Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:651

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
AWB LEE - 19 _ 4494
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is in 2002 door de bank aangesproken voor een schuld van zijn onderneming. Om de schuld te voldoen heeft eiser destijds in privé een lening afgesloten. Eiser lost het laatste deel van die lening af in 2015. In geschil is of en zo ja welke fiscale gevolgen dat heeft. Eiser stelt primair dat de aflossing ten laste van zijn box 1 inkomen moet komen.

De rechtbank oordeelt eerst dat eiser in 2002 een regresvordering heeft verkregen op zijn onderneming. Die regresvordering viel in 2002 onder de terbeschikkingstellingregeling. De daarvoor aangegane lening staat dan op de passiefzijde van eisers tbs-balans.

Doordat de onderneming in 2005 is opgehouden te bestaan kan na 2005 geen sprake meer zijn van een terbeschikkingstelling. De terbeschikkingstelling is daarom in 2005 geëindigd. De aangegane lening valt daarom per 2006 in box 3. Eisers primaire beroepsgrond slaagt daarom niet.

Subsidiair heeft eiser een beroep gedaan op gewekt vertrouwen. Verweerder heeft in de vooraankondiging op zijn uitspraak op eisers bezwaar geschreven dat hij voornemens is eiser in zijn subsidiaire standpunt – het vaststellen van een verlies in box 2 – te volgen.

De rechtbank oordeelt dat eiser in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen aan de uitlating van verweerder in de vooraankondiging. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vooraankondiging opgevat worden als een expliciete standpuntbepaling (toezegging) van verweerder aan eiser. Eisers subsidiaire beroepsgrond slaagt.

Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-03-2021
V-N Vandaag 2021/589
FutD 2021-0837
NTFR 2021/1137 met annotatie van mr. B. Schaafsma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/4494

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde van eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2015 met dagtekening 21 september 2018 aan eiser een aanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 23.578. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking het verlies uit werk en woning vastgesteld op € 23.578 en een verzuimboete van € 369 opgelegd voor het niet of niet tijdig doen van aangifte.

Bij uitspraak op bezwaar van 15 november 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en gehuwd met [partner van eiser] .

1.2.

Eiser was oprichter en enig aandeelhouder van [naam vennootschap] B.V. (hierna: [naam vennootschap] ). Volgens de gegevens uit het handelsregister is [naam vennootschap] opgericht op [datum oprichting] 1997, op [datum faillietverklaring] 2001 failliet verklaard en op [datum einde] 2005 opgehouden te bestaan.

1.3.

Aan [naam vennootschap] is op enig moment door de [naam bank] een lening in rekening courant verstrekt. Het nummer van deze lening is [nummer lening onderneming] .

1.4.

Nadat [naam vennootschap] in staat van faillissement was geraakt, is eiser in 2002 door de [naam bank] aangesproken voor de openstaande schuld van [naam vennootschap] onder lening [nummer lening onderneming] . Eiser heeft aan de [naam bank] een bedrag betaald om de nog openstaande schuld op lening [nummer lening onderneming] af te lossen. Eiser heeft hiervoor – eveneens bij de [naam bank] – een lening afgesloten. Het nummer van deze lening is [nummer lening privé] .

1.5.

Op 23 februari 2015 is het toen nog resterende openstaande bedrag van € 25.887 van de lening met nummer [nummer lening privé] door eiser aan de [naam bank] betaald.

1.6.

Eiser heeft op 21 december 2016 aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 gedaan. Naar aanleiding van de aangifte heeft verweerder aan eiser een vraagbrief gestuurd.

1.7.

Bij brief met dagtekening 17 augustus 2018 heeft verweerder de navorderingsaanslagen aangekondigd. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Op 14 augustus 2018 heb ik uw brief ontvangen inzake de aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2015 van de heer [eiser] , burgerservicenummer [BSN nummer eiser] en mevrouw [partner van eiser] , burgerservicenummer [BSN nummer partner van eiser] . U heeft mij informatie verstrekt over de verdeling van de hypotheekrente eigen woning tussen beide partners. Ook vraagt u om een onderbouwing, waarom ik de [naam bank] lening, met leningnummer [nummer lening overig] niet kan accepteren als een hypotheeklening ten behoeve van de eigen woning.

