Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:680

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
18-106910-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft voor de hoogte van de op te leggen straffen het oriëntatiepunt van het LOVS als uitgangspunt genomen, te weten drie jaar gevangenisstraf voor een woningoverval met licht geweld.

Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachten heeft de rechtbank telkens een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd.

De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor alle feiten, met uitzondering van het rijden onder invloed. De rechtbank zal niet overgaan tot oplegging van de door deskundigen geadviseerde TBS met dwangverpleging, omdat de algemene veiligheid van personen dit niet eist. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor ernstige geweldsfeiten en de bewezenverklaarde feiten betreffen ook feiten met relatief beperkt geweld. Op dit moment en onder deze omstandigheden is het niet passend en noodzakelijk om ter beveiliging van de maatschappij een TBS met dwangverpleging op te leggen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 304
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18-106910-20

ter terechtzitting gevoegd parketnummer: 18-109794-20 en 18-280909-19

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer: 18-095770-19 en 02-137545-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 maart 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juli 2020, 29 september 2020, 9 december 2020 en 17 februari 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging inzake parketnummer 18-106910-20, ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18-106910-20

1

hij op of omstreeks 21 oktober 2019 te Drachten, in elk geval in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan of bij de [straatnaam] ) heeft weggenomen een (geld)kistje met inhoud (te weten

meerdere brieven en/of munten), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer 1] (met kracht) bij het lichaam heeft vastgepakt en (daarbij) met de/een hand(en) de ogen en/of de mond van die [slachtoffer 1] heeft bedekt en/of daarop heeft gedrukt/geduwd en/of die [slachtoffer 1] tegen een muur heeft geduwd en/of (zodoende) die [slachtoffer 1] gedurende langere, althans enige, tijd in bedwang heeft gehouden en/of het zicht en/of de spraak heeft belet en/of belemmerd en/of daarbij die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, de woorden heeft toegevoegd: "Geld, geld!" en/of "Tas, tas!";

2

hij op of omstreeks 21 oktober 2019 te Drachten, in elk geval in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een woning (gelegen aan of bij de [straatnaam] ) opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

- de woning van die [slachtoffer 1] binnen te dringen, althans binnen te gaan, en/of (aldaar)

- die [slachtoffer 1] (met kracht) bij het lichaam vast te pakken en (daarbij) met de/een hand(en) de ogen en/of de mond van die [slachtoffer 1] te bedekken en/of daarop te drukken/duwen en/of

- die [slachtoffer 1] tegen een muur te duwen en/of (zodoende)

- die [slachtoffer 1] gedurende langere, althans enige, tijd in bedwang te houden en/of het zicht en/of de spraak te beletten en/of belemmeren en/of (daarbij)

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, de woorden toe te voegen: "Geld, geld!" en/of "Tas,tas!" en/of

- gedurende langere, althans enige, tijd die voornoemde woning (van die [slachtoffer 1] ) te doorzoeken

en zodoende die [slachtoffer 1] gedurende langere, althans enige, tijd van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden.

Parketnummer 18-109794-20

1

hij op of omstreeks 9 april 2020 te Drachten, gemeente Smallingerland [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen het hoofd te stompen en/of te slaan (tengevolge waarvan hij met diens hoofd door een raam is gevallen);

2

hij op of omstreeks 9 april 2020 te Drachten, gemeente Smallingerland zijn levensgezel, [slachtoffer 3] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen, in elk geval eenmaal tegen het hoofd te slaan.

Parketnummer 18-280909-19

1
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Drachten op/aan de [straatnaam], op of omstreeks 24 augustus 2019,
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten Gemeente Smallingerland) letsel en/of schade was toegebracht;

2
hij op of omstreeks 24 augustus 2019, te Drachten, in de gemeente Smallingerland, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 280 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 18-106910-20

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Uit de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] , de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen blijkt afdoende dat verdachte zich (als medepleger met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) schuldig heeft gemaakt aan deze feiten. Verdachte is met medeverdachte [medeverdachte 3] de woning van [slachtoffer 1] binnengedrongen. Beiden hebben de woning doorzocht en beiden hebben gedurende enige tijd geweld gepleegd jegens [slachtoffer 1] .

Parketnummer 18-109794-20

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, gelet op de aangifte van [slachtoffer 2] , de aangifte van [slachtoffer 3] , de verklaring van [getuige 1] , het bij aangevers door verbalisanten geconstateerde letsel en de deels bekennende verklaring van verdachte.

