Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:659

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
18/068171-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak seksueel corrumperen. Veroordeling schennis van de eerbaarheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 239
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/068171-20

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/146497-20 en 18/103819-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 maart 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 februari 2021. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.G. Knegt, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door L. de Graaf.

Tenlastelegging

Parketnummer 18/068171-20

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 september 2019 tot en met 30 september 2019, te Loon, gemeente Assen en/of te Emmen, in ieder geval in Nederland,

(telkens) meerdere personen, althans een persoon, van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft verdachte in het zicht en/of ten overstaan van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 en/of [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2005 en/of [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2004,

- zijn ontblote geslachtsdeel getoond en/of

- zijn geslachtsdeel vastgehouden en/of

- zichzelf afgetrokken;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 september 2019 tot

en met 30 september 2019, te Loon, gemeente Assen en/of te Emmen, in ieder geval

in Nederland, (telkens) de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, op of aan de Gasterenseweg en/of in een inham nabij de

Galgenriet en/of de Odoornerweg en/of de Hoofdweg, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en/of zichzelf af te trekken;

2.

hij op of omstreeks 30 september 2019, te Emmen, in ieder geval in Nederland, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, op of aan de kruising van de Odoornerweg, het Valtherbospad en de Reeweg en/of de Hoofdstraat, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en/of zichzelf af te trekken;

Parketnummer 18/146497-20

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 februari 2020, te Glimmen, gemeente Groningen, in ieder geval in Nederland, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer

bestemd, te weten de Hoge Hereweg, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en/of zichzelf af te trekken;

Parketnummer 18/103819-20

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 februari 2020, te Westdorp, gemeente Borger-Odoorn, in ieder geval in Nederland, meerdere personen, althans een persoon, van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met

ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft verdachte in het zicht en/of ten overstaan van [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum] 2007 en/of [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum] 2007,

- zijn ontblote geslachtsdeel getoond en/of

- zijn geslachtsdeel vastgehouden en/of

- zichzelf afgetrokken;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 februari 2020, te Westdorp, gemeente Borger-Odoorn, in

ieder geval in Nederland, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten een fietspad aan of in de buurt van de Borgerderstraat en/of Westdorperstraat, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en/of

zichzelf af te trekken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder parketnummer 18/068171-20 onder 1 primair ten laste gelegde en het onder 18/103819-20 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat voor een bewezenverklaring van corrumperen nodig is dat verdachte de meisjes heeft bewogen tot het getuige zijn van seksuele handelingen. In het onderhavige geval kan, gelet op de wijze van uitvoering, worden gesproken van actieve handelingen die er op zijn gericht om minderjarigen getuige te doen zijn van seksuele handelingen. Immers, verdachte is zichzelf aan het aftrekken, rijdt vervolgens langs de meisjes, stopt en gaat zichzelf weer aftrekken. Het gaat hier om bewust de confrontatie opzoeken. Daarbij gaat de officier van justitie er terzake van parketnummer 18/103819-20 vanuit dat verdachte, hoewel daarvan uit de aangifte en de verklaringen van de desbetreffende meisjes niet blijkt, gelet op zijn eigen verklaring, ook heeft staan masturberen.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 18/068171-20

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het OM haar verplichting in de zin van artikel 167a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet is nagekomen. Art. 167a Sv bepaalt dat het OM in een zaak als deze het minderjarige slachtoffer in de gelegenheid moet stellen zijn of haar mening over het gepleegde strafbare feit kenbaar te maken. Het gevolg op niet-naleving is in beginsel niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde in verband met het ontbreken van actieve handelingen van verdachte die gericht zijn op het getuige doen zijn van de minderjarigen en het ontbreken van het ontuchtig oogmerk bij verdachte. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

Ten aanzien van parketnummer 18/146497-20

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

Ten aanzien van parketnummer 18/103819-20

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde in verband met het ontbreken van seksuele handelingen, het ontbreken van actieve handelingen van verdachte die gericht zijn op het getuige doen zijn van de minderjarigen en het ontbreken van het ontuchtig oogmerk bij verdachte. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