In uw brief van 2 maart 2018 heeft u mij informatie gegeven over de verschillende bankrekeningen. Over de lening, met nummer [nummer lening overig] meldt u het volgende:

“Deze schuld komt voort uit het faillissement van [naam vennootschap] BV. Dit faillissement heeft zich rond 2001 voorgedaan. De heer [eiser] heeft zich borg gesteld voor een krediet verstrekt aan deze BV. Bij het faillissement heeft de bank zich verhaald op de heer [eiser] . Aangezien de heer [eiser] deze schuld niet kon betalen, is deze lening ontstaan”.

Uit deze informatie blijkt duidelijk, dat de verstrekte lening niet ten behoeve van de eigen woning is aangegaan, ingevolge artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Om te kunnen beoordelen of deze schuld als opbrengst uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden, in de aangifte inkomstenbelasting dient te worden aangegeven, heb ik om meer informatie gevraagd.

In uw brief van 2 maart, refereert u aan de goedkeuring van de Staatssecretaris met kenmerk CPP2003/2360M. De heer [eiser] heeft inderdaad een schuldvordering op [naam vennootschap] B.V. in de zin van artikel 3.92 Wet I.B. 2001.

De BV. is op [datum faillietverklaring] 2001 failliet verklaard. De bank heeft zich bij dit faillissement verhaald op de heer [eiser] . Door betaling aan de bank met in privé geleend geld, krijgt de heer [eiser] een regresvordering op de B.V. De economische waarde hiervan, is door het faillissement nihil. De vordering is immers niet verhaalbaar.

De staatssecretaris keurde goed dat de regresvordering te boek gesteld wordt voor het bedrag dat uw cliënt uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst heeft betaald, MITS de gehele zakelijk bepaalde vergoeding uit hoofde van het aangaan van de borgtocht onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in het inkomen en onder de Wet IB 2001 in het inkomen uit werk en woning betrokken is of wordt.

Aangezien de vergoeding in al deze jaren niet als inkomsten is aangegeven, is de lening een persoonlijke schuld en dient hij te worden aangegeven als schuld aan de [naam bank] , in box 3.

1.8.

Verweerder heeft met dagtekening 21 september 2018 de aanslag IB/PVV 2015 opgelegd. Daarbij is verweerder afgeweken van de aangifte van eiser.

1.9.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2015. Eiser heeft zijn bezwaar bij brief van 31 oktober 2018 – voor zover hier van belang – als volgt gemotiveerd:

Uw dienst heeft met dagtekening 21 september 2018 aan de heer [eiser] de in hoofde vermelde aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Langs deze weg maken wij bezwaar tegen deze aanslag.

Verzoek

Wij verzoeken u de aanslag als volgt te verminderen:

Primair

Het inkomen box 1 te verminderen met € 51.708, zijnde de voldane bedragen uit hoofde van de hoofdelijke aansprakelijkheid ad € 58.758 verminderd met de ter beschikkingsvrijstelling van € 7.050.

Subsidiair

Het verlies in box 2 vast te stellen op € 58.758, zijnde de betaalde bedragen uit hoofde van de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Meer subsidiair

Het box 1 inkomen te verminderen met € 22.781, zijnde de voldane bedragen uit hoofde van de hoofdelijke aansprakelijkheid in 2015 ad € 25.887 verminderd met de ter beschikkingsvrijstelling van € 3.106.

Nog meer subsidiair

Het verlies in box 2 vast te stellen op € 25.887, zijnde de betaalde bedragen in 2015 uit hoofde van de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Feiten

In 1997 heeft de heer [eiser] [naam vennootschap] B.V. opgericht. Naast de heren- en damesmodezaak die de familie [eiser] al runde, was dit een begrijpelijke aanvulling op de activiteiten. De heer [eiser] was met zijn herenmodezaak actief in het betere segment en mocht daardoor ook een breed scala aan ondernemers tot zijn klantenkring rekenen.

De heer [eiser] heeft met zijn plannen de [naam bank] opgezocht. Deze was bereid om een krediet te verstrekken zodat de B.V. van start kon gaan. Zoals te doen gebruikelijk bij bancaire financieringen, werd ook hier om hoofdelijke aansprakelijkheid van de heer [eiser] gevraagd.