Parketnummer 18-280909-19

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Uit het proces-verbaal van aanhouding, de verklaring van getuige [getuige 2] en het aantreffen van de autosleutel tijdens de fouillering van verdachte blijkt afdoende dat verdachte, ondanks zijn stellige ontkenning, als bestuurder heeft gereden in een personenauto. Daarbij komt de aangifte namens de gemeente Smallingerland, de bevindingen van verbalisanten omtrent de schade aan de auto en de schade aan het plantsoen en het proces-verbaal van rijden onder invloed.

Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 18-106910-20

De raadsman heeft bepleit dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten een voortgezette handeling/meerdaadse samenloop betreffen, maar anderszins geen inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.

Parketnummer 18-109794-20

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten.

Parketnummer 18-280909-19

De raadsman heeft vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bepleit, aangezien niet wettig en overtuigend te bewijzen is dat verdachte de personenauto heeft bestuurd. Er zouden drie zwarte mannen bij de auto zijn geweest, terwijl getuige [getuige 2] heeft verklaard over één persoon en niet blijkt dat die de bestuurder was. Ook zou uit het dossier blijken dat er twee getuigen zijn, maar onduidelijk is wie dat zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 18-106910-20 1

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt.

Geruime tijd voor 21 oktober 2019 heeft [medeverdachte 1] een tip gekregen dat er een groot geldbedrag in een kluis onder het bed zou liggen in de woning van aangeefster [slachtoffer 1] (verder: aangeefster) aan de [straatnaam] te Drachten.2 [medeverdachte 1] heeft deze tip vervolgens met [medeverdachte 2] besproken.3 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn daarna samen langs de woning van aangeefster gereden en hebben het plan opgevat om het geld te stelen.4

Na enige tijd zijn [medeverdachte 3] en [verdachte] bij dit plan betrokken. Vervolgens zijn zij met z’n vieren langs de woning van aangeefster gereden en is besproken en besloten geld te stelen.5

In de avond van 21 oktober 2019 hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] een ontmoeting op een parkeerplaats op het Oud Ambacht.6 Daar is besproken dat aangeefster altijd thuis is7; dus het zou gaan om een woningoverval in plaats van een inbraak.8 Ook is besproken dat [medeverdachte 3] en [verdachte] de woning van aangeefster binnengaan. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven op de uitkijk staan en halen [medeverdachte 3] en [verdachte] na afloop op. 9 Afgesproken is dat de buit in gelijke delen verdeeld zal worden door de vier verdachten.10

Daarna rijden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] en [verdachte] op hun scooters richting de woning van aangeefsters en zetten zij [medeverdachte 3] en [verdachte] bij een steeg nabij de woning van aangeefster af.11 Het is dan rond 21.15 uur. 1213141516 [medeverdachte 3] en [verdachte] dragen een muts en een van hen heeft zijn gezicht bedekt met een bandana.17 Een van beiden heeft handschoenen aangetrokken.18

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rijden rond in de buurt van de woning aan de [straatnaam] . 19

Aangeefster20 heeft de voordeur van haar woning rond 21.00 uur die avond dichtgedaan maar niet afgesloten, zodat deze van buiten te openen is. [medeverdachte 3] en [verdachte] (hierna ook wel: de jongens) gaan aangeefsters woning binnen en treffen haar in de hal. [verdachte] loopt direct naar boven21, terwijl [medeverdachte 3] aangeefster vastpakt, haar hoofd tegen een muur duwt, waarbij hij zijn handen over aangeefsters mond en voorhoofd drukt. Aangeefster kan dan niets meer zien. De jongens roepen meermalen ‘geld, geld’ en ‘tas, tas’. Zij wisselen elkaar af, en wel zo dat beide jongens aangeefster om beurten hebben vastgepakt en haar ogen en mond bedekt hebben, terwijl de ander de woning heeft doorzocht.

