Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:713

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
18/730059-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld, met toepassing van het jeugdstrafrecht, tot een leerstraf van 40 uren, een werkstraf van 100 uren en daarnaast een jeugddetentie van 60 dagen, waarvan 50 dagen voorwaardelijk en een rijontzegging van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, beide met een proeftijd van twee jaren en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Verdachte heeft zich op 17 maart 2019 te Leeuwarden schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, het veroorzaken van gevaar op de weg, doorrijden na een aanrijding en rijden onder invloed. Verdachte die beginnend bestuurder is, is na een woordenwisseling met een groep jongens, onder invloed van alcohol, accelererend en agressief in zijn auto op de twee slachtoffers ingereden. Zij konden net op tijd wegvluchten, waarna verdachte tegen een daar geparkeerd staande auto is gebotst. Hierna is verdachte doorgereden, zonder zijn identiteit kenbaar te maken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77c
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77r
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730059-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 maart 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 februari 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Buitenhuis, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 17 maart 2019, te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (een) perso(o)n(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem bestuurde auto, als beginnend bestuurder, onder invloed van alcohol, accelererend en/of agressief, op die perso(o)n(en) is af- en/of ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 maart 2019, te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een perso(o)n(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde auto, als beginnend bestuurder, onder invloed van alcohol, accelererend en/of agressief, op die perso(o)n(en) is af- en/of ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 maart 2019, te Leeuwarden, (een) perso(o)n(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een door hem bestuurde auto, als beginnend bestuurder, onder invloed van alcohol, accelererend en/of agressief, op die perso(o)n(en) af- en/of in te rijden;

2. hij op of omstreeks 17 maart 2019, te Leeuwarden, als (beginnend) bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Willemskade, onder invloed van alcohol, onderwijl met zijn riem bezig, accelererend en/of agressief en/of met een schijnbeweging, op (een) perso(o)n(en) is af- en/of ingereden en/of tegen een geparkeerd staand voertuig is gebotst (Mercedes, kenteken [kenteken] , toebehorende aan [benadeelde partij] ), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden

gehinderd;

3. hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Leeuwarden op/aan de Willemskade, op of omstreeks 17 maart 2019, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [benadeelde partij] ) schade was toegebracht;

4. hij op of omstreeks 17 maart 2019, te Leeuwarden, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 240 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen

van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de onder 1. primair ten laste gelegde poging tot doodslag, nu op basis van het dossier het (voorwaardelijke) opzet van verdachte om de aangevers dood te rijden niet vastgesteld kan worden.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. subsidiair ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier valt af te leiden dat er een woordenwisseling is geweest tussen verdachte en de aangevers en dat verdachte daarna met een behoorlijke vaart op de aangevers is afgereden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm had verdachte redelijkerwijs moeten verwachten dat hij tenminste één van de aangevers had kunnen raken en dat deze persoon op zijn minst zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen.

Voorts heeft de officier van justitie veroordeling voor het onder 2., 3., en 4. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder

1. primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte was niet gewend om in een automaat te rijden. De auto ging veel sneller vooruit dan hij gewend was en daarnaast was verdachte met zijn gordel bezig. Opzet op het teweegbrengen van de dood of zwaar lichamelijk letsel is niet komen vast te staan. Verdachte was niet boos en had geen ruzie met het groepje. Er kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte op een persoon/personen is af- en/of ingereden. Van ingeblikt opzet blijkt niet. Dit maakt ook dat de raadsvrouw van mening is dat een bedreiging evenmin bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van de feiten 2., 3. en 4. heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Ik heb op 17 maart 2019 te Leeuwarden een auto bestuurd, terwijl ik onder invloed van alcohol was. Het achter- en vooruit rijden ging hard.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 maart 2019, opgenomen op pagina 70 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019066970 d.d. 17 juni 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 17 maart 2019 te Leeuwarden hoorde ik de bestuurder van het voertuig naar ons roepen. Toen wij ongeveer 25 meter van het voertuig verwijderd waren hoorde ik dat het voertuig met hoge toeren en slippende banden achteruit reed en dat het voertuig ons vervolgens naderde. Ik hoorde dat het voertuig hoog in de toeren zat en snelheid maakte. Ik heb mij omgedraaid en zag dat het voertuig mij met snelheid naderde. Ik kon nog net aan de kant springen om het voertuig te ontwijken.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 maart 2019, opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op 17 maart 2019 te Leeuwarden hoorde ik de bestuurder van een personenauto iets bedreigends naar ons roepen. Wij liepen door. Ik zag en hoorde dat de auto met een hoog toerental achtruit reed en daarna in de richting van [slachtoffer 1] en mij kwam rijden. [slachtoffer 1] en ik zijn met versnelde pas gaan lopen naar de geparkeerde auto's. [slachtoffer 1] pakte mij bij de mouw en trok mij mee richting de geparkeerde auto's. Ik keek om en zag de koplampen van de auto op ons af komen. Ook hoorde ik het toerental verder omhoog ging. [slachtoffer 1] duwde mij tussen de twee geparkeerde auto's. Vlak nadat [slachtoffer 1] mij tussen die auto's had geduwd en hij zelf ook tussen de auto's was gesprongen, zag en hoorde ik dat de auto de Mercedes ramde waar wij vlak naast stonden. Het gebeurde echt op een halve tot één meter afstand van waar [slachtoffer 1] en ik stonden.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 17 maart 2019, opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Ik zat op 17 maart 2019 te Leeuwarden als bijrijder in de auto bij [verdachte] . Er liep een groep van ongeveer 4 of 5 jongens voorbij. Ik zag dat [verdachte] de deur opendeed en iets zei, het was niet positief. Er was een harde knal en er vond een aanrijding plaats met een andere auto. De jongens hebben geluk gehad dat ze niet zijn geraakt.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 24 maart 2019, opgenomen op pagina 103 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Op 17 maart 2019 te Leeuwarden zag ik dat die andere jongens achter de auto langs liepen. [verdachte] had zijn deur open en riep tegen die jongens dat ze ons niet lastig moesten vallen. [verdachte] was verbaal agressief naar de jongens toe. [verdachte] reed vol gas achteruit.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

17 maart 2019, opgenomen op pagina 109 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Op 17 maart 2019 liep ik te Leeuwarden terug naar mijn auto. Ik hoorde gekibbel en kreeg de indruk dat er ruzie was tussen de personen in de Opel Corsa en een lopende groep. Aan de manier waarop de bestuurder de autodeur dicht sloeg, dacht ik al wat een agressief gedrag. Ik zag en hoorde dat de Corsa snel en met een hoog toerental achteruit reed en vervolgens met piepende banden vooruit reed in de richting van de lopende groep. Ik hoorde dat de Corsa hoog in de toeren zat en ongeveer dertig kilometer per uur reed toen deze in de buurt van de lopende groep kwam. Ik zag dat een jongen voor een geparkeerde Mercedes stond en dat de Corsa van richting veranderde en op de jongen afreed. Ik zag dat de Corsa op de jongen inreed en dat de jongen door een andere jongen weggetrokken werd. Dit was op het nippertje. Vervolgens klapte de Corsa met een harde klap op de geparkeerde Mercedes.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

17 maart 2019, opgenomen op pagina 114 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 4] :

Op 17 maart 2019 liep ik over de Willemskade in Leeuwarden. Ik hoorde geschreeuw. Er was volgens mij ruzie tussen de personen in een daar geparkeerde auto en een groep jongens die daar liepen. Ik zag dat de geparkeerde auto heel hard en agressief naar achteren reed en vervolgens heel hard naar voren in de richting van de jongens. Toen de auto vlakbij de jongens reed, maakte deze een soort schijnbeweging richting de jongens en reed tegen een geparkeerde auto. Eén van die jongens werd door een andere jongen weggetrokken, anders was deze jongen door de auto geraakt.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.

20 maart 2019, opgenomen op pagina 129 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Uit de camerabeelden van 17 maart 2019 blijkt het volgende:

Op de Willemskade te Leeuwarden liepen aan de zijde van de geparkeerde voertuigen (aan de waterzijde van de Willemskade) een 4-tal personen. Zij kwamen rechtsonder het beeld inlopen en liepen in de richting van de Tesselschadestraat. Het 4-tal liep vlak langs deze geparkeerde voertuigen.