Gezien de kennis van de kledingbranche en de kwaliteit van de plannen zagen de heer [eiser] en de bank de activiteiten met vertrouwen tegemoet.

In 2002 ging de B.V. echter failliet en de bank sprak de heer [eiser] aan als hoofdelijk aansprakelijke voor een bedrag van € 58.758 (zie schuldbekentenis en achterliggende brief van de [naam bank] ).

In de loop der jaren is er op deze lening rente en aflossing betaald. Het laatste bedrag van € 25.887 is in 2015 afgelost toen de eigen woning aan de [adres] te [woonplaats] is verkocht.

In alle jaren is er geen bedrag ten laste van het inkomen gebracht.

(…)

Box 2

Wanneer er geen sprake is van een zakelijke aansprakelijkheid, dan wordt de aansprakelijkheid geacht te zijn aangegaan uit aandeelhoudersmotieven. in dat geval is sprake van een verhoging van de verkrijgingsprijs van het aandelenbezit in [naam vennootschap] BV. en vergroot daarmee het verlies uit aanmerkelijk belang.

Aangezien er in 2015 geen sprake was van een aanmerkelijk belang van de heer [eiser] , dient het verlies dan ook omgezet te worden in een belastingkorting conform artikel 4.53 van de wet op de inkomstenbelasting.

Het bedrag

Zoals wij bij de feiten al vermeldden, bedroeg de aansprakelijkheid in eerste instantie €58.758. In de loop der jaren is er geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de betaalde aflossing in mindering te brengen op het box 1 inkomen. Waarschijnlijk is de mogelijkheid in eerste instantie vergeten en is daar naderhand geen wijziging meer in aangebracht. Van een bewuste standpuntbepaling is naar onze mening dan ook geen sprake geweest. Met toepassing van de foutenleer, die voortvloeit uit artikel 3.25 van de Wet op de inkomstenbelasting, zijn wij dan ook van mening dat inhaal van de voor 2015 betaalde bedragen dient plaats te vinden in het laatste openstaande jaar, zijnde 2015.

1.10.

Bij brief met dagtekening 3 juni 2019 heeft verweerder aan eiser een brief gestuurd met onderwerp ‘Betreft: Vooraankondiging uitspraak op het bezwaarschrift’. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Op 1 november 2018 ontving ik uw brief waarin u namens de heer [eiser] , burgerservicenummer [BSN nummer eiser] bezwaar maakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2015, aanslagnummer [BSN nummer eiser] .H.56.01, dagtekening van het aanslagbiljet 21 september 2018.

(…)

Samenvatting van uw bezwaar

Primair verzoekt u om het inkomen box 1 te verminderen met € 51.708 vanwege betalingen uit hoofde van hoofdelijke aansprakelijkheid van € 58.758 vermindert met de ter beschikkingsvrijstelling van € 7.050.

Subsidiair verzoekt de betalingen van € 58.758 uit hoofde van hoofdelijke aansprakelijkheid als verlies in box 2 vast te stellen.

Meer subsidiair verzoekt u om het in 2015 betaalde bedrag van € 25.887 vermindert met de ter beschikkingsvrijstelling van € 3.106 in mindering te brengen op het box 1 inkomen.

(…)

Ik leid uit het bovenstaande af dat de betalingen door de heer [eiser] uit hoofde van de hoofdelijke aansprakelijkheid niet ten laste kunnen komen van box 1. Dat geldt voor uw primaire standpunt en het meer subsidiaire standpunt.

Ik meen dat dit ook bevestigd wordt in de uitspraak van rechtbank Gelderland van 10 december 2018 AWB17/3270. Hier was sprake van onzakelijk handelen bij het aangaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Box 2

Ik ben het met u eens dat het aangaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid is aangegaan uit aandeelhoudersmotieven.

Vanaf 2013 is er geen sprake meer van een aanmerkelijk belang. Dat houdt in dat er vanaf 2015 sprake kan zijn van het omzetten van het verlies in een belastingkorting.

Voorgenomen beslissing

Ik ben van plan om uw bezwaar om het inkomen box 1 te verminderen vanwege de betalingen uit hoofdelijke aansprakelijkheid af te wijzen.