Een van de jongens laat een geldkistje, dat aangeefster boven onder haar bed in haar slaapkamer bewaarde, aan aangeefster zien. Voordat de jongens met het geldkistje, met daarin brieven en munten22, de woning verlaten, sluit [medeverdachte 3] om 21.33 uur23 de stroom in de meterkast af.24

[medeverdachte 3] en [verdachte] rennen de woning van aangeefster uit in verschillende richtingen. [verdachte] heeft het geldkistje bij zich op het moment dat hij [medeverdachte 2] tegenkomt en springt bij [medeverdachte 2] achterop de scooter. Later is [medeverdachte 3] ook opgehaald, achterop de scooter van [medeverdachte 1] . Gezamenlijk zijn zij naar de woning van [medeverdachte 2] gegaan.25 In de schuur bij die woning is het geldkistje, in het bijzijn van alle vier de verdachten, opengemaakt.26

De rechtbank begrijpt de verklaring van [medeverdachte 2] , dat het zou gaan om een woningoverval in plaats van een inbraak zo, dat het plan om het geld te stelen uit de woning van aangeefster hoe dan ook doorgang zou vinden, onafhankelijk van de vraag of zij al dan niet in de woning aanwezig zou zijn, en dat dit in bijzijn van alle vier de verdachten is besproken.

Uit al het bovenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte tezamen met de medeverdachten het plan had om in de avonduren uit de woning van aangeefster een geldbedrag te stelen, ongeacht of zij thuis was. In dit plan lag besloten – behoudens aanwijzingen van het tegendeel, die in dit geval ontbreken – dat in het geenszins onwaarschijnlijke geval dat aangeefster thuis zou zijn, enig geweld, zoals een duw en/of enkele klap en/of het vasthouden van aangeefster, zou worden gebruikt om te komen tot de uitvoering van de voorgenomen diefstal en/of om te ontkomen. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans op het bewezenverklaarde geweld (kort gezegd: het in bedwang houden van aangeefster en het met de handen bedekken van haar ogen en mond) bewust aanvaard omdat het plegen van dit geweld onderdeel was van het door verdachte met de medeverdachten uitgevoerde plan.27 Hetzelfde geldt voor de opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster gedurende de tijd dat verdachte en een medeverdachte in de woning waren, die evenals het bewezenverklaarde geweld deel uitmaakte van het plan.

Op grond van al het hiervoor overwogene staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte een van de plegers van de woningoverval op en opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster is geweest, waarbij dusdanig nauw en bewust is samengewerkt tussen hem en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , zowel tijdens de voorbereiding, de uitvoering als na afloop, dat sprake is van medeplegen.

Gelet op dit alles acht de rechtbank de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Parketnummer 18-109794-20 28

Uit de aangifte van [slachtoffer 2]29, de verklaring van getuige [getuige 1]30 en de bekennende verklaring van verdachte31 blijkt dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze zoals hierna vermeld onder het kopje ‘bewezenverklaring’.

Uit de aangifte van [slachtoffer 3]32 en de bekennende verklaring van verdachte33 blijkt dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze zoals hierna vermeld onder het kopje ‘bewezenverklaring’.

Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, Sv. volstaat de rechtbank met een opgave van voornoemde bewijsmiddelen, nu de verdachte het onder 1 en 2 bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Parketnummer 18-280909-19 34

De getuige [getuige 2] , wonende [straatnaam] te Drachten, heeft op 24 augustus 2019 om 6.05 uur op de [straatnaam] te Drachten tegenover de politie als volgt verklaard.

Diezelfde dag om ongeveer 6.00 uur hoorde zij het geluid van een auto die met hoge snelheid remde. Zij keek hierop naar buiten en zag een kleine rode auto, met kenteken [kenteken] , staan. Uit de auto stapte een zwarte man met een grijze spijkerbroek en een wit T-shirt. Tijdens dit gebeuren belde de getuige direct met de politie. Vlak voordat de politie arriveerde zag de getuige tevens dat de bestuurder, de man met grijze spijkerbroek, een beker weggooide.35

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt de getuige [getuige 2] vanuit het appartementencomplex aan de [straatnaam] naar de politie liep tijdens de staande houding van verdachte. Deze getuige gaf aan dat de politie de juiste persoon had.36

Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat verdachte op 24 augustus 2019 omstreeks 6.05 uur op de [straatnaam] te Drachten is aangehouden. Verdachte droeg een lichtgrijze spijkerbroek en een wit T-shirt. Hij was zichtbaar onder invloed. Tijdens de insluitingsfouillering is een autosleutel bij verdachte aangetroffen.37 Uit nader onderzoek bleek deze autosleutel te passen bij de rode Renault Clio met kenteken [kenteken] .38

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige en hetgeen is gerelateerd in voornoemde op ambtseed opgestelde processen-verbaal. Dat verdachte – zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard – de autosleutel kort daarvoor had opgehaald uit een speeltuin in de buurt, nadat die daar door de bestuurder van de auto was achtergelaten, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Niet alleen heeft verdachte dit pas ter zitting verklaard, maar bovendien past het niet in het tijdsverloop tussen de aanrijding met de auto en de aanhouding van verdachte. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat verdachte als bestuurder van een personenauto heeft gereden op de [straatnaam] te Drachten.

