest of had moeten zijn. Verweerder voert aan dat pas nadat eiser en de BV zich weer in Nederland vestigden, duidelijk werd dat eiser zijn schulden aan de BV niet meer kon terugbetalen. Dit blijkt uit de jaarrekening 2013/2014 van de BV waarin de schuld is afgewaardeerd tot € 512.000. Als een vennootschap een schuld afwaardeert, is het niet zakelijk dat zij deze vervolgens weer laat oplopen door de rente bij te schrijven op de hoofdsom, aldus verweerder. De bijschrijving van de rente vindt daarom volgens verweerder zijn oorsprong in de aandeelhoudersrelatie. Verweerder heeft tevens een beroep gedaan op interne compensatie. Verweerder stelt in dat verband dat de BV in 2015 een winstuitdeling van € 255.000 heeft gedaan aan eiser door toe te staan dat eiser de verkoopopbrengst van zijn landbouwonderneming in [land Y] heeft gebruikt voor de aankoop van een woning in Nederland, terwijl de BV niet heeft geëist dat eiser deze verkoopopbrengst heeft aangewend voor de (gedeeltelijke) aflossing van de geldverstrekkingen aan de BV. Volgens verweerder is daarom het vermoeden gerechtvaardigd dat de BV op dat moment vanuit aandeelhoudersoverwegingen gedeeltelijk heeft afgezien van het invorderen van de geldverstrekkingen van eiser en heeft op dat moment het bedrag van € 255.000 het vermogen van de BV definitief verlaten.

11. Omdat eiser uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven te berusten in het beroep van verweerder op interne compensatie, staat niets het toepassen van interne compensatie in dit geval nog in de weg. De rechtbank komt dan ook reeds op die grond tot het oordeel dat verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 niet te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank hoeft de vraag of, zoals verweerder heeft gesteld, de door eiser niet betaalde, maar volgens verweerder wel verschuldigde rente van € 60.159, als regulier voordeel als inkomen uit aanmerkelijk belang moet worden belast, daarom niet te beantwoorden.

12. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking belastingrente.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van Eijk, griffier, op 11 maart 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 Hoge Raad 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3465.

2 Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082.

3 Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249.