Ik ben van plan om uw betalingen uit hoofdelijke aansprakelijkheid als verlies in box 2 vast te stellen. Op uw verzoek kan dan vanaf 2015 het verlies omgezet worden in een belastingkorting. (…)”

1.11.

Bij brief met dagtekening 1 oktober 2019 heeft eiser op onder meer de bij 1.10. genoemde vooraankondiging gereageerd. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Aanslag Inkomstenbelasting 2015

U geeft aan dat u voornemens bent de betalingen aan te merken als verlies in box 2. Hiermee kunnen wij akkoord gaan. Wij verzoeken u tevens om het verlies bij beschikking vast te stellen.

Gezien het standpunt dat uw collega heeft ingenomen bij de aanslagoplegging, verzoeken wij u om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor deze bezwaarfase.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben en zien uw reactie tegemoet.

1.12.

Verweerder heeft bij brief met dagtekening 15 november 2019 uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak op bezwaar luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Beoordeling van uw bezwaar

Ik ben van mening dat de aanslag juist is.

Box 2 en belastingkorting

In mijn brief van 3 juni 2019 had ik aangegeven dat ik kon instemmen met uw subsidiaire standpunt om de betalingen van € 58.758 als een verlies in box 2 vast te stellen. Ik kom op dit standpunt terug.

De reden hiervoor is de volgende. [naam vennootschap] B.V. was reeds in

2002 failliet gegaan. De bank sprak de heer [eiser] ook in 2002 aan als hoofdelijke aansprakelijke.

In uw bezwaar gaat u uit van het feit dat in 2015 er geen aanmerkelijk belang meer aanwezig is en dat hierdoor recht bestaat op de zogeheten belastingkorting conform artikel 4.53 van de wet op de inkomstenbelasting 2001. De laatste termijn van de schuld werd ook afgelost in 2015.

Deze feiten echter zijn niet bepalend voor het bepalen of er nog recht bestaat op de belastingkorting. Hiervoor moet gekeken worden naar 5 jaars termijn die geldt voor toepassing van ambtshalve vermindering zoals geregeld in artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Voor aanslagbelastingen vervalt de termijn waarbinnen ambtshalve vermindering mogelijk is door verloop van vijf jaar na het eind van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.

Honorering van uw verzoek zou contra legem zijn. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die wel tot honorering van het uw verzoek kunnen leiden.

Box 1 vermindering inkomen

De reden(en) om niet tegemoet te komen aan uw bezwaar om inkomen in box 1 te verminderen gaf ik u in mijn brief van 3 juni 2019. Uw argumenten genoemd in brief van 1 oktober 2019 hebben mijn standpunt niet doen veranderen. (…)”

Vooraf

2. Het beroep is ingesteld op 23 december 2019. Eiser is voor het eerst uitgenodigd voor een zitting van de bestuursrechter bij brief van 16 december 2020. Eveneens op 16 december 2020 is eiser op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen toegelaten tot de schuldsanering. Verweerder heeft de rechtbank niet verzocht om aanhouding van het beroep om de bewindvoerder in de procedure op te roepen. Gelet op het voorgaande was eiser naar het oordeel van de rechtbank bevoegd om het beroep in te stellen en de procedure zelf te voeren.

Geschil en standpunten

3. In geschil is of de aanslag juist is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of het inkomen uit werk en woning op een groter negatief bedrag vastgesteld moet worden dan wel dat er een negatief inkomen uit aanmerkelijk belang vastgesteld moet worden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de schuld bij de [naam bank] met nummer [nummer lening overig] (zie 1.4.) c.q. de aflossing van (het restant van) die schuld (zie 1.5.) behoort tot:

  • -

    het inkomen uit werk en woning, meer in het bijzonder de terbeschikkingstellingsregeling;

  • -

    het inkomen uit aanmerkelijk belang of

  • -

    de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen.

4. Eiser stelt primair dat het bedrag dat hij in 2015 heeft afgelost op de lening in mindering moet komen op het inkomen uit werk en woning. Volgens eiser heeft hij door het voldoen van de schuld aan de [naam bank] een regresvordering verkregen op [naam vennootschap] . Die regresvordering valt onder de terbeschikkingstellingsregeling zodat de daarvoor aangegane lening daar eveneens onder valt. De aflossing van de lening komt dan, na toepassing van de terbeschikkingstellingsvrijstelling, in mindering op het inkomen uit werk en woning, aldus eiser.