Gelet op voornoemde overwegingen, het proces-verbaal rijden onder invloed39 en het resultaat van ademanalyse40 blijkt afdoende dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde, omdat onvoldoende uit het dossier blijkt waar het ongeval heeft plaatsgevonden en ook of verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, te meer omdat hij zeer kort na het ongeval in de nabijheid van de auto is aangehouden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten met parketnummer 18-106910-20 onder 1 en 2, parketnummer 18-109794-20 onder 1 en 2 en parketnummer 18-280909-19 onder 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Parketnummer 18-106910-20

1

hij op 21 oktober 2019 te Drachten, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [straatnaam] ) heeft weggenomen een (geld)kistje met inhoud (te weten meerdere brieven en munten), toebehorende aan [slachtoffer 1] ,

welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders, die [slachtoffer 1] (met kracht) bij het lichaam heeft vastgepakt en met de handen de ogen en de mond van die [slachtoffer 1] heeft bedekt en daarop heeft gedrukt/geduwd en die [slachtoffer 1] tegen een muur heeft geduwd en zodoende die [slachtoffer 1] gedurende langere tijd in bedwang heeft gehouden en het zicht en de spraak heeft belemmerd en daarbij die [slachtoffer 1] meermalen de woorden heeft toegevoegd: "Geld, geld!" en "Tas, tas!";

2

hij op 21 oktober 2019 te Drachten, tezamen en in vereniging met anderen, in een woning (gelegen aan de [straatnaam] ) opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door tezamen en in vereniging met zijn mededaders,

- de woning van die [slachtoffer 1] binnen te dringen en aldaar

- die [slachtoffer 1] (met kracht) bij het lichaam vast te pakken en met de handen de ogen en de mond van die [slachtoffer 1] te bedekken en daarop te drukken/duwen en

- die [slachtoffer 1] tegen een muur te duwen en (zodoende)

- die [slachtoffer 1] gedurende langere tijd in bedwang te houden en het zicht en de spraak te belemmeren en daarbij

- die [slachtoffer 1] meermalen de woorden toe te voegen: "Geld, geld!" en "Tas, tas!" en

- gedurende langere tijd die voornoemde woning (van die [slachtoffer 1] ) te doorzoeken

en zodoende die [slachtoffer 1] gedurende langere tijd van de vrijheid te beroven en beroofd te houden.

Parketnummer 18-109794-20

1

hij op 9 april 2020 te Drachten, gemeente Smallingerland [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen het hoofd te stompen ten gevolge waarvan hij met diens hoofd door een raam is gevallen;

2

hij op 9 april 2020 te Drachten, gemeente Smallingerland zijn levensgezel, [slachtoffer 3] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen tegen het hoofd te slaan.

Parketnummer 18-280909-19

2
hij op 24 augustus 2019, te Drachten, in de gemeente Smallingerland, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 280 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18-106910-20

1. Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2. Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Feit 1 en 2 zijn in eendaadse samenloop gepleegd.