Oordeel van de rechtbank

Het niet-ontvankelijkheidsverweer inzake 18/068171-20 feit 1 primair

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat het Openbaar Ministerie in geen van de zaken tekort is geschoten in haar verplichting ex art. 167a Sv om de minderjarige in de gelegenheid te stellen zijn of haar mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. Alle drie in tenlastelegging genoemde minderjarige meisjes hebben zelf aangifte gedaan en verklaard over hetgeen zij hebben waargenomen. Daarmee zijn de minderjarigen naar het oordeel van de rechtbank voldoende in de gelegenheid gesteld hun mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. Bovendien blijkt uit het dossier dat alle drie de meisjes een signalement van de dader hebben gegeven en het kenteken genoteerd dan wel een omschrijving van de auto gegeven. Aldus hebben de minderjarigen zelf actief bijgedragen aan het opsporingsonderzoek. Hieruit kan worden afgeleid dat de minderjarigen geen bezwaar hadden tegen vervolging van verdachte, in welk geval voor niet-ontvankelijkheid van het OM geen grond bestaat.1 De rechtbank acht het OM dan ook ontvankelijkheid in de vervolging van verdachte en verwerpt het verweer van de raadsman.

Vrijspraak seksueel corrumperen: 18/068171-20 feit 1 primair en 18/103819-20 primair

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/068171-20 onder 1 primair ten laste gelegde en het onder 18/103819-20 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Ten aanzien van parketnummer 18/068171-20

Van een strafbare gedraging als bedoeld in artikel 248d Wetboek van Strafrecht is sprake wanneer een minderjarige, met ontuchtig oogmerk ertoe wordt bewogen daadwerkelijk door de dader uitgevoerde seksuele handelingen te aanschouwen. De vraag die de rechtbank in het onderhavige geval voor een bewezenverklaring moet beantwoorden is of er in de gegeven omstandigheden sprake is geweest van 'ertoe bewegen' in de zin van artikel 248d Wetboek van Strafrecht. Het bestanddeel 'ertoe bewegen' vereist actieve handelingen van verdachte welke er op zijn gericht de minderjarige getuige te doen zijn van seksuele handelingen.

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat verdachte seksuele handelingen heeft gepleegd in het zicht van minderjarigen beneden de 16 jaar. In beide gevallen, op 26 september 2019 en 30 september 2019, stond verdachte naast zijn bus, welke hij op een zandpad naast een fietspad had geparkeerd, te masturberen terwijl er meisjes van 14 en 15 jaar langsfietsten. Nadat de meisjes verdachte gepasseerd waren, is verdachte in zijn bus gestapt en de meisjes voorbij gereden. Even verderop zagen de meisjes dezelfde bus wederom op of naast een fietspad geparkeerd staan en toen zij langs fietsen zagen zij verdachte opnieuw naast zijn bus staan te masturberen.

De rechtbank is van oordeel dat er in de gegeven omstandigheden geen sprake is geweest van 'ertoe bewegen' in de zin van artikel 248d Wetboek van Strafrecht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er voorafgaand aan of tijdens de seksuele handelingen van verdachte geen sprake is geweest van enige vorm van contact tussen verdachte en de slachtoffers. Verdachte stond weliswaar naast een fietspad, in het zicht van passerende fietsers te masturberen, maar heeft voor het overige geen enkele handeling verricht die erop was gericht om de aandacht van de minderjarige meisjes te vestigen op het masturberen. Verdachte heeft de meisjes niet geroepen, gewenkt, gebaren naar hun gemaakt of anderszins contact met hen gezocht. Zij zijn in feite vanuit het niets geconfronteerd met verdachte die stond te masturberen. Het feit dat verdachte na de eerste confrontatie de meisjes voorbij is gereden en even verderop opnieuw naast zijn bus is gaan staan masturberen, maakt dat niet anders. Het enkele voorbij rijden levert naar het oordeel van de rechtbank geen (stilzwijgende) uitnodiging aan de minderjarigen op om (opnieuw) getuige te zijn van seksuele handelingen. Verdachte heeft de meisjes er op geen enkele manier toe bewogen hem te volgen en ook op de tweede locatie heeft verdachte geen actieve handeling verricht die erop gericht was de meisjes opnieuw getuige te doen zijn van seksuele handelingen. Bovendien bestond de mogelijkheid dat de meisjes een andere weg in zouden zijn geslagen waardoor zij niet voor de tweede maal met de seksuele handelingen geconfronteerd zouden zijn. Ook daarom kan niet worden gezegd dat verdachte de minderjarigen ertoe heeft bewogen op de tweede locatie opnieuw seksuele handelingen te aanschouwen.