5. Eiser stelt subsidiair dat het inkomen uit aanmerkelijk belang vastgesteld moet worden op -/- € 25.887. Volgens eiser heeft verweerder met de vooraankondiging van zijn uitspraak op bezwaar (zie 1.10.) vertrouwen gewekt dat hij dat bij uitspraak op bezwaar zou doen.

6. Meer subsidiair stelt eiser dat op grond van goedkeurend beleid en het rechtszekerheidsbeginsel het inkomen uit aanmerkelijk belang op -/- € 25.887 vastgesteld moet worden.

7. Verweerder stelt dat de aanslag juist vastgesteld is. Volgens verweerder behoort de lening tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen. De aflossing is daarom niet van invloed op de aanslag IB/PVV 2015. Volgens verweerder is geen sprake van rechtens te honoreren gewekt vertrouwen.

Beoordeling

Primaire beroepsgrond

Hoofdelijke aansprakelijkheid of borgstelling

8. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij stelt dat hij uit hoofde van borgstelling de schuld van [naam vennootschap] heeft betaald (zie 1.4.). Verweerder betwist dat sprake is van borgstelling. Volgens verweerder is sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid.

9. De rechtbank overweegt als volgt. Als er sprake zou zijn van borgstelling kan eiser zich mogelijk beroepen op (oud) goedkeurend beleid dat specifiek ziet op regresvorderingen welke voortgekomen zijn uit een borgstelling. Gelet daarop is het naar het oordeel van de rechtbank aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van borgstelling.

10. Naar het oordeel van de rechtbank maakt eiser niet aannemelijk dat sprake is van een borgstelling. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat sprake is geweest van een borgstelling voor de schuld van Vinnic Fasion. Voorts volgt uit de brief van de [naam bank] van 2 oktober 2002 (opgenomen als bijlage 10 bij het verweerschrift) dat de [naam bank] juist expliciet stelt dat formeel sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, en niet van borgstelling. De rechtbank zal er hierna van uitgaan dat eiser als (mede) hoofdelijk aansprakelijke de schuld van [naam vennootschap] heeft voldaan.

Zakelijkheid van de hoofdelijke aansprakelijkstelling

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet althans onvoldoende gesteld dat sprake is van een onzakelijke aansprakelijkstelling. De rechtbank wijst er daarbij op dat verweerder in dit kader niets heeft gesteld dat ziet op het aangaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat het door eiser accepteren van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de lening aan [naam vennootschap] zakelijk is geweest.

Terbeschikkingstelling van vermogen

12. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat de (regres)vordering die eiser in 2002 op [naam vennootschap] heeft verkregen per 2002 onder de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) valt. Vanaf dat moment had eiser immers een vordering op een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang hield. De door eiser ter voldoening van deze schuld in privé aangegane lening met nummer [nummer lening overig] valt dan eveneens onder de terbeschikkingstellingsregeling. Deze staat aan de passiefzijde van eisers tbs-balans.

Einde van de terbeschikkingstelling

13. De rechtbank overweegt voorts dat uit de gegevens uit het handelsregister volgt dat [naam vennootschap] (na in staat van faillissement te zijn geraakt in 2001) in 2005 opgehouden is te bestaan (zie 1.2.). Nadat [naam vennootschap] is opgehouden te bestaan kan geen sprake meer zijn van een terbeschikkingstelling als bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet IB 2001. De terbeschikkingstelling is daarom in 2005 geëindigd. Voor zover de regresvordering nog voor enig bedrag op eisers tbs-balans stond, had eiser de regresvordering in dat jaar ten laste van zijn tbs-resultaat kunnen brengen. Na het beëindigen van de terbeschikkingstelling valt de lening met nummer [nummer lening overig] (per 2006) vervolgens onder de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen.

14. Gelet op het voorgaande slaagt eisers primaire beroepsgrond niet. De rechtbank zal hierna eisers subsidiaire beroepsgrond beoordelen.