Parketnummer 18-109794-20

1. Mishandeling.

2. Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Parketnummer 18-280909-19

2. Overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van parketnummer 18-106910-20 onder 1 en 2, parketnummer 18-109794-20 onder 1 en 2 en parketnummer 18-280909-19 onder 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede de terbeschikkingstelling van verdachte met verpleging van overheidswege.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd een straf op te leggen zonder oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Gelet op de artikelen 196 en 197 Sv. kan het rapport van Teylingereind enkel gebruikt worden voor de feiten met parketnummer 18-106910-20. De door de deskundigen getrokken conclusies zijn gebaseerd op onjuiste, niet vaststaande, uitgangspunten. Daardoor moet ook worden getwijfeld aan het gestelde gevaar van verdachte. De oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging is in het geval van verdachte niet proportioneel, gelet op zijn eerdere veroordelingen, de omstandigheid dat hij niet eerder een behandeling heeft ondergaan en de relatief geringe ernst van het toegepaste geweld. De raadsman heeft verzocht om – indien de rechtbank de conclusies van het rapport van Teylingereind ten aanzien van de stoornissen, het toepassen van het commune strafrecht en het advies om de maatregel van TBS op te leggen, overneemt – alsnog de rapporterend psychiater te horen en contra-expertise te gelasten.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages, te weten het klinisch multidisciplinair onderzoek pro Justitia, observatieafdeling Teylingereind (hierna: het rapport/de deskundigen van Teylingereind), het psychologisch en psychiatrisch onderzoek pro Justitia d.d. 17 juli 2020 en het reclasseringsadvies d.d. 10 februari 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 januari 2021, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 21 oktober 2019 samen met drie medeverdachten schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving van een toen 93-jarige vrouw in Drachten. Er is door het viertal gezamenlijk geruime tijd daarvoor een plan bedacht om te komen tot een woninginbraak na een tip dat er onder het bed van het alleenwonende slachtoffer een kluis met daarin een groot geldbedrag zou liggen. Daarbij was ingecalculeerd dat het slachtoffer op leeftijd zou zijn en dat zij misschien thuis zou zijn. Verdachte is met één medeverdachte de woning van het slachtoffer binnengegaan. Vrijwel direct werden zij geconfronteerd met het slachtoffer. Zij hebben beiden afwisselend geweld gebruikt tegen het slachtoffer en de woning doorzocht. Vóór vertrek uit de woning is de stroom uitgeschakeld. Nadien zijn verdachte en medeverdachte door de twee andere medeverdachten opgehaald. De buit bestond uit een geldkist met voor het slachtoffer waardevolle brieven en munten.

Het gaat om zeer ernstige feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat een woningoverval door het slachtoffer als uitermate beangstigend wordt ervaren. Je eigen woning is bij uitstek de plek waar je je veilig moet kunnen voelen. Uit de verklaring van het slachtoffer en de stukken die in het kader van de vordering benadeelde partij zijn ingediend, blijkt ook dat het slachtoffer angstig is geweest en nog steeds gevoelens van onveiligheid ervaart. Bovendien vergroten dergelijke geweldsdelicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Verdachte en zijn mededaders hebben niet aan deze gevolgen gedacht maar hebben alleen gedacht aan het geld dat zij buit wilden maken.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan twee mishandelingen. Verdachte heeft daarmee telkens inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hen pijn en letsel bezorgd. Eén van hen betrof zijn levensgezel. Dergelijke feiten hebben in het algemeen impact op het leven van de slachtoffers, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid.

Daarnaast heeft verdachte zich op 24 augustus 2019 in Drachten schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol in een auto. Door zijn handelen heeft verdachte zich als verkeersdeelnemer gevaarlijk en onverantwoordelijk gedragen.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 januari 2021 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten. Dat spreekt niet in zijn voordeel.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan ambulant pro justitia onderzoek. Ook aan het klinische observatieonderzoek heeft hij niet volledig meegewerkt. De deskundigen van Teylingereind hebben zich desondanks in staat geacht de gestelde vragen te beantwoorden. In onderstaande overwegingen wordt ingegaan op hun conclusies.

In het rapport van Teylingereind wordt beschreven dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, van een stoornis in het gebruik van alcohol (matig tot ernstig) en een stoornis in het gebruik van cannabis (ernstig, niet te specificeren). Volgens het concept van Hare (een instrument om te meten of er sprake is van psychopathie) voldoet verdachte aan de criteria van psychopathie, wat betekent dat de gewetensfuncties en empathische functies in de vroegkinderlijke ontwikkeling zijn achtergebleven of nauwelijks tot stand zijn gekomen. Het gevoelsleven van verdachte wordt bepaald door het lust-onlust principe (kort gezegd: doen wat prettig gevonden wordt en lastige consequenties vermijden). De problematiek van verdachte leidt tot de volgende concrete gevolgen in het dagelijkse leven: verdachte is beperkt leerbaar en is sterk afhankelijk van zijn omgeving wat betreft de regulering van zijn impulsen en emoties. In een complexe onoverzichtelijke situatie is de kans op agressieve ontregeling groter dan in overzichtelijke situaties en/of structurerende een-op-een contacten.

De genoemde stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde aan de orde.

De rechtbank neemt deze conclusies over, met uitzondering van de conclusie dat er bij verdachte sprake is van stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis. Naar het oordeel van de rechtbank is deze conclusie onvoldoende onderbouwd.