Gelet op vorenstaande zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 18/068171-20 onder 1 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van parketnummer 18/103819-20

Zoals hiervoor overwogen is sprake van strafbaar handelen in de zin van artikel 248d wetboek van strafrecht wanneer een minderjarige, met ontuchtig oogmerk ertoe wordt bewogen daadwerkelijk door de dader uitgevoerde seksuele handelingen te aanschouwen. Derhalve is tevens voor een bewezenverklaring vereist dat de minderjarige seksuele handelingen heeft waargenomen. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij heeft gemasturbeerd, maar uit de verklaringen van aangeefsters blijkt niet dat dat door (één van) hen is waargenomen. Eén van de twee meisjes heeft gezien dat verdachte zijn jas open deed, zijn broek naar beneden had en dat ze zijn geslachtsdeel kon zien. Zijn handen waren bij zijn jas, niet bij zijn geslachtsdeel. Deze handelingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als seksuele handelingen in de zin van art. 248d Sr. Derhalve kan niet worden bewezen dat de minderjarigen getuige zijn geweest van seksuele handelingen zodat niet voldaan is aan de vereisten voor een bewezenverklaring ingevolge art. 248d Sr. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18/103819-20 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring viermaal schennis van de eerbaarheid

De rechtbank acht de volgende feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring:

- het onder parketnummer 18/068171-20 onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde;

- het onder parketnummer 18/146497-20 ten laste gelegde;

- het onder parketnummer 18/103819-20 subsidiair ten laste gelegde.

Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

18/068171-20

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2021;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 27 september 2019, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019283155 van 29 oktober 2019, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangifte van 26 september 2019, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] ;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangifte van 30 september 2019, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] ;

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangifte van 4 oktober 2019, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige] .

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

18/146497-20

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2021;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 12 februari 2020, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020039033 van 23 februari 2020, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 6] .

18/103819-20

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2021;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 maart 2020, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020087531 van 7 april 2020, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht:

- het onder parketnummer 18/068171-20 onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde;

- het onder parketnummer 18/146497-20 ten laste gelegde;

- het onder parketnummer 18/103819-20 subsidiair ten laste gelegde.

wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Parketnummer 18/068171-20

1. subsidiair

hij op meer tijdstippen in de periode van 26 september 2019 tot en met 30 september 2019, in de gemeente Assen en Emmen, telkens de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, op of aan de Gasterenseweg en in een inham nabij de Galgenriet en de Odoornerweg en de Hoofdweg, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en zichzelf af te trekken;

2.

hij op 30 september 2019, te Emmen, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, op of aan de kruising van de Odoornerweg, het Valtherbospad en de Reeweg, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en zichzelf af te trekken;

Parketnummer 18/146497-20

hij op 12 februari 2020, te Glimmen, gemeente Groningen, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten de Hoge Hereweg, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en zichzelf af te trekken;

Parketnummer 18/103819-20

subsidiair.

hij op 29 februari 2020, te Westdorp, gemeente Borger-Odoorn, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten een fietspad aan of in de buurt van de Westdorperstraat, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18/068171-20

1. subsidiair schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer

bestemd, meermalen gepleegd

2. schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer

bestemd

Parketnummer 18/146497-20

schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd

Parketnummer 18/103819-20

subsidiair. schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake:

- het onder parketnummer 18/068171-20 onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde;

- het onder parketnummer 18/146497-20 ten laste gelegde en;