Vervolgens kwam er een klein voertuig met een aanzienlijke snelheid aanrijden in de richting van het 4-tal. Het voertuig kwam vlak bij de voornoemde personen, tegen een geparkeerd voertuig tot stil stand. Even daarna reed het voertuig weg in de richting van de Tesselschadestraat te Leeuwarden. Onder in beeld verschenen aan de linkerzijde van dit gedeelte van de Willemskade, een 3-tal personen in beeld. Zij liepen op het linker trottoir ook in de richting van de Tesselschadestraat.

8. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting van 19 februari 2021, voor zover van belang inhoudende:

Op de camerabeelden die worden getoond heeft de rechtbank waargenomen dat de auto die verdachte bestuurde van zijn rijlijn naar rechts afwijkt. In de koplampen zijn duidelijk twee lopende personen zichtbaar en tevens is zichtbaar dat de auto tegen een aan de rechterkant van de weg geparkeerde auto aanbotst.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verkeersongevallenanalyse d.d. 14 juni 2019 met nummer 17.03.2019.10.00.0214, opgenomen op pagina 136 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten A.P. Algra en A.M. Bakker-Jongbloed:

Beknopte ongevalsomschrijving:

Het incident bestaande uit het met een voertuig inrijden op een persoon gevolgd door een aanrijding waarbij de veroorzaker de plaats van het ongeval had verlaten had op 17 maart 2019 omstreeks 04.54 uur plaatsgevonden op de Willemskade te Leeuwarden.

Sporen op het wegdek:

Op de rijbaan van de Willemskade, kort voor het parkeervak en aan de rechterzijde hiervan, zagen wij op het wegdek twee evenwijdige remblokkeersporen met een totale lengte van ongeveer 6.5 meter. Wij zagen dat deze sporen ter hoogte van het parkeervak een lichte knik vertoonden, een indicatie dat een remmend voertuig kennelijk ergens tegenaan was gebotst en daardoor licht van richting veranderde.

Conclusie/beantwoording:

Uit de aangetroffen remblokkeersporen en een aantal door ons aangetroffen krassporen op zowel het wegdek als een betonnen afsluitband blijkt dat de Opel Corsa, kort voor de aanrijding met de Mercedes, een noodremming heeft ingezet waarbij beide voorwielen van dit voertuig een remblokkeerspoor aftekenden.

Naderingssnelheid Opel:

Ervan uit gaande dat de Opel vrijwel direct na de aanrijding stilstond, kan gesteld worden dat de snelheid bij aanvang van de spooraftekening (remblokkeersporen) rekening houdende met de snelheidsvermindering ten gevolge van de botsing niet hoger geweest zal zijn dan ca 40 km/h.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft aangegeven dat hij de jongens niet voorbij heeft zien lopen en dat hij met veel gas hard achter- en vooruit reed, omdat hij voor het eerst in een auto met automaat reed en hier niet aan gewend was. Verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan de aanrijding niets heeft geroepen naar de groep jongens en geen ruzie met de jongens heeft gehad. Verder heeft verdachte aangegeven dat hij met zijn riem bezig was en vlak voor de aanrijding de Mercedes heeft gezien, maar geen personen heeft zien lopen. Volgens verdachte was het zeker niet zijn bedoeling om de jongens aan te rijden.

Gelet op het volgende acht de rechtbank deze verklaringen van verdachte niet aannemelijk. Verdachte heeft die avond als bestuurder van de Opel Corsa opgetreden, terwijl hij onder invloed van alcohol was. Hij is van Drachten naar Leeuwarden gereden en heeft de auto aan het water bij de gracht aan de Willemskade geparkeerd. Hij was op het moment van wegrijden dan ook niet meer helemaal onbekend met de auto en het rijden met een automaat. Uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat er voorafgaand aan de aanrijding een woordenwisseling heeft plaats gevonden tussen de groep en de inzittenden van de geparkeerde auto, waarbij de bestuurder iets naar de groep heeft geroepen. Niet alleen aangever [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaren dat verdachte iets heeft geroepen, ook de inzittenden van de auto en de onafhankelijke getuigen verklaren hierover. Vervolgens is de groep jongens doorgelopen, waarbij zij de auto waar verdachte in zat zijn gepasseerd. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte de groep jongens langs heeft zien lopen.