Toerekeningsvatbaarheid

De deskundigen van Teylingereind concluderen voorts dat de woningoverval en de vrijheidsberoving – indien bewezen – volledig aan verdachte kunnen worden toegerekend. Zij wijzen daarbij op de omstandigheid dat er een periode van planning aan is voorafgegaan, dat verdachte zich bewust is geweest van de situatie waarin hij zich begaf en dat hij een berekenende en op geldelijk gewin gerichte keuze heeft gemaakt om mee te doen. Hij heeft slechts instrumentele agressie ingezet. Samengevat zijn de deskundigen van mening dat verdachte wilsvrij is geweest en geen andere gedragskeuze dan het plegen van de feiten heeft willen maken, maar wel een andere keuze had kunnen maken. Er kan volgens de deskundigen geen doorwerking van de psychopathologie worden onderbouwd. Voor wat betreft de mishandeling van zijn toenmalige vriendin en haar buurman – indien bewezen – achten de deskundigen verdachte wel verminderd toerekeningsvatbaar. In die situatie was sprake van een andere dynamiek en hebben de bij de persoonlijkheidsstoornis passende falende frustratietolerantie, te kort schietende impulscontrole en gebrekkige agressieregulatie een rol gespeeld. Zijn lacunaire gewetensfuncties en gebrek aan empathische functies hebben gemaakt dat hij in zijn gedragskeuzes niet geremd is.

Voor wat betreft het rijden onder invloed concluderen de deskundigen ten slotte dat doorwerking van de psychopathologie niet kan worden onderbouwd zodat dit feit verdachte volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank deelt de visie van de deskundigen dat de onderliggende drijfveer bij verdachte om te komen tot de woningoverval (en de daarmee gepaard gaande vrijheidsberoving) een behoefte aan geld is geweest, maar kan dit niet los zien van de antisociale persoonlijkheidsstoornis en de psychopathie waarvan bij verdachte sprake is. De rechtbank vindt daarbij met name redengevend het door de deskundigen beschreven lust-onlust principe, het gebrek aan verantwoordelijkheid en empathische vermogens (kenmerken van psychopathie) en het bij herhaling overtreden van de wet (een kenmerk van de antisociale persoonlijkheidsstoornis). De rechtbank zal verdachte deze feiten (parketnummer 18-106910-20 onder 1 en 2) dan ook in verminderde mate toerekenen. Datzelfde geldt voor de beide mishandelingen (parketnummer 18-109794-20 onder 1 en 2), omdat de rechtbank de conclusie van de deskundigen ten aanzien van deze feiten goed kan volgen en overneemt.

De rechtbank ziet net als de deskundigen geen relatie tussen de psychopathologie en het rijden onder invloed (parketnummer 18-280909-19) zodat dit feit volledig aan verdachte toe te rekenen is.

Gevaar voor herhaling

Op basis van een klinische analyse en een gestructureerde risicotaxatie komen de deskundigen tot de conclusie dat het risico op herhaling van feiten als waarvan verdachte wordt verdacht, groot is. Risicofactoren zijn gelegen in de persoonlijkheidsstoornis die samengaat met de licht verstandelijke beperking. Er bestaat een risico op instrumentele en op reactieve agressie, op zowel de korte als de lange termijn. Ook de reclassering acht het gevaar op herhaling van geweldsdelicten hoog.

Commune strafrecht

Zowel in het rapport van Teylingereind als door de reclassering wordt geadviseerd niet het jeugdstrafrecht op verdachte toe te passen. Daarvoor zijn namelijk geen indicaties aan te wijzen in de persoon van verdachte. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Verdachte heeft een persoonlijkheidsstoornis die al langere tijd bestaat. Bovendien woont verdachte al enkele jaren zelfstandig en sluit een pedagogische of opvoedkundige aanpak niet bij hem aan. De rechtbank zal de adviezen van de deskundigen en de reclassering overnemen en verdachte berechten volgens het commune strafrecht.

Maatregel

De deskundigen van Teylingereind adviseren om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Bij verdachte ontbreekt enig inzicht in zijn problematiek of motivatie tot behandeling. Behandeling in een ambulant kader is uitgesloten. Een hoog beveiligingsniveau op een afdeling voor patiënten met een licht verstandelijke beperking wordt noodzakelijk geacht. Een TBS met voorwaarden wordt niet haalbaar geacht. De reclassering heeft zich bij dit advies aangesloten.