- het onder parketnummer 18/103819-20 primair ten laste gelegde,

wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een taakstraf voor de duur van 20 á 30 uren, alsmede om - ten behoeve van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden - geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een voorwaardelijke taakstraf. Een voorwaardelijke gevangenisstraf is een te zware sanctie voor de onderhavige feiten.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies en de psychologische Pro Justitia rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een periode van vijf maanden meerdere malen schuldig gemaakt aan openbare schennis van de eerbaarheid ten overstaande van in totaal zes jonge meisjes tussen de 13 en 17 jaar oud. In vijf gevallen stond verdachte zichzelf langs de weg af te trekken en in het andere geval heeft verdachte zijn jas open gedaan en zijn geslachtsdeel getoond. Het is een feit van algemene bekendheid dat het voor minderjarige getuigen een angstaanjagende ervaring kan zijn wanneer zij volkomen onverwacht en ongewenst met een dergelijk handelen worden geconfronteerd, hetgeen ook blijkt uit de verklaringen van de betreffende meisjes. Daar komt in het onderhavige geval bij dat verdachte in bijna alle gevallen, nadat de meisjes hem gepasseerd waren, hen met zijn bus voorbij is gereden en even verderop wederom is gaan staan masturberen (dan wel zijn geslachtsdeel heeft getoond) waar de meisjes opnieuw mee werden geconfronteerd. Dit maakt het des te angstaanjagender. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen rekening heeft gehouden met de jonge leeftijd van de meisjes en de gevolgen die zijn handelen voor de meisjes zouden kunnen hebben.

De rechtbank houdt er echter ook rekening mee dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, alsmede dat verdachte met zijn bekennende verklaring verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en reeds in vrijwillig kader hulp heeft gezocht.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de psychologische Pro Justitia rapportage, d.d. 9 februari 2021 opgemaakt door GZ-psycholoog D.R. van der Velden. Daarin wordt geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een neurobiologische ontwikkelingsstoornis (combinatie van beperkte adaptieve vaardigheden, autismespectrumstoornis, aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis), ongespecificeerde psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornis, een cannabisverslaving en een parafiele stoornis. Van deze stoornissen was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde en heeft hierin doorgewerkt.

Hij exhibitioneert als seksuele coping om zijn gevoelens van ervaren extreme spanning en stress te verminderen. Dit hanteringsmechanisme is problematisch, omdat dit vrijwel zijn enige manier blijkt om dergelijke gevoelens af te laten vloeien. Hij kan dergelijke gevoelens niet (aan)voelen, hanteren/kanaliseren, verwoorden en op een alternatieve, meer wenselijke manier uiten. Het ontbreekt hem aan gedragsalternatieven. Geadviseerd wordt dan ook om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. De bewezenverklaarde feiten zullen daarom in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend en de rechtbank zal dit meewegen bij de straftoemeting.

Ondanks dat de rechtbank verdachte, anders dan de officier van justitie, vrijspreekt van het seksueel corrumperen van minderjarige meisjes, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde taakstraf voor de duur van 100 uren, passend. Daartoe overweegt de rechtbank dat de door verdachte gepleegde schennis van de eerbaarheid een ernstige in zijn soort is, in het bijzonder gelet op de jonge leeftijd - en daarmee kwetsbaarheid - van de slachtoffers en de wijze van uitvoering, te weten het inhalen van de meisjes na de eerste confrontatie om ze even verderop opnieuw met seksuele handelingen te confronteren. De door de raadsman voorgestelde taakstraf voor de duur van 20 á 30 uren doet geen recht aan de ernst en veelvoud van de gepleegde feiten.

Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden noodzakelijk om het recidiverisico terug te dringen. Uit voornoemd Pro Justitia rapport blijkt immers dat het recidiverisico op seksueel delictgedrag, zonder intensieve behandeling, als matig-hoog wordt ingeschat. Om het recidiverisico te verminderen, wordt geadviseerd het reeds op vrijwillige basis ingezette traject van ambulante behandeling en begeleid wonen, te continueren in de vorm van bijzondere voorwaarden. Reclasseringstoezicht wordt wenselijk geacht om te kijken of verdachte zich aan de voorwaarden houdt. Ook de reclassering concludeert in haar rapport d.d. 10 december 2020 dat, ondanks de in het vrijwillig kader opgestarte hulpverlening, gelet op het recidiverisico een toezicht geïndiceerd is. De rechtbank zal derhalve tevens een voorwaardelijke straf opleggen met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Verdachte is bereid aan deze voorwaarden mee te werken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking de ernst van het feit en de wijze van uitvoering, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke taakstraf en dat een voorwaardelijke gevangenisstraf passender is. Zou verdachte niet verminderd toerekeningsvatbaar zijn, dan had de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden geacht. Rekening houdend met de omstandigheid dat de feiten in verminderde mate aan verdachte zijn toe te rekenen, zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden opleggen, met een proeftijd van 3 jaren.