Subsidiaire beroepsgrond

15. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eiser aannemelijk maakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe verweerder in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.1 De bedoeling die verweerder met zijn uitlating had is daarbij niet relevant.2

16. Eiser heeft zijn beroep op gewekt vertrouwen onderbouwd door te wijzen op de volgende passage uit de vooraankondiging op de uitspraak op bezwaar (zie 1.10.):

Ik ben het met u eens dat het aangaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid is aangegaan uit aandeelhoudersmotieven.

Vanaf 2013 is er geen sprake meer van een aanmerkelijk belang. Dat houdt in dat er vanaf 2015 sprake kan zijn van het omzetten van het verlies in een belastingkorting.

Voorgenomen beslissing

Ik ben van plan om uw bezwaar om het inkomen box 1 te verminderen vanwege de betalingen uit hoofdelijke aansprakelijkheid af te wijzen.

Ik ben van plan om uw betalingen uit hoofdelijke aansprakelijkheid als verlies in box 2 vast te stellen. Op uw verzoek kan dan vanaf 2015 het verlies omgezet worden in een belastingkorting.

Hetgeen verweerder hier schrijft, is volgens eiser een bewuste standpuntbepaling waaraan hij het vertrouwen kon ontlenen dat verweerder bij uitspraak op bezwaar ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2015 een verlies uit aanmerkelijk belang zou vaststellen ter grootte van € 25.887.

17. Volgens verweerder ziet de uitlating in de vooraankondiging op het vaststellen van een verlies uit aanmerkelijk belang in 2002. Verweerder stelt verder dat enkel sprake is van de mededeling van een voornemen. Er is volgens verweerder geen sprake van een bewuste standpuntbepaling.

18. Naar het oordeel van de rechtbank moet de uitlating in de vooraankondiging zo uitgelegd worden dat verweerder bij uitspraak op bezwaar een verlies in 2015 zou vaststellen. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder de mededeling doet in het kader van de behandeling van eisers bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2015. Verweerder geeft daarbij aan eiser in zijn subsidiaire standpunt te volgen. Dat standpunt ziet op het vaststellen van een verlies in box 2 in 2015 (zie 1.9.). Tot slot volgt uit niets in de voorgenomen uitspraak op bezwaar dat verweerder doelt op het vaststellen van een verlies uit aanmerkelijk belang in 2002.

19. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen aan de uitlating van verweerder in de vooraankondiging. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vooraankondiging opgevat worden als een expliciete standpuntbepaling (toezegging) van verweerder aan eiser. De rechtbank acht hierbij van belang dat verweerder de uitlating in de bezwaarfase doet, nadat – zo mag worden verondersteld – hij de aanslag in het licht van het bezwaarschrift zorgvuldig heroverwogen heeft.

20. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank zal daarom – overeenkomstig het subsidiaire standpunt van eiser in beroep – het inkomen uit aanmerkelijk belang vaststellen op -/- € 25.887.

21. Nu de rechtbank van oordeel is dat eisers subsidiaire beroepsgrond slaagt, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de meer subsidiaire beroepsgrond.

Verzuimboete

22. Tegelijk met het opleggen van de aanslag IB/PVV 2015 heeft verweerder aan eiser een verzuimboete opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte. Het beroep wordt van rechtswege geacht mede gericht te zijn tegen de verzuimboete.3

23. Verweerder heeft in beroep geen stukken overgelegd die betrekking hebben op de verzuimboete. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of aan de vereisten voor het opleggen van een aangifteverzuimboete is voldaan. Gelet daarop vernietigt de rechtbank de verzuimboete.

Conclusie

24. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De rechtbank stelt de aanslag vast op een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 23.578 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van ‑/ € 25.887. De rechtbank stelt het verlies uit aanmerkelijk belang vast op € 25.887. De rechtbank vernietigt de boete.

Griffierecht en proceskosten

25. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 47 vergoedt.

26. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 799 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 265 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt de aanslag vast op een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ‑/ € 23.578 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van ‑/ € 25.887;

- stelt de (impliciet genomen) verliesvaststellingsbeschikking als bedoeld in artikel 4.50 Wet IB 2001 vast op € 25.887;

- vernietigt de boetebeschikking;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 799.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier, op 2 maart 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

w.g. griffier w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 Zie rechtsoverweging 2.3.1 van Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.

2 Vergelijk Hoge Raad 29 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC4975 en Hoge Raad 27 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1652.

3 Zie artikelen 24a, tweede lid, en 26b, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.