Voor de beantwoording van de vraag of de maatregel van TBS met dwangverpleging moet worden opgelegd, dient te worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen van artikel 37b Sr. Overwogen moet worden of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel eist.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de deskundigen en de reclassering dat er een hoog risico aanwezig is dat verdachte zich wederom schuldig zal maken aan geweldsdelicten. De rechtbank acht het wenselijk dat verdachte wordt behandeld en dat er toezicht op hem wordt uitgeoefend. Het is echter ook duidelijk dat verdachte op dit moment niet gemotiveerd is voor een behandeling, zodat de enige waarborg voor een behandeling kan worden gevonden in de oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging. Toch zal de rechtbank daartoe niet overgaan, omdat zij niet van oordeel is dat de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging eist. In de eerste plaats is daarvoor van belang dat verdachte weliswaar eerder is veroordeeld voor eenvoudige mishandelingen, maar niet voor ernstiger geweldsfeiten. In de tweede plaats betreffen de feiten die de rechtbank in deze zaak bewezen acht wederom eenvoudige mishandelingen en is door verdachte relatief beperkt geweld gebruikt bij de woningoverval. Dat maakt dat de rechtbank het op dit moment en onder deze omstandigheden niet passend en ook niet noodzakelijk acht om ter beveiliging van de maatschappij aan verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen.

Voor zover de raadsman heeft verzocht om een contra-expertise te gelasten ten aanzien van de vraag of het jeugdstrafrecht op verdachte moet worden toegepast, zal de rechtbank dat verzoek afwijzen. De noodzaak daartoe ontbreekt. Niet alleen de deskundigen van Teylingereind hebben daarover onderbouwd geadviseerd, maar ook de reclassering, onafhankelijk van de deskundigen. De rechtbank heeft zich op basis daarvan voldoende voorgelicht geacht om tot een afgewogen oordeel te komen.

De overige verweren en voorwaardelijke verzoeken van de raadsman met betrekking tot de conclusies in het rapport van Teylingereind en het gegeven advies, behoeven geen bespreking. Verdachte heeft daarbij geen rechtens te respecteren belang.

Straf

Omdat verdachte op dit moment niet gemotiveerd is voor behandeling en eerdere voorwaardelijk opgelegde straffen hem er niet van hebben weerhouden om strafbare feiten te plegen ziet de rechtbank geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Aan verdachte zal daarom een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

De rechtbank neemt voor wat betreft de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten als uitgangspunt het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) voor een woningoverval met licht geweld. Dat oriëntatiepunt voor straftoemeting is een gevangenisstraf van 3 jaren. Als straf vermeerderende factoren houdt de rechtbank rekening met de kwetsbaarheid van het slachtoffer en het samenwerkingsverband tussen verdachte en de medeverdachten. Strafmatigende factoren zijn de jeugdige leeftijd van verdachte (destijds 19 jaar oud) en de omstandigheid dat vrijwel alle feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat voor alle bewezenverklaarde feiten tezamen de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden op zijn plaats is.

De rechtbank wijst in dit verband, zoals de verdediging bij pleidooi heeft gedaan, op de mogelijkheid van het stellen van bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van een veroordeelde, in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Die bijzondere voorwaarden kunnen onder meer inhouden het zich laten opnemen in een zorginstelling, zich onder behandeling stellen van een deskundige of zorginstelling, het verblijven in een instelling voor begeleid wonen en het deelnemen aan een gedragsinterventie. Via deze regeling kan het openbaar ministerie te zijner tijd aan verdachte in het kader van zijn (eventuele) voorwaardelijke invrijheidstelling bijzondere voorwaarden stellen waarmee behandeling en begeleiding van en toezicht op verdachte kunnen worden gewaarborgd. Het valt immers niet uit te sluiten dat verdachte dan wel (enige) bereidheid heeft om aan dergelijke voorwaarden zijn medewerking te verlenen.

Benadeelde partij

Parketnummer 18-106910-20 (feit 1 en 2)

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en heeft uitdrukkelijk de hoogte van de immateriële schade niet bestreden.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij

[slachtoffer 1] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het met parketnummer 18-106910-20 onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 oktober 2019.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte/medeverdachten deze al heeft/hebben betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Parketnummer 02-137545-19

Bij onherroepelijk vonnis van 4 oktober 2019 van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Breda, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.

Parketnummer 18-095770-19

Bij onherroepelijk vonnis van 25 juli 2019 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren met een proeftijd van 2 jaren.

Bij voornoemde onherroepelijke vonnissen is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het eind van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vorderingen van respectievelijk 23 april 2020 en respectievelijk 26 november 2020 telkens de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straffen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de toewijzing gevorderd van de vorderingen tot tenuitvoerlegging, aangezien verdachte zich voor het einde van de proeftijden schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich onthouden van een standpunt omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging.