Resumerend legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Benadeelde partij

18/146497-20

[slachtoffer 6] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij heeft onder het kopje 'immateriële schade ' kort toegelicht op welke manier zij last heeft ondervonden van het incident, maar heeft geen bedrag gevorderd ter vergoeding van immateriële dan wel materiële schade.

18/103819-20

[benadeelde partij] heeft zich voor haar dochter [slachtoffer 4] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 27,26 ter vergoeding van materiële schade en € 250,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

[slachtoffer 6]

De officier van justitie acht, gelet op vergelijkbare zaken, een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 250,- redelijk en billijk en heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen tot dit bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 4]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

[slachtoffer 6]

De raadsman heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat onvoldoende is gebleken van naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel. De situatie dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat gesproken kan worden van een aantasting in de persoon, doet zich bovendien niet voor in het onderhavige geval. De benadeelde partij komt derhalve niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade. Voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de benadeelde partij daar wel voor in aanmerking komt, heeft de raadsman bepleit dat het bedrag beperkt dient te worden tot € 50,-.

[slachtoffer 4]

Met betrekking tot de materiële kosten heeft de raadsman heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de minderjarige deze kosten niet zelf heeft gemaakt en met betrekking tot de immateriële kosten heeft de raadsman hetzelfde bepleit als hiervoor inzake de vordering van [slachtoffer 6] .

Oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 6]

De vordering van [slachtoffer 6] kan worden opgevat als een vordering ter vergoeding van immateriële schade. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel of aantasting in de eer of goede naam, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van bedoelde aantasting in de persoon 'op andere wijze' kan sprake zijn indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst en onveiligheid vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Dat sprake is van ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, blijkt niet uit hetgeen is aangedragen, noch uit overige omstandigheden. Voorts doet naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet de situatie voor waarin de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt dan ook afgewezen.

[slachtoffer 4]

De vordering ter vergoeding van materiële schade ziet op de vergoeding van reiskosten gemaakt ten behoeve van de aangifte op het politiebureau. De reiskosten die gemaakt zijn om aangifte te doen op het politiebureau zijn niet gemaakt ‘ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade’, zoals bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder b BW. Zij strekken ertoe strafrechtelijke opsporing en vervolging van de dader te bewerkstelligen. De enkele omstandigheid dat een eventuele daarop volgende strafrechtelijke veroordeling de grondslag kan bieden voor schadevergoeding, maakt niet dat gezegd kan worden dat die reiskosten met dat doel zijn gemaakt (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AF0690). Deze reiskosten kunnen daarom niet als schade ten laste van verdachte worden gebracht.

Daarnaast is vergoeding van immateriële schade gevorderd. Evenals in het geval van [slachtoffer 6] , is ook ten aanzien van [slachtoffer 4] noch uit hetgeen is aangedragen, noch uit andere omstandigheden gebleken van ernstige psychische schade zoals bedoeld in artikel 6:106 BW. En ook hier doet naar het oordeel van de rechtbank niet de situatie voor waarin de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Ook de vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt derhalve afgewezen.

[slachtoffer 4] heeft ook vergoeding gevorderd van reiskosten gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de zitting. De reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting zijn niet aan te merken als rechtstreekse materiële schade, maar komen op de voet van art. 238 lid 1 Rv in beginsel wel als proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Nu echter de vordering van [slachtoffer 4] tot schadevergoeding integraal wordt afgewezen, zal een veroordeling van verdachte in de proceskosten achterwege blijven.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 239 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/068171-20 onder 1 primair en onder parketnummer 18/103819-20 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18/068171-20 onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/146497-20 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/103819-20 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich na uitnodiging van de reclassering meldt op de door hen aangegeven dag, tijd en plaats. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Hij volgt hierbij de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden. Binnen het toezicht wordt samen met veroordeelde (sub)doelen gesteld waar betrokkene aan zal werken deze te behalen;

2. dat veroordeelde zich laat behandelen door AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds in een vrijwillig kader gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. dat veroordeelde, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang zal verblijven, te bepalen door de reclassering;

4. dat veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak en wanneer veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Ten aanzien van 18/146497-20

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] af.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Ten aanzien van 18/103819-20

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (als vertegenwoordiger van [slachtoffer 4] ) af. Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P. Hoekstra, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 maart 2021.

Mr. B.I. Klaassens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0796.