Vervolgens is verdachte hard achteruit en daarna hard vooruit in de richting van de groep jongens gereden. De rechtbank vindt het aannemelijk dat het agressieve en snelle rijgedrag van verdachte het gevolg is geweest van zijn boosheid over de voorafgaande woordenwisseling en vindt het niet aannemelijk dat dit kwam doordat hij de auto (een automaat) niet goed kende of dat hij steeds met zijn riem bezig was. Uit de ter terechtzitting vertoonde beelden en de getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] blijkt dat verdachte vervolgens van zijn rijrichting naar rechts is afgeweken. Kennelijk wilde verdachte door zijn rijgedrag [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] schrik aan jagen. Wanneer verdachte 6,5 meter voor de Mercedes is, zet hij een noodremming in. Verdachte rijdt op dat moment tussen de 30 en 40 kilometer per uur. Uit de op zitting getoonde beelden blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] goed zichtbaar waren in de koplampen van de auto van verdachte. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte niet alleen de Mercedes heeft gezien, zoals hij heeft verklaard, maar dat het niet anders kan dan dat hij op dat moment de jongens ook heeft gezien en hard is gaan remmen. Daarbij heeft verdachte kennelijk de beheersing en controle over zijn voertuig zodanig verloren dat hij tegen de daar geparkeerde Mercedes is aangereden. Vast staat dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zou hebben aangereden, als zij niet tijdig tussen hun toevlucht hadden gezocht tussen de geparkeerde auto’s.

Vrijspraak poging tot doodslag

De rechtbank acht, net als de officier van justitie, de onder 1. primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte het volle opzet had om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Evenmin zijn er voldoende aanknopingspunten aanwezig om vast te stellen dat verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft aanvaard. Uit de verklaring van de getuigen en de bevindingen van de verkeersongevallenanalyse kan worden afgeleid dat verdachte met een snelheid tussen de 30 en 40 kilometer per uur in de richting van de personen is gereden. Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan dat er, als gevolg van het handelen van verdachte, een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] het leven zouden laten.

Poging tot zware mishandeling

De rechtbank acht daarentegen wel de onder 1. subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen. Vast staat dat aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door de auto van verdachte zouden zijn geraakt, als zij niet op tijd waren weggevlucht. Naar algemene ervaringsregels geldt dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is te noemen wanneer sprake is van een botsing tussen een persoon en een auto met snelheid tussen 30 en 40 kilometer per uur. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Feiten 2., 3. en 4

De rechtbank acht de feiten 2., 3. en 4. wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 februari 2021;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 maart 2019, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij] ;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2019, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3];

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 17 maart 2019, opgenomen op pagina 157 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1. subsidiair, 2., 3. en 4. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 17 maart 2019, te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan personen, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde auto, als beginnend bestuurder, onder invloed van alcohol, accelererend en agressief, op die personen is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. hij op 17 maart 2019, te Leeuwarden, als beginnend bestuurder van een voertuig, personenauto, daarmee rijdende op de weg, de Willemskade, onder invloed van alcohol, accelererend en agressief en met een schijnbeweging, op personen is ingereden en tegen een geparkeerd staand voertuig is gebotst, Mercedes, kenteken [kenteken] , toebehorende aan

[benadeelde partij] , door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd.

3. hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Leeuwarden aan de Willemskade, op 17 maart 2019, voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [benadeelde partij] , schade was toegebracht.

4. hij op 17 maart 2019, te Leeuwarden, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 240 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen

van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair Poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

2. Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

3. Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

4. Overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (240 microgram).

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte, met toepassing van het jeugdstrafrecht, ter zake van de feiten 1. subsidiair, 2., 3. en 4. wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 10 dagen, met aftrek van voorarrest, de leerstraf So-Cool voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw deelt de mening van de officier van justitie om het jeugdstrafrecht toe te passen en heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast te volstaan met oplegging van een leerstraf, zoals geadviseerd door de reclassering. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft geleerd van de tijd die hij heeft vastgezeten. Verdachte heeft geen soortgelijke feiten op zijn strafblad staan en het gaat om een al wat ouder feit. Bij oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke rijontzegging kan verdachte zijn werk als koerier niet uitvoeren en valt zijn dagbesteding weg. Mocht de rechtbank komen tot oplegging van een rijontzegging, dan vraagt de raadsvrouw deze voorwaardelijk op te leggen en de proeftijd, gelet op het tijdsverloop, vast te stellen op één jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 19 oktober 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, het veroorzaken van gevaar op de weg, doorrijden na een aanrijding en rijden onder invloed. Verdachte die beginnend bestuurder is, is na een woordenwisseling met een groep jongens, onder invloed van alcohol, accelererend en agressief in zijn auto op de twee slachtoffers ingereden. Zij konden net op tijd wegvluchten, waarna verdachte tegen een daar geparkeerd staande auto is gebotst. Hierna is verdachte doorgereden, zonder zijn identiteit kenbaar te maken. Dat zwaar lichamelijk letsel niet is gevolgd, is in ieder geval niet aan het handelen van verdachte te danken geweest. Hij heeft niet alleen de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , maar ook de omstanders, de nodige schrik en angst aangejaagd.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Ook houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop van de zaak, nu het feit dateert van bijna twee jaar geleden.

De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of in het kader van het zogenoemde adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) de toepassing van het jeugdstrafrecht aan de orde is. Ten tijde van het bewezenverklaarde was verdachte 20 jaar oud, zodat in beginsel het commune strafrecht dient te worden toegepast. Op grond van artikel 77c Sr kan de rechter adolescenten van 18 tot 23 jaar berechten op grond van het jeugdstrafrecht, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De reclassering heeft over verdachte gerapporteerd. Hieruit blijkt dat verdachte een jong volwassene is met een verminderd IQ. De leefgebieden middelengebruik, psychosociaal functioneren, houding en sociale contacten kunnen ten tijde van onderhavige zaak als delict-gerelateerd worden aangemerkt. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Verdachte kan zijn eigen gedrag niet helemaal overzien en heeft mogelijk nog extra begeleiding nodig. De reclassering komt dan ook tot het advies van toepassing van het ASR. Daarnaast adviseert de reclassering toezicht door de Raad voor de Kinderbescherming en het volgen van de leerstraf So-Cool.

Gelet op het advies van de reclassering, het standpunt van de officier van justitie en de raadsvrouw, en al hetgeen overigens uit het dossier en ter zitting is gebleken over de ontwikkeling van verdachte zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten zich zonder meer leent voor oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan verdachte een langere detentie op te leggen dan de 10 dagen die hij in voorarrest heeft gezeten. Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van de leerstraf So-Cool, zoals geadviseerd door de reclassering, en jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, waarvan 50 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, opleggen en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Een geheel voorwaardelijke rijontzegging met een kortere proeftijd, zoals verzocht door de raadsvrouw, acht de rechtbank geen recht doen aan de ernst van het onder 1. subsidiair bewezenverklaarde feit.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 24,92 ter vergoeding van materiële schade en € 825,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd, ondanks toepassing van het ASR, wel de mogelijkheid van gijzeling op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Mocht de vordering wel ontvankelijk worden verklaard dan verzoekt de raadsvrouw het immateriële deel van de schadevergoeding als onvoldoende gesteld c.q. onderbouwd af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht te vordering te matigen en vanwege het ASR de gijzeling op 0 dagen te stellen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder

1. subsidiair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 849,92, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 maart 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank ziet aanleiding om de gijzeling bij niet betaling op 0 dagen te stellen omdat verdachte volgens het jeugdstrafrecht wordt berecht.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y, 77z, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 7, 8, 176, 177, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair, 2., 3. en 4. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een leerstraf, bestaande uit het volgen van het leerproject So Cool voor de duur van 40 uren. Het leerproject moet plaatsvinden binnen 9 maanden.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

een werkstraf voor de duur van 100 uren. De werkstraf moet binnen 9 maanden zijn verricht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 50 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 1. subsidiair:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van 18/730059-19, feit 1. subsidiair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 849,92 (zegge: achthonderdnegenenveertig euro en tweeënnegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 849,92 (zegge: achthonderdnegenenveertig euro en tweeënnegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2019, waarbij de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast wordt bepaald op 0 dagen. Dit bedrag bestaat uit € 24,92 aan materiële schade en € 825,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en

mr. K.A. de Groot, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2021.