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummers 02-137545-19 en 18-095770-19

Gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan meerdere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank zal de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straffen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 55, 57, 63, 282, 300, 304, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte met parketnummer 18-280909-19 onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het met parketnummer 18-106910-20 onder 1 en 2, met parketnummer 18-109794-20 onder 1 en 2 en met parketnummer 18-280909-19 onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18-106910-20, feit 1 en 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.250,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 2.250,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2019, en bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 32 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte en/of zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte en/of zijn mededader(s) aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

02-137545-19:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Breda, van 4 oktober 2019, te weten:

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18-095770-19:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 25 juli 2019, te weten:

Een taakstraf, voor de duur van 20 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. M.J. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2021.

Mr. M.J. Dijkstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2019280633, doorgenummerd 1 tot en met 1630.

2 Pagina’s 445, 452 en 453 ( [medeverdachte 1] ).

3 Pagina’s 136, 137 ( [medeverdachte 2] ), 445, 452 en 453 ( [medeverdachte 1] ).

4 Pagina’s 147, 150 ( [medeverdachte 2] ) en 446 ( [medeverdachte 1] ).

5 Pagina’s 147, 148, 150 ( [medeverdachte 2] ), 429, 445, 446 ( [medeverdachte 1] ), pagina 496, 497 ( [verdachte] ) en de verklaring van [medeverdachte 3] bij de politie op 4 november 2020.

6 Pagina’s 136, 137, 148 ( [medeverdachte 2] ), pagina 447 ( [medeverdachte 1] ) en de verklaring van [medeverdachte 3] bij de politie op 4 november 2020.

7 De verklaring van [medeverdachte 1] afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 6 augustus 2020.

8 Pagina 148 ( [medeverdachte 2] ).

9 Pagina’s 137, 148 ( [medeverdachte 2] ), 447, 454 ( [medeverdachte 1] ) en de verklaring van [medeverdachte 3] bij de politie op 4 november 2020.

10 Pagina’s 455 ( [medeverdachte 1] ), 499 ( [verdachte] ) en de verklaring van [medeverdachte 2] afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 6 augustus 2020.

11 Pagina’s 136, 137, 149 ( [medeverdachte 2] ) 446, 455 ( [medeverdachte 1] ), 496, 497 ( [verdachte] ) en de verklaring van [medeverdachte 3] bij de politie op 4 november 2020.

12 Pagina 652.

13 Pagina’s 580, 790, 800, 808 en 809.

14 Pagina’s 580, 792, 800, 808 en 809.

15 Pagina’s 657 en 658 (getuige [getuige 3] ).

16 Pagina’s 664 en 665 (getuige [getuige 4] ).

17 Pagina 139 ( [medeverdachte 2] ).

18 Pagina 657 (getuige [getuige 3] ).

19 Pagina’s 137 ( [medeverdachte 2] ), 446 ( [medeverdachte 1] ) en 498 ( [verdachte] ).

20 Voor zover niet met andere voetnoten aangeduid zijn de hierna volgende twee alinea’s gebaseerd op de verklaringen van aangeefster: pagina’s 626, 611, 612, 615 en 616 en de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 19 november 2020.

21 Pagina 139 ( [medeverdachte 2] ) en de verklaring van [medeverdachte 2] afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 6 augustus 2020.

22 Pagina’s 614 en 617.

23 Pagina 911.

24 Pagina’s 500 ( [verdachte] ), 987, 988, 991, 994, 1002, 1027 en 1028.

25 Pagina’s 136, 137 ( [medeverdachte 2] ), 446 ( [medeverdachte 1] ), 500 ( [verdachte] ) en de verklaring van [medeverdachte 3] bij de politie op 4 november 2020.

26 Pagina’s 136, 138 ( [medeverdachte 2] ), 449 ( [medeverdachte 1] ), 500 ( [verdachte] ) en de verklaring van [medeverdachte 3] bij de politie op 4 november 2020.

27 Vgl. Hoge Raad 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1804.

28 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0100-2020090381, doorgenummerd 1 tot en met 37.

29 Pagina 16.

30 Pagina 23.

31 Pagina 30 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 februari 2021.

32 Pagina’s 25 en 26.

33 Pagina’s 31 en 32 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 februari 2021.

34 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0100-2019224144, doorgenummerd 1 tot en met 34.

35 Pagina’s 24 en 25,

36 Pagina 14.

37 Pagina 7.

38 Pagina 21.

39 Pagina’s 27 en 28.

40 Pagina 30.