Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:595

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-02-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
AWB LEE - 19 _ 4356
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of de door de SVB op de AOW-uitkering ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet als voorheffing verrekend met de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) moet worden dan wel in mindering komt op het inkomen uit werk en woning.

De rechtbank oordeelt dat de bijdrage Zorgverzekeringswet geen voorheffing is die met de aanslag IB/PVV kan worden. Ook biedt de Wet inkomstenbelasting 2001 geen mogelijkheid om de bijdrage in mindering te brengen op het belastbaar inkomen uit werk en woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-03-2021
V-N Vandaag 2021/554
FutD 2021-0776
NTFR 2021/887
V-N 2021/20.25.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/4356

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 februari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2017 met dagtekening 5 juni 2019 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.033 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.326. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 33 aan belastingrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 november 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand verweerder] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en was geheel 2017 woonachtig in Nederland.

1.2.

Eiser ontving in 2017 een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB). Volgens de jaaropgave van de SVB bedroeg de uitkering € 14.754. Op de uitkering is € 797 ingehouden onder de noemer ‘bijdrage Zorgverzekeringswet’.

1.3.

In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 heeft eiser de door de SVB ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet van € 797 als ingehouden loonheffing opgevoerd. Het totaal bedrag aan ingehouden loonheffing bedraagt volgens de aangifte € 5.042.

1.4.

Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag rekening gehouden met een bedrag van € 4.245 aan ingehouden loonheffing. Het door de SVB ingehouden bedrag van € 797 heeft verweerder niet met de aanslag verrekend.

Geschil

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Nadere duiding van de beroepsgronden

3. Uit de manier waarop eiser zijn aangifte heeft ingevuld, en gelet op de formulering van zijn beroepsgrond in het beroepschrift, gaat de rechtbank er vanuit dat eiser primair stelt dat de door de SVB ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet als loonheffing op de aanslag IB/PVV 2017 verrekend moet worden.

4. Naar aanleiding van hetgeen tijdens het onderzoek ter zitting door eiser naar voren gebracht is gaat de rechtbank er vanuit dat eiser subsidiair stelt dat de door de SVB ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet in mindering gebracht moet worden op het belastbaar inkomen uit werk en woning. De rechtbank begrijpt eiser dus zo dat hij subsidiair stelt dat het bij de aanslag berekende inkomen uit werk en woning van € 37.033 met de ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet van € 797 verminderd moet worden tot € 36.236.

Standpunt verweerder

5. Verweerder stelt dat de aanslag op het juiste bedrag is vastgesteld. De bijdrage Zorgverzekeringswet is geen voorheffing die met de inkomstenbelasting verrekend kan worden, omdat die niet als zodanig is aangemerkt. De inkomstenbelasting wordt geheven over de bruto-uitkering volgens verweerder, zodat de inhouding door de SVB niet in mindering gebracht mag worden op het inkomen uit werk en woning.

Beoordeling door de rechtbank

Primaire beroepsgrond

6. Artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt als volgt:

De voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen worden verrekend met de aanslag, dan wel - voor zoveel nodig - bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking.

7. Artikel 9.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 luidt als volgt:

De voorheffingen zijn:

a. de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting;

b. de geheven dividendbelasting;

c. de op prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen;

d. de op grond van artikel 12 van het Besluit van het Europees Parlement nr. 2005/684/EG, Euratom, van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PbEU 2005, L 262), geheven gemeenschapsbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen voor zover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag aan Nederland is toegewezen.

8. Uit de hiervoor weergegeven wetsbepalingen (zie 6. en 7.) volgt dat de bijdrage Zorgverzekeringswet geen voorheffing is die met de aanslag IB/PVV verrekend kan worden. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht de door de SVB ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet niet met de aanslag IB/PVV 2017 verrekend. De primaire beroepsgrond slaagt daarom niet.

Subsidiaire beroepsgrond

9. Artikel 3.1, lid 2 aanhef en onderdeel d van de Wet Inkomstenbelasting 2001 luiden als volgt:

Inkomen uit werk en woning is het gezamenlijke bedrag van:

(…)

d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen (afdeling 3.5);

10. Artikel 3.100, eerste lid aanhef en onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001 luiden als volgt:

Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn:

a. de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen;

11. Artikel 3.101, eerste lid aanhef en onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001 luiden als volgt:

Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die:

a. worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling;

12. De AOW-uitkering is een periodieke uitkering op grond van een publiekrechtelijke regeling. Uit de hiervoor weergegeven wetsbepalingen (zie 9. tot en met 11.) volgt dan dat de volledige AOWuitkering – in eisers geval € 14.754 – onderdeel uitmaakt van het belastbaar inkomen uit werk en woning.

13. De wet biedt vervolgens geen mogelijkheid om de op de AOW-uitkering ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet in mindering te brengen op het belastbaar inkomen uit werk en woning. Dat betekent dus dat ook IB/PVV geheven wordt over de door de SVB ingehouden bedragen.

14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de aanslag terecht berekend naar (onder meer) een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.033. Ook de subsidiaire beroepsgrond slaagt niet.

15. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat heffing van IB/PVV over de door de SVB ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet (zie 13.) onredelijk is, overweegt de rechtbank dat zij op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen (Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk) de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag beoordelen.

Belastingrente

16. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking belastingrente. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier, op 25 februari 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

w.g. griffier w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.